30 654
Wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij

nr. 79
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 maart 2010

Naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 december 2009 informeer ik u hierbij, mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, over de stand van zaken betreffende de uitvoering van de motie-Van der Vlies (Kamerstukken II 2008/2009, 31 700 XIV, nr. 113) en de motie-Koopmans c.s. (Kamerstukken II 2008/2009, 30 654, nr. 63).

De motie-Koopmans c.s. verzoekt de regering met een plan van aanpak te komen waarin een forse reductie van de behandeltijd van vergunningaanvragen en een forse reductie van de kosten van de onderzoekslast voor deze aanvragen centraal staan. Voorts wordt de regering verzocht om vooruitlopend daarop te starten met een versnelde introductie van perspectiefvolle technieken door het verruimen van de proefstalstatus en het mogelijk maken van het gebruik van voorlopige emissiewaarden. In het verlengde daarvan vraagt de motie-Van der Vlies de regering te onderzoeken hoe ten aanzien van vergunningverlening en innovatiebeleid meer prioriteit gegeven kan worden aan de opschaling van innovatieve en duurzame (stal)concepten, en binnen een jaar met voorstellen te komen.

Met betrekking tot het eerste onderdeel van de motie-Koopmans heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit u bij brief van 6 oktober 2009 (Kamerstukken II 2009/2010, 32 123 XIV, nr. 21) medegedeeld dat in de Crisis- en herstelwet een voorziening wordt opgenomen waardoor in sommige situaties de stikstofaspecten niet hoeven worden meegenomen bij de vergunningplicht (op grond van de Natuurbeschermingswet 1998). Het betreft de vestiging van nieuwe of de wijziging van bestaande bedrijven waarbij thans nog een ecologische onderbouwing vereist is om aan te tonen dat de te beschermen natuurwaarden niet worden aangetast, hoewel de stikstofdepositie daarbij niet toeneemt. In plaats daarvan krijgt de overheid een aanschrijvingsbevoegdheid (en verantwoordelijkheid voor de bewijslast).

In aanvulling daarop kan ik u meedelen dat ook op het gebied van de milieuregelgeving een aantal maatregelen is en wordt genomen die zullen leiden tot een aanzienlijke lastenreductie voor het bedrijfsleven. In het kader van het «Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving» is het aantal bedrijven dat onder algemene regels valt en daardoor geen milieuvergunning meer hoeft aan te vragen, sterk uitgebreid (Kamerstukken II 29 383, nr. 140 en Stbl. 2009, 479, nota van toelichting blz. 41–46). Dat aantal zal nog verder stijgen door de inwerkingtreding van het Besluit landbouwactiviteiten in 2011. Daardoor zal de milieuvergunningplicht voor een groot deel van de veehouderij, voor zover deze niet onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn valt, worden opgeheven. Voor de bedrijven die vergunningplichtig blijven, is voorzien in integratie en stroomlijning van procedures in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die naar verwachting op 1 juli 2010 in werking zal treden.

Op deze wijze is naar onze mening in voldoende mate uitvoering gegeven aan het verzoek in de motie en beschouw ik dit onderdeel van de motie als afgedaan.

De motie-Van der Vlies en het tweede onderdeel van de motie-Koopmans c.s. richten zich op snellere invoering van innovatieve en duurzame stalsystemen, ondermeer door een verruiming van de proefstalstatus en het gebruik van voorlopige emissiewaarden. Op 12 februari 2009 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in haar reactie op de motie-Van der Vlies aangegeven dat in overleg met het bedrijfsleven zou worden geïnventariseerd of er zich op het vlak van de financiering van risicovolle innovaties knelpunten voordoen die niet met het huidige instrumentarium kunnen worden verholpen (Kamerstukken II 2008/2009, 31 700 XIV, nr. 126). In aanvulling daarop kan ik u thans meedelen dat het onderzoek zich in een afrondende fase bevindt. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zal uw Kamer hierover informeren.

In voornoemde brief van 12 februari 2009 is ook aangeven dat een aantal verbeteringen zijn doorgevoerd om de beoordeling van nieuwe stalconcepten met het oog op opneming in de Regeling ammoniak en veehouderij te versnellen. De beoordeling van nieuwe stalconcepten wordt momenteel binnen 20 weken afgerond en de bijlage met stalsystemen in de Regeling ammoniak en veehouderij wordt thans tweemaal per jaar geactualiseerd (in 2009 gebeurde dat in mei en in december).

Daarnaast wordt in eerder genoemde brief vermeld, dat zal worden bezien of het mogelijk is de zogenaamde «proefstalstatus» te verbreden en flexibeler te maken. De minister van VROM kan op grond van artikel 3 van de Regeling ammoniak en veehouderij voor nieuwe innovatieve stalsystemen een bijzondere emissiefactor (voor ammoniak) vaststellen, zodat deze in de praktijk kan worden uitgeprobeerd en bemeten. Dergelijke stalsystemen worden ook wel «proefstallen» genoemd. Als het nieuwe stalsysteem blijkt te voldoen en op basis van de metingen aan de «proefstal(len)» een emissiefactor kan worden vastgesteld, wordt het stalsysteem vervolgens in de bijlage bij de regeling opgenomen. Tussen de aanvraag van een bijzondere emissiefactor voor een proefstal en de opneming in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij liggen meestal enkele jaren. Pas dan kan zo’n nieuw en innovatief systeem op grotere schaal worden toegepast. Dat wordt zowel door de veehouderijsector als de producenten en leveranciers van nieuwe stalsystemen bezwaarlijk gevonden. Daarom is, mede naar aanleiding van de motie Koopmans c.s., in het kader van het «Actieplan ammoniak veehouderijen» gezocht naar een oplossing voor dit knelpunt. In hoofdstuk 6 van het actieplan is daartoe een voorstel uitgewerkt (bijlage bij Kamerstukken II 2009/2010, 30 654, nr. 75, blz. 32–33). De kern van het voorstel bestaat eruit, dat onder bepaalde voorwaarden nieuwe, innovatieve stalsystemen met een voorlopige emissiefactor in de bijlage bij de regeling zullen worden opgenomen. Op basis van die voorlopige emissiefactor kan het nieuwe stalsysteem dan in principe overal in de betreffende veehouderijtak worden toegepast. Voorwaarde is wel dat op het moment dat het nieuwe systeem met een voorlopige emissiefactor op de bijlage wordt geplaatst, gegarandeerd is dat het betreffende stalsysteem ook daadwerkelijk bemeten gaat worden. Om te voorkomen dat het nieuwe systeem na metingen niet aan de eisen van het Besluit huisvesting kan voldoen, wordt bij het vaststellen van de voorlopige emissiefactor een bepaalde veiligheidsmarge aangehouden. Zodra de meetresultaten van het stalsysteem bekend zijn wordt de voorlopige emissiefactor vervangen door de «gemeten» emissiefactor. Voor het vaststellen van een voorlopige emissiefactor hoeft de Regeling ammoniak en veehouderij niet te worden gewijzigd. Wel zal de systematiek van het vaststellen van voorlopige emissiefactoren en de voorwaarden waaronder dat mogelijk is, met het oog op de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid worden vastgelegd in een beleidsregel. Het streven is om deze beleidsregel in april dit jaar in de Staatscourant te publiceren.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. C. Huizinga-Heringa

Naar boven