30 644
Wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg)

29 815
Jeugdzorg 2005–2008

nr. 26
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR JEUGD EN GEZIN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 februari 2008

Hierbij stuur ik u ter informatie een brief die ik vandaag gestuurd heb aan de bureaus jeugdzorg, de gesloten jeugdzorginstellingen en de justitiële jeugdinrichtingen1.

Aanleiding voor de brief is een passage in het overgangsrecht bij de wijziging van de Wet op de jeugdzorg ten behoeve van de gesloten jeugdzorg. In het overgangsrecht is bepaald dat een jeugdige met een machtiging gesloten jeugdzorg tot 1 januari 2010 zowel in een gesloten jeugdzorginstelling, als in een justitiële jeugdinrichting kan worden geplaatst. Het overgangsrecht bepaalt daarnaast dat, als de (verlenging van een) machtiging ten uitvoer wordt gelegd in een justitiële jeugdinrichting, de jeugdige en degene die het gezag over hem heeft moeten instemmen met die plaatsing.

Deze passage sluit, zoals mij is gebleken, niet aan bij het doel van de wet. Zoals uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel blijkt, is de bedoeling geweest om in de overgangsperiode de Dienst Justitiële Inrichtingen in overleg met de ouders en bureau jeugdzorg bij plaatsing van de jeugdige altijd op inhoudelijke gronden te laten bepalen of de jeugdige in een gesloten jeugdzorginstelling of in een justitiële jeugdinrichting geplaatst zou worden. Daarover zijn, in overleg met mij en na inhoudelijke goedkeuring door de gedeputeerden, door de staatssecretaris van Justitie en de vertegenwoordigers van de branchecommissies Bureaus Jeugdzorg en Zorgaanbieders van de MOgroep afspraken gemaakt in het plaatsingsprotocol gesloten jeugdzorg. In het plaatsingsprotocol is opgenomen dat de meest kwetsbare jeugdigen als eersten in de gesloten jeugdzorg moeten worden geplaatst.

De passage kan het beleid van plaatsing van de jeugdige op de plek die op inhoudelijke gronden het beste bij hem past doorkruisen. Dit vind ik een zeer onwenselijke situatie, nu dat kan betekenen dat jeugdigen niet de behandeling krijgen die ze nodig hebben.

Met bijgaande brief heb ik de instellingen willen informeren over de situatie en aangekondigd dat ik op korte termijn kom met een verheldering van de ontstane situatie. Vanzelfsprekend zal ik ook u hiervan nader op de hoogte stellen.

De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven