30 821 Nationale Veiligheid

29 754 Terrorismebestrijding

Nr. 339 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 3 juli 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de brief van 19 maart 2026 inzake de Beleidsreactie op Periodieke Rapportage Contraterrorismebeleid 2025 (Kamerstuk 30 821, nr. 330).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 3 juli 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Eerdmans

De griffier van de commissie, Van Tilburg

1.

Kan er worden toegelicht hoe extra geld voor de aanpak van radicaliserende jongeren zal worden ingezet?

Zoals aangegeven in de afgelopen DTN-publicaties vindt radicalisering versneld en online plaats en raakt in grote mate jongeren.

In de begroting van 2026 en het coalitieakkoord zijn daarom onder andere extra middelen vrijgemaakt om de radicalisering van jongeren tegen te gaan. De besteding van deze middelen komt tot stand aan de hand van een gedeelde probleemanalyse op basis van de methodiek van het Beleidskompas. Op basis van deze probleemanalyse is met partners bezien waar de huidige aanpak versterkt kan worden om radicalisering van jongeren tegen te gaan. Zo wordt er onder andere geïnvesteerd in extra inzet van de expertise en coördinatie van de Raad voor de Kinderbescherming bij (radicaliserende) minderjarigen. Tevens wordt er geïnvesteerd in het evalueren van de werkzame elementen van huidige lokale interventies die bijdragen aan het tegengaan van radicalisering van jongeren.

Tot slot komt er dit najaar een WODC onderzoek uit waarin is onderzocht in hoeverre er sprake is van leeftijdsspecifieke radicalisering. Dit onderzoek biedt aanknopingspunten om de juiste interventies in te zetten voor de juiste doelgroep en deze gerichter toe te kunnen passen.

Het tegengaan van radicalisering van jongeren hangt sterk samen met de bredere inzet op het tegengaan van radicalisering, extremisme en terrorisme, onder andere op het gebied van vroegsignalering en het online domein. Ten aanzien van de bredere aanpak en inzet tegen online radicalisering wordt de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd middels de voortgangsbrieven Versterkte Aanpak Online.1

2.

Hoe kan er, als er wordt geconcludeerd dat er niets kan worden gezegd over de doelmatigheid van beleid, worden gewaarborgd dat extra geld voor het aanpakken van radicaliserende jongeren goed zal worden besteed?

Zoals aangegeven in de periodieke rapportage worden effectevaluaties van contraterrorismemaatregelen internationaal erkend als moeilijk uitvoerbaar, voornamelijk omdat deze gericht zijn op preventie en het moeilijk is om voldoende zicht te krijgen op de wil, capaciteiten en gelegenheid van potentiële terroristen en in welke mate zij door welke contraterrorismemaatregelen worden beïnvloed. Door een veelheid aan zowel variabelen als beleidsinstrumenten die gericht zijn op het tegengaan van extremisme- en terrorisme, is het zeer lastig effecten van specifiek beleid direct toe te kennen aan het feit dat er geen extremistische- en/of terroristische incidenten hebben plaatsgevonden.

De NCTV neemt de aanbevelingen uit de periodieke rapportage ter harte en gaat bij het (laten) uitvoeren van evaluaties toezien dat de Regeling Periodieke Evaluatieonderzoek (hierna: RPE) wordt toegepast. Dit verstevigt dat waar mogelijk elementen zoals doelmatigheid en doeltreffendheid worden meegenomen en meer eenduidigheid in evaluaties wordt aangebracht. Een andere aanbeveling die mede waarborgt dat de middelen uit het coalitieakkoord worden toegekend aan de juiste aanpak, is dat het Beleidskompas wordt gebruikt voor beleidsinitiatieven. Mede door bovenstaande maatregelen te treffen wordt geborgd dat de vrijgemaakte gelden ten bate komen van de aanpak van radicaliserende jongeren.

3.

Welke verschillen zijn er toegepast op deze periodieke rapportage ten aanzien van evaluaties in andere landen, omdat internationaal namelijk blijkt dat een effectenevaluatie van contraterrorismebeleid (CT-beleid) lastig uitvoerbaar is?

Gedurende de evaluatieperiode 2018–2024 zijn er geen ontwikkelingen geweest die hebben geleid tot het wegnemen van de lastigheid voor het uitvoeren van effectevaluaties op CT-beleid. De organisaties die de evaluaties voor hun rekening hebben genomen, zijn er niet in geslaagd hierop een passend antwoord te vinden. De doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zijn vaak buiten beschouwing gebleven, omdat het moeilijk is hierover iets te zeggen, zoals beschreven bij vraag 2.

Om dit in de toekomst te waarborgen, wordt zoals aangegeven in de beleidsbrief2 in het najaar van 2026 een conferentie georganiseerd met wetenschappers uit het CT-veld om tot meer effectevaluaties te komen.

4.

Welke stappen kunnen er nu al worden gezet voor het verbeteren van de samenhang in het CT-beleid, eerder dan in de nieuwe Nationale Contraterrorismestrategie voor 2027?

5.

Kunnen er al eerder stappen worden gezet voor de uniformering van definities en werkwijzen binnen de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid dan in de nieuwe Nationale Contraterrorismestrategie voor 2027?

6.

Kan concreet worden uitgelegd aan de hand van specifieke voorbeelden hoe het belang van goed, gedegen en uniform evalueren van beleidsmaatregelen en -instrumenten ter bevordering van de samenhang in CT-beleid vorm zal krijgen?

7.

Welke definities worden geüniformeerd en opgenomen in het versterken van de methodische werkwijzen binnen de CT-aanpak? Kunnen hier voorbeelden van worden gegeven?

Beantwoording vragen: 4, 5, 6 en 7.

De samenhang in het CT-beleid zal net als in de huidige Nationale Contraterrorismestrategie 2022–2026 (hierna: NCTS) langs de lijnen van de 4 V’s lopen, namelijk: Verwerven, Voorkomen, Voorbereiden en Vervolgen. In de nieuwe NCTS zal wederom aandacht worden gevraagd voor deze samenhang in CT-beleid en het evalueren daarvan. Op dit moment wordt de samenhang in het CT beleid versterkt door eenduidigheid te bevorderen.

Al in de huidige NCTS worden binnen de CT-keten afgestemde definities aangaande terrorisme en extremisme gegeven op bladzijde 4 in de voetnoot3. Het is zaak dat evaluatoren ook daadwerkelijk gewezen worden op het gebruik van deze definities, omdat er vele definities bestaan.

Met de inwerkingtreding van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten (hierna: de wet) is opnieuw een belangrijke stap genomen in het verder professionaliseren van de lokale aanpak van radicalisering en terrorisme in Nederland. De wet biedt duidelijkheid over taken, verantwoordelijkheden en grondslagen voor multilaterale gegevensverwerking. Ook zijn er in de wet definities vastgelegd, onder meer een definitie van «radicalisering». Als coördinator van de lokale aanpak van radicalisering streeft de NCTV naar uniformering van uitvoering van de wettelijke taken en verplichtingen door lokale ketenpartners, waar de daadwerkelijke uitvoering van de aanpak is belegd.

De uniformering van definities, werkwijzen en samenhang in bredere zin wordt door de NCTV opgenomen in de doorontwikkeling van de lokale persoonsgerichte aanpak via de uitrol van de Leidraad Professioneel Oordeel (hierna: De Leidraad). De Leidraad draagt bij aan het creëren van een gemeenschappelijke taal en gezamenlijk begrippenkader binnen bestaande casusoverleggen en wordt regelmatig geactualiseerd met nieuwe inzichten uit de lokale praktijk en wetenschap.

De kern van de Leidraad is een instrument om de multidisciplinaire dialoog binnen het casusoverleg van de Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering (hierna: PGA) te voeren. Het helpt partners om vanuit hun verschillende rollen en perspectieven tot een gezamenlijk oordeel te komen.

Een uniforme en eenduidige manier van evalueren zal leiden tot het beter kunnen uitvoeren van de synthesestudie voor de Periodieke Rapportage, waardoor het beter mogelijk wordt de rode draad uit de veelheid van evaluaties te halen.

Om tot een uniforme en eenduidige manier van evalueren te komen zal de NCTV zoals gezegd regie voeren bij het laten uitvoeren van evaluaties door vooraf de RPE mee te zenden aan evaluatoren en erop toe te zien dat deze ook wordt toegepast. Dit zal ervoor zorgen dat elementen zoals doelmatigheid en doeltreffendheid worden meegenomen (hoe moeilijk ook). Tegelijkertijd lopen aanvragen voor evaluaties via het WODC. De vragen naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zullen door de NCTV middels de RPE worden opgenomen in de evaluatieaanvraag, maar het is uiteindelijk aan het WODC of en zo ja op welke wijze deze vragen worden opgenomen in het onderzoek.

Tot slot wordt door de kenniscoördinatoren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met de Directie Innovatie, Kennis en Strategie, getracht een handreiking voor beleidsmedewerkers en onderzoekers op te stellen voor het uitvoeren van gestandaardiseerde beleidsevaluaties.

8.

Welke prestatie-indicatoren worden gebruikt om de doelstellingen, resultaten en uitkomsten expliciet en meetbaar te maken, zoals de aanbeveling voorschrijft?

In de beleidsontwikkeling zal per beleidsinstrument/maatregel de selectie van prestatie-indicatoren verschillen per beleidsinstrument om de doelstellingen, resultaten en uitkomsten expliciet en meetbaar te maken.

In het algemeen wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën prestatie-indicatoren, namelijk: input-indicatoren, output-indicatoren en outcome-indicatoren.

De input-indicatoren meten de ingezette middelen, zoals het budget (in euro’s), medewerkers (Fulltime-Equivalent 1.0 FTE = 36 uur per week) en tijd (weken/maanden).

Daarnaast meten de output-indicatoren de directe prestaties of geleverde producten, zoals bijvoorbeeld het aantal gegeven opleidingen aan professionals of georganiseerde bijenkomsten.

De outcome indicatoren meten de daadwerkelijke maatschappelijke impact, zoals bijvoorbeeld een af- of toename in extremistische incidenten, een krimp of groei in omvang van extremistische netwerken of een af- of toename van online haat.

De selectie van outcome-indicatoren wordt bemoeilijkt door het gegeven, zoals aangegeven bij antwoord 2, dat door een veelheid aan zowel variabelen als beleidsinstrumenten die gericht zijn op het tegengaan van extremisme- en terrorisme, het zeer lastig is effecten van specifiek beleid direct toe te kennen aan het feit dat er geen extremistische- en/of terroristische incidenten hebben plaatsgevonden. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 3, is het doel van de conferentie die eind 2026 wordt georganiseerd met wetenschappers uit het CT-veld, om tot meer effectevaluaties te komen en hier een antwoord op te geven.

9.

Hoe vaak is het Beleidskompas inmiddels gebruikt binnen het beleidsterrein CT? Kunnen hier ook voorbeelden van worden gegeven? Wie beoordeelt of het Beleidskompas wordt ingezet binnen het beleidsterrein CT?

In de periode 2025–2026 is het Beleidskompas toegepast ten behoeve van besluitvorming inzake de effectiviteit van het beleid. Ook is het Beleidskompas gebruikt om een gedegen uitvraag te doen bij partners ten behoeve van de midterm review van de Extremismestrategie die in het najaar van 2026 gereed zal zijn. Verder is zoals genoemd bij antwoord op vraag 1, het Beleidskompas gebruikt voor de probleemanalyse waarbij met partners is bezien waar de huidige aanpak versterkt kan worden om radicalisering van jongeren tegen te gaan.

Tot slot, zal het gebruik van het Beleidskompas worden verwerkt in de standaard werkwijze van beleidsontwikkelingen, ook ten behoeve van de samenhang van het CT-beleid.


X Noot
1

Contourenbrief Versterkte Aanpak Online (december 2023, Kamerstuk 29 754, nr. 708), de kamerbrief nadere uitwerking Versterkte Aanpak Online (december 2024, Kamerstuk 29 754, nr. 735) en de voortgangsbrieven Versterkte Aanpak Online (mei 2025, december 2025, Kamerstuk 29 754, nrs. 751 en 774).

X Noot
2

Kamerstukken II, 2025/2026, 30 821, nr. 330.

Naar boven