nr. 84
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 23 augustus 2007
De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat1
heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Verkeer en Waterstaat
naar aanleiding van de brief inzake de ervaringsfase voor ecocombis (LZV)
(kamerstuk 30 800 XII, nr. 81).
De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 22 augustus
2007.
Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
R. Kortenhorst
De griffier van de commissie,
Roovers
1
In hoeverre is bij het besluit ten aanzien van de ervaringsfase
dat een ecocombi meer assen heeft dan een gewone vrachtautocombinatie, waardoor
zo wel de aslast – (en daarmee de druk op het wegdek) – als ook
de belasting per meter (de zogenaamde brugformule) lager is.
Bij de besluitvorming is meegewogen dat een LZV meer assen heeft dan een
gewone vrachtautocombinatie, waardoor de aslast op het wegdek vergelijkbaar
is met de door gewone vrachtauto’s veroorzaakte aslasten. Het probleem
is echter dat voor bruggen en viaducten niet de aslast maatgevend is, maar
het totaalgewicht. Wanneer een vrachtautocombinatie van 60 ton zich tussen
twee oplegpunten bevindt, zijn de krachten die dat veroorzaakt in de brug
of het viaduct groter dan waar de constructie op berekend is. Een veelvuldige
belasting door vrachtauto’s van 60 ton zou daardoor de levensduur van
bruggen en viaducten aanzienlijk bekorten. Een beperkt aantal passages (zoals
in de afgelopen proef met LZV’s) leverde bij de kunstwerken nog een
verantwoord veiligheidsrisico op, maar met het grote aantal passages dat te
verwachten is in de ervaringsfase wordt dit thans niet meer als verantwoord
gezien.
2
Is het waar dat momenteel zo’n 60% van
de ecocombi’s op de Nederlandse wegen met een gewicht van meer dan 50
ton (en maximaal 60 ton) rijdt? Deelt u de mening dat het voor transportondernemers,
die hun bedrijfsvoering hierop hebben aangepast, onaantrekkelijk(-er) wordt
om ecocombi’s in te zetten als het maximumgewicht op 50 ton wordt vastgesteld?
Uit de bevindingen van de proef die liep tot november 2006 en waarvan
ik u reeds eerder de resultaten stuurde, blijkt dat er gemiddeld 16 ton lading
per combinatie werd vervoerd in de proef. De combinaties worden dus vooral
voor dat type lading ingezet, waarbij het laadvolume de beperkende factor
is. Dit stemt ook overeen met gangbare gemiddelden in het wegvervoer, en komt
ook overeen met studies die voorafgaand aan de proef werden verricht. Derhalve
is het niet juist dat 60% van de combinaties daadwerkelijk rijdt met
een volledige benutting van de toegestane maximum massa.
Van de combinaties in de proef had wel 64% een ontheffing aangevraagd
om zwaarder te mogen rijden dan 50 ton. De feitelijke dagelijkse inzet blijkt
voor wat gewicht betreft achter te blijven bij het aangevraagde gewicht. Voor
een relatief kleinere groep die wel dagelijks of zeer frequent een hoger toegestane
massa dan 50 ton heeft benut, zal het mogelijk in de ervaringsfase minder
aantrekkelijk worden om LZV’s in te zetten.
3
Deelt u de mening dat door het vaststellen van een
maximumgewicht voor ecocombi’s op 50 ton in de ervaringsfase het aantal
vrachtauto’s op de Nederlandse wegen niet aanzienlijk zal afnemen en
daardoor niet zal leiden tot een afname van de belasting van het wegdek en
het wegennet en dat er daardoor ook milieuwinst blijft liggen, namelijk een
vermindering van de uitstoot van CO2 en Nox?
In lijn met de bevindingen en het antwoord op de vorige vraag is de verwachting
dat de beperking van de massa weliswaar enige invloed zal hebben op de aantallen
LZV’s, maar dat de beperking van 50 ton niet een zodanige impact zal
hebben dat de verwachte effecten ten aanzien van milieu, belasting van wegdekken
en reductie van het aantal vrachtwagenbewegingen hierdoor in sterke mate teniet
wordt gedaan.
4
Is overwogen om te kiezen voor een regiospecifieke
benadering, waarbij per regio wordt bekeken of het wegennet en de conditie
van kunstwerken de inzet van ecocombi’s tot maximaal 60 ton mogelijk
maakt? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen? Zo neen, wilt u onderzoeken
of een dergelijke benadering ertoe kan leiden dat – waar dat kan –
ecocombi’s tot maximaal 60 ton worden toegestaan in de ervaringsfase?
Kunt u inzicht geven in het aantal kunstwerken, en de locaties daarvan, waar
het gebruik van ecocombi’s tot van 60 ton tot problemen zou kunnen leiden?
Ik heb niet gekozen voor een regiospecifieke benadering. In het Hoofdwegennet
worden namelijk landelijk dezelfde ontwerp- en onderhoudsnormen gehanteerd.
Alle bruggen en viaducten zijn berekend op voertuigen met een totaalgewicht
van 50 ton.
Er is, kortom, niet een specifieke regio aan te wijzen waar het gebruik
van LZV’s van 60 ton tot minder problemen zou leiden dan in andere regio’s.
Daarnaast geldt dat het voor de handhaving en vervoerders niet wenselijk
is als er per wegtraject een andere maximummassa geldt. Dit leidt tot onduidelijkheid
en problemen voor naleving en handhaving.
5
In hoeverre zijn uw voorwaarden van de experimenteerfase
in overeenstemming met de meest recente ontwikkelingen in de gedachtevorming
over LZV’s in Europa?
In Europa zien we steeds meer bewustwording dat de groei van de economie
gepaard zal gaan met een grote groei van het wegvervoer. De steun voor de
inzet van LZV’s zie ik dan ook langzaam groeien in Europa. Diverse landen
worden evenwel geconfronteerd met een negatief sentiment inzake de LZV’s,
hetgeen voorshands leidt tot afwijzing van de inzet van LZV’s.
Naar verluidt start Denemarken per 1-1-2008 met toelating van LZV’s
tot 60 ton op een zeer beperkt aantal wegen. Ik zie ook in de ons omringende
landen een discussie ontstaan waarbij wel wordt gekeken naar vergroting van
de lengte (naar 25,25 meter) maar het totaalgewicht (40 of 44 ton) waarschijnlijk
niet verder wordt verhoogd.
Laatstelijk was in de samenvatting van een seminar, georganiseerd door
de International Road Union (IRU, de koepel van wegvervoerders), te horen
dat wellicht een maximum van 50 ton als een eerste stap moet worden gezien
naar een grotere toepassing van LZV’s in Europa. Derhalve meen ik dat
de voorwaarden goed aansluiten bij de ontwikkelingen.
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Van der Staaij (SGP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Mastwijk (CDA),
Duyvendak (GL), R. Kortenhorst (CDA), voorzitter, Koopmans (CDA), Gerkens
(SP), Van der Ham (D66), Nicolaï (VVD), Haverkamp (CDA), De Krom (VVD),
Samsom (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), ondervoorzitter, Roefs (PvdA),
Jansen (SP), Cramer (CU), Roemer (SP), Koppejan (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener
(PVV), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD), Polderman (SP), Tang (PvdA) en De
Rouwe (CDA).
Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Van Gent
(GL), Hessels (CDA), Jager (CDA), Van Bommel (SP), Koşer Kaya (D66),
Neppérus (VVD), Van Gennip (CDA), Aptroot (VVD), Crone (PvdA), Van
Baalen (VVD), Smeets (PvdA), Van Gijlswijk (SP), Anker (CU), Van Leeuwen (SP),
Knops (CDA), Depla (PvdA), Agema (PVV), Jacobi (PvdA), Thieme (PvdD), Lempens
(SP), Waalkens (PvdA) en Van Heugten (CDA).