Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630659 nr. 2

30 659
Voorstel van wet van het lid Eerdmans tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht houdende de invoering van minimumstraffen voor moord en doodslag

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voor bepaalde levensdelicten minimumstraffen in te voeren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 9a wordt een zin toegevoegd, die luidt: De vorige zin is niet van toepassing indien op het misdrijf een minimumgevangenisstraf is gesteld.

B

In artikel 15 wordt, onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot het vierde tot en met zevende lid, na het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt:

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een misdrijf als omschreven in de artikelen 287, 288, 288a en 289.

C

Na artikel 44a wordt een artikel toegevoegd, dat luidt:

Artikel 44b

Indien de dader er bij het begaan van een misdrijf waarop een minimumgevangenisstraf is gesteld ten onrechte van uitgaat dat zich omstan- digheden voordoen die het feit op grond van de artikelen 40 of 41 niet strafbaar zouden doen zijn, wordt de minimumgevangenisstraf met een derde verminderd indien hem er een verwijt van kan worden gemaakt dat hij daarvan ten onrechte uitgaat.

D

In artikel 45 wordt, onder vernummering van het vierde lid tot het vijfde lid, na het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt:

4. Indien op het misdrijf een minimumgevangenisstraf is gesteld, is dat minimum bij poging niet van toepassing.

E

In artikel 46 wordt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot het vijfde en zesde lid, na het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt:

4. Indien op het misdrijf een minimumgevangenisstraf is gesteld, is dat minimum bij voorbereiding niet van toepassing.

F

In artikel 49 wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot het vierde en vijfde lid, na het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt:

3. Indien op het misdrijf een minimumgevangenisstraf is gesteld, wordt dat minimum bij medeplichtigheid met een derde verminderd.

G

Aan artikel 57, tweede lid, wordt een zin toegevoegd, die luidt: Indien de in het eerste lid bedoelde feiten misdrijven betreffen waarop een mini- mumgevangenisstraf is gesteld, beloopt het minimum van de gevangenisstraf de termijn van het hoogste minimum, vermeerderd met een derde.

H

In artikel 287 wordt het gestelde na «gevangenisstraf» vervangen door: van ten minste tien en ten hoogste vijftien jaren.

I

In de artikelen 288, 288a en 289 wordt het gestelde na «tijdelijke» telkens vervangen door: van ten minste vijftien en ten hoogste dertig jaren.

J

Aan de artikelen 287, 288, 288a en 289 wordt aan het slot van die artikelen telkens een zin toegevoegd, die luidt: Naast de gevangenisstraf kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

ARTIKEL II

Indien het bij koninklijke boodschap van 5 april 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling (30 513) tot wet is of wordt verheven en deze wet in werking treedt of is getreden voor het tijdstip waarop die wet in werking treedt, wordt op dat tijdstip in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot het vierde tot en met zevende lid, na het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt:

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een misdrijf als omschreven in de artikelen 287, 288, 288a en 289.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,