Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730608 nr. 7

30 608
Regels in verband met de inwerkingtreding van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Invoeringswet Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken)

nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 4 december 2006

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In hoofdstuk 1, paragraaf 7, worden voor artikel 9 twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 8a

De Kadasterwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen h tot en met l worden geletterd i tot en met m.

2. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

h. het beheren van de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, en het verlenen van inzage in de gegevens uit die voorziening;.

B

In artikel 25, eerste lid, aanhef, wordt «die anderszins krachtens wetsbepaling kan worden ingeschreven» vervangen door: die krachtens een andere wet dan de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken kan worden ingeschreven.

C

In artikel 117 wordt, onder vernummering van het zevende lid tot achtste lid, na het zesde lid een lid ingevoegd, luidende:

7. De Dienst is aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door een vergissing, verzuim, vertraging of andere onregelmatigheid van de Dienst, door hem begaan bij het beheren van de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, dan wel bij het verlenen van inzage in de gegevens uit die voorziening. De Dienst is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het door de Dienst verstrekken van gegevens die afkomstig zijn van derden en inhoudelijk onjuist blijken te zijn, of uit het niet tijdig ontvangen of kunnen verstrekken van gegevens die afkomstig zijn van derden door handelen of nalaten van die derden.

Artikel 8b

In artikel 16, tweede lid, van de Organisatiewet Kadaster wordt «artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, h, i en j, van de Kadasterwet» vervangen door: artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, h, j, k en l, van de Kadasterwet.

B

In artikel 12, onderdeel A, worden aan artikel 1, onderdeel b, twee subonderdelen toegevoegd, luidende:

5°. een schriftelijke handeling, niet zijnde een besluit, van een bestuursorgaan van een provincie of gemeente op grond van een provinciale respectievelijk gemeentelijke verordening, waardoor, voordat op grond van die verordening een besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument is genomen, op die onroerende zaak de in de betreffende verordening opgenomen bepalingen ten aanzien van krachtens die verordening aangewezen beschermde monumenten van overeenkomstige toepassing worden;

6°. een afschrift van een inschrijving op dan wel in een provinciale of gemeentelijke monumentenlijst respectievelijk een provinciaal of gemeentelijk monumentenregister door een bestuursorgaan van een provincie of gemeente van een besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument, indien door die inschrijving de in de betreffende provinciale of gemeentelijke verordening opgenomen bepalingen ten aanzien van krachtens die verordening aangewezen beschermde monumenten rechtstreeks van toepassing worden;.

C

In artikel 12, onderdeel B, wordt artikel 2 als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid wordt vernummerd tot vijfde lid.

2. Na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

4. Tot de aangewezen categorieën van beperkingenbesluiten behoren verder mede die beperkingenbesluiten waarbij een publiekrechtelijke beperking die is voortgevloeid uit een beperkingenbesluit als vermeld in een aangewezen categorie, wordt gewijzigd of komt te vervallen.

3. In het vijfde lid (nieuw) vervalt: verder.

D

In artikel 12, onderdeel C, wordt onder vernummering van de subonderdelen 1 en 2 tot 2 en 3 een subonderdeel ingevoegd, luidende:

1. In het eerste lid wordt na «van een bestuursorgaan van de desbetreffende gemeente,» ingevoegd: van het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waarin de desbetreffende gemeente deelneemt of van een gemeenschappelijk orgaan in laatstbedoelde zin,.

E

In artikel 12, onderdeel F, wordt artikel 7, derde lid, als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c wordt geletterd e.

2. Na onderdeel b worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

c. bij een beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5°, indien een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is, binnen vier dagen na de dag waarop het beperkingenbesluit is verzonden of van het beperkingenbesluit kennisgeving is gedaan;

d. bij een beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 6°, indien een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is, binnen vier dagen na de dag waarop de inschrijving van het besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument heeft plaatsgevonden;.

F

Artikel 12, onderdeel H, komt te luiden:

H

Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10

1. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de in artikel 6 bedoelde gegevens door middel van een daartoe strekkende landelijke voorziening op zodanige wijze beschikbaar worden gehouden voor de Dienst dat deze de betreffende gegevens te allen tijde langs elektronische weg kan ophalen en raadplegen.

2. Op verzoek verleent de Dienst aan eenieder met betrekking tot van kracht zijnde publiekrechtelijke beperkingen inzage in de in artikel 6 bedoelde gegevens door deze op te halen uit de landelijke voorziening, bedoeld in het eerste lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het beschikbaar houden van gegevens, bedoeld in het eerste lid, geschiedt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gegeven omtrent het verlenen van inzage, bedoeld in het tweede lid.

G

Na artikel 12, onderdeel H, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a

1. De Dienst beheert de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid. Dit beheer geschiedt in overleg met een representatieve vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de gemeenten.

2. De uitkomsten van het overleg, bedoeld in het eerste lid, worden voorgelegd aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, indien dit door de Dienst of de vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de gemeenten bij het overleg noodzakelijk wordt geacht.

H

In artikel 12, onderdeel I, wordt subonderdeel 2 als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e wordt geletterd g.

2. Na onderdeel d worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

e. bij een beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5°, indien een bestuursorgaan van een provincie het bevoegd gezag is, binnen vier dagen na de dag waarop het beperkingenbesluit is verzonden of van het beperkingenbesluit kennisgeving is gedaan;

f. bij een beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 6°, indien een bestuursorgaan van een provincie het bevoegd gezag is, binnen vier dagen na de dag waarop de inschrijving van het besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument heeft plaatsgevonden;.

I

Artikel 12, onderdeel K, subonderdeel 1, komt te luiden:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens een andere wet dan deze wet verstrekt de Dienst periodiek aan een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15, eerste lid, een overzicht van wijzigingen in de kadastrale aanduidingen van de onroerende zaak of zaken waarop een door dat bestuursorgaan op grond van artikel 15, eerste lid, ter inschrijving in de openbare registers aangeboden beperkingenbesluit of een daarop betrekking hebbende beslissing in administratief beroep of rechterlijke uitspraak betrekking heeft, voorzover deze documenten de grondslag vormen voor een van kracht zijnde publiekrechtelijke beperking. Deze verstrekking is kosteloos.

J

Artikel 12, onderdeel N, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de artikelen 17a, eerste lid, en 17b, eerste lid, wordt «geldende» vervangen door «van kracht zijnde» en wordt «te gelden» vervangen door: van kracht te zijn.

2. In de artikelen 17a, tweede en vierde lid, en 17b, tweede lid, wordt «stukken» telkens vervangen door: documenten.

3. Onder vernummering van artikel 17c tot artikel 17d wordt na artikel 17b een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17c

De inschrijving van een beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, dat dateert van voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet en de grondslag vormt voor een op dat tijdstip niet meer van kracht zijnde publiekrechtelijke beperking, alsmede een op dat beperkingenbesluit betrekking hebbende beslissing in administratief beroep of rechterlijke uitspraak, blijft achterwege.

4. In artikel 17d (nieuw) wordt «de artikelen 17a en 17b» vervangen door: de artikelen 17a, 17b en 17c.

K

In artikel 13, aanhef, wordt «artikel 100e van die wet» vervangen door: artikel 100e van de Woningwet.

L

Na artikel 13 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 13a

Indien het bij koninklijke boodschap van 5 januari 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten (verbetering naleving, handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) (29 392), tot wet is verheven en in werking is getreden op het tijdstip dat deze wet in werking treedt, zijn ten aanzien van een aanschrijving als bedoeld in artikel V, onder a, van die wijzigingswet de volgende artikelonderdelen van de Woningwet, zoals deze luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van die wijzigingswet, niet langer van kracht:

a. artikel 28, vijfde lid;

b. artikel 28, zesde lid, voorzover daarbij het vijfde lid van toepassing wordt verklaard.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging bevat een aantal wijzigingen van het wetsvoorstel houdende regels in verband met de inwerkingtreding van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Invoeringswet Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken) (Kamerstukken II 2005/2006, 30 608, nr. 2), hierna te noemen: het wetsvoorstel.

Deze wijzigingen zijn deels inhoudelijk van aard. Het betreft hier de wijziging van artikel 3, eerste lid, van de Kadasterwet (onderdeel A van de nota van wijziging), de wijziging van artikel 10, tweede lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: de Wkpb) (onderdeel F van de nota van wijziging), alsmede de toevoeging van een nieuw artikel 10a aan de Wkpb (onderdeel G van de nota van wijziging) Voor het overige strekken de wijzigingen tot technische en redactionele verbeteringen.

Onderdeel A

Wijziging van de Kadasterwet en de Organisatiewet Kadaster

Onderdeel A voegt aan hoofdstuk 1, paragraaf 7 van het wetsvoorstel de artikelen 8a en 8b toe. Deze artikelen wijzigen een aantal artikelen van de Kadasterwet respectievelijk de Organisatiewet Kadaster. Bij het formuleren van de artikelen 8a en 8b is ervan uitgegaan dat het wetsvoorstel houdende regels over de informatie-uitwisseling betreffende ondergrondse netten (Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten) (30 475), welk wetsvoorstel eveneens de Kadasterwet en de Organisatiewet Kadaster wijzigt, vóór de inwerkingtreding van de onderhavige wet tot wet zal zijn verheven en in werking zal zijn getreden.

Het nieuwe artikel 8a wijzigt de artikelen 3, 25 en 117 van de Kadasterwet.

De in artikel 8a, onderdeel A, subonderdeel 1, voorgestelde wijziging van artikel 3, eerste lid, van de Kadasterwet is louter van technische aard. Deze wijziging hangt samen met de voorgestelde wijziging in artikel 8a, onderdeel A, subonderdeel 2. Dit artikelonderdeel voegt aan artikel 3, eerste lid, van de Kadasterwet, dat een opsomming bevat van de taken van het Kadaster, een nieuw onderdeel h toe. Hiermee wordt vastgelegd dat het beheren van de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wkpb, zoals gewijzigd door deze nota van wijziging, en het verlenen van inzage in de gegevens uit die voorziening, tot de taken van het Kadaster worden gerekend. De grondslag voor die taken kan overigens worden gevonden in de Wkpb zelf, te weten in het voorgestelde artikel 10, tweede lid, van de Wkpb, zoals gewijzigd door deze nota van wijziging, en in het voorgestelde artikel 10a, eerste lid, van de Wkpb, dat bij deze nota van wijziging aan het wetsvoorstel is toegevoegd. Op deze artikelen zal in de toelichting bij de onderdelen F en G van deze nota van wijziging nader worden ingegaan.

Artikel 8a, onderdeel B, wijzigt artikel 25, eerste lid, aanhef, van de Kadasterwet. In dit artikellid is bepaald dat, voorzover hier van belang, ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak die voor een akte van levering in de plaats treedt of die anderszins krachtens wetsbepaling kan worden ingeschreven, een expeditie van de rechterlijke uitspraak wordt aangeboden. Artikel 3, derde lid, van de Wkpb bevat echter een afzonderlijke bepaling met betrekking tot de vorm waarin rechterlijke uitspraken op grond van die wet moeten worden ingeschreven. Dergelijke rechterlijke uitspraken moeten daarom van de werking van artikel 25, eerste lid, van de Kadasterwet worden uitgezonderd.

Artikel 8a, onderdeel C, voegt aan artikel 117 van de Kadasterwet een nieuw zevende lid toe, waarin in de eerste zin is bepaald dat, kort samengevat, het Kadaster aansprakelijk is voor schade veroorzaakt ten gevolge van door hem begane onregelmatigheden bij het beheren van de landelijke voorziening, dan wel bij het verlenen van inzage in de gegevens uit die voorziening. De tweede zin van het nieuw voorgestelde artikellid stelt buiten twijfel dat het Kadaster niet aansprakelijk is voor schade die is te wijten aan het feit dat een individuele gemeente haar verplichtingen krachtens de Wkpb met betrekking tot het toezenden van gegevens aan de landelijke voorziening niet of onvoldoende heeft nageleefd. In dat geval is die individuele gemeente aansprakelijk.

Het voorgestelde artikel 8b wijzigt artikel 16, tweede lid, van de Organisatiewet Kadaster, dat een onderverdeling bevat van de gebruikersraad van het Kadaster in twee afzonderlijke kamers. Deze onderverdeling is gebaseerd op de in artikel 3, eerste lid, van de Kadasterwet genoemde wettelijke taken. De voorgestelde wijziging van artikel 16, tweede lid, voornoemd, strekt ertoe de nieuwe taken van het Kadaster, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel h (nieuw), van de Kadasterwet, bij die onderverdeling te betrekken.

Onderdeel B

Wijziging van artikel 1, onderdeel b, van de Wkpb

Onderdeel B voegt aan artikel 1, onderdeel b, van de Wkpb, zoals gewijzigd door het wetsvoorstel, twee nieuwe subonderdelen toe, te weten de subonderdelen 5° en 6°.

Aan de toevoeging van deze onderdelen ligt dezelfde problematiek ten grondslag als de problematiek die voor de aanwijzing van rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988 heeft geleid tot de toevoeging van de subonderdelen 3° en 4° aan artikel 1, onderdeel b, van de Wkpb. Zie in dit verband de memorie van toelichting bij artikel 12, onderdeel A, van het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2005/2006, 30 608, nr. 3, pag. 15 tot en met 17), waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.

Naar thans is gebleken kan de betreffende problematiek zich evenzeer voordoen bij de aanwijzing van onroerende zaken als beschermd monument op grond van een provinciale respectievelijk gemeentelijke verordening. De publiekrechtelijke beperkingen in verband met het besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument, vangen ook in die gevallen reeds aan vanaf het moment dat het voornemen om tot de aanwijzing over te gaan kenbaar is gemaakt (de zogeheten voorbescherming). Deze voorbescherming duurt niet voort totdat het besluit tot aanwijzing als beschermd monument feitelijk is genomen, maar totdat dat besluit is ingeschreven op dan wel in een provinciale of gemeentelijke monumentenlijst respectievelijk een provinciaal of gemeentelijk monumentenregister. Net zoals bij de rijksmonumenten, kunnen ook dit begin- en eindpunt van de voorbescherming niet worden aangemerkt als een beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1°, van de Wkpb, omdat aan de materiële elementen van de definitie van dit begrip niet wordt voldaan. Daarom zijn in verband met de aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening in de subonderdelen 5° en 6° twee met de subonderdelen 3° en 4° vergelijkbare bepalingen opgenomen. Deze bepalingen zijn in algemene termen vervat, omdat er een grote diversiteit bestaat in het begrippenkader dat terzake in provinciale en gemeentelijke verordeningen wordt gebruikt.

Subonderdeel 6° heeft mede betrekking op die gevallen waarin weliswaar geen voorbescherming heeft gegolden, maar de rechtsgevolgen van het besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument pas ingaan op het moment dat het besluit is ingeschreven op dan wel in een provinciale of gemeentelijke monumentenlijst respectievelijk een provinciaal of gemeentelijk monumentenregister. In sommige provinciale en gemeentelijke verordeningen wordt uitgegaan van deze systematiek.

Hiervan moeten worden onderscheiden provinciale en gemeentelijke verordeningen waarin noch de figuur van de voorbescherming voorkomt, noch de figuur van de inschrijving op dan wel in een monumentenlijst respectievelijk monumentenregister die de gevolgen van het besluit tot aanwijzing als beschermd monument effectueert. In deze gevallen vloeien de publiekrechtelijke beperkingen van een besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument rechtstreeks uit dat besluit voort. Een dergelijk besluit valt wel onder de materiële elementen van de definitie van het begrip beperkingenbesluit, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1°, van de Wkpb. De regering is daarom voornemens om, uitsluitend met het oog op deze gevallen, een besluit op grond van een provinciale of gemeentelijke verordening tot aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd monument, bij het Aanwijzingsbesluit Wkpb als beperkingenbesluit aan te wijzen.

In de meeste provinciale of gemeentelijke verordeningen die een stelsel van voorbescherming kennen, is bepaald dat de voorbescherming niet alleen eindigt wanneer een besluit tot aanwijzing van een onroerende zaak als monument wordt ingeschreven op dan wel in een monumentenlijst respectievelijk monumentenregister, maar ook wanneer vaststaat dat niet tot de aanwijzing als beschermd monument zal worden overgegaan. Dit laatste dient onder de werking van de Wkpb te worden gemarkeerd door de inschrijving krachtens de Wkpb van een vervallenverklaring (van de voorbescherming) als bedoeld in artikel 7, vierde lid, dan wel artikel 15, derde lid, van de Wkpb.

Onderdeel C

Wijziging van artikel 2 van de Wkpb

Onderdeel C wijzigt artikel 2 van de Wkpb, zoals gewijzigd door het wetsvoorstel.

De in onderdeel C, onder 1, voorgestelde wijziging betreft een technische aanpassing, die samenhangt met de in onderdeel C, onder 2, voorgestelde toevoeging van een nieuw vierde lid. Deze toevoeging leidt ertoe dat in aanvulling op de beperkingenbesluiten die ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wkpb mede tot de aangewezen categorieën van beperkingenbesluiten behoren, ook tot die categorieën behoren die beperkingenbesluiten waarbij een publiekrechtelijke beperking die is voortgevloeid uit een beperkingenbesluit als vermeld in een aangewezen categorie, wordt gewijzigd of komt te vervallen. Teneinde te bereiken dat de inschrijving en registratie van beperkingenbesluiten een volledig en actueel beeld bieden, is het noodzakelijk dat dergelijke beperkingenbesluiten, die vallen onder de materiële elementen van de definitie van beperkingenbesluit in artikel 1, onderdeel b, onder 1°, van de Wkpb, ook feitelijk worden aangewezen. Zonder het voorgestelde artikel 2, vierde lid (nieuw), zou het noodzakelijk zijn om die beperkingenbesluiten bij de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde aanwijzing, uitdrukkelijk te benoemen. Met het oog op de praktische hanteerbaarheid van die aanwijzing is dat onwenselijk. Voorgesteld wordt daarom om dit met een algemene bepaling als bedoeld in artikel 2, vierde lid (nieuw), te doen.

De in onderdeel C, onder 3, voorgestelde wijziging van artikel 2, vijfde lid (nieuw), betreft louter een redactionele verbetering in verband met de toevoeging van het nieuwe vierde lid.

Onderdeel D

Wijziging van artikel 3, eerste lid, van de Wkpb Onderdeel D wijzigt artikel 3, eerste lid, van de Wkpb. Deze wijziging strekt ertoe om voorzover beperkingenbesluiten door het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen of door een gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in die wet worden genomen, deze in het kader van de Wkpb op één lijn te stellen met beperkingenbesluiten die worden genomen door gemeentelijke bestuursorganen. Zonder deze gelijkstelling zou eerstgenoemde categorie beperkingenbesluiten in de openbare registers bij het Kadaster moeten worden ingeschreven. Omdat de grondslag van een gemeenschappelijke regeling wordt gevormd door de deelnemende gemeenten, verdient de thans voorgestelde benadering binnen het systeem van de Wkpb de voorkeur.

Onderdelen E en H

Wijziging van de artikelen 7, derde lid, en 15, tweede lid, van de Wkpb

De onderdelen E en H wijzigen artikel 7, derde lid, respectievelijk artikel 15, tweede lid, van de Wkpb. Deze wijzigingen hangen samen met de hiervoor besproken toevoeging van de subonderdelen 5° en 6° aan artikel 1, onderdeel b, van de Wkpb. De voorgestelde wijzigingen voorzien voor de in deze subonderdelen bedoelde beperkingenbesluiten in een peilmoment waaraan de termijn van inschrijving van het betreffende beperkingenbesluit is gekoppeld.

Onderdeel F

Wijziging van artikel 10 van de Wkpb

Onderdeel F wijzigt artikel 10 van de Wkpb, zoals gewijzigd door het wetsvoorstel. Met de thans voorgestelde wijzigingen wordt een aantal noodzakelijke inhoudelijke en technische verbeteringen aangebracht.

In artikel 10, eerste lid, is in de eerste plaats na de verwijzing naar artikel 6 de zinsnede «eerste lid, onder a tot en met d» vervallen. Deze toevoeging is niet juist, omdat artikel 6, gelet op het begrip «ten minste» in het eerste lid, het mogelijk maakt om ook andere gegevens dan de in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met d, met name genoemde gegevens in de gemeentelijke beperkingenregistratie op te nemen, en het de bedoeling is dat ook deze gegevens naar de in artikel 10, eerste lid, bedoelde voorziening – de landelijke voorziening – worden gezonden. Ten aanzien van deze categorie niet met name genoemde gegevens kunnen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wkpb bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gegeven. Voorzover nodig zal dit gebeuren bij het Uitvoeringsbesluit Wkpb en de Uitvoeringsregeling Wkpb.

Verder is in artikel 10, eerste lid, de zinsnede «door middel van een daartoe strekkende voorziening» verschoven. Met de in het wetsvoorstel voorgestelde redactie van dit artikellid werd ten onrechte de suggestie gewekt dat deze voorziening een hulpmiddel voor het Kadaster is om de elders verzamelde gegevens afkomstig uit de gemeentelijke beperkingenregistraties in den lande op te halen en te raadplegen, terwijl die gegevens zich juist in de voorziening bevinden en het Kadaster deze gegevens daaruit moet verkrijgen. Met de voorgestelde wijziging wordt beoogd dit beter tot uitdrukking te brengen.

In artikel 10, eerste lid, is voorts aan het begrip «voorziening» de aanduiding «landelijke» toegevoegd. Deze aanduiding is in de voorlichting en communicatie omtrent de hier bedoelde voorziening steeds gebruikt. Ter verduidelijking is het daarom aangewezen dit begrip ook op te nemen in de Wkpb zelf.

Tot slot is in artikel 10, eerste lid, de volgorde van de begrippen «ophalen» en «raadplegen» omgedraaid, omdat het Kadaster de gegevens eerst moet kunnen ophalen alvorens deze te kunnen raadplegen.

De voorgestelde wijzigingen van artikel 10, tweede en derde lid, zoals gewijzigd door het wetsvoorstel, houden in de eerste plaats in dat de volgorde van deze artikelleden is omgedraaid. Hiertoe is op wetsystematische gronden besloten. Daarnaast zijn deze artikelleden ook inhoudelijk gewijzigd.

In artikel 10, tweede lid (nieuw), wordt thans tot uitdrukking gebracht dat bij het Kadaster alleen inzage in de in de gemeentelijke beperkingenregistratie opgenomen gegevens kan worden verkregen met betrekking tot van kracht zijnde publiekrechtelijke beperkingen. Dit betekent dus dat wanneer een zoekvraag bij het Kadaster als resultaat heeft dat er ten aanzien van een onroerende zaak geen publiekrechtelijke beperkingen van kracht zijn die hun grondslag vinden in een beperkingenbesluit van een gemeentelijk bestuursorgaan, dit niet inhoudt dat dergelijke beperkingen in het verleden niet van kracht zijn geweest. Indien men daarover informatie wil achterhalen, dan dient men zich bij de betreffende gemeente te vervoegen. De gegevens over niet meer van kracht zijnde publiekrechtelijke beperkingen die hun grondslag vinden in een beperkingenbesluit van een gemeentelijk bestuursorgaan zijn binnen de eigen gemeentelijke beperkingenregistratie van de betreffende gemeente wel oproepbaar.

Deze wijziging van artikel 10, tweede lid (nieuw), heeft tot gevolg dat niet meer volledig wordt voldaan aan het bij de totstandkoming van de Wkpb naar voren gebrachte uitgangspunt dat bij gemeenten en het Kadaster sprake is van eenzelfde niveau van informatievoorziening (Kamerstukken II 2001/2002, 28 218, nr. 3, pag. 10 tot en met 12, pag. 22, pag. 38). In dat verband is echter nooit uitdrukkelijk de vraag aan de orde geweest of dit uitgangspunt ook onverkort van toepassing moet zijn op publiekrechtelijke beperkingen die niet langer van kracht zijn. Gebleken is voorts dat het Kadaster bij het on-line verstrekken van inlichtingen uit de eigen kadastrale registratie alleen informatie verstrekt over actuele gegevens. Onder de gelding van de Wkpb zullen de zoekresultaten vanuit de kadastrale registratie en de landelijke voorziening gelijktijdig en in samenhang worden gepresenteerd via de systemen Kadaster-on-line en www.kadaster.nl. Om die reden is het vanuit informatietechnisch oogpunt aangewezen om de on-line verstrekking van informatie vanuit de landelijke voorziening op dezelfde wijze in te richten als de on-line verstrekking van informatie vanuit de kadastrale registratie. In de voorgestelde wijzing van artikel 10, tweede lid (nieuw), van de Wkpb is dit tot uitdrukking gebracht. Van een onevenredige verzwaring van de positie van de burger als gevolg van deze wijziging is geen sprake, omdat op basis van ervaringsfeiten bij het Kadaster ervan kan worden uitgegaan dat in het overgrote deel van de gevallen de burger uitsluitend zal zijn geïnteresseerd in de gegevens over van kracht zijnde publiekrechtelijke beperkingen. In dat geval kan met de raadpleging van Kadaster-on-line of www.kadaster.nl worden volstaan en is het niet nodig om ook de afzonderlijke gemeentelijke beperkingenregistratie van de betreffende gemeente te raadplegen.

In artikel 10, derde lid (nieuw), is de zin «Daarbij kunnen tevens regels worden gegeven omtrent het beheer van de voorziening, bedoeld in het eerste lid.» komen te vervallen. Dit hangt samen met de toevoeging van een nieuw artikel 10a aan de Wkpb, zoals voorgesteld bij onderdeel F van deze nota van wijziging.

Aan artikel 10, derde lid (nieuw), is toegevoegd de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te geven omtrent het verlenen van inzage, bedoeld in artikel 10, tweede lid (nieuw). Voorzover nodig zal dit gebeuren bij het Uitvoeringsbesluit Wkpb en de Uitvoeringsregeling Wkpb.

Onderdeel G

Nieuw artikel 10a van de Wkpb

Onderdeel G voegt aan de Wkpb een nieuw artikel 10a toe. In artikel 10a, eerste lid, eerste zin, is bepaald dat het Kadaster de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, beheert. Eerst na de indiening van het wetsvoorstel is duidelijk geworden dat het Kadaster dit beheer op zich zal nemen. De bepaling wordt daarom pas nu aan het wetsvoorstel toegevoegd.

In de tweede zin van dit artikellid is bepaald dat het Kadaster het beheer zal uitvoeren in overleg met een representatieve vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de gemeenten. Deze zijn immers houders van de aan de landelijke voorziening toe te zenden gegevens. Hoe de representatieve vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de gemeenten eruit dient te zien, wordt aan de gemeenten zelf overgelaten. Te denken valt aan een vertegenwoordiger namens de kleine gemeenten, een namens de middelgrote gemeenten, een namens de zogenoemde G4 en een namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De inhoudelijke invulling van het hier bedoelde overleg, wordt eveneens aan partijen zelf overgelaten. In dat verband is van belang dat het Kadaster bij het beheer van de landelijke voorziening vanzelfsprekend is gebonden aan alle in de daarvoor in de Wkpb en de daarop gebaseerde lagere regelgeving opgenomen normen. De ruimte die deze normen nog openlaten, is relatief beperkt.

In artikel 10, tweede lid, is tot slot bepaald dat de uitkomsten van het overleg, bedoeld in het eerste lid, worden voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, indien dit door de Dienst of de vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de gemeenten bij het overleg noodzakelijk wordt geacht. Deze bepaling houdt verband met de verantwoordelijkheid van genoemde minister voor de continuïteit en de kwaliteit van de wettelijke taakuitoefening door het Kadaster.

Onderdeel I

Wijziging van artikel 16, eerste lid, van de Wkpb Onderdeel I wijzigt artikel 16, eerste lid, van de Wkpb, zoals gewijzigd door het wetsvoorstel.

Naast de reeds bij het wetsvoorstel voorgestelde wijziging van het eerste deel van de eerste zin van dit artikellid – de zinsnede «Onverminderd ... periodiek» – wordt thans ook een wijziging van het laatste deel van deze zin voorgesteld.

Uit de oorspronkelijke redactie van artikel 16, eerste lid, eerste zin, vloeide voor het Kadaster niet alleen de verplichting voort om een overzicht van wijzigingen in de kadastrale aanduidingen van onroerende zaken te verstrekken voor onroerende zaken ten aanzien waarvan publiekrechtelijke beperkingen van kracht zijn, maar ook voor onroerende zaken ten aanzien waarvan publiekrechtelijke beperkingen niet langer van kracht zijn. Dit laatste was echter niet beoogd. Indien het Kadaster een beperkingenbesluit, een daarop betrekking hebbende beslissing in administratief beroep of rechterlijke uitspraak, dan wel vervallenverklaring als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Wkpb heeft ingeschreven waaruit blijkt dat een publiekrechtelijke beperking niet langer meer van kracht is, dan worden in de kadastrale registratie de gegevens van de betreffende publiekrechtelijke beperking, zoals de kadastrale aanduidingen van de onroerende zaak waarop deze betrekking heeft gehad, niet meer geactualiseerd. De thans voorgestelde wijziging van het laatste deel van de eerste zin van artikel 16, eerste lid, brengt dit tot uitdrukking.

Onderdeel J

Wijziging van de artikelen 17a tot en met 17c van de Wkpb

Onderdeel J heeft betrekking op de voorgestelde overgangsrechtelijke artikelen met betrekking tot de ten tijde van de inwerkingtreding van de Wkpb bestaande beperkingenbesluiten.

De voorgestelde wijzigingen in subonderdeel 1 betreffen louter technische verbeteringen. Door het wijzigen van «gelden» in «van kracht zijn» in de artikelen 17a, eerste lid, en 17b, eerste lid, worden deze artikelleden in overeenstemming gebracht met de terminologie zoals die in een aantal andere artikelen van de Wkpb wordt gebruikt. Zie bijvoorbeeld artikel 8, eerste lid, onderdeel c, zoals gewijzigd door het wetsvoorstel, alsmede artikel 9, eerste lid, onderdeel c.

Subonderdeel 2 wijzigt in de artikelen 17a, tweede en vierde lid, en 17b, tweede lid, «stukken» in «documenten». Eerstgenoemd begrip wordt doorgaans uitsluitend in verband gebracht met papieren stukken. Omdat ook het inschrijven van beperkingenbesluiten in elektronische vorm is toegestaan, is thans gekozen voor het bredere begrip «documenten».

Subonderdeel 3 leidt tot een nieuw artikel 17c, onder vernummering van het oorspronkelijke artikel 17c tot artikel 17d. Artikel 17c (nieuw) is toegevoegd, teneinde met het oog op de rechtszekerheid buiten twijfel te stellen dat een beperkingenbesluit als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Wkpb, dat dateert van voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet en de grondslag vormt voor, anders dan het geval is bij de beperkingenbesluiten, bedoeld in de artikelen 17a en 17b, een op dat tijdstip niet meer van kracht zijnde publiekrechtelijke beperking, alsmede een op dat beperkingenbesluit betrekking hebbende beslissing in administratief beroep of rechterlijke uitspraak, niet krachtens de Wkpb behoeven te worden ingeschreven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gedoogplichten waarbij op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de periode gedurende welke deze van kracht zijn is verstreken. Artikel 17c is noodzakelijk omdat een beperkingenbesluit als hiervoor bedoeld, op zichzelf wel onder de reikwijdte valt van de Wkpb, nu het hier om een bestaand beperkingenbesluit gaat, dat echter materieel is uitgewerkt. Hiervan moeten worden onderscheiden beperkingenbesluiten die dateren van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wkpb die reeds voor de inwerkingtreding van de Wkpb zijn herroepen, vernietigd, ingetrokken of vervallen. Dergelijke beperkingenbesluiten vallen niet onder de reikwijdte van de Wkpb.

Subonderdeel 4 wijzigt artikel 17d (nieuw), door de werking daarvan uit te breiden tot artikel 17c (nieuw).

Onderdeel K

Wijziging van artikel 13 van het wetsvoorstel

Onderdeel K wijzigt artikel 13 van het wetsvoorstel. Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat in dit artikel wordt gedoeld op artikel 100e van de Woningwet en niet artikel 100e van het voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten (verbetering naleving, handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) (29 392).

Onderdeel L

Nieuw artikel 13a van het wetsvoorstel

Onderdeel L voegt een nieuw artikel 13a aan het wetsvoorstel toe. Evenals artikel 13 van het wetsvoorstel heeft dit artikel betrekking op de situatie dat het voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten (verbetering naleving, handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) (29 392) reeds tot wet is verheven en in werking is getreden op het tijdstip dat de Invoeringswet Wkpb in werking treedt. Ingevolge artikel V, aanhef en onder a, van voornoemd wetsvoorstel blijft de Woningwet zoals deze luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van dat wetsvoorstel van kracht ten aanzien van een vóór dat tijdstip bekendgemaakte aanschrijving als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk III van die wet.

De regering is voornemens een dergelijke aanschrijving onder het toepassingsbereik van de Wkpb te brengen. Door de werking van artikel V, aanhef en onder a, van voornoemd wetsvoorstel, blijft artikel 28, vijfde en zesde lid, van de Woningwet, zoals deze thans luidt, op die aanschrijving van toepassing. Ingevolge deze artikelleden, voorzover hier van belang, dient een mededeling van burgemeester en wethouders inzake het vervallen van een aanschrijving – door een besluit tot intrekking van de aanschrijving of op andere wijze – zo spoedig mogelijk te worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 3.1.2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit is in strijd met de Wkpb. Immers, op grond van die wet moet ook een beperkingenbesluit waarbij een eerder opgelegde publiekrechtelijke beperking wordt gewijzigd of komt te vervallen, dan wel een vervallenverklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van die wet met betrekking tot die publiekrechtelijke beperking, worden ingeschreven in het gemeentelijke beperkingenregister.

Het nieuw voorgestelde artikel 13a van het wetsvoorstel strekt ertoe deze strijd op te heffen door te bepalen dat artikel 28, vijfde en zesde lid, van de Woningwet – dit laatste lid slechts voorzover daarbij het vijfde lid van toepassing wordt verklaard – niet langer van kracht is ten aanzien van een aanschrijving als hier bedoeld.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. Winsemius

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin