nr. 12
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 oktober 2006
Hierbij bied ik u aan het rapport betreffende het onderzoek «Kinderen
beschermd tegen seksueel misbruik. Evaluatie van de partiële wijziging
in de zedelijkheidswetgeving»1. Deze wetgeving
is op 1 oktober 2002 in werking getreden. Het onderzoek betreft derhalve
de effecten van deze wetgeving over de eerste jaren. Het onderzoek is in de
periode juli 2005 tot en met maart 2006 uitgevoerd door mr. dr. Katinka Lünnemann,
dr. Sima Nieborg, drs. Marjolein Goderie, van het Verwey-Jonker Instituut
samen met mr.dr. Renée Kool en drs. Guillaume Beijers, respectievelijk
van de Universiteiten van Utrecht en van de VU Amsterdam.
Ik beschouw de conclusies en aanbevelingen uit het rapport als een goede
bijdrage aan de door het kabinet beoogde verdere verbetering van de bestrijding
van seksueel misbruik van kinderen, in het bijzonder kinderpornografie. Uit
het rapport valt in de eerste plaats op te maken dat de wijziging van de wetgeving
een aantal eerder gesignaleerde knelpunten heeft verminderd of weggenomen.
Tegelijkertijd constateert het rapport dat nog een aantal andere knelpunten
resteert, vooral op organisatorisch en strafvorderlijk gebied.
Ik constateer dat er de afgelopen jaren veel maatregelen en activiteiten
zijn ontwikkeld en in gang gezet om te komen tot een betere bestrijding van
kinderpornografie, maar dat er ruimte is voor verbetering. Dat is ook uitgebreid
aan de orde gekomen tijdens de overleggen die mijn ambtsvoorganger in maart,
april en mei 2006 met uw Kamer heeft gevoerd en in de naar aanleiding daarvan
door uw Kamer aangenomen moties2.
In algemene zin wijs ik erop dat veel van de knelpunten of problemen die
worden gesignaleerd op het gebied van deskundigheid, expertise en capaciteit,
in bredere zin spelen bij de aanpak van vormen van criminaliteit die in verband
staan met moderne informatie- en communicatietechnieken. Zoals aangekondigd
in de Justitiebegroting voor 2007 en ook in het onderhandelaarsakkoord Landelijk
Kader Nederlandse Politie3 zal in 2007 een nieuw
programma cybercime worden ontwikkeld. Onderdeel daarvan zal zijn
een gerichte investering in de capaciteit en deskundigheid bij politie en
Openbaar Ministerie. Die ontwikkeling zal mede ten goede komen aan de gewenste
kwalitatieve en kwantitatieve versterking van de opsporing en vervolging van
kinderporno.
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer reeds toegezegd dat een verhoging
van het wettelijk strafmaximum voor de in artikel 240b, tweede lid, Sr omschreven
vormen van kinderpornografie van zes jaar naar acht jaar wordt voorbereid1. Voorts vermeld ik dat, conform de toezegging van mijn
ambtsvoorganger aan uw Kamer, sinds 1 augustus 2006 afname plaatsvindt
van DNA bij veroordeelden voor het verspreiden, fabriceren of downloaden van
kinderporno.
Gezien de complexiteit van het onderwerp en de diverse mogelijke maatregelen
en acties ben ik voornemens de Kamer dit jaar, nog vóór de behandeling
van de Justitiebegroting, een notitie toe te zenden waarin de actuele stand
van zaken wordt beschreven en waarin de Kamer wordt geïnformeerd over
de wijze waarop de aanpak van kinderporno de komende periode zal worden vormgegeven,
een en ander mede tegen de achtergrond van de door de Kamer aanvaarde moties.
In deze notitie zal ook nader worden ingegaan op de specifieke conclusies
en aanbevelingen uit het rapport.
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
XNoot
1Ter inzage gelegd bij het Centraal Inform tiepunt Tweede Kamer.
XNoot
2Kamerstukken II 2005/06, 30 300-VI, nr. 160 en 30 300-VI, nr.
162.
XNoot
3Afgesloten op 27 juli 2006 tussen de Minister van Justitie, de Minister
van BZK en de voorzitter van het Korpsbeheerdersberaad.
XNoot
1Zie de brieven van de Minister van Justitie van 21 maart 2006 (kenmerk
5399943/506) en 19 april 2006 (Kamerstukken II 2005–2006, 30 300
VI, nr. 139).