30 693
Invoering van een beloningsstructuur voor politieke ambtsdragers

nr. 15
VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 10 juli 2009

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Het opschrift wordt vervangen door: Harmonisatie van uitkeringsrechten van leden van de Tweede Kamer, wijzigingen in verband met de openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties van leden van de Eerste en Tweede Kamer en leden van het Europees Parlement en enkele technische wijzigingen.

2

De considerans wordt vervangen door: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitkeringsrechten van leden van de Tweede Kamer te harmoniseren, alsmede dat het wenselijk is dat de leden van de Tweede Kamer en het Europees Parlement hun nevenfuncties en de daaraan verbonden inkomsten openbaar maken en dat leden van de Eerste Kamer hun nevenfuncties openbaar maken;.

3

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a

De onderdelen A, Aa en Ab vervallen.

b

Na onderdeel B wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

B0

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5

1. De kamerleden maken hun nevenfuncties en de inkomsten uit hun nevenfuncties openbaar. Zij leggen uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de nevenfuncties zijn vervuld en de inkomsten zijn genoten een opgave ter inzage bij de griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

2. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.

c

Na onderdeel Ba wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Bb

Artikel 7, eerste en tweede lid, komt te luiden:

1. De kamerleden ontvangen naar keuze een Openbaar Vervoer-jaarkaart, geldig voor reizen in de eerste klas van de N.V. Nederlandse Spoorwegen, of een compensatie voor de reiskosten in het woon-werkverkeer overeenkomend met de tegemoetkoming voor het rijkspersoneel van kosten van woon-werkverkeer, niet zijnde kosten van openbaar vervoer.

2. Voorts ontvangen de kamerleden ter vergoeding van de reiskosten buiten het woon-werkverkeer een bedrag gelijk aan de vergoeding die geldt voor burgerlijk rijkspersoneel voor het gebruik van een eigen motorvoertuig indien openbaar vervoer niet mogelijk of niet doelmatig is, op basis van 17 500 kilometer per jaar.

d

Onderdeel C komt te luiden:

C

In artikel 9, vierde lid, wordt «door Onze Minister» vervangen door: bij ministeriële regeling.

e

Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

E

Paragraaf 5 vervalt.

4

Artikel II wordt vervangen door:

ARTIKEL II

De Wet vergoedingen leden Eerste Kamer wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 3a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3b

De kamerleden maken hun nevenfuncties openbaar door terinzagelegging van een opgave bij de griffie van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

B

In artikel 9 wordt «door Onze Minister herzien» vervangen door «bij ministeriële regeling gewijzigd» en vervalt de tweede volzin.

C

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «door Onze Minister opnieuw vastgesteld» vervangen door: bij ministeriële regeling gewijzigd.

2. Het derde lid vervalt.

D

Artikel 13 vervalt.

E

In artikel 16, vierde lid, wordt «genoemd in het eerste,» vervangen door «bedoeld in het eerste lid,» en «door Onze Minister herzien» vervangen door: bij ministeriële regeling gewijzigd.

F

Artikel 17, eerste lid, komt te luiden:

1. De kamerleden ontvangen ter vergoeding van reiskosten een bedrag gelijk aan de vergoeding die geldt voor burgerlijk rijkspersoneel voor het gebruik van een eigen motorvoertuig indien openbaar vervoer niet mogelijk of niet doelmatig is, op basis van 13 000 kilometer per jaar.

G

In artikel 18, vierde lid, wordt «door Onze Minister herzien» vervangen door: bij ministeriële regeling gewijzigd.

H

Artikel 19 vervalt.

5

Aan artikel III wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

E

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

1. De leden van het Europees Parlement maken hun nevenfuncties en de inkomsten uit hun nevenfuncties openbaar. Zij leggen uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de nevenfuncties zijn vervuld en deinkomsten zijn genoten een opgave ter inzage bij de griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

2. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.

6

De artikelen IV tot en met VI vervallen.

7

Artikel VII wordt vervangen door:

ARTIKEL VII

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 50, onder e, wordt na «percentage» toegevoegd: van de vakantie-uitkering.

B

In artikel 51, derde lid, wordt «artikel 52, eerste, tweede of derde lid» vervangen door: artikel 52.

C

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «zes jaren» vervangen door «vier jaren» en vervalt de derde zin.

2. In het derde lid wordt «50 jaar» vervangen door: 55 jaar.

3. Onder vernummering van het vierde, vijfde en zesde lid tot vijfde, zesde en zevende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

4. Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.

D

Na artikel 52 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 52a

1. De belanghebbende die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 51, is verplicht:

a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

2. De belanghebbende voorkomt dat hij:

a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

3. Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Of arbeid passend is wordt in ieder geval bepaald door:

a. de aard van de arbeid, in relatie tot de eerder verrichte arbeid, een eerder uitgeoefend beroep of opgedane werkervaring;

b. het opleidingsniveau van de belanghebbende;

c. de reistijd naar en van het werk;

d. het geboden loon;

e. het werkloosheidsrisico.

4. Onze Minister is verantwoordelijk voor het in overleg met de belanghebbende opstellen van een plan voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

a. de onderdelen van het plan;

b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding;

c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die het plan opstelt.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die:

a. een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 55% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53;

b. recht heeft op een uitkering waarvan de duur is bepaald met toepassing van artikel 52, derde lid;

c. recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a.

6. Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 52b

1. Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 52a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

2. Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

3. De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 53, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 52c

1. Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 52a of 52b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 52d

De voordracht voor een krachtens de artikelen 52a, 52b of 52c vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

E

In artikel 53d vervalt het zevende lid.

F

Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende: Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.

2. In het zesde lid wordt «artikel 52, vijfde lid,» vervangen door: artikel 52, zesde lid,.

G

Artikel 58a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met achtste lid tot derde tot en met negende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. In afwijking van het eerste lid behoort niet tot de berekeningsgrondslag de verhoging van de schadeloosstelling per 1 januari 2001 ingevolge dan wel op de voet van artikel 3 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen 1993.

2. In het vijfde lid wordt «derde lid» vervangen door: vierde lid

3. In het zevende en achtste lid wordt «vijfde lid» telkens vervangen door: zesde lid.

H

In de artikelen 59, tweede lid, 73, vierde lid, en 73a, derde lid, wordt «aangepast» telkens vervangen door: gewijzigd.

I

Artikel 59a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, wordt «waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest» vervangen door: dat geldt voor een gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt «waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest» vervangen door: dat geldt voor een ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.

3. In het vijfde lid, eerste zin, wordt na «bedragen» ingevoegd: op grond van persoonlijke omstandigheden.

J

Artikel 59aa komt te luiden:

Artikel 59aa

Artikel 59a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de franchise bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

K

In artikel 59b, vijfde lid, vervalt: van artikel 105 en.

L

In artikel 60, tweede lid, onder c, wordt «artikel 58a, vijfde lid» vervangen door artikel 58a, zesde lid.

M

In artikel 62, derde lid, onder d, wordt «artikel 58a, vijfde lid» vervangen door: artikel 58a, zesde lid.

N

Artikel 67a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «Algemene nabestaandenwet» ingevoegd: , zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat.

2. In het vierde lid wordt «en 1 juli van ieder jaar nader vastgesteld aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid bedoelde bedragen» vervangen door: van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid,.

O

Artikel 67b, derde lid, aanhef en onderdeel a, komt te luiden:

3. De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:

a. met ingang van 1 januari van ieder jaar volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999;.

P

Artikel 70a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. voor de wees, bedoeld in artikel 70, eerste lid, onder a, 0,375 percent van de tot een jaarbedrag herleide som van de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien aanspraak ontstaat op de toeslag, bedoeld in het tweede lid, geeft de wees hiervan onverwijld kennis aan Onze Minister. De toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.

Q

Na artikel 84 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 84a

1. De artikelen 52, vierde lid, en 52a tot en met 52c zijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepalingen. In dat geval wordt in artikel 52, eerste lid, voor «vier jaren» gelezen «zes jaren» en in artikel 52, derde lid, wordt voor «55 jaar» gelezen: 50 jaar.

2. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 52, vierde lid, lid is van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en na de eerstvolgende verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer niet wordt herbenoemd, wordt in artikel 52, eerste lid, voor «zes jaren» gelezen «vier jaren» en wordt in artikel 52, derde lid, voor «55 jaar» gelezen: 50 jaar.

3. Ten aanzien van de belanghebbende die op het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 52a tot en met 52c lid is van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en na de eerstvolgende verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer niet wordt herbenoemd, zijn de artikelen 52a tot en met 52c niet van toepassing.

R

In artikel 97 worden onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot vierde tot en met zesde lid twee leden ingevoegd, luidende:

2. Het inbouwbedrag wordt berekend aan de hand van het bedrag van het algemeen pensioen zoals dat luidt op 1 januari van het jaar waarin het recht op ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen of wezenpensioen ontstaat.

3. Indien het bedrag van het algemeen pensioen op grond van persoonlijke omstandigheden wordt gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel 14c, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan.

S

In artikel 105, eerste lid, wordt na «de derde afdeling van deze wet» ingevoegd «, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen,» en vervalt de komma na «aanpassing».

T

In artikel 106, derde lid, wordt het zinsdeel «de artikelen 14, vierde lid, en 59, zesde lid» vervangen door: de artikelen 13a, tweede lid, en 58a, derde lid.

8

Artikel VIIa komt te luiden:

ARTIKEL VIIa

1. Degene die in het tijdvak van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 lid was van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangt over een periode van zijn lidmaatschap in dat tijdvak ter vergoeding van reiskosten buiten het woon-werkverkeer een bedrag gelijk aan de op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 maximale belastingvrije vergoeding voor autokosten in dat tijdvak, op basis van 17 500 kilometer per jaar, vermeerderd met € 0,10 per kilometer.

2. Degene die in het tijdvak van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 lid was van de Eerste Kamer der Staten-Generaal ontvangt over een periode van zijn lidmaatschap in dat tijdvak ter vergoeding van reiskosten een bedrag gelijk aan de op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 maximale belastingvrije vergoeding voor autokosten in dat tijdvak, op basis van 13 000 kilometer per jaar, vermeerderd met € 0,10 per kilometer.

9

Artikel VIII wordt vervangen door:

ARTIKEL VIII

1. De artikelen I, II, III, VII, onderdelen E, G, H, I, J, K, N, O, P, R en S, VIIa, VIIb en VIIc treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

2. Artikel VII, onderdeel J, werkt terug tot en met 1 januari 2004.

3. Artikel VII, onderdeel G, werkt terug tot en met 1 januari 2005.

4. De artikelen I, onderdeel Bb, en II, onderdeel F, werken terug tot en met 1 januari 2006.

5. Artikel VII, onderdelen I, K, N, O, P, R en S, werkt terug tot en met 1 januari 2009.

6. Artikel VII, onderdelen A, B, C, D, F, L, M, Q en T, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.

TOELICHTING

Algemeen

In deze nota van wijziging worden de noodzakelijke aanpassingen aangebracht ter uitwerking van de beleidsbrief die separaat aan U is verzonden. De aanpassingen worden hieronder artikelsgewijs toegelicht.

Artikelsgewijs

1 en 2

Het opschrift en de considerans zijn aangepast in verband met de overheveling van alle bepalingen betreffende Kamerleden en leden van het Europees Parlement uit de wetsvoorstellen 30 424 en 30 425.

3, onderdeel a

Wegens het vervallen van de verhoging van de bezoldiging van ministers vervalt de koppeling van de schadeloossstelling aan die bezoldiging in de onderdelen A, Aa en Ab.

3, onderdelen b en c

Het voorgestelde artikel 5 over de openbaarmaking van nevenfuncties en de wijziging van de reiskostenvergoeding (artikel 7) zijn ongewijzigd overgenomen uit voorstel van wet tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Provinciewet en de Gemeentewet in verband met de openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties (Kamerstukken II, 30 425).

3, onderdeel d

De aanvankelijk voorgestelde regeling van de onkostenvergoeding komt wegens de samenhang met het niet doorgaan van de verhoging van de bezoldiging van ministers te vervallen. In plaats daarvan wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om in artikel 9, vierde lid, een redactionele verbetering aan te brengen.

3, onderdeel e

Paragraaf 5 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer heeft betrekking op uitgewerkte fiscale overgangsbepalingen die kunnen vervallen. Deze wijziging maakte aanvankelijk onderdeel uit van voorstel van wet tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Provinciewet en de Gemeentewet in verband met de openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties (Kamerstukken II, 30 425).

4

Wegens het vervallen van de verhoging van de bezoldiging van ministers vervalt de koppeling van de schadeloossstelling aan die bezoldiging in onderdeel A.

De onderdelen A (nieuw), D en F zijn ongewijzigd overgenomen uit het voorstel van wet tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Provinciewet en de Gemeentewet in verband met de openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties (Kamerstukken II, 30 425)

De aanvankelijk voorgestelde regeling van de vergoeding in verband met zitting hebben in een internationale assemblee in artikel 9 komt wegens de samenhang met het niet doorgaan van de verhoging van de bezoldiging van ministers te vervallen. In plaats daarvan wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om in artikel 9, vierde lid, een redactionele verbetering aan te brengen. De wijziging van artikel 16 heeft een gelijke achtergrond.

Voor het overige zijn de bepalingen betreffende wijzigingen van de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer ongewijzigd gebleven.

5

Deze bepaling is ongewijzigd overgenomen uit het voorstel van wet tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Provinciewet en de Gemeentewet in verband met de openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties (Kamerstukken II, 30 425)

6

De artikelen IV, V en VI bevatten wijzigingen van de Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet. Deze zijn ongewijzigd overgebracht naar het voorstel van wet tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Provinciewet en de Gemeentewet in verband met de openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten uit nevenfuncties (Kamerstukken II, 30 425). Daarom komen deze artikelen in onderhavig voorstel van wet te vervallen.

7

Naast een aanpassing van redactionele aard in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) die reeds in onderhavig voorstel van wet is opgenomen (artikel VII, onderdeel A), zijn alle wijzigingen in de Appa verband houdend met leden van de Tweede Kamer overgebracht van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en enige andere wetten in verband met de harmonisatie van de uitkeringsrechten en het onder de werking van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers brengen van de commissarissen van de Koning, de burgemeesters en de bestuurders van waterschappen (Kamerstukken II, 30 424) naar onderhavig wetsvoorstel.

7, artikel VII, onderdeel C

De wijzigingen in artikel 52 zijn ongewijzigd overgenomen, met dien verstande dat de verkorting van de maximum uitkeringsduur van zes naar vier jaar van toepassing wordt op alle Kamerleden, ongeacht de leeftijd.

7, artikel VII, onderdeel D

In lijn met de beleidsbrief is ten aanzien van leden van de Tweede Kamer de leeftijdsgrens waarboven geen sollicitatieplicht meer geldt, gesteld op 65 jaar in plaats van 57,5 jaar. Verder is de vrijstelling van sollicitatieplicht voor leden van de Tweede Kamer teruggebracht van zes tot drie maanden (artikel 53a, zesde lid). Voor het overige is onderdeel D ongewijzigd gebleven.

7, artikel VII, onderdeel F en Q

De wijzigingen houden verband met het vervallen van de aanscherping van de verrekeningssystematiek als stimulans voor het vinden van werk met een substantieel inkomen.

Voorts is artikel 84a (onderdeel Q) in die zin aangepast dat de uitkeringsduur van voormalige leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal die reeds een uitkering genieten niet wordt verkort tot maximaal vier jaar en dat deze leden niet onder de sollicitatieplicht worden gebracht. Wie nu een uitkering geniet met een bepaalde looptijd is steeds op zichzelf aangewezen geweest bij het vinden van een nieuwe functie; het is niet reëel om tijdens de looptijd van die uitkering nieuwe eisen te stellen.

De sollicitatieplicht geldt voorts niet voor Kamerleden die lid zijn van de Tweede Kamer op het moment dat de bepalingen betreffende de sollicitatieplicht in werking zijn getreden, maar na de eerstvolgende verkiezingen niet meer terugkeren in de Tweede Kamer. De sollicitatieplicht geldt wel als deze Kamerleden na de verkiezing worden herbenoemd en vervolgens op enig moment aftreden.

7, artikel VII, onderdelen I, K, N, O, P, R en S

In de toelichting bij de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II 2007/08, 30 424, nr. 9) is aangegeven dat bij indexatie per 1 januari van enig jaar het Appa-pensioen vóór aftrek van de inbouw- en franchisebedragen wordt geïndexeerd. Op hetzelfde tijdstip worden ook de AOW en de Anw conjunctureel aangepast, wat leidt tot aanpassing van de inbouw- en franchisebedragen. Ook op 1 april en 1 juli kunnen dergelijke aanpassingen plaatsvinden, waardoor het aanvullende Appa-pensioen op die tijdstippen kan dalen. Immers de ABP-aanpassing vindt uitsluitend op 1 januari plaats en niet tussentijds. Nu de ABP-pensioenen met ingang van 1 januari 2009 zijn bevroren, zijn op grond van de huidige indexeringssystematiek de aanvullende Appa-pensioenen al op 1 januari gelijktijdig verlaagd. Dit acht het kabinet een ongewenst effect. Vandaar dat de gewijzigde indexeringssystematiek een terugwerkende kracht krijgt naar 1 januari 2009 waardoor de aanvullende Appa-pensioenen niet worden verlaagd maar op hetzelfde niveau gehandhaafd blijven.

8

Het oorspronkelijke artikel VIIa bevatte een overgangsbepaling die het mogelijk maakte bedragen aan te passen aan wijzigingen van de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel die het gevolg zijn van tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de vakbonden gesloten overeenkomsten die tot stand komen nadat stemming in de Tweede Kamer over onderhavig voorstel reeds heeft plaatsgevonden. Het oorspronkelijke artikel VIIa kan vervallen, nu in onderhavig voorstel van wet geen bedragen meer voorkomen waarop een dergelijke aanpassing betrekking zou kunnen hebben.

In plaats daarvan is op deze plaats opgenomen de tekst van artikel VI van voorstel van wet 30 425, betreffende de reiskosten van leden van de Tweede Kamer in de periode 2004 tot 2006.

9

De inwerkingtredingssbepaling is in die zin aangepast dat verwijzingen naar artikelen die betrekking hebben op de beloningsstructuur en artikelen die zijn overgebracht naar andere wetsvoorstellen zijn vervallen. In verband met een goede invoering van het wetsvoorstel is de inwerkingtreding flexibel geformuleerd, echter in het eerste lid wordt de inwerkingtreding van enkele, deels technische, wijzigingen geregeld. Naast de wijzigingen betreffende de openbaarmaking van neveninkomsten en nevenfuncties betreffen het wijzigingen die tijdens de parlementaire behandeling aan het voorstel van wet zijn toegevoegd omdat de indiening van een separaat voorstel van wet voor deze wijzigingen niet doelmatig was. De inwerkingtreding van deze bepalingen vergt geen nadere uitvoeringsregelingen, zodat de inwerking niet van een inwerkingtredingbesluit afhankelijk hoeft te worden gesteld.

Voor het overige is de inwerkingtreding en terugwerkende kracht voor ieder artikel of onderdeel toegelicht bij de desbetreffende bepaling, overeenkomstig hetgeen was bepaald in het voorstel van wet waaraan de toegevoegde bepalingen zijn ontleend.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

Naar boven