Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730665 nr. 5

30 665
Wijziging van enkele socialeverzekeringswetten betreffende de definitieve vaststelling van de uitkeringspositie van uitkeringsgerechtigden woonachtig in het buitenland

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 22 september 2006

De regering heeft met veel waardering kennis genomen van de reacties op het voorstel van Wet tot wijziging van enkele socialeverzekeringswetten betreffende de definitieve vaststelling van de uitkeringspositie van uitkeringsgerechtigden woonachtig in het buitenland (de zogenaamde pardonregeling Wet BEU).

De regering constateert dat de hoofddoelstelling van dit wetsvoorstel, de eerbiediging van de rechten van uitkeringsgerechtigden die op het moment van de inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvingen én in een land woonden waarmee, ondanks vele inspanningen van de zijde van de Nederlandse regering, uiteindelijk geen verdrag in het kader van de Wet BEU gesloten kon worden, breed wordt onderschreven.

Wel geven de leden van de fracties van CDA, VVD en de ChristenUnie aan op onderdelen van het voorstel vragen te hebben.

De leden van de CDA-fractie geven aan met instemming kennis genomen te hebben van het voorliggende wetsvoorstel. Zij stellen het zeer op prijs dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hun verzoek uit de algemene overleggen van 27 oktober 2005 en 25 januari 20061 heeft overgenomen en in het onderhavige wetsvoorstel de gevraagde overgangsregeling voor uitkeringsgerechtigden vorm geeft.

Wel geven de leden van de CDA-fractie aan in het kader van het onderhavige wetsvoorstel nog slechts één wens te hebben. Zij verzoeken de overgangsregeling uit te willen breiden met de groep mensen, die voldoen aan de in het wetsvoorstel genoemde eisen, maar die op 31 december 1999 nog niet de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben. Deze personen zijn immers – zo betogen deze leden – met een gedeeltelijk recht op AOW naar het betreffende buitenland verhuisd en in hun situatie is verder niets veranderd. Het is dan, zo vinden deze leden, een logische stap in de gedachtegang van het onderhavige wetsvoorstel om deze personen ook als ze later 65 worden of zijn geworden alsnog hun (gedeeltelijke) AOW-uitkering toe te kennen. Zeker gezien de uiterst kleine groep personen, die het betreft en de relatief geringe aanspraken op AOW-gelden, verzoeken de leden van de CDA-fractie deze groep ook op te nemen in de overgangsregeling.

In antwoord op dit verzoek merkt de regering op dat de uitbreiding van de doelgroep van de overgangsregeling van de Wet BEU, zoals door de leden van de CDA-fractie wordt verzocht, ook al in 1999 aan de orde is geweest tijdens de mondelinge behandeling van de Wet BEU in de Eerste Kamer. Vervolgens is dezelfde vraag ook aan de orde gekomen in het algemeen overleg met de vaste Commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 1 februari 2006 (Kamerstuk 29 382, nr. 15).

In mijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 maart 2006 (Kamerstuk 29 382, nr. 16) heb ik de Tweede Kamer aangegeven dat de indertijd door de voormalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor voren gebrachte opvatting, namelijk dat het overgangsrecht uitsluitend dient te gelden voor personen die al op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet BEU in het buitenland woonden én een uitkering ontvingen, nog steeds geldig is. Ik heb daarbij aangegeven dat het uitbreiden van de doelgroep met de hiervoor bedoelde personen, ernstig afbreuk zal doen aan de effectiviteit van de Wet BEU. De categorie personen die op het moment van inwerkingtreding van de Wet BEU al een socialeverzekeringsuitkering ontving verschilt duidelijk van de categorie die op dat moment nog geen uitkering ontving. Deze laatste categorie kon er namelijk van op de hoogte zijn dat de uitkering niet zou worden geëxporteerd dan wel zou worden beëindigd indien er met het betreffende land geen handhavingsverdrag zou worden gesloten.

Overigens wil de regering er nog graag op wijzen dat personen die na 31 december 1999 de leeftijd van 65 jaar bereikten en niet in een verdragsland woonden, hun recht op (gedeeltelijk) AOW-pensioen gewoon behouden. Het eigen AOW-recht (tot een maximum van 50% van het minimumloon) valt immers niet onder de exportbeperking.

De leden van de VVD-fractie stellen de vraag of de regering kan aangeven of met dit wetsvoorstel nu ook definitief de keuze wordt gemaakt om geen pogingen meer te ondernemen verdragen af te sluiten met landen waar dit tot nu toe niet gelukt is of dat het hier enkel gaat om wetgeving om de uitkeringspositie van betrokken Nederlanders veilig te stellen.

In antwoord op deze vraag merkt de regering op dat het doel van het wetsvoorstel is om de rechten te eerbiedigen van personen die op 1 januari 2000 (datum inwerkingtreding Wet BEU) met een socialeverzekeringsuitkering in het buitenland woonden.

Met een aantal landen is, ondanks vele initiatieven daartoe van Nederlandse zijde, geen handhavingsverdrag gesloten. Het initiatief voor het sluiten van een handhavingsverdrag zal nu van het betreffende land zelf moeten uitgaan1. Indien een land aangeeft alsnog een verdrag te willen sluiten – al dan niet daartoe aangespoord door de belanghebbende – dan zal worden bekeken of er met het betreffende land werkbare handhavingsafspraken kunnen worden gemaakt en hoe doelmatig het sluiten van een dergelijk verdrag is, dat wil zeggen hoe de baten van het sluiten van een verdrag en de implementatie daarvan zich verhouden tot de daarmee gemoeide kosten.

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering verder een overzicht te geven van de landen die tot nu toe geen verdrag met Nederland hebben willen afsluiten.

Het antwoord op deze vraag is opgenomen in bijlage 1.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de overgangsbepaling niet geldt voor personen die na de inwerkingtreding van de Wet BEU met een socialeverzekeringsuitkering naar het buitenland zijn verhuisd. Zij geven aan dat in een eerder stadium het overgangsrecht is verlengd voor uitkeringsgerechtigden in 36 landen, waarvan de verwachting was dat daarmee binnen afzienbare tijd een verdrag zou worden gesloten. De leden van fractie van de ChristenUnie willen graag weten of er met de bedoelde 36 landen inmiddels een verdrag is gesloten en indien dat niet het geval is of de regering dan van mening is dat er een verwachting is gewekt ten aanzien van de uitkeringsgerechtigden die na inwerkingtreding van de Wet BEU naar deze landen zijn verhuisd.

Bij brief van 20 december 2002 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bericht dat de regering bereid is om tegemoet te komen aan de op 10 december 2002 aangenomen twee moties1 en de overgangstermijn van de Wet BEU met twaalf maanden te zullen verlengen voor uitkeringsgerechtigden die in een land wonen waarmee verdragsonderhandelingen gaande zijn, of die in een land wonen dat positief heeft gereageerd op het verzoek van Nederland om een handhavingsverdrag te sluiten. Het betrof hier 36 landen. In dezelfde brief heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid er nadrukkelijk op gewezen dat geenszins vaststaat dat met al deze landen ook daadwerkelijk een handhavingsverdrag kan worden gesloten. Zo kan het zijn dat er met een bepaald land geen werkbare handhavingsafspraken kunnen worden gemaakt of dat de onderhandelingen uiteindelijk toch niet leiden tot een handhavingsverdrag.

De Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hebben de uitkeringsgerechtigden telkens geïnformeerd over de stand van zaken. Zo zijn uitkeringsgerechtigden op de hoogte gesteld van de verlengingen van de overgangstermijn en is aan uitkeringsgerechtigden aangegeven dat men vanaf 1 januari 2006 wel te maken krijgt met de gevolgen van de Wet BEU.

De regering is dan ook van mening dat er geen verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van de uitkeringsgerechtigden die na inwerkingtreding van de Wet BEU naar één van die 36 landen zijn verhuisd waarmee (uiteindelijk) geen verdrag is gesloten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

BIJLAGE 1

Overzicht naar aanleiding van de vraag van de leden van de VVD-fractie: met de volgende landen is geen verdrag gesloten:

Andorra, Albanië, Armenië, Benin, China, Dominicaanse Republiek, Eritrea, Ethiopië, Ghana, Jamaica, Kenia, Koeweit, Libanon, Maleisië, Mauritius, Nepal, Nicaragua, Nigeria, Oekraïne, Peru, Russische Federatie, Saoedi-Arabië, Singapore, Sri Lanka, Sint Vincent & Grenadines, Swaziland, Togo, Venezuela, Vietnam en Zimbabwe.

Met betrekking tot de 36 landen, bedoeld door de leden van de fractie van de ChristenUnie, is geen verdrag is gesloten met de volgende landen:

Armenië, Benin, China, Dominicaanse Republiek, Eritrea, Ethiopië, Ghana, Jamaica, Kenia, Koeweit, Maleisië, Mauritius, Nicaragua, Nigeria, Oekraïne, Russische Federatie, Sri Lanka, Sint Vincent & Grenadines, Swaziland, Togo, Venezuela, Vietnam en Zimbabwe.

Voor alle volledigheid merkt de regering nog op dat van de bedoelde 36 landen inmiddels met de volgende landen wel een verdrag is gesloten:

Belize (12 mei 2005), Botswana (24 februari 2006), Gambia (28 november 2005), Mali (15 februari 2006), Pakistan (27 september 2004) en dat er met de volgende landen nog onderhandelingen lopen:

Barbados, Burkina Faso, Colombia, Guatemala, Honduras, Japan, Madagaskar en Tanzania.


XNoot
1

Kamerstuk 29 383, nr. 12 en 15.

XNoot
1

Brief Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 382, nr. 11.

XNoot
1

De motie-Van Loon-Koomen/Noorman-den Uyl, 17 050, nr. 238 en de motie-Noorman-den Uyl/Van Loon-Koomen, 17 050, nr. 239.