Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201130573 nr. 64

30 573 Migratiebeleid

Nr. 64 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 februari 2011

Op 9 december 2010 heeft het Europese Hof van Justitie antwoord gegeven op prejudiciële vragen die waren gesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee gevoegde zaken betreffende de uitleg van het associatierecht tussen de EU en Turkije. Ik heb uw Kamer op 19 januari tijdens het AO over gezinsmigratie toegezegd dat ik u op de kortst mogelijke termijn zou informeren over de beleidsmatige gevolgen die ik aan deze uitspraak verbind.

De zaken betreffen twee Turkse onderdanen die in verband met gezinshereniging tot Nederland waren toegelaten. Het verblijf in Nederland op basis van hun huwelijk bedroeg in beide gevallen minder dan drie jaar op het moment van ontbinding van het huwelijk. Op die grond is hun aanvraag voor voortgezet verblijf afgewezen. Het Hof overweegt echter dat deze Turkse onderdanen met een beroep op de standstill-bepaling uit Besluit 1/80 behorend bij de Associatieovereenkomst EU/Turkije, mogelijk voor voortgezet verblijf in aanmerking konden komen op grond van het oude beleid betreffende het zoekjaar na verbreking huwelijk. Dit beleid, dat is ingevoerd in 1982 en in 2001 weer is afgeschaft, kon voor Turkse onderdanen niet worden teruggedraaid op grond van de standstill-bepaling. Ik zal op grond van deze uitspraak de relevante wet- en regelgeving conform deze uitspraak aanpassen.

De uitspraak heeft mij bovendien voor de vraag gesteld of er in de periode tussen 1 december 1980 (datum van inwerking van Besluit 1/80 in Nederland) en heden andere beleidswijzigingen zijn doorgevoerd waarop ik nu moet terugkomen. Met het oog op de ontwikkelingen op het terrein van het associatierecht met Turkije heeft de toenmalige staatssecretaris van Justitie in 2009 een onderzoek laten uitvoeren door het WODC naar de toelatings- en verblijfsvoorwaarden van onderdanen uit Turkije.1 Dit onderzoek leidt er niet toe dat ik meen meer gevolgen aan de onderhavige uitspraak te moeten verbinden dan ik in het voorgaande heb aangegeven.

Indien een nationale rechter of het Europese Hof van Justitie op enig moment tot een andere conclusie komt ontstaat er uiteraard een nieuwe situatie.

De uitspraak kan mogelijk niet zonder gevolg blijven voor enkele van de voornemens van de regering op het gebied van migratie in het regeerakkoord. Ik wil hierop niet vooruit lopen en zal bij de introductie van nieuwe maatregelen zorgvuldig aandacht besteden aan de bijzondere positie van Turkse onderdanen.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers


X Noot
1

Kamerstukken II 2009/10, 30 573, nr. 48.