30 582
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht (verlenging verjaring inzake overtredingen na stuiting)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).Tot 1 januari 2006 luidde artikel 72, tweede lid, Sr als volgt: «Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.» Vanaf 1 januari 2006 is aan dit artikellid een volzin toegevoegd, luidende: «Het recht tot strafvordering vervalt evenwel indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn.» Door deze aanvulling is het effect van stuiting op de duur van de verjaring dus begrensd tot een periode van twee maal de voor het desbetreffende strafbaar feit geldende verjaringstermijn vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen. Het betreft hier een gelaagd stelsel; naarmate de strafbedreiging die op het feit is gesteld hoger is, geldt een langere verjaringstermijn.

In de memorie van toelichting bij het initiatiefvoorstel inzake opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten (Kamerstukken II 2003/04, 28 495, nr. 7, p. 9) is zulks als volgt toegelicht. «Ten slotte wordt voorgesteld de mogelijkheden van stuiting niet meer, zoals thans het geval is, onbegrensd te laten blijven. Een onbegrensde mogelijkheid tot stuiting van de verjaring staat namelijk op gespannen voet met het wettelijke systeem van de verjaringsregeling. Uit dit systeem, dat erop neer komt dat de verjaringstermijn oploopt naarmate de ernst van het feit toeneemt, volgt níet dat alle misdrijven die onder dezelfde wettelijke kwalificatie kunnen worden gebracht, na exact dezelfde tijd verjaren. De maatschappelijke strafbehoefte ter zake van in een wat verder verleden gepleegde delicten kan verschillen, en de mogelijkheid die het Openbaar Ministerie heeft om de verjaring te stuiten door het stellen van daden van vervolging spoort daarmee. De in het wettelijk strafmaximum uitgedrukte ernst van het delict vormt echter wel een zeer belangrijke indicatie van die maatschappelijke strafbehoefte. Dat het Openbaar Ministerie, door het stellen van daden van vervolging, de verjaring van álle delicten tot in het oneindige kan voorkomen, doet aan de betekenis van die indicatie in sterke mate afbreuk. Het impliceert immers dat de verjaringstermijn uiteindelijk niet door de in de wet uitgedrukte ernst van het delict wordt begrensd, maar door de processuele activiteiten van het Openbaar Ministerie. Daarom wordt voorgesteld de mogelijkheid van stuiting te begrenzen tot maximaal twee maal de wettelijke verjaringstermijn.»

Het uitgangspunt achter deze begrenzing is juist.

Ten aanzien van overtredingen kunnen in de rechtspraktijk naar nu is gebleken evenwel problemen rijzen waarmee bij het opstellen van het wetsvoorstel in onvoldoende mate rekening is gehouden. Ingevolge de nieuwe regeling vervalt het recht van strafvervolging terzake van overtredingen na vier jaren na aanvang van de oorspronkelijke verjaringstermijn: het tijdstip waarop het feit is gepleegd. De ervaring leert dat de onherroepelijke afdoening van strafzaken inzake overtredingen soms pas na vier jaren haar beslag krijgt. Dit kan het geval zijn wanneer tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis hoger beroep wordt ingesteld. De kansen op overschrijding nemen toe, wanneer vervolgens beroep in cassatie wordt ingesteld.

Bijkomend effect kan zijn dat de nieuwe stuitingregeling aanwakkert tot het instellen van rechtsmiddelen ter bewerkstelliging van voortijdige beëindiging van de zaak.

Bij het voorstel tot begrenzing van de mogelijkheden tot stuiting is rekening gehouden met (de inwerkingtreding van) de in het wetsvoorstel inzake de OM afdoening (Kamerstukken I 2004/05, 29 849, A) voorgestelde verlenging van de verjaring voor overtredingen van twee jaren tot drie jaren. Daarmee zal de maximale verjaringstermijn als gevolg van stuiting worden verlengd tot zes jaren. Deze wijziging zal naar verwachting in veel gevallen uitkomst kunnen bieden. Niettemin moet er rekening mee worden gehouden dat sommige zaken ook na zes jaren nog niet onherroepelijk zijn afgedaan. Daarbij komt dat het wetsvoorstel OM afdoening niet voorziet in specifiek overgangsrecht en niet verzekerd is dat de voorgestelde verlenging van de verjaringstermijn ook van toepassing is op oude feiten.

Het is daarom geboden om de onwenselijke gevolgen van de nieuwe stuitingregeling op afdoende wijze en op korte termijn te redresseren. De voorgestelde wetgeving voorziet in een maximale verjaringstermijn voor alle overtredingen van tien jaren. Deze termijn is twee jaar korter dan de maximale verjaringstermijn als gevolg van stuiting, voor misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld (twee maal zes jaren).

Deze reparatiewetgeving is van toepassing op overtredingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn verjaard. Zulks wordt bevestigd in het voorgestelde artikel II. Een soortgelijke bepaling was ook opgenomen in recentelijke wetgeving inzake opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Naar boven