nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard
bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).
1. Strekking van het voorstel
Dit wetsvoorstel wijzigt een delegatiebepaling in de Wet kaderregeling
vut overheidspersoneel die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) de bevoegdheid geeft om in bepaalde situaties een regeling te treffen
voor de dekking van financiële lasten van het Vut-fonds. Het Vut-fonds
is belast met de uitvoering van de op basis van de wet gesloten vut-overeenkomst,
uitgewerkt in het Reglement flexibel pensioen en uittreden ter zake van basisuitkering
en aanvullende uitkering (fpu-reglement), de vervroegde uittredingsregeling
voor overheidspersoneel. Het fonds draagt zorg voor het financiële beheer
van de uit de vut-overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van overheidswerknemers.
De regeling van de Minister van BZK betreft de gevallen waarin een aan de
vut-overeenkomst deelnemende instelling ophoudt te bestaan. Wanneer ex-werknemers
van zo’n instelling recht hebben op een ingegane fpu-uitkering, blijven
die uitkeringen ten laste van het Vut-fonds. Op basis van de ministeriële
regeling worden deze lasten financieel gecompenseerd door de uittredende instelling
of door de sector waartoe die instelling behoort.
De huidige bepaling regelt dat de Minister van BZK regels kan stellen
voor de dekking van genoemde financiële lasten. De bevoegdheid zoals
die nu is geformuleerd is echter ontoereikend sinds de wijziging in de financieringssystematiek
van het Vut-fonds per 1 januari 2006.
2. Aanleiding
Tot 1 januari 2006 stelde het bestuur van het Vut-fonds jaarlijks
een premie vast aan de hand van de prognose van de vut-lasten voor het komende
jaar (omslagsysteem). Dit financieringssysteem is in die zin gewijzigd dat
het Vut-fonds de premielast niet baseert op de te verwachten vut-lasten over
de termijn van één jaar, maar op de te verwachten premie-inkomsten
en vut-lasten over de periode tot ca. 2016, dus ca. tien jaar.
Deze wijziging vloeit voort uit de afspraken tussen de sociale partners
bij de overheid over de afbouw van de fpu-regeling. De hoofdlijn is dat uitsluitend
overheidswerknemers geboren vóór 1950 nog gebruik kunnen maken van de bestaande fpu-regeling. Fpu-uitkeringen eindigen bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd. In de loop van de tijd zal het aantal
fpu-gerechtigden dus afnemen. Omstreeks 2016 zullen de laatste fpu-gerechtigden
de 65-jarige leeftijd bereikt hebben.
Ten aanzien van de financiering is afgesproken om de premie voor dit aflopend
aantal fpu-gerechtigden de gehele resterende periode op een gelijkblijvend
niveau te houden en niet rechtstreeks te relateren aan de jaarlijkse fluctuerende
fpu-lasten. Voor de berekening van de premiehoogte is uitgegaan van het huidige
aantal premiebetalers en de totale kosten van de tot 2016 te betalen fpu-uitkeringen.
De afspraak over de premie betekent dat het Vut-fonds aan het begin van de
tot 2016 lopende periode een premietekort zal hebben. Dit tekort zal worden
gedekt door een lening. De lening wordt te zijner tijd afgelost door een premieoverschot
aan het eind van deze periode.
Het nieuwe financieringssysteem betekent dat het Vut-fonds tot 2016 rekent
op premie-inkomsten op basis van de op 1 januari 2006 bestaande populatie.
Van een instelling die gedurende de periode tot 2016 ophoudt te bestaan, ontvangt
het Vut-fonds geen premies meer, terwijl daarmee wel rekening was gehouden.
Daar staat tegenover dat het Vut-fonds in de toekomst ook geen fpu-uitkeringen
voor de werknemers van deze instelling meer behoeft te betalen.
Deze elementen dienen gesaldeerd te worden betrokken bij de berekening
van de financiële lasten voor een instellling die ophoudt deel te nemen
aan de vut-overeenkomst.
3. Wijziging van de delegatiebepaling
Nu luidt artikel 4, vijfde lid, dat de Minister van BZK regels stelt voor
de dekking van financiële lasten voor zover die de reeds ingegane fpu-uitkeringen
betreffen van voormalig personeel van een instelling die ophoudt te bestaan.
Deze tekst is ontoereikend om in de berekening van de financiële dekking
de nog te verwachten premie-inkomsten en de wegvallende fpu-uitkeringen te
betrekken. De tekst van de desbetreffende bepaling (de eerste wijziging in
artikel 4, vijfde lid) wordt zodanig aangepast dat een ministeriële regeling
getroffen kan worden die wel de mogelijkheid geeft om met deze factoren rekening
te houden. Dat gebeurt door de tekst die ziet op de financiële dekking
van de reeds ingegane fpu-uitkeringen (uit een vut-overeenkomst ontstane rechten)
te vervangen door de algemene formulering van financiële dekking met
betrekking tot de beëindiging van de gebondenheid aan een vut-overeenkomst.
Deze formulering verwijst naar artikel 3, eerste lid, waarin is bepaald dat
een instelling, waarvoor een vut-overeenkomst is gesloten, is gebonden aan
de verplichtingen die in de vut-overeenkomst zijn overeengekomen. Die gebondenheid
valt weg als de instelling ophoudt te bestaan. Ook de verplichtingen, zoals
de genoemde premiebetalingen, vallen dan weg. Door de gewijzigde financieringssystematiek
veroorzaakt dat voor de toekomst financiële lasten voor het vut-fonds.
De aangepaste tekst van artikel 4, vijfde lid, geeft de mogelijkheid om de
de ministeriële regeling zodanig aan te passen dat ook deze lasten gedekt
kunnen worden.
4. Wijziging van de reikwijdte voor financiële
compensatie
Artikel 4, vijfde lid, is van toepassing op instellingen behorend tot
de in de wet genoemde overheidssectoren, zoals rijk, onderwijs, politie, gemeenten,
provincies en op de zogeheten B3-instellingen. Dit zijn privaatrechtelijke
instelllingen waarvan de werknemers deelnemen in het pensioenfonds ABP. Het
komt in de uitvoeringspraktijk voor dat niet alleen op het niveau van een
instelling sprake is van het ophouden te bestaan of het ophouden als zodanig
(als overheidsinstelling of als B3-instelling) te bestaan. Ook
onderdelen (afdelingen, groepen) van deze instelling worden opgeheven of geprivatiseerd.
Ook in die gevallen moet het Vut-fonds de mogelijkheid hebben om financiële
compensatie in rekening te brengen bij de instelling die het betreffende onderdeel
afstoot of opheft. De tweede wijziging in artikel 4, vijfde lid, strekt ertoe
om het Vut-fonds deze mogelijkheid te geven.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes