Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200830818 nr. 24

30 818
Regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet)

nr. 24
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 maart 2008

Tijdens de behandeling in eerste termijn van bovengenoemd wetsvoorstel op 12 en 13 februari jl. heb ik, mede naar aanleiding van vragen van de verschillende fracties, toegezegd uw Kamer voorafgaand aan de behandeling in tweede termijn op een aantal punten nader te informeren dan wel daarop een nadere toelichting te geven.

Hierna wordt op deze onderwerpen achtereenvolgens ingegaan.

1. Afschaffing riooloverstortvergunningen

Een aantal leden heeft gesproken over de riooloverstortvergunning. De heer Van der Staaij heeft ook een amendement (30 818, nr. 9) ingediend dat strekt tot het opheffen van de vergunningplicht voor riooloverstorten.

Zoals ik tijdens het debat heb aangegeven sta ik positief tegenover het laten vervallen van de vergunningplicht voor riooloverstorten en ik zal dat ook bewerkstelligen. Materieel onderschrijf ik dan ook doel en strekking van het genoemde amendement. Ik ben echter niet gelukkig met de wijze waarop het amendement dit doel tracht te bereiken, namelijk door wijziging van artikel 6.2 van het wetsvoorstel. Zoals ik tijdens het debat ook heb aangegeven wordt daarmee de algemene systematiek van de Waterwet – voor een specifiek onderdeel, nl. riooloverstortvergunningen – onnodig doorbroken.

Artikel 6.2, eerste lid, van het wetsvoorstel bepaalt dat het verboden is zonder vergunning stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam. Deze bepaling stelt de vergunningplicht voor lozingen voorop. Het gaat hier in hoofdzaak om handelingen die onderwerp zijn van internationale en Europese verplichtingen.

In verband met deze verplichtingen hecht ik aan het opnemen van de vergunningplicht als uitgangspunt in de wet.

Daarnaast biedt het wetsvoorstel in de artikelen 6.4 en 6.5 de mogelijkheid om voor bepaalde, bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aan te wijzen gevallen vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht en in plaats daarvan algemene regels te stellen.

Momenteel wordt het Besluit algemene regels voor lozingen buiten inrichtingen voorbereid. Deze AMvB zal algemene regels bevatten over lozingen via overstorten en zal tegelijk een vrijstelling geven van de vergunningplicht. Dit is ook in lijn met de ingezette algemene tendens naar algemene regels ter vervanging van de vergunningplicht voor lozingen (onder meer het onlangs in werking getreden Activiteitenbesluit).

Inwerkingtreding van het genoemde besluit is voorzien in de eerste helft van 2009. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Waterwet wordt het besluit gebaseerd op de huidige Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Het Besluit algemene regels voor lozingen buiten inrichtingen zal, wanneer de Waterwet in werking treedt (en daarmee de Wvo wordt ingetrokken), dan ook gecontinueerd worden op basis van de artikelen 6.4 en 6.5 van de Waterwet.

Met het Besluit algemene regels voor lozingen buiten inrichtingen wordt derhalve tegemoet gekomen aan de wens om de vergunning voor riooloverstorten te vervangen door algemene regels, door vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht.

2. Heffingsvrijstelling voor riooloverstorten

Tijdens de behandeling in eerste termijn hebben verschillende Kamerleden ervoor gepleit om gemeentelijke riooloverstorten vrij te stellen van verontreinigingsheffing.

Ik heb aangegeven hier positief tegenover te staan en heb u toegezegd te willen nagaan wat de implicaties van een dergelijke vrijstelling kunnen zijn.

Belangrijke doelstelling van de heffing in het algemeen is dat het invulling geeft aan het principe «de vervuiler betaalt» en dat er een prikkel van uit gaat om continu de hoeveelheid verontreiniging te verminderen. Specifiek voor riooloverstorten geldt dat dit veel minder opgaat. Het is buitengewoon kostbaar de vuiluitworp van een riooloverstort te beperken met zuiveringstechnische maatregelen. Dat kan alleen door de riolering fundamenteel aan te passen. Ook met het nieuwe instrument in de Waterwet, de bestuurlijke waterafspraken, kan worden bevorderd dat gemeenten en waterschappen ook over riooloverstorten afspraken maken over vermindering van lozingen en overlast door middel van investeringen. Een belangrijke maatregel is bijvoorbeeld het afkoppelen van regenwater. Op bestuurlijk niveau zijn hierover tussen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen afspraken gemaakt in het kader van het Bestuursakkoord Waterketen. Verder geldt dat administratieve lasten worden beperkt door het afschaffen van de heffing. Wel blijkt dat het verlenen van een vrijstelling voor specifieke categorieën van gevallen gevolgen heeft voor de tarieven en dat aan een vrijstelling fiscaal-juridisch lastige aspecten kunnen zitten, zoals ongewenste precedentwerking.

De mogelijke risico’s die hieraan kleven kunnen worden beperkt door de vrijstelling voor de riooloverstorten op formeel wetsniveau neer te leggen.

Gelet op bovenstaande ben ik, conform de wens van de Kamer, voornemens de heffingsvrijstelling voor de riooloverstorten in de Invoeringswet te regelen.

3. Borging amendement De Krom (30 818, nr. 11)

De heer De Krom beoogt met zijn amendement (30 818, nr. 11) degenen die afvalwater aanbieden voor inzameling, transport en zuivering, extra bescherming te bieden door vast te leggen dat de voorwaarden voor die inzameling, transport en zuivering redelijk, transparant en niet-discriminatoir dienen te zijn, net zoals dat gebeurt in de Drinkwaterwet.

De borging van de belangen van aanbieders is inderdaad belangrijk, maar de wijze waarop het amendement dit probeert te realiseren is mijns inziens niet nodig, om de volgende redenen. Bij de openbare drinkwatervoorziening is de verhouding tot de consument geregeld in contractuele voorwaarden die het drinkwaterbedrijf en de consument geacht worden onderling overeen te komen. In dat verband kan het, vanwege het exclusieve leveringsrecht van drinkwaterbedrijven, zinvol zijn om de belangen van de consument extra te borgen door een bepaling als die van artikel 8 van de Drinkwaterwet.

Bij de inzameling, transport en zuivering van stedelijk afvalwater ligt dit echter anders. Hier zijn de voorwaarden geen contractuele, onderling overeengekomen voorwaarden, maar publiekrechtelijke voorschriften in algemene regels of vergunningen die ter bescherming van algemene belangen worden gesteld op grond van wet- en regelgeving (i.c. de Waterwet en de Wet milieubeheer), en die met de nodige bestuursrechtelijke waarborgen zijn omkleed.

Zo worden de voorwaarden bij inzameling en transport van stedelijk afvalwater geregeld op grond van de Wet milieubeheer. Het gaat dan om zogenaamde lozingen op het openbaar vuilwaterriool, waarvoor algemene regels gelden, of een vergunningplicht. Soms kan lozing van stedelijk afvalwater op de riolering ook geheel verboden zijn. Bij het stellen van deze voorwaarden in concrete gevallen zijn de belangen van de «consument» goed geborgd. Het gaat immers ofwel om via de daarvoor geldende regels tot stand gekomen regelgeving, ofwel om beschikkingen op grond van die regelgeving die tot stand komen met alle waarborgen van de voorbereidingsprocedures van de Algemene wet bestuursrecht en waartegen rechtsbescherming open staat. Ook de zorgplicht voor gemeenten voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater is geregeld in de Wet milieubeheer (art. 10.33).

Voor de zuivering van stedelijk afvalwater geldt hetzelfde. Het aanbieden van afvalwater door particulieren op een zuiveringstechnisch werk wordt geregeld op grond van de Waterwet (lozingen via een werk, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool).

Ook hiervoor gelden de in vergunningen of algemene regels opgenomen voorschriften, en ook hier geldt dat deze volgens de gebruikelijke staats- of bestuursrechtelijke procedures zorgvuldig worden voorbereid en dat er rechtsbescherming open staat tegen beschikkingen. Daarnaast geldt een zorgplicht voor waterschappen om het stedelijk afvalwater te zuiveren dat in een openbaar riool (in beheer bij een gemeente) is gebracht.

Tenslotte kan in dit verband worden opgemerkt dat ook de financiële «voorwaarden» voor inzameling, transport en zuivering van stedelijk afvalwater wettelijk geregeld zijn in de vorm van belastingen, zoals de zuiveringsheffing die is ingevoerd met de Wet modernisering waterschapsbestel. Deze heffingen zijn ook met de daarvoor gebruikelijke waarborgen omgeven.

Gelet op bovenstaande zie ik geen aanleiding voor de bepalingen die amendement nr. 11 beoogt te introduceren in de Waterwet. Een dergelijke regeling zou bovendien een doorkruising inhouden van de bekende publiekrechtelijke waarborgen van behoorlijk bestuur en rechtsbescherming.

4. Grondwateronttrekkingen: grens 500 000 m3 voor industriële onttrekkingen

Tijdens de eerste termijn is discussie gevoerd over de taakverdeling voor grondwateronttrekkingen. Zoals ik heb aangegeven, hecht ik aan het behouden enerzijds van de duidelijke taakverdeling in de Waterwet tussen beleid en uitvoering en anderzijds van de uitzonderingen die gemaakt zijn voor grote onttrekkingen, waarvan de kennis van oudsher bij de provincie aanwezig is en waarvoor nog geen kaderstellend beleid bestaat.

De heer Boelhouwer heeft een amendement ingediend waarbij als alternatief criterium wordt voorgesteld voor de taakverdeling: het onttrekken uit een grondwaterlichaam dat al dan niet in contact staat met een oppervlaktewaterlichaam. Tijdens de eerste termijn heeft de heer Cramer ook gerefereerd aan deze optie.

Ik constateer dat verschillende kamerleden zoeken naar een alternatief voor het criterium van 500 000 m3/jr., dat minder arbitrair is. Bij de totstandkoming in 2005 van de afspraken tussen IPO en Unie zijn echter verschillende alternatieven de revue gepasseerd, zoals die welke zijn voorgesteld door de heer Boelhouwer en door de heer Jansen. Deze alternatieven zijn echter afgevallen na uitgebreide discussies en op basis van overwegingen uit de praktijk.

Het door de heer Boelhouwer voorgestelde criterium is niet eenduidig en zal in de praktijk, zo hebben provincies aan mij kenbaar gemaakt, aanleiding geven tot problemen met de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Grondwaterlichamen staan immers altijd in meerdere of mindere mate in contact met oppervlaktewaterlichamen, waardoor in de praktijk discussie kan ontstaan over de vraag wie in een bepaald geval als bevoegd gezag moet optreden.

Daarnaast heeft de heer De Krom aangedrongen op verlaging van de grens (thans 500 000 m3/jr), waarboven de vergunningverlening voor industriële grondwateronttrekkingen en infiltraties in handen blijft van de provincies.

Mijn voorkeur gaat daarbij uit naar een grens waarvoor draagvlak bestaat bij zowel IPO als Unie. Om die reden heb ik hun voorstel uit 2005 overgenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik heb aangegeven tijdens het debat in eerste termijn, doet een grensverlaging, bijvoorbeeld naar 150 000 of 200 000 m3/jr, geen afbreuk aan mijn argumenten.

Tenslotte heeft de heer De Krom gevraagd of de waterschappen het bevoegde gezag blijven voor agrarische grondwateronttrekkingen en infiltraties. Dit kan ik bevestigen. Deze categorie is immers in artikel 6.2b niet aangewezen als categorie waarvoor de provincies bevoegd blijven.

5. Stopzetten grote grondwateronttrekkingen

De heer Boelhouwer heeft opmerkingen gemaakt met betrekking tot de negatieve gevolgen van het (plotseling) stopzetten van grote grondwateronttrekkingen, en heeft op dit punt inmiddels een amendement (30 818, nr. 19) ingediend. Met dit amendement beoogt de indiener het mogelijk te maken dat het bevoegd gezag via een ambtshalve wijziging van een bestaande vergunning een voorschrift tot financiële zekerheidsstelling kan opnemen voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiende uit door de vergunde handeling of het geheel of gedeeltelijk staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem. Evenzo is de bedoeling dat voorschriften kunnen worden gesteld die betrekking hebben op het wegnemen of compenseren van schade die wordt veroorzaakt door het staken van de vergunde handeling.

Voor alle duidelijkheid vermeld ik, in aansluiting op mijn mondelinge reactie, allereerst dat de thans bestaande vergunningen zijn gebaseerd op de Grondwaterwet.

De bestaande vergunningen op basis van die wet zullen in het kader van het overgangsrecht van rechtswege worden aangemerkt als watervergunning voor de activiteit waarop zij betrekking hebben.

In de Waterwet is inmiddels bij nota van wijziging (30 818, nr. 7), door aanpassing van artikel 6.13, uitdrukkelijk voorzien in het opnemen van vergunningvoorschriften inzake onder meer financiële zekerheidsstelling. Vergunningvoorschriften die volgens artikel 6.13 van het wetsvoorstel Waterwet uitdrukkelijk mogelijk zijn, kunnen ook gesteld worden bij ambtshalve wijziging van de vergunning. In het licht van deze nota van wijziging is het amendement van de heer Boelhouwer niet nodig.

Voor de volledigheid wijs ik er op dat de afweging bij ambtshalve wijziging veelal anders is dan bij het verlenen van een nieuwe vergunning, omdat mogelijk gerechtvaardigde verwachtingen van de vergunninghouder, op basis waarvan hij in het verleden grote investeringen kan hebben gedaan, worden doorkruist. Artikel 6.13 Waterwet maakt het echter wel mogelijk dat verdergaande voorzieningen worden voorgeschreven dan op basis van de huidige Grondwaterwet mogelijk is.

Het bevoegd gezag heeft hiermee dus na inwerkingtreding van de Waterwet een goede aanleiding om ook voor de bestaande onttrekkingsvergunningen (oorspronkelijk verleend op basis van de Grondwaterwet) per geval een hernieuwde afweging maken en te overwegen of via een ambtshalve wijziging het stellen van financiële zekerheid bewerkstelligd moet worden.

Tenslotte hebben de heren Jansen en Boelhouwer zorgen geuit over de registratie en het beleid inzake de perforatie van kleilagen voor verschillende activiteiten die plaatsvinden in de diepe ondergrond, zoals koude/warmte opslag en geothermie. Mede gezien de toename van deze en andere activiteiten in de ondergrond wordt de noodzaak voor een verdere beleidsmatige uitwerking voor deze handelingen groter. Daarin passen ook vraagstukken omtrent registratie, eigendoms- of gebruiksrechten en vergunningverlening. Vanuit het rijk gebeurt dit onder trekkerschap van VROM met nauwe betrokkenheid van de provincies, gemeenten en waterschappen. Dit beleidskader moet het bevoegd gezag in staat stellen om een balans te vinden tussen het gebruik van de ondergrond (inclusief het grondwater) en het behoud van de functies daarvan. Er wordt naar gestreefd om voor dit duurzaam gebruik van de ondergrond in het najaar van 2008 de aanzet beschikbaar te hebben.

6. Schadevergoeding in bergingsgebieden

Tijdens het debat zijn verschillende vragen gesteld (Boelhouwer, Jansen, Cramer) met betrekking tot de consequenties voor mensen die in bergingsgebieden wonen.

Ik heb toen toegezegd op enkele punten nog nader schriftelijk te zullen reageren.

De heer Jansen heeft gevraagd wat de hoogte is van het normale maatschappelijk risico en of daaraan een grens is gesteld.

Graag maak ik van de gelegenheid gebruik dit punt te verduidelijken. Kenmerk van nadeelcompensatiebepalingen zoals artikel 7.11 Waterwet, maar ook van talloze andere, is dat de onevenredige schade wordt vergoed. Om te kunnen spreken van onevenredige schade moet sprake zijn van een abnormale last; de schade moet tenminste buiten het normale maatschappelijke risico vallen. Of daar in een concreet geval sprake van is wordt door de meeste wettelijke en buitenwettelijke regelingen overgelaten aan de beoordeling van het concrete geval. Zo ook de schadevergoedingsregeling van de Waterwet. De rechtvaardiging hiervoor ligt in de schier oneindige hoeveelheid verschillende gevallen die onder het bereik van een dergelijke regeling kunnen vallen.

Ook de schadevergoedingsregeling van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening kent het criterium normaal maatschappelijk risico. Bijzonder in die wet is de introductie van een minimumgrens. Voor rekening van de aanvrager blijft – kort weg – in ieder geval twee procent van het inkomen of twee procent van de waarde van de onroerende zaak.

In de Waterwet is – net als in de voorlopers daarvan – gekozen voor de algemene formulering, waarbij dus niet bij voorbaat is bepaald wat in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking komt. Die keuze acht ik ook juist. Onder de regeling van artikel 7.11 Waterwet vallen veel meer verschillende gevallen dan onder de Wro: het kan bijvoorbeeld variëren van een eenvoudige lozingsvergunning tot een projectplan tot verlegging van een primaire waterkering.

Tot op heden hebben mij nog geen signalen bereikt als bij de planschaderegeling, dat dringend behoefte zou bestaan aan de introductie van een minimumgrens. Ook in het voorontwerp voor een algemene regeling voor nadeelcompensatie in de Algemene wet bestuursrecht is niet voorzien in een minimumgrens.

Bij de vraag of alle schade volledig wordt vergoed speelt ook het thema hoe moet worden omgegaan met nieuwe investeringen van burgers en bedrijven die in bergingsgebieden of door overheidsingrijpen buitendijks zijn komen te wonen (het voorbeeld van de nieuwe parketvloer, aangelegd nadat een gebied als bergingsgebied is aangewezen). De heer Boelhouwer heeft hierop gewezen.

In algemene zin geldt dat deze burgers en bedrijven twee soorten schade kunnen lijden: ten eerste directe vermogensschade vanwege waardedaling van hun onroerend goed en ten tweede eventuele later optredende (toekomstige) overstromingsschade. In het wetsvoorstel is geregeld dat beide soorten schade voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de vergoeding van overstromingsschade aan later gedane investeringen geldt het criterium van de actieve risico-aanvaarding. De risico’s waarmee men bij het doen van zijn investeringsbeslissing redelijkerwijs rekening mee kon houden, blijven in beginsel voor eigen rekening. Ook onder het systeem van de Waterwet blijft de mogelijkheid bestaan om maatwerk voor bijzondere gevallen te bieden. De PKB Ruimte voor de Rivier is zo’n geval. Voor de buitendijks te brengen gebieden in het kader van de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier is dit regime voor de eerste eigenaar daarom gunstiger. Daar kan ook schade aan latere investeringen voor vergoeding in aanmerking komen, mits die investeringen blijven binnen de grenzen van het dan geldende planologische regime. Die schade wordt dus in dit bijzondere geval vergoed.

De heer Cramer heeft gevraagd hoe de schadevergoeding is geregeld bij het werken met een dynamisch peil in een oppervlaktewaterlichaam. De artikelen 7.11 en 7.11a van de wet voorzien in de mogelijkheid van schadevergoeding in dit soort gevallen.

Het eerste artikel biedt de mogelijkheid van vergoeding van onevenredige schade als gevolg van een dergelijke bevoegdheidsuitoefening in kader van waterbeheer, terwijl artikel 7.11a buiten twijfel stelt dat ook de wateroverlastschade die het gevolg is maatregelen gericht op het vergroten van de afvoer- of bergingscapaciteit van watersystemen onder de voorwaarden van artikel 7.11 voor vergoeding in aanmerking komt.

7. Projectprocedure

Voor aanleg of wijziging van een waterstaatswerk is altijd een projectplan (art. 5.2) nodig. De toepassing van de projectprocedure is in artikel 5.3 beperkt tot projectplannen van waterschappen betreffende aanleg of wijziging van a. primaire waterkeringen of b. andere, bij provinciale verordening aan te wijzen waterstaatswerken.

De heer De Krom vroeg of deze projectprocedure de Wet ruimtelijke ordening (Wro) niet buiten spel zet. De projectprocedure in de Waterwet is echter bedoeld als een aanvulling voor de waterschappen en zeker niet als een manier om de procedures van de Wro te omzeilen.

Dit is als volgt gewaarborgd: uit de formulering van artikel 5.3 blijkt dat de projectprocedure geen betrekking heeft op de aanwijzing van gebieden als bergingsgebieden. Een gebied kan formeel pas een bergingsgebied zijn als er een aanwijzing voor waterstaatkundige doeleinden op basis van de Wro aan ten grondslag ligt (zie de definitie van bergingsgebied in de Waterwet). Als een bergingsgebied zou worden vergroot moet er een aanvullende aanwijzing op basis van de Wro plaatsvinden.

Daarnaast heb ik op grond van de inbreng van een aantal kamerleden over dit onderwerp toegezegd te bezien hoe het toepassingsbereik van de projectprocedure op verantwoorde wijze kan worden ingekaderd in de wet. In eerste termijn heb ik mondeling indicatief als mogelijke criteria genoemd: in «noodzakelijke gevallen bij bovenlokale belangen». Het element «bovenlokaal» ligt voor de hand, omdat de toepasselijkheid van de procedure wordt bepaald op provinciaal niveau. Wat betreft de noodzaak gaat het om het vinden van clausuleringen die passen bij de ratio van de projectprocedure. Die procedure moet een instrument bieden waarmee waterschappen met voortvarendheid fysieke werken kunnen realiseren die qua besluitvorming relatief omvangrijk of ingewikkeld zijn. Waterschappen staan immers, mede in het licht van de klimaatadaptatie, voor grote en urgente opgaven en een van de redenen voor modernisering van de waterwetgeving is om het wettelijk instrumentarium meer uitvoeringsgericht te maken. En juist de waterschappen hebben de procedure nodig omdat de projectprocedure van de Wro niet van toepassing is voor hun projecten.

Uit het overleg dat tot nu toe heeft kunnen plaatsvinden met de provincies is duidelijk geworden dat de uitwerking van het begrip «noodzaak» niet alleen in de sfeer van de veiligheid moet worden gezocht. Ook het voorkomen en beperken van wateroverlast alsmede de zorg voor de ecologische en chemische waterkwaliteit en voor de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen vergen soms het met voortvarendheid realiseren van werken. Denk bijvoorbeeld aan fysieke voorzieningen voor het functioneren van waterbergingsgebieden of de herinrichting van bepaalde waterlichamen als onderdeel van het maatregelenpakket voor de Europese kaderrichtlijn water of de zwemwaterrichtlijn.

Op basis van de hierboven genoemde overwegingen denk ik dat een nadere inkadering van de projectprocedure in artikel 5.3 het volgende zou kunnen inhouden. De projectprocedure zal in de eerste plaats nog steeds van toepassing zijn op projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen. Dat is niet in discussie. Daarnaast kan de projectprocedure bij of krachtens provinciale verordening van toepassing worden verklaard op projectplannen voor de aanleg of wijziging van secundaire waterkeringen en op andere werken van bovenlokale betekenis die met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht. Om dit te realiseren stuur ik u de bijgevoegde nota van wijziging (Kamerstuk 30 818, nr. 25).

8. Amendement nr 17 «belanghebbende»-begrip

Door de Kamer is de wens geuit om de kring van personen die zienswijzen kunnen indienen op het ontwerp van een watervergunning te beperken tot belanghebbenden. De heer Koppejan heeft daartoe ook een amendement (30 818, nr. 17) ingediend.

In mijn eerste termijn gaf ik al aan op dit punt te willen aansluiten bij de Wet algemene bepalingen omgevingsecht (Wabo).

Daarbij ging ik er overigens ten onrechte vanuit dat in de Wabo zienswijzen nog door een ieder konden worden ingebracht. Inmiddels is mij gebleken dat ook in de Wabo de kring van personen die zienswijzen kunnen inbrengen op het ontwerp van een vergunning bij amendement (30 844, nr. 16) beperkt is tot belanghebbenden. Het ligt niet voor de hand om hier in de Waterwet van af te wijken en daarmee sta ik positief tegenover het amendement.

9. Lozen van gezuiverd afvalwater

Tijdens de behandeling in eerste termijn heeft het lid Madlener gevraagd of ik bereid ben lozingen van gezuiverd water op oppervlaktewater door bedrijven vrij te stellen.

Daartoe ben ik niet bereid. De hoogte van de aanslag is afhankelijk van de aard en de hoeveelheid van het resterende deel van het gezuiverde water. De prikkel om de zuiveringsinstallatie blijvend goed te laten functioneren blijft hierdoor behouden. Wanneer de heffingplichtige de installatie zodanig weet te sturen dat de hoeveelheid reststoffen gering is of verwaarloosbaar, zal de aanslag laag zijn of achterwege blijven. In andere gevallen dient een aanslag te worden opgelegd.

10. Amendement (30 818, nr. 12)

De heer Jansen heeft een amendement ingediend over de samenwerking in de waterketen. Het amendement beoogt te verzekeren dat gemeenten (rioolbeheer) en waterschappen (afvalwaterzuivering) gehouden zijn om investeringen in hun deel van de keten te doen, als hiermee tegen de laagste kosten de gevraagde maatschappelijke prestatie geleverd kan worden. De heer Jansen geeft daarbij aan dat hij daarmee een aanscherping beoogt van de algemene verplichting die in artikel 3.5 is opgenomen, zodat zowel waterschap als gemeente maatregelen nemen die effectief zijn tegen zo laag mogelijke kosten.

In reactie hierop merk ik het volgende op. In de Waterwet heb ik een aanvulling gedaan op het bestaande instrument van waterakkoorden, namelijk via de bij nota van wijziging (30 818, nr. 7) geïntroduceerde verplichting tot het maken van bestuurlijke waterafspraken (art. 3.5a).

Deze bestuurlijke waterafspraken betreffen afspraken tussen gemeenten en waterschappen onderling en kunnen bijvoorbeeld worden gemaakt over het goed functioneren van de riolering en de zuivering in onderlinge samenhang. Dit kan ook betrekking hebben op het doen van investeringen. De provincie houdt toezicht en heeft de bevoegdheid bij het uitblijven van afspraken een aanwijzing te geven.

Deze bevoegdheid strekt niet zover dat de provincie gemeenten en waterschappen kan verplichten om specifieke maatregelen te treffen, maar wel om daartoe met elkaar afspraken te maken.

De afspraken die de gemeente maakt vinden hun weerslag in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op basis van de Wet milieubeheer (Wm) en die van het waterschap in het waterbeheerplan op basis van de Waterwet. De provincie staan bevoegdheden ter beschikking om bij te sturen. Immers het waterbeheerplan moet worden goedgekeurd door de provincie. Ten aanzien van het GRP kan de provincie op grond van de Wm een aanwijzing geven over de inhoud van het plan.

Gelet op bovenstaande kom ik dan ook tot de conclusie dat hetgeen de heer Jansen met zijn amendement beoogt voldoende is verankerd in de Waterwet, nu met het instrument van de bestuurlijke waterafspraken juist erin voorzien wordt waarborgen te scheppen voor effectieve maatregelen tegen zo laag mogelijke kosten. Daarnaast bieden – mochten gemeenten en waterschappen er niet uitkomen – de Waterwet en de Wm voldoende mogelijkheden tot bijsturen door de provincies. Dit laat onverlet dat gemeente en waterschap eigen verantwoordelijkheid hebben en primair een eigen democratische afweging moeten maken.

11. Watertoets

De heer Cramer heeft gevraagd naar de hardheid van de watertoets en de mogelijkheden van versterking en vergroting van de effectiviteit van deze toets.

Zoals ik in de Watervisie (Kamerstukken 2006–2007, 27 625 nr. 101) en tijdens het Algemeen Overleg over de Nationale Adaptatiestrategie in november 2007 (Kamerstukken 2007–2008, 31 269 en 22 112, nr. 4) heb toegezegd, wordt in het eerste kwartaal van 2008, in afstemming met de medeoverheden, een onderzoek naar de versterking van de effectiviteit van de watertoets uitgevoerd. Dit zal uitmonden in een gezamenlijk voorstel van de minister van VROM en mij over een verbeterde watertoets.

12. Besparingen in de waterketen

Zoals toegezegd tijdens het debat vermeld ik u hierbij nog het nummer van de brief aan uw Kamer van 12 februari 2008 van mijn ambtsgenoot van VROM, betreffende Stand van zaken waterketenbeleid en uitvoering motie 31 200 XII, nr. 40. Dit nummer is 28 966, nr. 14.

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. C. Huizinga-Heringa