Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630665 nr. 4

30 665
Wijziging van enkele sociale verzekeringswetten betreffende de definitieve vaststelling van de uitkeringspositie van uitkeringsgerechtigden woonachtig in het buitenland

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 14 september 2006

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij stellen het zeer op prijs dat de regering hun verzoek uit de algemene overleggen van 27 oktober 2005 en 1 februari 20062 heeft overgenomen en in het onderhavige wetsvoorstel de gevraagde overgangsregeling voor uitkeringsgerechtigden, die ten tijde van de afkondiging van de Wet Beperking Export Uitkeringen (BEU) al in een land woonden, waarmee nog steeds geen verdrag conform de eisen van de BEU is gesloten, daar nog steeds wonen en die op dat moment al een Nederlandse uitkering genoten, vorm geeft.

Deze leden hebben in het kader van het onderhavige wetsvoorstel nog slechts één wens. Deze betreft de mensen, die voldoen aan de in het wetsvoorstel genoemde eisen, maar die op 31 december 1999 nog niet de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben. Deze personen zijn immers met een gedeeltelijk recht op AOW naar het betreffende buitenland verhuisd. In hun situatie is verder niets veranderd. Het is dan, zo vinden deze leden, een logische stap in de gedachtegang van het onderhavige wetsvoorstel om deze personen ook als ze later 65 worden of zijn geworden alsnog hun (gedeeltelijke) AOW-uitkering toe te kennen. Zeker gezien de uiterst kleine groep personen, die het betreft en de relatief geringe aanspraken op AOW-gelden, verzoeken de leden van de CDA-fractie deze groep ook op te nemen in de overgangsregeling.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten of met dit wetsvoorstel nu ook definitief de keuze wordt gemaakt om geen pogingen meer te ondernemen verdragen af te sluiten met landen waar dit tot nu toe niet gelukt is? Of gaat het hier enkel om wetgeving om de uitkeringspositie van betrokken Nederlanders veilig te stellen? Kan een overzicht gegeven worden van de landen die tot nu toe geen verdrag met Nederland hebben willen afsluiten?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennis genomen van voorliggend wetsvoorstel. Ze hebben nog enkele vragen ten aanzien van het wetsvoorstel.

De overgangsbepaling geldt niet voor personen die na de inwerkingtreding van de Wet BEU met een socialezekerheidsuitkering naar het buitenland zijn verhuisd, aangezien zij op de hoogte konden zijn van het feit dat de uitkering zou worden beëindigd indien er met het betreffende land geen verdrag zou worden gesloten. Er kunnen echter verwachtingen gewekt zijn tegenover deze groep. In een eerder stadium is immers het overgangsrecht verlengd voor uitkeringsgerechtigden in 36 landen, waarvan de verwachting was dat daarmee binnen afzienbare tijd een verdrag zou worden gesloten. De leden van fractie van de ChristenUnie vragen of er met de bedoelde 36 landen inmiddels een verdrag is gesloten. Mocht dit niet zo zijn, is de regering dan van mening dat er een verwachting gewekt is ten aanzien van de uitkeringsgerechtigden die na inwerkingtreding van de Wet BEU naar deze landen zijn verhuisd? Zo ja, vindt zij dan dat de overgangsbepaling ook op die groep uitkeringsgerechtigden van toepassing zou moeten zijn?

De voorzitter van de commissie,

Smits

Adjunct-griffier van de commissie,

Post


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), De Vries (VVD), De Wit (SP), Van Gent (GL), Verburg (CDA), Hamer (PvdA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Mosterd (CDA), Smits (PvdA), voorzitter, Örgü (VVD), Weekers (VVD), Rambocus (CDA), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Huizinga-Heringa (CU), Varela (LPF), Eski (CDA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Hermans (LPF), Van Hijum (CDA), Van Egerschot (VVD), Van der Sande (VVD), Willemse-van der Ploeg (CDA) en Vacature (algemeen).

Plv. leden: Depla (PvdA), Koşer Kaya (D66), Blok (VVD), Kant (SP), Özütok (GL), Smilde (CDA), Verbeet (PvdA), Timmer (PvdA), Azough (GL), Omtzigt (CDA), Meijer (PvdA), Nijs (VVD), Visser (VVD), Algra (CDA), Vietsch (CDA), Van der Vlies (SGP), Vacature (LPF), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van Dijken (PvdA), Blom (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Vacature (LPF), Hessels (CDA), Aptroot (VVD), Griffith (VVD), Van Dijk (CDA) en Vacature (algemeen).

XNoot
2

Kamerstuk 29 383, nr. 12 en 15.