30 584 (R 1811)
Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning

nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 13 november 2006

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

Artikel I onderdeel C, vierde lid komt als volgt te luiden:

4. In het achtste lid wordt de laatste zin vervangen door: Een kind dat ten tijde van het afleggen van de bereidverklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid bedoelde bereidverklaring, alsmede de verklaring zelf aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als in het vierde lid bedoeld. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

II

In artikel I onderdeel I, laatste volzin en onderdeel J, laatste volzin wordt «verklaring» gewijzigd in: verklaring van verbondenheid.

III

Artikel I onderdeel H komt als volgt te luiden:

H. Aan artikel 23 worden, onder plaatsing van het getal 1 voor de bestaande tekst twee leden toegevoegd, luidend:

2. De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik verklaar dat ik de Nederlandse rechtsorde respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar indien hij daar de voorkeur aan geeft aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

3. De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

IV

Artikel II onderdeel 2 komt als volgt te luiden:

2. Artikel 6, derde tot met negende lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap is van toepassing op personen die ingevolge onderdeel 1 worden erkend, met dien verstande, dat op de in het achtste lid bedoelde minderjarige niet het vereiste van toelating en hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba van toepassing is en hij niet gehouden is de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen.

V

Aan artikel II wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende:

5. Artikel 5b van de Wet conflictenrecht namen wordt als volgt gewijzigd:

In de eerste volzin van onderdeel a wordt de zinsnede «en daarbij het Nederlanderschap heeft behouden» gewijzigd in: en daarbij het Nederlanderschap heeft verkregen of behouden.

Toelichting

De in het eerste onderdeel opgenomen wijging is van technische aard. Hij vult de voorgestelde wijziging aan met een zin die beoogt te verduidelijken dat het besluit tot bevestiging in het in dit lid geregelde geval niet bekend wordt gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Deze zin is ook opgenomen in de andere artikelen waarin het afleggen van de verklaring wordt voorgeschreven.

De in het tweede onderdeel opgenomen wijziging is van redactionele aard. Daar waar nu «verklaring» staat wordt dit gewijzigd in: verklaring van verbondenheid, om deze duidelijker te onderscheiden van de bereidverklaring.

De in het derde onderdeel opgenomen wijziging beoogt de tekst van de verklaring van verbondenheid in de wet zelf op te nemen, waar hiervoor in het oorspronkelijke voorstel een regeling bij algemene maatregel van bestuur was voorzien. In het verslag is duidelijk gemaakt dat de Kamer eraan hecht mee te kunnen beslissen over de inhoud van de verklaring, wat, gezien het fundamentele karakter daarvan, in de rede ligt. Dit doet tevens recht aan de opvatting, dat de tekst van de verklaring in beginsel voor lange tijd dezelfde dient te zijn. Het zou afbreuk doen aan inhoud en bedoeling van de verklaring als deze regelmatig zou worden gewijzigd en optanten en naturalisandi op verschillende momenten verschillende verklaringen zouden afleggen. De tekst is zo opgesteld dat hij de essentie van het staatsburgerschap uitdrukt. Men dient de rechtsorde te respecteren en de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt te vervullen. Bij de plichten ware niet in de eerste plaats te denken aan juridische verplichtingen, maar eerder aan het complement van de rechten die het staatsburgerschap met zich meebrengt. Het recht om alhier te verblijven en zich vrij te verplaatsen en het recht om de volksvertegenwoordiging te kiezen brengt met zich mee dat men zijn plaats in de samenleving serieus neemt en zijn best doet om een goed burger van Nederland te zijn.

De in het vierde onderdeel opgenomen wijziging beoogt op minderjarigen die als erkend kind meedelen in de verkrijging van het Nederlanderschap dezelfde voorwaarden toe te passen als op de kinderen die thans het Nederlanderschap door erkenning na drie verzorging en opvoeding verkrijgen. Op hen is de voorwaarde van hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba niet van toepassing.

De in het vijfde onderdeel opgenomen wijziging beoogt de Wet conflictenrecht namen in overeenstemming te brengen met de in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van de verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning. Voor het kind dat langs deze weg het Nederlanderschap heeft verkregen moet ook keuze van de geslachtsnaam open staan.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Naar boven