Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200930573 nr. 14

30 573
Migratiebeleid

nr. 14
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 december 2008

De vaste commissie voor Justitie1 en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben op 29 oktober 2008 overleg gevoerd met minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– de brief van staatssecretaris Albayrak van Justitie d.d. 11 juni over het ACVZ-advies Toelating en verblijf voor religieuze doeleinden (19 637, nr. 1159);

– de brief van staatssecretaris Albayrak van Justitie d.d. 27 juni 2008 over de Blauwdruk modern migratiebeleid (30 573, nr. 10);

– de brief van staatssecretaris Timmermans van Buitenlandse Zaken d.d. 18 september 2008 over de mededeling inzake Europees migratiebeleid (22 112, nr. 702).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Dijsselbloem Adjunct-griffier: Beuker

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Met de Blauwdruk modern migratiebeleid zet het kabinet de doelstellingen uiteen van het te voeren migratiebeleid en schetst het de hoofdlijnen van het nieuwe stelsel. Het moderniseren van het migratiebeleid is inderdaad hard nodig, maar niet op de manier die het kabinet beoogt. Het is meer dan duidelijk dat onze samenleving een veel te hoge prijs betaalt voor massa-immigratie van met name mensen uit moslimlanden als Marokko. Door die migratie hebben wij te maken met meer overlast, criminaliteit, straatterreur, meer druk op onderwijs en sociale voorzieningen als de gezondheidszorg. Ook onze kernwaarden, waaronder gelijkheid van man en vrouw, staan onder grote druk.

Het is dan ook meer dan duidelijk dat die voortgaande massa-immigratie eindelijk een halt moet worden toegeroepen. Dan moet je met name kijken naar de gezinsmigratie. De gezinsmigratie is immers de ware motor achter de schadelijke massa-immigratie en doet bijvoorbeeld de aantallen asielzoekers verbleken. Die motor draait op volle toeren. Ik heb de laatste cijfers van de IND erbij gehaald, waaruit blijkt dat er tot en met september dit jaar alleen al aan gezinsmigranten meer dan 15 000 verblijfsvergunningen zijn verstrekt. Over het gehele jaar, dus 2008, zitten wij dus op meer dan 20 000 toegelaten gezinsmigranten: 20 000 allochtonen uit de eerste generatie die de vicieuze cirkel van maatschappelijke problemen en integratieproblemen in stand houden.

Op die manier kunnen die problemen natuurlijk nooit worden opgelost en blijft het dweilen met de kraan open. Het kabinet ziet dat helaas niet, want in de blauwdruk wordt op het terrein van de gezinsmigratie geen enkele beperkende maatregel gepresenteerd. Daarvoor wil ik graag een verklaring van het kabinet. Juist deze vorm van migratie kunnen wij namelijk allang niet meer aan. Waarom wordt er bijvoorbeeld niets gedaan aan de bizarre mogelijkheid dat je achter elkaar een oneindig aantal partners naar Nederland kunt halen? Moeten wij het echt nog langer goed vinden dat mensen tot wel zeven, acht of negen keer toe een partner uit een land als Marokko halen en naar Nederland laten gaan? Dat is een open uitnodiging voor misbruik van het toelatingsbeleid. Waarom wordt de korte periode van drie jaar, waarna gezinsmigranten een zelfstandige verblijfsvergunning krijgen, niet opgerekt tot tien jaar? Ook dan ga je misbruik van het gezinsmigratiebeleid op een effectieve manier tegen. Nu zie je vaak dat relaties na precies drie jaar stranden. Daarna laten beide partners weer nieuwe partners overkomen. Daardoor gaat het sneeuwbaleffect door, terwijl wij ons dat niet kunnen permitteren. Ik zeg nogmaals dat het kabinet daartegen niets doet.

Het kabinet maakt het zelfs bond door het gezinsmigratiebeleid te verruimen. Bij het laten overkomen van ouders uit het buitenland wil het de eis laten vervallen die inhoudt dat vrijwel al hun kinderen in Nederland wonen. Er zullen dus meer ouders van immigranten naar Nederland komen. Zij zullen allemaal een beroep doen op voorzieningen als de AOW en de gezondheidszorg. Daaraan kunnen wij echt niet beginnen. Ik verzoek het kabinet dus om het gezinsmigratiebeleid niet te verruimen. Hetzelfde geldt voor de gezinsmigratie van vreemdelingen die in Nederland zijn afgestudeerd en die gebruikmaken van het zogenaamde zoekjaar om werk te vinden. Wat heeft het voor zin om voor deze groep gezinsvorming of -hereniging toe te staan, terwijl nog lang niet zeker is dat hij na dat zoekjaar een baan heeft en in Nederland mag blijven?

Ik hoop overigens dat het kabinet ten aanzien van de gezinsmigratie niet aan de inkomens- en inburgeringseis gaat morrelen, ook niet na de kritiek van de Europese Commissie daarop.

Ik kom op de aanpak van referenten, zoals die in de blauwdruk is beschreven. Daarmee doel ik op de personen of de organisaties die om overkomst van vreemdelingen vragen. Waarom worden deze referenten alleen aangepakt in het geval van herhaald wangedrag en zeer ernstige misdragingen? Waarom gebeurt dat ook niet in het geval van enkelvoudig misbruik van het toelatingsbeleid en op het moment van misdragingen in het algemeen? Mij lijkt dat er ook dan moet worden opgetreden. Een bedrijf dat bijvoorbeeld misbruik maakt van het kennismigrantenbeleid moet voor eens en altijd worden uitgesloten van andere arbeidsmigranten. Dit voorbeeld is overigens niet uit de lucht gegrepen, want de IND heeft een hoop rare bedrijven tot de kennismigrantenregeling toegelaten. Ik heb de lijst bij de hand en zie dat daarop naast Shell onder andere voorkomen: afhaalrestaurant Melissa, agrarisch loonbedrijf Ersoy, agrarisch loonbedrijf Coprak BV, agrarisch loonbedrijf Dede en Al madina travel staan. Ik heb op het internet gekeken of het in het laatste geval een grote touroperator is, maar stuitte op een «dode» internetlink en vrees dus het ergste. Verder staan op die lijst Auto Cleaning Plus BV, bakkerij Kismet, bakkerij Nimet en zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik ben namelijk nog maar bij de letter «b». Een kind kan begrijpen dat iets niet in de haak is en dat er actie moet worden ondernomen. Het is echt onwaarschijnlijk dat deze bedrijfjes megasalarissen geven aan hooggekwalificeerde buitenlandse arbeidsmigranten. Dat is misbruik maken van het kennismigrantenbeleid om mensen een verblijfsvergunning te bezorgen. Het lijkt evident. Daaraan moet iets worden gedaan. Controleer ook met terugwerkende kracht of die hoge salarissen die aan kennismigranten moeten worden uitbetaald, echt zijn overgemaakt en of dat bekend is bij de Belastingdienst.

Ook personen die optreden als referent moeten in geval van misbruik, bijvoorbeeld het aangaan van een schijnrelatie, meteen worden uitgesloten van de mogelijkheid om een andere partner te laten overkomen. Ook hierop wil ik graag een reactie.

Tot slot wijs ik op het belang van het goed uitvoeren van het vreemdelingenbeleid. Zolang de IND daarvan een janboel maakt, is de Vreemdelingenwet namelijk niet meer dan een dode letter. Zelfs de meest voor de hand liggende controles op bijvoorbeeld inkomen, samenwoning en strafblad, heeft de IND ernstig verwaarloosd. Ongetwijfeld hebben velen daardoor ten onrechte een verblijfsvergunning gekregen of behouden. Vorige week maakte de staatssecretaris bekend dat daarin eindelijk verandering komt. Dat hoop ik van harte, maar ik denk dat het allemaal nog veel te weinig en veel te licht is. Pas in het uiterste geval zal de vreemdelingenpolitie adrescontrole doen. Wat is daarvan de reden?

Mevrouw Azough (GroenLinks): De heer Fritsma bracht het ons bekende verhaal over gezinsmigratie. Hij heeft kritiek op de kennismigrantenregeling, maar vindt hij niet dat er per definitie iets gedaan moet worden om het voor kennismigranten mogelijk te maken dat zij gemakkelijk naar Nederland kunnen komen met de intentie, in ons land te werken in het belang van onze economie en samenleving?

De heer Fritsma (PVV): Ja, daarover heb ik eerder iets gezegd. De PVV-fractie is niet per definitie tegen de overkomst van kennismigranten. Zij vindt ook dat aan de behoefte van bedrijven als Shell om hoog gekwalificeerd personeel naar Nederland te halen, tot op zekere hoogte moet worden voldaan, mits dat personeel niet in ons land aanwezig is. Dat moet echter niet op de huidige manier gebeuren. Nu is er alleen de salariseis. Als je een vermogen verdient, krijg je automatisch een verblijfsvergunning. De PVV-fractie wil dat aan de eisen in ieder geval de eis van een opleiding wordt toegevoegd om oneigenlijk gebruik of misbruik grotendeels tegen te gaan.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De heer Fritsma stelt dus geen extra criteria aan mensen die uit bepaalde landen komen? Hoog opgeleide kennismigranten uit Indonesië, Marokko en Turkije zijn wat hem betreft dus van harte welkom?

De heer Fritsma (PVV): Nee. De PVV-fractie heeft een immigratiestop voorgesteld voor mensen uit moslimlanden. Dat is altijd één van de voorwaarden voor het regulier toelatingsbeleid.

De heer Kamp (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is voorstander van een modern migratiebeleid. Zij noemt dat immigratiebeleid. Zij is voorstander van maximale duidelijkheid, af- en stroomlijning, samenvoeging, vereenvoudiging en versnelling van procedures. Een loket, een procedure, een vergunning binnen veertien dagen. Wij zijn daarvan voorstander, mits de zorgvuldigheid daaronder niet lijdt en misbruik wordt voorkomen.

Wij zijn ook voor het naar behoefte toelaten van immigranten die meerwaarde hebben voor onze samenleving. In de beleidsnotitie «Naar een modern migratiebeleid» van 2006 van het vorige kabinet, werd dat prima verwoord. Daarin staat letterlijk dat het gaat om het gemakkelijker maken van toelating voor immigranten aan wie in de Nederlandse samenleving behoefte is. Dat is glashelder. Het duurde ruim twee jaar voordat het huidige kabinet met een vervolg op deze notitie kwam: de zogenaamde blauwdruk die nu voorligt. In deze blauwdruk is de doelstelling anders verwoord en is die doelstelling niet meer helder. Het gaat niet langer om de samenleving maar om het kabinet. Het kabinet verwoordt het als volgt: «... toelating gemakkelijker maken voor immigranten voor wie het kabinet dat wenselijk vindt.» Deze formulering is gekozen omdat het kabinet accent legt op toelating om humanitaire redenen. Inmiddels krijgen een op de drie asielzoekers geen vergunning asiel meer maar om humanitaire redenen een vergunning regulier. Zij vallen dus onder het modern immigratiebeleid waarover wij vandaag spreken. Bescherming als vluchteling is niet nodig en categoriale bescherming is niet aan de orde. Zij hebben geen meerwaarde voor de Nederlandse samenleving maar krijgen wel een verblijfsvergunning. Bovendien geldt in de regel ook voor hen dat zij eerder in een ander veilig land verbleven – als je over land naar Nederland komt, kom je immers eerst in zes andere landen– of dat zij op Schiphol hun paspoort en vliegticket hebben verdonkeremaand. De VVD-fractie vindt dat het weigeren van een verblijfsvergunning asiel moet resulteren in vertrekken of uitzetten en niet in het verlenen van een verblijfsvergunning regulier.

Wij hebben ook vragen over het bericht dat de staatssecretaris op basis van haar discretionaire bevoegdheid bovenop de categoriale bescherming, waarvoor twee derde van de asielzoekers in aanmerking komt, tussen de 300 en 400 verblijfsvergunningen heeft afgegeven. Dat aantal komt bovenop de gewone asielvergunningverlening, de verlening van reguliere vergunningen aan asielzoekers en het generaal pardon voor 27 000 afgewezen asielzoekers. Als je dat in vijf of tien gevallen doet, is het incidenteel en heb je geen probleem. Maar als dat honderden keren gebeurt, maak je het de facto structureel, worden informeel criteria toegepast en word je door de rechter gedwongen om die criteria openbaar te maken. Dan heb je weer een nieuwe regeling. Ik verzoek de staatssecretaris om daarop in te gaan.

De heer De Wit (SP): Betekent dit dat de heer Kamp met terugwerkende kracht ook de twaalfhonderd vergunningen afkeurt die in de vorige kabinetsperiode door de voormalig VVD-minister zijn afgegeven?

De heer Kamp (VVD): Nee. In de vorige kabinetsperiode waren het twaalfhonderd vergunningen en nu spreken wij over 340 vergunningen binnen anderhalf jaar. Bovendien is er tussendoor een generaal pardon ingevoerd. Alle mensen over wie de staatssecretaris heeft gezegd dat zij eigenlijk zouden moeten blijven, hebben al een vergunning gekregen. En er kwamen 340 vergunningen bovenop. Daarbij plaatsen wij vraagtekens vanwege het juridisch risico dat ik zojuist heb verwoord.

De heer De Wit (SP): De heer Kamp weet toch dat het merendeel van die 1200 vergunningen door voormalig minister Verdonk zijn afgegeven naar aanleiding van onder andere de 14.1-brieven? Dat zijn de brieven waarin beroep werd gedaan op schrijnendheid. Het is dus ook een georganiseerde groep. De heer Kamp geeft geen antwoord op mijn vraag over de terugwerkende kracht.

De heer Kamp (VVD): Ik heb die vraag met nee beantwoord.

Waarom moest het ruim twee jaar duren voordat er een vervolg kwam op de genoemde notitie van het vorige kabinet? Het inhoudelijke verschil zoals ik dat zie, is dat wij niet van 26 naar 5 verblijfskolommen teruggaan maar van 26 naar 8. Twee verblijfskolommen zijn opgesplitst en er is er een toegevoegd. Verder zie ik dat de referentenregeling is uitgebreid. Had dat niet sneller gekund? Kon in die twee jaar geen besluit worden genomen over voorstellen voor het aanpassen van de Wet arbeid vreemdelingen? Dan konden wij nu over een pakket praten. Kon er in die tussentijd ook geen praktische regeling komen voor de zogenaamde praktikanten? Nederland is een exportland. Nederlandse bedrijven hebben veel en gevarieerde contacten met buitenlandse bedrijven, klanten, leveranciers en zusterbedrijven. Daarom is voortdurend gedurende korte periodes uitwisseling van personeel nodig en daarvoor moet een redelijke en uitvoerbare regeling zijn.

Volgens de reactie van de FNV op de blauwdruk worden de mogelijkheden om in Nederland te werken groter voor lager en middelbaar opgeleiden. Is dat waar? De VVD-fractie is daarvan tegenstander, zeker als het lager opgeleide personen zijn. Zolang in Amsterdam, waar 60 000 Marokkanen wonen, twee van de drie mensen niet werken, is de VVD-fractie tegenstander van het toelaten van lager opgeleide arbeidsimmigranten uit landen buiten de EU. Zij is dat ook zolang van de toegelaten asielzoekers vier jaar na verkrijging van de verblijfsvergunning, negen van de tien mensen niet werken en gegeven het feit dat openstelling van de grenzen voor Bulgarije en Roemenië nog slechts een paar jaar kan worden uitgesteld. De VVD-fractie wil ook niet dat lager opgeleiden tijdelijk worden toegelaten. Als zij vervolgens weigeren te vertrekken, is dit kabinet niet bij machte om vertrek af te dwingen, Dat is gebleken.

De voorliggende blauwdruk biedt geen oplossing voor het grote probleem waarmee wij in Nederland op het terrein van immigratie worden geconfronteerd. Dat probleem is dat de waarde van een verblijfsvergunning voor Nederland voor een kansarme zeer groot is. Het is een vrijbrief voor een voorzieningenparadijs. Men draait zich dus in alle bochten om een vergunning te bemachtigen: asiel, regulier, schrijnend, pardon, discretionair, partner. Als er maar een verblijfsvergunning komt op basis waarvan vervolgens gezinshereniging of -vorming mogelijk is. De overheid kan dat alles alleen weerstaan door het zojuist door mij geschetste probleem helder te benoemen, de regels en de uitvoeringsorganisaties op scherp te zetten en met een krachtige, consequente en politieke aansturing. Helaas is dat alles niet het geval.

Natuurlijk zit er ook een andere kant aan het verhaal: het gaat om immigranten met meerwaarde voor onze samenleving. Voor hen moet er ook een behoorlijke regeling zijn. De meerwaarde moet in de praktijk blijken. Als die er is, is hun toelating gewenst. Die moet dan ook op een zorgvuldige, praktische en vlotte manier worden gefaciliteerd. Hoe dat moet, is tijdens de vorige kabinetsperiode uitgewerkt in de beleidsnotitie «Naar een modern migratiebeleid» met als vervolg de blauwdruk. De blauwdruk kan voor de toelating van migranten met een meerwaarde voor de samenleving een verbetering zijn, mits er aan een paar voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde is dat die regelingen zich echt tot die groep met meerwaarde beperken. De tweede is dat de losse einden, de Wet arbeid vreemdelingen en de regeling voor praktikanten, niet langer blijven liggen. De derde voorwaarde is dat de controle en de handhaving goed worden aangepakt. Ik ben daarover bezorgd, omdat de IND tot nu toe niet liet blijken dat hij op deze punten presteert. De vierde voorwaarde is dat geautomatiseerde systemen waarop wordt geleund, in de praktijk werken. Kan de staatssecretaris aangeven waarom zij ervan overtuigd is dat de controle en de handhaving zodanig goed zijn opgezet dat de overgang van toetsing vooraf naar toetsing achteraf – dat is de essentie van de referentensystematiek – verantwoord is? Heeft zij zich ervan verzekerd dat de geautomatiseerde systemen inmiddels zo robuust zijn dat daarop kan worden vertrouwd?

De heer Van de Camp (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie heeft kennisgenomen van de Blauwdruk modern migratiebeleid. Zij stemt in met de basisgedachte «uitnodigend waar het kan en restrictief waar het moet». Met name de nadere uitleg en de analyse van het begrip «prioriteitgenietend arbeidsaanbod in Nederland» spreken ons zeer aan en die moeten naar onze mening de volle aandacht krijgen en behouden. Wij kunnen ons in hoofdlijnen vinden in de indeling van de verblijfskolommen, alsmede in de benadering van het referentensysteem.

De afgelopen weken heeft de Kamer een paar aanvullende brieven ontvangen, onder andere die van de VSNU en de HBO-raad. Ik verzoek de staatssecretaris om daarop te reageren. Die brieven hebben vooral betrekking op de stagiaires. Is het probleem van de stagiaires in de praktijk opgelost? Ik vraag dus niet of dat op papier is opgelost. En hoe zit het met de hoog opgeleide onderzoeker die een jaar lang in Nederland wil werken maar daarvoor geen prioriteitgenietend arbeidsaanbod mag «vervullen».

Wij zijn teleurgesteld over het tijdpad. In het voorjaar van 2009 komt de nieuwe kennismigrantenregeling, maar de uitrol van de Blauwdruk modern migratiebeleid zal in 2011 niet zijn voltooid. Kunnen wij ons dat met onze open economie permitteren? Waarom moet het zo lang duren? Wat is er gebeurd tussen 2006 en 2008?

In dat verband valt het mij ook op dat – ik kijk ook even naar de minister van SZW – over 17 punten in de blauwdruk nader overleg moet plaatsvinden. Ik heb ze geteld. Daarover moet niet alleen overleg plaatsvinden met de staatssecretaris, maar ook met de minister. Hoe zit het met de afstemming van de blauwdruk en de aanpassing van de Wet arbeid vreemdelingen? Daarover worden weliswaar warme woorden gesproken, ook in verband met de eenloketbenadering, maar de vraag is wat dat in de praktijk betekent. Ik hoop dat de staatssecretaris en de minister tijdens dit algemeen overleg inzicht kunnen geven over de verdere voortgang van dat nader overleg. Wij hebben in onze open economie immers niet eindeloos de tijd om met elkaar te overleggen. Zo meteen kom ik op Europa.

Ik stel een praktisch vraag over die éne Toegangs- en Verblijfsprocedure (TeV). Wat betekent die in de praktijk? Een casus: de referent vraagt een verblijfsvergunning aan. Wat krijgt degene die naar Nederland mag komen op de ambassade uitgereikt? Ik begrijp dat het ministerie van Buitenlandse Zaken op de ambassade geen verblijfsvergunningen wil uitreiken. Wat krijgt die man of vrouw dan in de ambassade van het land van herkomst? Het moet één procedure worden waarin de mvv wordt opgenomen.

Ik kom op de referenten. Het valt ons op dat pas bij herhaalde recidive het Wetboek van Strafrecht in zicht komt. Waarom is dat het geval? Ik ben het wat dat betreft enigszins eens met de grondtoon van de heer Fritsma die zegt dat, als een referent het vertrouwen beschaamt, hem de referentenstatus ontnomen moet worden. Waarom wordt er eindeloos voorzichtig en «gejuridiseerd» gehandeld?

Nu stel ik kort de kwestie van de partners van de kennismigranten aan de orde. Laatst waren wij op bezoek bij mevrouw Maij-Weggen. Zij wordt natuurlijk in hoge mate geïnspireerd door Brainport Eindhoven. Dat zal ook de voorzitter genoegen doen. Er zijn veel praktische problemen met de partners. Op bladzijde 22 van het schriftelijk overleg wordt verwezen naar het expertcenter Amsterdam Area – dat is een prachtige kreet – voor het verbeteren van de praktische kanten van de kennismigrantenregeling. Wij vinden dat veel te vrijblijvend. Het kan niet zo zijn dat wij in de Blauwdruk modern migratiebeleid een goede regeling voor de kennismigranten opstellen en dat iedereen, de partners en de kinderen, in de bureaucratie van alles wat er omheen hangt ten onder gaat. Op dat punt zou ik graag wat meer duidelijkheid hebben en ook praktische toezeggingen.

Ik kom op de kwestie van de sociale zekerheid. Dat is een gevoelig onderwerp. Ik merk dat onder andere als ik gesprekken voer met de Nederlander op straat en op de beroemde verjaardagsfeestjes. Het kan niet de bedoeling zijn dat, als jij je baan kwijtraakt, de verblijfsvergunning gehandhaafd wordt en dat er een bijstandsuitkering wordt verstrekt. Ook in deze blauwdruk wordt een en ander heel voorzichtig geformuleerd: «Beroep op de openbare kas kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.» Wij zouden liever zien er stond «... zal gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, tenzij ...» Natuurlijk kunnen er altijd uitzonderingen zijn, alsmede verzachtende omstandigheden. «Het verliezen van een baan kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht», is naar onze mening te voorzichtig uitgedrukt. In 2006 bleken 280 mensen uit de Midden- en Oost-Europese landen in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering nadat zij hun baan waren kwijtgeraakt. Hoe kan dat?

De heer Kamp (VVD): De huidige regeling houdt in dat mensen die een jaar in Nederland zijn, gedurende een maand voor bijstand in aanmerking kunnen komen. Als zij twee jaar in ons land zijn, kunnen zij daarvoor gedurende drie maanden in aanmerking komen. Voor het derde jaar geldt een periode van zes maanden en in het vierde jaar kunnen zij onbeperkt in de bijstand blijven. Moet die regeling naar de mening van de CDA-fractie worden aangescherpt?

De heer Van de Camp (CDA): Het antwoord op die vraag is ja.

Ik ga in op toelating en verblijf voor religieuze doeleinden. Ik heb begrepen dat wij voortgaan met de tijdelijke regeling totdat er een definitieve is. Het kabinet heeft gezegd dat het de motie-Sterk niet zal uitvoeren. In die motie staat dat een imam een Nederlandse opleiding moet hebben. De argumentatie daarvoor kan ik begrijpen, maar ik vraag mij af wat dat betekent voor de positie van de Nederlandse imamopleidingen. In diezelfde overgangsregeling staat dat de toets op prioriteitgenietend arbeidsaanbod per 22 juli 2007 is vervallen. Daarmee heb ik ingestemd, maar het kan niet de bedoeling zijn dat de Nederlandse imamopleiding geen positie krijgt. Daarover zou ik willen «elaboreren», zoals dat deftig heet, in de zin van hoe wij die Nederlandse imamopleiding gaan positioneren.

Ik kom op Europa. De staatssecretaris schrijft twee volledige, «warme» pagina’s over Europa. Het komt er eigenlijk op neer dat de gunstige Nederlandse kennismigrantenregeling voorlopig wordt gehandhaafd omdat wij in Europa geen stap verder komen. Ontplooit de staatssecretaris op dat punt nog nadere initiatieven?

Tot slot kom ik op de kwestie van de mvv-vereisten en de ziektekostenverzekering. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel op stuknummer 31 249 is daarover uitvoerig met minister Klink gesproken, maar de praktische problemen op dat punt zijn niet opgelost. Men kan wel een mvv krijgen maar geen ziektekostenregeling. Wanneer wordt dat fameuze interdepartementale overleg over dat onderwerp tot een orabeslissing gebracht?

De heer Fritsma (PVV): De CDA-fractie zegt dat zij voorstander is van restrictief toelatingsbeleid. Hoe je het ook wendt of keert, dat is niet te rijmen met het jaarlijks binnenhalen van 20 000 gezinsmigranten. Als er niets gebeurt, zit je de komende vijf jaar met honderdduizend allochtonen uit de eerste generatie die alle problemen in stand houden. Wat staat de CDA-fractie voor ogen om een rem te zetten op die gezinsmigratie?

De heer Van de Camp (CDA): Toen de heer Fritsma over dit punt zijn woorden in eerste termijn uitsprak, zat ik te twijfelen of ik zou interrumperen. Dat heb ik niet gedaan, want de heer Fritsma sprak ongeclausuleerd over 20 000 gezinsmigranten en hij wekte daarmee de indruk dat zij uit één land komen, uit één gebied. Dat land bevindt zich in Noord-Afrika. Ook wekte hij de indruk dat al die migranten hetzelfde geloof aanhangen. Ik heb helemaal geen behoefte aan deze containerbenadering. Van die 20 000 gezinsmigranten zal er helaas een aantal zijn dat hier niet thuishoort, maar het overgrote deel heeft recht op toelating tot Nederland. Ik heb in dat opzicht wel vertrouwen in het kabinet. Het zal de heer Fritsma niet verbazen dat iemand van een gezins- en familiepartij zegt dat het overgrote deel recht heeft op toelating tot Nederland. Mijnheer Fritsma, misbruik moet hard worden aangepakt maar ik heb, zoals gezegd, helemaal geen zin in allerlei ongeclausuleerde containeruitspraken.

De heer Fritsma (PVV): Gezinsmigranten komen overal vandaan. Er is bijvoorbeeld ook een grote stijging van aanvragen van Irakezen en Afghanen die als asielzoekers zijn binnengelaten. Het is naar mijn idee vrij zorgelijk dat de CDA-fractie het kennelijk prima vindt dat wij de komende vijf jaar met honderdduizend nieuwe allochtonen uit de eerste generatie zitten. Zo blijft het dweilen met de kraan open. Ik vind het zorgelijk dat de CDA-fractie daarop geen concreet antwoord heeft en dat zij geen nieuwe voorstellen doet om de rem erop te zetten.

De heer Van de Camp (CDA): De heer Fritsma herhaalt zijn opvattingen alleen maar. Mede dankzij het vorige kabinet is er sprake van een aanmerkelijke inperking op het punt van de gezins- en huwelijksmigratie. Ik ga ervan uit dat het kabinet dat beleid voortzet. Vanochtend heb ik het woord «asiel» niet in de mond genomen en ik zal dat ook niet doen. Zeker als wij praten over een kennismigrantenregeling en wij willen dat die mensen op een fatsoenlijke manier naar Nederland komen, hebben wij ook te maken met gezinsmigratie.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Mijn fractie heeft grote bezwaren tegen de Blauwdruk modern migratiebeleid, met name als het gaat over het verengen van de discussie over het migratiebeleid tot een enkele? groep. Wij hebben het eigenlijk over hoog opgeleide kennismigranten. Maar de problematiek is natuurlijk veel groter en ruimer. Wij hebben met de Kamer veel vaker gesproken over allerlei andere problemen die met migratie te maken hebben. De discussie ten aanzien van deze blauwdruk wordt verengd tot modern migratiebeleid ofwel hoog opgeleide kennismigranten. Als je kijkt naar het verleden, blijkt dat de discussie daarover al verkeerd is aangezet door de toenmalig Eurocommissaris Vitorino die sprak over the «battle for brains». Dat begrip komt ook in de nota en in het stuk met het kabinetsstandpunt voor. Dat is gewoonweg fout. The «battle for brains» geeft precies aan in welk slecht kader de discussie geplaatst wordt. Wij hebben het immers over met name hoog opgeleide mensen die je onttrekt aan het land van herkomst. De staatssecretaris gaat nu zo ver dat zij in de stukken schrijft dat in ieder geval in bepaalde regio’s en sectoren een braindrain ontstaat. Dat is steeds het grote probleem van mijn fractie geweest: er wordt van uitgegaan dat die hersenen hier heen moeten komen en dat het ons een worst zal wezen wat er in de landen van herkomst gebeurt. Mijn fractie heeft altijd gepleit voor beleid op dat punt.

Nu zegt de staatssecretaris dat er een aantal verzachtende omstandigheden is. In de eerste plaats moeten wij er rekening mee houden dat het kabinet bezig is met een gedragscode. De Kamer heeft daarover al twee jaar lang gesproken en op die code zit mijn fractie nog steeds te wachten. In de tweede plaats zegt de staatssecretaris dat het kabinet de studiekosten aan het land van herkomst zal vergoeden. De vraag is aan de orde of iemand nog geneigd is om terug te gaan als hij toch is afgekocht. In de derde plaats wordt erop gewezen dat die mensen veel geld terugsturen naar de landen van herkomst. Dat zijn verzachtende omstandigheden die de kern niet raken, namelijk dat je ongeclausuleerd mensen naar Nederland haalt. Mijn fractie pleit ervoor dat, op het moment dat wij kennismigranten naar Nederland halen, dit moet gebeuren in een beter en duidelijker kader: is het verantwoord om mensen uit een bepaalde sector, met een bepaald beroep, naar Nederland te halen? Laten wij dat toetsen. Het laatste is door de Kamer, althans door de staatssecretaris, afgewezen. Zij ziet dat namelijk niet zitten. De aanzet en de kern van het beleid en het daartoe beperken van de discussie, vinden wij verkeerd. Wij zijn het dus niet eens met deze invalshoek.

Ik ga in op een paar onderdelen van het standpunt van het kabinet en de onderliggende stukken. In de eerste plaats kom ik op de gezinsmigratie die daarmee samenhangt. Wie zijn de familieleden van de kennismigranten die naar Nederland komen? Ik heb daarover schriftelijke vragen gesteld. Vanuit de praktijk wordt erop gewezen dat niet iedereen een vrouw of een man met kinderen heeft. Er zijn dus ook migranten die in gezinsverband samenwonen met een moeder. De staatssecretaris zegt dat het kabinet voor het laatste geval de reguliere procedure zal volgen. De vraag is of dat, waar zij aan de andere kant snelheid beoogt, niet haaks op elkaar staat en of deze mensen toch niet zullen afhaken om de simpele reden dat het hen veel moeilijker wordt gemaakt. Ik pleit uiteraard voor controle, opdat je weet wie je als gezinsmigrant binnenhaalt. Los daarvan, vind ik dat de staatssecretaris over dat punt moet nadenken.

In de tweede plaats vraag ik mij af wanneer wij het toegezegde onderzoek over de inkomens- en leeftijdseis tegemoet kunnen zien. De staatssecretaris zegt dat de termijn van zes maanden voor de nareistermijn wordt afgeschaft. Gelet op de praktische problemen die zullen ontstaan, is mijn fractie er voorstander van om de termijn van zes maanden te handhaven. Waarom wil zij die termijn terugbrengen? Hetzelfde geldt voor de mvv-termijn. Die wordt teruggebracht tot drie maanden. Daar staat tegenover dat er heel veel problemen ontstaan voor mensen die met reisproblemen te maken hebben, bijvoorbeeld als er in een land geen diplomatieke voorzieningen zijn en die mensen naar een ander land moeten reizen dat duizenden kilometers verderop ligt.

Ik kom op de hardheidsclausule. De staatssecretaris heeft daarover gezegd dat daarvoor geen reden is.

Wij mogen ervan uitgaan dat de referenten hun verantwoordelijkheid kennen. Ik ben het eens met de opmerkingen die in de stukken over de referenten worden gemaakt. Mijn fractie vindt dat er gecontroleerd moet worden, dat misbruik dient te worden tegengegaan en dat vooral gekeken moet worden of er inderdaad sprake is van een migrant en de situatie die bedoeld is. Ook de controle op de werkgevers mag wat mij betreft steviger worden aangezet. In de schriftelijke inbreng hebben wij gevraagd waarom er bij deze referenten wordt uitgegaan van vertrouwen en waarom er ten aanzien van gezinsvorming en -hereniging zo streng wordt gecontroleerd. Waarom geldt die controle niet voor de referenten? Wij vinden dat er controle moet komen. De IND en andere instanties gaan vooral samenwerken op het terrein van controle. Hoe staat het daarmee? Wat kunnen wij daarover van de staatssecretaris tegemoet zien?

Ik kom op de leges. Als je beoogt om een snellere procedure in te voeren, is het logisch dat de kosten dalen. Wij hebben destijds het onjuiste besluit genomen tot het enorm verhogen van de legeskosten. Iedereen moest aan die kosten bijdragen. Ik vond dat waanzin, want de vraag is dan waarover je praat. De leges zijn te hoog. Nu gaan wij de procedure versimpelen en versnellen. Dan kan het niet anders dan dat die legeskosten omlaag gaan. Waarom is dat volgens de staatssecretaris niet het geval?

Ik vind dat de staatssecretaris zich er heel gemakkelijk vanaf maakt als het gaat om de kritiek van de Europese Commissie op de familiehereniging. Dan doel ik op het beleid van de Nederlandse regering daaromtrent. Dat is forse kritiek op Nederland. Waarom heeft dat volgens de staatssecretaris geen consequenties en waarom gebruikt zij als argument dat er nog geen inbreukprocedure is gestart?

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Het is goed dat wij vandaag over de uitwerking kunnen spreken van een beleidskader dat al in oktober 2006 met de Kamer is besproken. Het heeft inderdaad een behoorlijke tijd geduurd voordat wij de volgende stap konden zetten, maar misschien geeft de eerste zin van de brief een deel van het antwoord op de vraag wat daarvan de reden is. Ik las dat deze blauwdruk wordt aangeboden, mede namens de ministers van Justitie, Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ontwikkelingssamenwerking, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Wonen, Wijken en Integratie. Dat is een indrukwekkende lijst van departementen die daarbij betrokken zijn. Ik denk dat dit ook aangeeft welke verschillende invalshoeken er zijn en moeten zijn. Als je alleen vanuit het perspectief van Economische Zaken naar kennismigratie kijkt en dus niet vanuit het oogpunt van Ontwikkelingssamenwerking nadenkt over de nadelen van braindrains en dergelijke, heb je ook een beleid dat tekortschiet. Het toont dus aan dat het onderwerp dat wij vandaag bespreken, ingewikkeld en veelzijdig is. Helaas betekent dit in de praktijk ook dat het risico bestaat dat besluitvormingsprocedures ontzettend lang en ingewikkeld worden voor onder anderen mensen die zitten te wachten op kennismigranten.

Wij staan positief tegenover dit beleidskader vanwege de sleutelwoorden «vereenvoudiging» en «versnelling van besluitvorming». Die zaken zijn namelijk hard nodig voor aanpassing van het migratiebeleid. Het uitgangspunt was restrictief. Daaraan wordt nu het woord «selectief» toegevoegd. Dat betekent dat het beleid op onderdelen uitnodigend kan zijn. Ik zal de logische discussie over de vraag in hoeverre restrictief en selectief zich laten combineren, niet voeren. Op een gegeven moment houdt het restrictief zijn op als je op onderdelen uitnodigend bent. Toch begrijp ik de redenering. Je vertrekpunt is restrictief en vervolgens moet je op onderdelen uitnodigend zijn. Dan kun en wil je niet zo restrictief handelen.

Wat de snelheid van besluitvorming betreft, wordt er natuurlijk ook gekeken naar het type migratie dat voor onze samenleving de grootste meerwaarde heeft. Wij vinden dat snelheid van procedures voor het type migratie waaraan onze samenleving iets heeft, niet ten koste mag gaan van snelheid en rechtszekerheid van andere procedures. Daarin moet zo veel mogelijk een gelijke route worden gekozen.

Ik zei zojuist al dat ook ethische aspecten hierbij een rol spelen: wat betekent ons migratiebeleid voor bijvoorbeeld de braindrainproblematiek? Die problematiek hebben anderen ook al aan de orde gesteld. Wij vinden dat uitbreiding van gedragscodes voor wervingsbeleid mogelijk moet zijn. Dat moet niet alleen mogelijk zijn voor sectoren als de verpleging maar ook voor andere. Wij moeten de effecten daarvan in beeld brengen en houden voor de landen van herkomst.

Als het gaat om de concrete uitwerking, vinden wij het inschakelen van die maatschappelijke verantwoordelijkheid van referenten een goed idee: concrete, maatschappelijke legitimatie. In hoeverre kan deze verplichting tot registratie als erkend referent te rigide uitpakken en onnodige lasten met zich brengen voor kleinere bedrijven?

De herziene kolommenstructuur, dus het inperken van het aantal verblijfsdoelen, is een belangrijke vereenvoudiging die ons ook aanspreekt. Wel vraag ik mij af of er niet een aparte kolom nodig blijft voor bepaalde religieuze categorieën. De ACVZ lijkt daarop ook aan te sturen voor geestelijk bedienaren. Hoe zit het met de bijzondere status voor geestelijk bedienaren in het voorgestelde model waar het wringt met het vereiste van werkgeverschap? Nu wordt gesproken over de relaties werkgever, werknemer, onderwijsgevende, student en uitwisselingsorganisatie jongeren. Kan dat voor religieuze bedienaren van een werkgeverschap in de normale zin van het woord geen problemen opleveren ten aanzien van het voorgestelde model?

Wat de referenten betreft vragen wij ons af of een strafrechtelijke veroordeling voor delicten die het wezen van de betrouwbaarheid van de referent aantasten, bijvoorbeeld valsheid in geschrifte, geen reden is om die partij blijvend van de status van erkend referent uit te sluiten.

Vanuit welk gezinsmodel redeneren wij als het gaat om kennismigranten en hun familie, voor wie die versnelde procedure kan gelden? Is het niet te eng gedacht als alleen wordt uitgaan van minderjarige kinderen en partners? Er kan namelijk ook sprake zijn van gezinssituaties met bijvoorbeeld een moeder of een broer die verzorgd wordt. Zou dat potentiële kennismigranten niet kunnen weerhouden als daarvoor wel een omslachtige procedure geldt?

Hoe staat het met de positie van de zogenaamde praktikanten; buitenlanders die in hun land een vaste baan hebben en die ervaring in Nederland willen opdoen? Is daarvoor nog geen soepele procedure mogelijk?

Er is uitvoerig aandacht besteed aan de Europese ontwikkelingen, maar mij is nog niet helemaal duidelijk in hoeverre het beleid dat wordt uitgewerkt toekomstbestendig is in het licht van wat er in Europa aankomt.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. De herziening van het immigratiebeleid is, zoals mijn collega’s al meerdere malen zeiden, hard nodig. Hoewel het herhaaldelijk is aangepast, is het reguliere toelatingsbeleid nog steeds gebaseerd op de Vreemdelingenwet van 1965. Dat geeft de urgentie al weer. Deze herziening kwam tot stand na grote druk vanuit verschillende Kamerfracties die de vele bureaucratische problemen van studenten en kennismigranten meemaakten die naar Nederland wilden komen om te werken of te studeren. Daardoor lieten zij Nederland links liggen en vertrokken zij naar andere Europese landen, Canada of de Verenigde Staten. Dat is een ontwikkeling die ons als samenleving in onze economische groei belemmert. De fractie van GroenLinks ondersteunt dus het doel van deze vereenvoudiging en de versnelling van de procedures. De meest wezenlijke verandering is het punt van de snelheid.

Wij hebben nog wel een aantal fundamentele vragen en plaatsen diverse kanttekeningen bij de voorstellen van de staatssecretaris en de minister. De procedure om als referent erkend te worden, is vooralsnog nogal vaag. Waarom zijn onderwijsinstellingen, uitwisselingsorganisaties en werkgevers van werk-/kennismigranten wel verplicht om zich te laten erkennen en werkgevers van reguliere en tijdelijke arbeidsmigranten niet? Daarop wordt in de blauwdruk naar mijn idee te weinig toelichting gegeven, terwijl het toch een vreemd onderscheid is.

Ik moet constateren dat de blauwdruk zich vooral strekt tot de hoger opgeleide kennismigranten. Toch maken ook lager opgeleide migranten deel uit van de migratiestromen. Voor hen verandert er in mijn ogen niet zo veel. Ik vind de brief van de FNV in dat opzicht dan ook een beetje opmerkelijk. Graag wil ik een reactie van de staatssecretaris op dit punt.

Ik kom op het punt van het ontbreken van beleid om braindrain te voorkomen. Wij kunnen onze ogen niet sluiten voor de negatieve gevolgen van kennismigratie naar Nederland en Europa voor de landen van herkomst. Ik ben niet per definitie tegen de individuele keuze van de kennismigrant om naar Nederland te komen. In tegendeel, ik vind dat dit in vrijheid moet gebeuren. Ik heb daarmee zeker geen ideologisch probleem. In deze blauwdruk ontbreekt het echter nog aan beleid of voorstellen om dit probleem ook voor de langere termijn op te lossen. Graag wil ik dus een toelichting van de staatssecretaris op de wijze waarop zij met concrete voorstellen braindrain wil voorkomen. Er wordt overigens gesproken van «braingame».

Mijn collega’s hebben nog niet gesproken over gender. Deze blauwdruk lijkt sekseneutraal maar is dat niet. Die lijkt vooral gericht te zijn op mannelijke kennismigranten met als criterium het salaris. Daarmee ga je voorbij aan het feit dat vrouwen wereldwijd en dus ook in Nederland minder snel aan de inkomensgrens zullen voldoen, terwijl zij wel daaronder zouden moeten vallen. Graag wil ik een reactie van de staatssecretaris op meerdere commentaren die wij vanuit dit perspectief hebben gekregen.

De voorzitter: Minister Donner wil die vraag beantwoorden.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Vanzelfsprekend wil ik minister Donner ook de gelegenheid geven om hierop te reageren. Hij vervult misschien wel de hoofdrol hierin. Ik zie hem afwerend reageren. Dat sterkt mij des te meer in mijn oproep om juist hem te laten reageren. Dus, minister Donner, doet u alstublieft uw best.

In de blauwdruk wordt ten aanzien van lager opgeleide arbeidsmigranten vooral geschreven over werk in de landbouw, de horeca enzovoorts. Werk in de huishouding wordt volledig genegeerd. Dat is een probleem. Wij kunnen onze ogen niet sluiten voor het feit dat veel vrouwen van buiten de EU in Nederland in de huishouding werken zonder dat zij rechten en enige bescherming hebben. Dat is een lastig punt. Wij krijgen te vaak signalen dat het fout gaat en dus problemen oplevert. Dat levert ook problemen op voor de mensen die behoefte hebben aan huishoudelijke hulp, dus de huishoudens waarvan man en vrouw werken. Laatstgenoemden willen graag hulp in de huishouding zonder gebruik te moeten maken van kunstmatige constructies als au pairs.

De heer De Wit (SP): Ik erken dat het een lastig probleem is, maar er is van alles geprobeerd. Ik doel op de «witte werksters»-regeling en een regeling die daaruit voortvloeide om dat probleem op te lossen. Is het niet eerder zo dat juist de mensen die deze werknemers inhuren, niet bereid zijn om het bedrag te betalen dat voor dat werk staat? Wordt daardoor niet het probleem gecreëerd dat mensen uit de illegaliteit in dat soort werk terechtkomen?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat ben ik volledig met de heer De Wit eens. Ik denk dat een groot deel van het probleem is dat die mensen niet bereid zijn om het salaris te bieden dat bij dat werk hoort en dat zij evenmin de benodigde bescherming willen bieden. Misschien wordt het dan veel te duur voor die huishoudens. Dit probleem doet zich in onze samenleving voor en deze blauwdruk lijkt dat te negeren. Als wij spreken over een dergelijke fundamentele herziening van het migratiebeleid, is het noodzakelijk om ook dit probleem, dat vaak onzichtbaar is, aan te pakken.

De staatssecretaris heeft het onderwerp leges in haar periode als Kamerlid vaak aangekaart, evenals wij. En dat kan niet vaak genoeg aan de orde worden gesteld. De leges zijn veel te hoog. Een vertienvoudiging van de leges in de afgelopen jaren is gewoonweg bizar te noemen. Ik sluit mij dan ook aan bij de vele organisaties, waaronder de onderwijsinstellingen die vanuit het veld hebben aangegeven dat dit een probleem blijft. De staatssecretaris komt nog met een reactie op dit punt. Ik hoop dat het een positieve reactie is en dat de leges echt ter discussie komen te staan.

Ik kom op het gezinsmigratiebeleid. Daarover zijn al vragen gesteld. Ik vind het verbazingwekkend dat wij een dag voor dit algemeen overleg een briefje krijgen waarin staat dat de evaluatie weer op zich laat wachten. Ik verzoek de staatssecretaris om er spoedig voor te zorgen dat het gezinsmigratiebeleid tegen het licht wordt gehouden, gezien het feit dat met name asielmigranten het grote probleem veroorzaken. Vluchtelingenwerk Nederland heeft uitvoerig gereageerd. Ik ga niet alle punten langs, maar verneem graag van de staatssecretaris hoe zij het probleem voor gezinsmigranten ziet.

Tot slot kom ik op de kritiek die vanuit Europa op het gezinsmigratiebeleid is geleverd. Ik sluit mij wat dat betreft aan bij de vragen van de heer De Wit.

De heer Van de Camp (CDA): Is niet juist de redenering van het kabinet dat er in Nederland voldoende huishoudelijk personeel aanwezig is en dat dat prioriteitsgenietend arbeidsaanbod is? Ik doel dan op het type personeel waarover mevrouw Azough zojuist heeft gesproken. Wat vindt mevrouw Azough daarvan? Er zijn nog steeds heel veel allochtone vrouwen die thuis blijven. Dat heb ik ook gelezen in stukken van de GroenLinks-fractie. Die vrouwen zouden toch de arbeidsmarkt op kunnen, juist in deze sectoren?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat is inderdaad de redenering van het kabinet, maar het probleem is dat deze vrouwen niet met beleid en maatregelen worden gestimuleerd om dat soort werk te doen tegen het inkomen dat daarvoor staat en met de bijbehorende beschermende rechten. Wij zien dat veel huishoudens op een illegale en soms op een immorele manier misbruik maken van vrouwen uit landen buiten de EU die in een onzekere positie zitten en dat soort werk doen. Het gaat mij erom dat de Nederlandse samenleving behoefte heeft aan dit soort werk. Wij zien nu dat die vrouwen in een precaire situatie zitten waarin zij het slachtoffer kunnen worden van uitbuiting en misbruik. Dat probleem wordt onvoldoende aangekaart en opgelost.

De heer Van de Camp (CDA): Is mevrouw Azough het met mij eens dat wij dat probleem vooral in Nederland moeten oplossen en dus niet door nog meer van die kwetsbare mensen naar ons land te halen?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Wij halen niemand naar Nederland. Die mensen komen naar ons land en gaan in allerlei huishoudens, soms onder erbarmelijke omstandigheden, aan het werk. Wat is precies het verschil tussen tijdelijke arbeid voor laag opgeleiden, bijvoorbeeld seizoenarbeid of reguliere arbeid, en dit soort arbeid? De heer Fritsma heeft ook al gezegd dat er veel lager opgeleide arbeidsmigranten zijn die in allerlei andere sectoren werken waar ook veel mensen uit Nederland ingezet zouden kunnen worden.

De heer Kamp (VVD): Mevrouw Azough zei dat vrouwen die al in Nederland zijn, een verblijfsvergunning hebben en die dat werk kunnen doen, meer gestimuleerd zouden moeten worden.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Nee, zij hebben geen verblijfsvergunning.

De heer Kamp (VVD): Nee, maar er zijn natuurlijk ook veel vrouwen uit immigrantenkringen die in Nederland zijn, een vaste verblijfsvergunning hebben en die dat werk zouden kunnen doen. Dat heeft de heer Van de Camp ook gezegd. De vraag is of wij de zaak niet zo zouden moeten organiseren dat zij meer gestimuleerd worden om dit werk, dat er is, te gaan doen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De heer Kamp kent GroenLinks als een emancipatiepartij. Zeker als het gaat om vrouwen die nu niet economisch zelfstandig zijn, zijn wij voorstander van stimuleren. Als ervoor wordt gezorgd dat mensen aan de slag kunnen en hun eigen boontjes kunnen doppen, zijn wij daarvan altijd voorstander. Dat is dus ook het geval als het over allochtone vrouwen gaat.

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Ook mijn fractie is heel blij dat deze blauwdruk eindelijk voor ons ligt. Ik heb een groot aantal punten, maar heb gemerkt dat u een onverbiddelijke voorzitter bent. Ik zal dan ook door mijn punten heen gaan en zo min mogelijk proza gebruiken.

Het eerste punt waarover wij het moeten hebben, zijn de kennismigranten. Om hen gaat het misschien ook wel het meest. Dat punt heeft een specifieke plaats in de blauwdruk. Ook wij vragen aandacht voor het probleem van braindrain. Misschien zijn wij inderdaad te veel met onszelf bezig en te weinig met de mensen in de landen waar die kennis ook nodig is. Wij pleiten voor een specifieke categorie voor mensen uit ontwikkelingslanden. Dat hebben wij al eerder gedaan. Wij moeten er namelijk voor zorgen dat wij die mensen niet «leegtrekken». Als zij in Nederland een opleiding hebben gevolgd, moeten wij proberen om hen in het land van herkomst aan het werk te krijgen. Het debat daarover zou grotendeels binnen OCW moeten worden gevoerd in het kader van de internationalisering van het hoger onderwijs, maar ik hecht eraan om dat ook in dit verband duidelijk naar voren te brengen.

Vandaag spreken wij specifiek over de reguliere kolom in het vreemdelingenbeleid. Natuurlijk hebben wij ook de asielkolom. Toch is er soms sprake van overlapping. Ik wil die twee niet te veel met elkaar vermengen, maar wij vragen regelmatig aandacht voor het feit dat er onder asielzoekers ook mensen zijn met een heel hoge opleiding. Wij zijn overigens niet de enige die daarvoor regelmatig aandacht vragen. Het wordt die mensen heel moeilijk gemaakt om daarmee iets te doen. De reden daarvoor kan zijn dat zij hun opleiding nog niet hebben afgerond of dat zij die niet één op één kunnen vertalen naar de Nederlandse situatie. Dat neemt niet weg dat er een enorm potentieel in die groep zit. Nu zien wij vaak dat die mensen eerder aftakelen en dat zij op een veel lager niveau aan het werk komen, terwijl wij hen misschien op een betere manier hadden kunnen inzetten.

Wij vragen ook specifiek aandacht voor de familie van kennismigranten. Wij hebben een voorbeeld gekregen van de moeder van een Russische kennismigrant die niet in Nederland mag blijven. Steeds moet zij terug. Zij is zorgbehoevend, maar geen 65-plusser. Kan er soepeler met kennismigranten worden omgegaan, opdat zij meer aandacht kunnen hebben voor datgene waarmee zij in Nederland bezig zijn?

Er zijn kennismigranten aan wie veel behoefte is. Bijvoorbeeld in Suriname lopen veel leraren en verplegers rond. Wij hebben aan die functionarissen veel behoefte. Zij zouden in Nederland dus relatief eenvoudig aan de bak kunnen. Is het mogelijk om bijvoorbeeld met het onderwijs en de gezondheidszorg convenanten af te sluiten waardoor het voor die mensen gemakkelijker is om in Nederland aan werk te komen?

Ik kom op de referentensystematiek. Het is een aangescherpte systematiek waarmee wij op zichzelf blij zijn. Die geeft zekerheid en wij weten waaraan wij toe zijn. Tevens is er meer sprake van controle. Aan die systematiek zit echter ook een nadeel, namelijk dat de arbeidsmigrant echt afhankelijk is van de referent. Wij zijn ook bang voor misbruik. In het schriftelijk verslag staat dat een aantal partijen vindt dat daarop scherper moet worden gelet: er moet niet een tijdje worden afgewacht maar er dient snel te worden gehandeld. Wij ondersteunen dat. Wij maken ons vooral zorgen over de prostitutiesector. Als wij de Nederlandse manier van denken hierop loslaten, kunnen wij mensen laten overkomen om in ons land in de prostitutie te gaan. Daarover maken wij ons zorgen, want daar wordt ontzettend veel misbruik van mensen gemaakt. Ik verzoek zowel de minister als de staatssecretaris om daarop te reageren. Hoe wordt hiermee omgegaan in het kader van het bestrijden van mensenhandel? Hoe willen wij wat dat betreft omgaan met de prostitutiesector? Is het nodig om een soort uitsluitingsgrond te maken, dus dat wij heel voorzichtig zijn met het naar Nederland halen van mensen die in de prostitutie aan het werk gaan? Ik weet niet precies hoe dat nu is geregeld. Wij moeten ervoor oppassen dat die mensen te veel afhankelijk worden van hun «werkgever».

Ik vraag vandaag specifiek aandacht voor het probleem van referentenwerving. Volgens mij heeft de heer Fritsma ook al zoiets gezegd. Hoe wordt daarmee omgegaan? Wordt echt getoetst of die referent een reden heeft om iemand naar Nederland te laten komen? Wordt er geen misbruik gemaakt van mensen die niets met elkaar hebben?

Geestelijk bedienaren is ook een onderwerp waarvoor mijn fractie meer dan bovenmatige belangstelling heeft. Op zichzelf ziet het er allemaal wel goed uit. Toch hebben wij een aantal specifieke vragen. Op dit moment wordt gebruikgemaakt van een lijst van religieuze organisaties. Wordt die nu door de referentensystematiek vervangen? Hoe wordt er omgegaan met de mensen op die lijst? Een specifieke groep zijn religieus bedienaren, mensen met een geestelijke taak, die leven van giften. Die zijn er veel. In ieder geval in Christelijke kringen ken ik er een behoorlijk aantal. Zij leven dus van een giftenkring en hebben niet een enorm hoog inkomen. Is het dan terecht om die mensen een inkomenseis op te leggen? Wij zijn voorstander van een systematiek die inhoudt dat zij worden vrijgesteld van de inkomenseis en dat zij geen gebruikmaken van voorzieningen. Op het moment dat zij niet meer in een inkomen kunnen voorzien, is er blijkbaar ook geen draagvlak meer voor hen om in Nederland als zendeling of wat dan ook aan het werk te zijn. Kunnen wij op die manier met die vergunning omgaan?

Ik kom op de mvv-criteria. Mijn fractie komt vaak het probleem tegen dat mensen aan de mvv-vereisten moeten voldoen en dat zij anders terug moeten. In sommige gevallen is dat heel vervelend, bijvoorbeeld als er net een kind is geboren of als het ontzettend moeilijk is om de bureaucratie in het land van herkomst te overwinnen. Hoe wordt daarmee omgegaan? Moeten die mensen na een verblijf van jaren in Nederland toch terug?

Wij sluiten ons aan bij degenen die hebben gevraagd hoe wordt omgegaan met de Europese kritiek. Daarover is schijnbaar een brief gekomen. Die heb ik nog niet gezien, maar de fractie van GroenLinks heeft daarover volgens mij wel vragen gesteld.

Als deze blauwdruk wordt omgezet in wetgeving, is dat een grote operatie. Hoe gaan wij daarmee om? Op welke wijze wordt de IND geïnstrueerd en wat betekent het voor alles wat er dan al loopt? Creëren wij daarmee een enorme hobbel? Moeten mensen wachten? Hoe zit het met de samenhang met een behoorlijk aantal wetsvoorstellen dat nog moet worden voorgelegd, waaronder die over de evaluatie van de inkomensnorm en die over visa.

De heer Fritsma (PVV): Realiseert de ChristenUnie-fractie zich dat het mvv-vereiste er juist toe strekt om te controleren of aan de voorwaarden wordt voldaan op het moment dat de immigrant in het buitenland verblijft, zodat de Nederlandse samenleving niet met het voldongen feit opgezadeld zit dat er mensen binnenkomen die niet aan de voorwaarden voldoen? Je kunt dan toch niet zeggen dat je mensen niet terugstuurt naar het land van herkomst door geen mvv aan te vragen? Dat is toch tegenstrijdig?

De heer Anker (ChristenUnie): Ik besef volledig dat die gevoeligheid er is. Dat zag ik ook toen ik mijn vragen voorbereidde en erover nadacht of ik die vraag zou stellen. Toch zie je mensen die al zes jaar in Nederland zijn en die terug moeten naar het land van herkomst. De reden daarvan kan zijn dat zij lang in procedure hebben gezeten en dat zij na asiel toch voor regulier in aanmerking komen omdat er allerlei dingen in hun leven zijn veranderd. Wij vragen ons af of het dan altijd nog proportioneel is om die mensen terug te sturen. Maar ik begrijp de gevoeligheid die de heer Fritsma aangeeft en vraag daarom een antwoord van de staatssecretaris op deze ingewikkelde vraag.

De voorzitter: Als de collega’s het goed vinden, lever ik een inbreng namens de PvdA-fractie. Ik doe dat ter vervanging van de heer Spekman die op dit moment in de plenaire zaal moet optreden.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Voorzitter. De PvdA-fractie steunt de hoofdlijnen van het moderne migratiebeleid van harte. Er wordt winst behaald in een vereenvoudigd stelsel. Wij steunen de referentensystematiek die aan de instellingen en de werkgevers meer verantwoordelijkheid geeft ten aanzien van de migrant. En wij zijn blij met de integratie van de afzonderlijke aanvragen voor een mvv en een verblijfsvergunning. Prima.

Uiteraard heb ik toch een reeks vragen. In de brief refereert de staatssecretaris aan uitspraken van de minister-president waarin hij een puntenstelsel aankondigt. In de voorstellen vonden wij daarover zeer weinig terug. Dat is jammer, want het puntenstelsel is misschien een interessant alternatief in een modern, toekomstbestendig migratiebeleid. In de brief troffen wij alleen de zoekperiode van een jaar aan voor talenten. Dat lijkt enigszins op een puntenstelsel, maar het is beperkt en bestond al. Wat kan de minister-president bedoeld hebben? Wij hebben begrepen dat Engeland inmiddels wel een puntenstelsel heeft ingevoerd. Daar bepaalt een onafhankelijk college wat de arbeidsmarktbehoefte in bepaalde beroepen is en kunnen aanvragen worden ingediend op basis van punten. Ik zeg het nu in mijn woorden. Leeftijd, vermogenspositie, arbeidservaring, beroepskwalificaties en dergelijke. Het is alleszins vergelijkbaar met het Australische systeem. Waarom is dit alternatief als toekomstig systeem afgevallen?

In haar brief kondigt de staatssecretaris veel aan. Het zou allemaal gemakkelijker en beter houdbaar worden. Er zou minder sprake zijn van bureaucratie enzovoorts. Toch stond deze week in PM Magazine weer een interview met een hoogleraar die uit Zuid-Afrika is gekomen en nu bij de VU werkt. Hij was door de VU gevraagd, want hij is een man met talent die wij in Nederland graag willen hebben. Hij beschrijft hoe het met de aanvraag van de papieren is gegaan. Lees dat eens om te zien dat papier en werkelijkheid soms volstrekt gescheiden werelden zijn. Wij zeggen dat het systeem vereenvoudigd moet worden en dat wij het zo gaan doen. Toch blijven wij verhalen horen over de problemen waartegen mensen aanlopen. Soms is het echt kafkaësk.

De minister-president zei ook dat Nederland aantrekkelijker moet zijn voor talenten dan andere landen. Is dat nu het geval? De staatssecretaris schrijft dat Nederland eigenlijk 30 000 hoog opgeleide kenniswerkers moet binnenhalen om aan de Lissabondoelstellingen te kunnen voldoen. Graag wil ik een vergelijkende studie van onze concurrentiekracht op dit punt. Vaak doen wij concurrentievergelijkend onderzoek tussen Nederland en andere landen, bijvoorbeeld naar belastingdruk en het vestigingsklimaat. Laten wij nu specifiek de bestaande stelsels die gericht zijn op kenniswerkers met elkaar vergelijken om te zien hoe wij scoren.

In de schriftelijke beantwoording schrijft de staatssecretaris over de gedragscode ten aanzien van de braindrainrisico’s. Die gedragscode is er nog niet. Anderen hebben daar ook naar gevraagd. Wij vragen de staatssecretaris om een concreet initiatief met de intentie te komen tot compensatie van de investeringen die gedaan zijn in opleidingen in deze landen. De staatssecretaris noemt die compensatiemogelijkheid ook. Wij vragen een concreet initiatief op dat punt.

Het referentiesysteem is in potentie een verbetering, maar de beschrijving komt nogal log en bureaucratisch over als je helemaal probeert te begrijpen hoe het gaat werken. Er wordt veel geleund op ICT-systemen. Het lijkt mij nogal kwetsbaar om het bij de overheid op die manier te doen. Hoe zal dit werken? Is er al een testfase? Draait het systeem al?

Waarom geldt voor werkgevers die een tewerkstellingsvergunning aanvragen geen beoordeling als referent? Zouden allerlei malafide bedrijfjes er op die manier niet kunnen worden uitgehaald? De heer Fritsma noemde in zijn inbreng een aantal bedrijfjes. Dat haalde hij van een lijst van samenwerkingspartners – ik weet niet welke term wordt gehanteerd – voor de IND. Dat leidde tot enkele meewarige glimlachjes op de tribune. Dat lijkt mij niet terecht want de vraag hoe een aantal van die bedrijven in die categorie terecht is gekomen, lijkt mij terecht. Ik ben dan ook heel benieuwd naar het antwoord van de staatssecretaris.

Toegelaten buitenlandse studenten die maximaal 10 uur per week willen bijverdienen, moeten toch een tewerkstellingsvergunning aanvragen. Waarom is dat nodig? Er wordt nog steeds niets aan de hoge leges gedaan. In het regeerakkoord is dat echter wel afgesproken, namelijk op bladzijde 16 onder het kopje «kennis en innovatie», punt 5. Dat moet dus alsnog gebeuren.

Ik sluit mij aan bij de vragen van de heer Van de Camp over de Brainport Eindhoven en met name bij die ten aanzien van de partners van de kenniswerkers. Ik ben zelf in zekere zin een kind van de Brainport Eindhoven. Vandaar.

De staatssecretaris doet verder erg relativerend over de zogenaamde Belgiëroute. Zij noemt die zelfs in het licht van deze blauwdruk niet van wezenlijk belang. Dat zou het misverstand kunnen oproepen dat wij deze route de facto accepteren. Kent de staatssecretaris de berichten van de schrikbarende aantallen schijnhuwelijken in België? Zo ja, wil zij daarop dan reageren?

De PvdA-fractie hecht zeer aan de evaluatie van de verhoging van de inkomenseis. Zij is en blijft tegenstander van die verhoging, omdat zij naar onze mening geen enkele bijdrage levert aan een goede en snelle integratie. Misschien toont de evaluatie iets anders aan.

Ik kom op de toelating van geestelijk bedienaren. Ik ben het eens met het kabinet dat zij onder de Wet arbeidsvreemdelingen blijven vallen en dat er in principe een arbeidsmarkttoets moet worden gedaan, voorafgaand aan toelating. Ik stel vast dat die toets tijdelijk is opgeschort. Wat de imams betreft, is er nu geen prioriteitgenietend aanbod in Nederland. Dat komt er wel – de heer Van de Camp sprak er ook al over – op het moment dat de imamopleidingen studenten afleveren. Vanaf dat moment moet het CWI naar onze mening dus weer een arbeidstoets doen en dient de instroom van import imams geleidelijk te worden afgebouwd. Ik wil graag een bevestiging van deze denklijn. De antwoorden op de vragen in het verslag van de Kamer hebben ons op dit punt verbaasd. Over de motie-Bos/Van Aartsen, die over het afbouwen van het aantal import imams ging, wordt slechts opgemerkt dat die is vervallen. Dat is echter wel gebeurd nadat er toezeggingen op dit punt waren gedaan. Die toezeggingen zijn niet vermeld. Blijkbaar is het nodig om alsnog een gelijkluidende motie in stemming te brengen.

Wij zijn het oneens met de staatssecretaris dat de inkomenseis voor de geestelijk bedienaren kan vervallen. Dat hebben wij althans uit de stukken begrepen. Uitbuiting onder het mom van de gelofte van armoede – zo noemen wij dat – lijkt ons ongewenst. Graag een correctie op dat punt.

Tot slot kom ik op de problematiek van ontwikkelingswerkers. Ontwikkelingswerkers die terugkomen naar Nederland, hebben in het betreffende ontwikkelingsland soms een partner ontmoet. Het kost hen moeite om met die buitenlandse partner en een gezin terug te keren naar Nederland. Dat heeft ook te maken met de inkomenseis. Het kost hen moeite om vanuit het buitenland een nieuwe baan te vinden. Zij mogen wel naar Nederland komen om een nieuwe baan te zoeken, want zij zijn immers Nederlanders. Maar zij moeten wel een gezin achterlaten. Dat is in sommige landen bepaald niet van risico’s gespeend. Ik meen dat wij al drie jaar geleden voor verandering hebben bepleit, namelijk tegenover minister Verdonk. Zij heeft toen gezegd dat zij daarnaar zou kijken. In mijn waarneming is daarmee echter nooit iets gebeurd. De betreffende Nederlanders hebben hun beste jaren gegeven om goed werk in de tropen te verrichten. Ik vind dus dat er voor hen een regeling moet komen of dat zij onder de regeling voor de kenniswerkers moeten vallen. Het maakt mij niet uit als het probleem maar wordt opgelost.

De heer Kamp (VVD): Waarom is de PvdA-fractie tegenstander van de verhoging van de inkomenseis? Tegen welke verhoging van die eis is die fractie eigenlijk?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Een aantal jaren is de inkomenseis verhoogd. Wij vinden het legitiem dat de partner die in Nederland is en die een partner of gezinsleden naar Nederland laat komen, een onderhoudsplicht heeft. Die bestond al, maar onder minister Verdonk is die inkomenseis een aantal jaren geleden verhoogd naar 120% van het wettelijk minimumloon. Wij hebben dat nooit begrepen. Die onderhoudsplicht was er al en is legitiem. Andere eisen, waaronder die op het terrein van de inburgering, hebben wij gesteund. Die dragen namelijk bij aan integratie. Het onmogelijk maken van huwelijksmigratie voor mensen met een lager inkomen, lijkt ons een vorm van inkomensdiscriminatie. Dat wijzen wij principieel af.

De heer Kamp (VVD): Houdt dat ook in dat wij het risico lopen dat de PvdA-fractie de linkse meerderheid in de Kamer gaat gebruiken om die inkomenseis van 120%, die mede tot gevolg heeft gehad dat er veel minder kansarme huwelijksimmigranten kwamen, onderuit te halen?

De heer Dijsselbloem (PvdA): De heer Kamp moet mij zo meteen vertellen welke linkse meerderheid hij op dit punt ziet. Hij brengt mij wel op ideeën. Ik ga ervan uit dat die evaluatie er snel komt. Ik ben bereid om die af te wachten. Mocht die niet snel komen, dan moeten wij misschien beproeven of er een linkse meerderheid is.

De heer Kamp (VVD): Dat daarvoor een linkse meerderheid is, bleek al bij aantreding van de Kamer, toen het generaal pardon werd ingevoerd: 27 000 verblijfsvergunningen voor illegalen. Als die inkomensgrens van 120% wordt afgevoerd die tot gevolg had dat het aantal kansarme huwelijksimmigranten drastisch is teruggedrongen, zijn de beren echt los.

De heer Dijsselbloem (PvdA): De heer Kamp loopt sterk vooruit op de evaluatie door de conclusie te trekken dat de verhoging van de inkomenseis dit effect heeft gehad. Ik ben altijd voorstander geweest van effectieve inburgeringseisen, bijvoorbeeld voor mensen die vrijwillig naar Nederland komen en een huwelijk aangaan. Dat is voor ons altijd een veel betere benadering geweest. Wij hebben de Wet inburgering buitenland ook gesteund. Ik heb toen zelfs voorstellen gedaan die door sommigen werden gezien als een aanscherping van de wet. Die weg moeten wij gaan, omdat dat type eisen kan bijdragen aan integratie. Dat geldt niet voor een onnodige verhoging van de inkomenseis.

De heer Kamp (VVD): De aanscherping van de eis voor huwelijksimmigranten heeft drie elementen. Het eerste is dat de minimumleeftijd 24 jaar wordt. Het tweede is dat de partner die in Nederland blijft 120% van het minimumloon moet verdienen. Het derde element is dat betrokkenen in het buitenland moeten inburgeren. Als de heer Dijsselbloem de eis van 120% onderuit haalt, schrapt hij daarmee een heel belangrijk element uit het vreemdelingenbeleid. Ik kan mij niet voorstellen dat de CDA-fractie daarmee instemt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): De heer Kamp stelt zaken aan de orde die hij volstrekt niet kan onderbouwen, tenzij hij de uitkomst van de evaluatie al kent. Het element van de verhoging van de leeftijdsgrens en dat van inburgering in het buitenland, hebben wij volmondig gesteund. Dat geldt niet voor de inkomenseis. Laten wij de evaluatie afwachten en vervolgens het debat over deze kwestie voortzetten.

De vergadering wordt van 11.20 uur tot 11.30 uur geschorst.

Antwoord van de bewindslieden

Minister Donner: Voorzitter. Er is mij slechts een beperkt aantal vragen gesteld. De vragen over de positie en de systematiek van de referenten zal de staatssecretaris beantwoorden. Vooruitlopend daarop merk ik op dat bij de Arbeidsinspectie niet het beeld bestaat dat van de kennis-migrantenregeling misbruik wordt gemaakt. Wat betreft controle en handhaving werkt deze regeling bevredigend.

De heer Kamp vroeg naar de voortgang bij de nieuwe regelingen. Het gaat daarbij met name om de Wet arbeid vreemdelingen en de praktikantenregeling. De SER heeft dit punt aangekaart. Er wordt verder een soepel regime toegepast, want bij de tewerkstellingsvergunning wordt niet getoetst aan prioriteitgenietend arbeidsaanbod. Tevens hoeft de werkgever voorafgaand geen vacaturemelding te doen en niet te werven. De aanvraag wordt daardoor meestal binnen twee weken afgehandeld. De aanvragen betreffen overwegend laaggeschoolde arbeid en daarom overweeg ik niet om de vergunningsplicht af te schaffen. Daarmee zou het vreemdelingenbeleid namelijk feitelijk worden getransfereerd naar de betrokken bedrijven. Bij de notificatie wordt ten slotte niet meer getoetst op de handhaving van de WML en de huisvestigingseis. Die blijven de verantwoordelijkheid van de werkgever.

Voor het voorkomen van oneerlijke concurrentie blijft het belangrijk om te kunnen toetsen. Een andere toets, die met de notificatie zal komen te vervallen, is het leerplan. Door middel van het leerplan wordt beoordeeld of er daadwerkelijk sprake is van het opdoen van praktijkervaring of van het aantrekken van buitenlandse werknemers. De regeling wordt dus nu al versoepeld.

De heer Kamp wees erop dat in een brief van de FNV staat dat het regime voor lageropgeleiden soepeler zou zijn. Dat heeft betrekking op kolom III Arbeid tijdelijk en meer in het bijzonder op lerend werken, seizoenarbeid, stagiaires en praktikanten. Het maximumverblijf voor seizoenarbeiders bedraagt 24 weken. Deze periode moet gevolgd worden door een wachtperiode van veertien weken buiten Nederland. Het toegestane verblijf in Nederland is maximaal één jaar. In Nederland is wel een tewerkstellingsvergunning vereist, maar er is geen gezinshereniging mogelijk. Het verblijf is namelijk tijdelijk van karakter en er is geen beroep op de openbare kas mogelijk.

De heer Van de Camp en de heer Kamp vroegen waarom nader overleg nodig is over de vereenvoudiging van de Wav. De vereenvoudigingen die nu al mogelijk zijn, worden onderzocht. Dat geldt onder meer voor de PUM-projecten. Daardoor worden korte zakelijke besprekingen veel eenvoudiger. Het leek ons verstandig om de bespreking van deze notitie af te wachten, voordat wij wijzigingsvoorstellen voor de Wav doen. Daarbij komt dat er een aantal voorstellen voor EU-richtlijnen in bespreking is dat daarop mogelijkerwijs van invloed is. Ik denk dan aan de Kaderrichtlijn voor arbeidsmigratie, het voorstel voor een richtlijn voor «intracorporate transfers» en de conceptrichtlijn voor seizoenmigratie. Om een volledig beeld te krijgen, ligt het in de bedoeling om zo vroeg mogelijk in 2009 te komen met een notitie over verdere mogelijkheden om de Wav te vereenvoudigen. Eventuele aanpassingen zullen uiteraard zo veel mogelijk de notitie «Naar een modern migratiebeleid» ondersteunen.

Zoals bekend is er sinds 2 oktober nog slechts één loket voor verblijfs- en tewerkstellingsvergunningen. Voor het aanvraagformulier van het CWI en de IND worden de gegevens slechts een keer opgevraagd. De duur van de behandeling is bovendien bekort door de samenwerking tussen het CWI en de IND, want de IND hoeft daardoor niet meer te wachten op het CWI. De middelentoets door de IND vervalt, want bij de tewerkstellingsvergunning wordt al getoetst op de vraag of men marktconform wordt betaald. Vanaf 1 januari 2009 is er een mandaatregeling die het mogelijk maakt dat de IND de tewerkstellingsvergunning afgeeft als er geen arbeidsmarkttoets plaatsvindt. Ook hier is dus sprake van versnelling en vereenvoudiging voordat de notitie afgerond is.

De heer Van de Camp stelde een vraag over de 280 personen in de bijstand. Hierbij gaat het om verschillende situaties. Uit ons onderzoek blijkt dat die 280 mensen EU-onderdaan zijn. Voor hen geldt daardoor een andere regeling, hetgeen inhoudt dat het gegeven dat ze in de bijstand zitten, niet automatisch leidt tot intrekking. Overigens gaat het om een aanzienlijk percentage, afgezet tegen een vergelijkbaar autochtoon segment. De staatssecretaris en ik doen desondanks onderzoek naar de wijze waarop gemeenten omgaan met bijstandsaanvragen. De volgende vragen zijn daarbij aan de orde: wordt er melding gemaakt bij de IND? In welke gevallen gebeurt dat wel of niet? Als wij ons daarvan een beeld hebben kunnen vormen, zal de Kamer daarover nader worden ingelicht.

De heer Van de Camp vroeg naar de vrijstelling van prioriteitgenietend aanbod bij de imamopleiding. Deze maatregel is genomen, omdat de imamopleiding nog geen afgestudeerden heeft opgeleverd. Dit jaar zal een van de opleidingen voor het eerst een aantal afgestudeerden afleveren. Op het moment dat er voldoende binnenlands aanbod is, zal uiteraard opnieuw worden bezien of het ingezette beleid heroverwogen moet worden. Bij de geestelijke bedienaren speelt overigens natuurlijk wel de meer principiële vraag in welke mate hier sprake is van inperking van de godsdienstvrijheid.

Voor de positionering van de imamopleiding verwijs ik naar de brief van de minister voor WWI van 10 oktober jongstleden. Er zijn ontwikkelingssubsidies verstrekt aan twee universiteiten en een hoge school. Deze subsidies hebben tot doel om deze opleidingen te realiseren binnen het bestaande systeem van bekostiging.

De heer Van der Staaij en de heer Anker hebben vragen gesteld over de geestelijke bedienaren. Vreemdelingen die activiteiten verrichten voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie hebben gemeen dat ze activiteiten verrichten waarvoor de betreffende organisatie twv-plichtig is. Tegelijkertijd is het begrip «werkgever» in de twv zo ruim gedefinieerd dat organisaties van geestelijke stromingen hieronder vallen, ook al onderhouden ze geen directe werkgever-werknemerrelatie. Het is dus niet onmogelijk om in dit soort situaties een twv af te geven.

De heer Anker vroeg naar de positie van mensen die een gelofte van armoede hebben afgelegd of die van giften leven. Ik zal in het kader van de notitie over de Wav bezien in hoeverre afgeweken kan worden van de WML. Als iemand een gelofte van armoede heeft afgelegd, is het onlogisch om eisen te stellen die de organisatie niet stelt. Tegelijkertijd moeten wij ook beseffen dat misbruik hier op de loer ligt. Iemand kan namelijk zeggen voor de zending naar Nederland te zijn gekomen of om hier contemplatief in Nederland van giften te gaan leven. In dat geval beschikken wij niet over een criterium om te bepalen of iemand bona fide religieuze redenen heeft om Nederland binnen te komen. Het is relatief gemakkelijk om in een individueel geval te bepalen of er een gelofte van armoede is afgelegd, maar dat geldt zeker niet voor een algemene systematiek. Hierop zal nader worden ingegaan in de notitie over de Wav.

De heer Anker vroeg naar de prostitutieproblematiek. Voor werk in de prostitutie worden geen twv’s verstrekt. Deze groep is verder ook uitgezonderd van de Kennismigrantenregeling. Dat laat onverlet dat wij ook een antwoord zullen moeten geven op de meer algemene vraag hoe wij mensenhandel en uitbuiting kunnen voorkomen. Dat is echter geen probleem dat ik door middel van de twv-plicht kan oplossen. Daarvoor is toezicht op de migratie nodig.

Mevrouw Azough ging specifiek in op de kritiek dat de Kennismigrantenregeling verschillend uitwerkt voor vrouwen en mannen. Ik meen dat dit niet waar is. Er bestaan namelijk adequate rechtsremedies als hetzelfde werk verschillend wordt beloond. In Nederland ontstaan wel verschillen in de inkomenspositie tussen mannen en vrouwen, maar die zijn nauw gerelateerd aan de verschillen in arbeidspraktijk tussen mannen en vrouwen. Zo werken vrouwen vaker in deeltijd. Die factor kan echter geen reden zijn om in de Kennismigrantenregeling andere criteria te hanteren voor mannen dan voor vrouwen. Vrouwen die worden toegelaten, worden immers geacht om vijf uur te werken en inkomen te verkrijgen.

Ik kom op het onderwerp werk in de huishouding. Mevrouw Azough weet dat er een aparte regeling is voor au pairs. Behalve voor deze groep geldt dat men een twv moet aanvragen. Dat is overigens de enige methode om mensen adequaat tegen uitbuiting te beschermen. In het kader van de twv wordt immers geëist dat er is gezorgd voor huisvesting en dat het minimumloon wordt betaald. De Arbeidsinspectie ziet hierop toe en op de vraag of er sprake is van prioriteitgenietende arbeid, zij het dat dit minder eenvoudig is in het geval van particulieren. Bij ons bestaat overigens niet het beeld dat er misbruik voorkomt in de vorm die mevrouw Azough aan de orde stelde. Het gaat hier dus om arbeid, waarvoor doorgaans alternatief aanbod in Nederland bestaat.

De heer Dijsselbloem vroeg waarom het in de kolommen III en IV niet verplicht is om een erkend referent te zijn. Daartoe is besloten, omdat het de keuze van de werkgever is om erkend te worden als referent of te werken met twv’s. De werkgever zal hiervoor ook de lasten moeten dragen en daarom kunnen wij deze afweging zeker niet voor individuele werkgevers maken. Vandaar dat er geen verplichting is.

Buitenlandse studenten komen naar Nederland om te studeren en niet om te werken. Er is daarop een uitzondering gemaakt door studenten de mogelijkheid te bieden om maximaal tien uur te werken. Ik zie echter geen reden om dat aantal uren uit te breiden, tenzij er geen prioriteitgenietend aanbod is, want dan kan men proberen om in aanmerking te komen voor de gewone regeling.

De heer Kamp (VVD): De minister vond aanpassing van de Wav aanvankelijk niet nodig. Hij is echter van mening veranderd, aangezien hij de Kamer heeft meegedeeld dat hij in 2008 met aanpassingsvoorstellen zal komen. Die datum is inmiddels verschoven naar 2009. Is een aanpassing van de Wav nu wel of niet nodig? Als die nodig is, waarom is die verandering dan niet in de afgelopen twee jaar doorgevoerd? Waarom moeten wij ten slotte nog drie of vier maanden langer wachten dan was aangekondigd?

De minister weet dat EU-onderdanen alleen naar Nederland mogen komen om te werken en niet om van een bijstandsuitkering te leven. Volgens berichten genieten echter al ongeveer 280 Polen van een bijstandsuitkering. In het eerste jaar ontvangt men een maand bijstand, in het tweede jaar drie maanden, in het derde jaar zes maanden en in het vierde jaar permanent bijstand. Is de minister het met mij en de heer Van de Camp eens dat wij hieraan een einde moeten maken? Als je niet werkt, moet je terug!

Minister Donner: Versoepelingen die ingevoerd kunnen worden zonder wijziging van de Wav, worden, zoals ik al zei, zo veel mogelijk ingevoerd. Voor de vereenvoudiging van de Wav wil ik de discussie met de Kamer over deze notitie afwachten. Dat maakt het mij namelijk mogelijk om mij een beeld te vormen van de steun waarop ik voor bepaalde voorstellen kan rekenen. Verder ligt een aantal voorstellen voor, waarvan de consequenties pas in de loop van het jaar duidelijk worden. Ik had de ambitie om het eerder te doen, maar die kan ik niet waarmaken, omdat de notitie later gereed is gekomen en de bespreking met de Kamer nu pas plaatsvindt.

De berichten over de 280 Midden- en Oost-Europeanen betreffen per definitie allemaal Polen. Ook hier gelden natuurlijk de eisen die wij stellen aan mensen die gebruik willen maken van sociale voorzieningen. Bij deze groep wijken de eisen echter wel af van de eisen die wij stellen aan derdelanders, omdat hier het recht op vrij verkeer in het geding is. Bij derdelanders is de verblijfsvergunning afhankelijk van de vraag of men kan voldoen aan de eis dat men in het eigen bestaan moet kunnen voorzien. Bij EU-onderdanen gelden echter de regels voor het zoeken van werk en de regels voor de toegang, voor een beperkte tijd, tot sociale voorzieningen. Ik laat nu onderzoeken hoe de gemeenten hiermee omgaan en of en hoe ze deze afweging maken. Als dit onderzoek gereed is, kan ik antwoord geven op de vraag of er wel of niet rekening wordt gehouden met de eisen die wij hieraan stellen.

De heer Fritsma (PVV): Door de gebrekkige controle van de IND op het inkomensvereiste hebben heel veel migranten een bijstandsuitkering gekregen en behouden, ook al was dat niet de bedoeling. Het is namelijk de bedoeling dat gemeenten in het geval van migranten die geen beroep doen op de openbare kas, een melding doen uitgaan naar de IND. Vervolgens moet de IND iets met die melding doen. Ik denk dan aan het intrekken van het verblijfsrecht, want dan kan de uitkering worden stopgezet. De minister merkt op dat wordt geïnventariseerd of gemeenten dergelijke uitkeringen melden aan de IND. Is de minister bereid om in die inventarisatie ook aan te geven hoeveel uitkeringen stop zijn gezet en hoeveel niet? Het zou een goede zaak zijn als deze inventarisatie zich ook zou uitstrekken tot gezinsmigranten die geen beroep mogen doen op de openbare kas.

Minister Donner: Het onderzoek richt zich op de gemeentelijke praktijk inzake meldingen en het intrekken van uitkeringen. Het onderzoek strekt zich verder zeker ook uit tot gezinsmigranten, want zij doen eveneens een beroep op publieke voorzieningen. Er ligt niet één op één een verplichting, want het blijft een afweging die door de IND gemaakt moet worden. Ik ben het met u eens dat er gemeld moet worden, voordat er besloten kan worden. Er wordt wel degelijk gemeld, maar wij weten niet of alle gemeenten even consistent melden en of er in alle gevallen gemeld wordt.

De heer Van de Camp (CDA): Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris ingaat op de mogelijkheid dat een verblijfsvergunning wordt ingetrokken wanneer een baan verloren is gegaan. Ik heb verder nog een vraag aan de minister over de praktikanten en de stagiaires. Ik heb altijd begrepen dat zij aan het werk gaan op grond van een tewerkstellingsvergunning of de notificatieplicht. De minister wekt nu echter de indruk dat het én, én is.

Minister Donner: Op dit moment is voor deze gevallen een tewerkstellingsvergunning nodig. De toets daarvoor is echter versoepeld, doordat wij nu ook bezien of er met notificatie gewerkt kan worden. Dit punt maakt onderdeel uit van de versoepelingen die wij nu onderzoeken. Hierop wordt verder teruggekomen in de notitie over de Wav, omdat het eigenlijk een versoepeling van de tewerkstellingsvergunning is. De versoepeling houdt in dat bepaalde toetsen wegvallen, maar dat betekent nog niet dat wij zouden denken dat wij geheel zonder tewerkstellingsvergunning kunnen werken.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De minister noemde de au pairs. Zij zijn volgens mij een onderdeel van het probleem. De regeling is namelijk bedoeld voor culturele uitwisseling, maar in de praktijk verrichten au pairs heel veel huishoudelijk werk.

De Arbeidsinspectie ontvangt volgens de minister geen signalen van misbruik of verkeerd gebruik van de regeling. Dat verbaast mij enigszins. Hoe doet de Arbeidsinspectie dan eigenlijk onderzoek?

Minister Donner: Voor au pairs geldt geen tewerkstellingsvergunning. Er is ook geen aanleiding om daarin verandering te brengen. Voor andere gevallen geldt nog steeds gewoon de eis van een tewerkstellingsvergunning. Uiteraard is het minder eenvoudig voor de Arbeidsinspectie om hierop toe te zien. Het gaat immers om persoonlijke huishoudens. Desondanks moet nog blijken of er veel gevallen van mensen zijn die illegaal huishoudelijk werk doen. Dat beeld hebben wij niet. Verder ontvangen wij geen klachten.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De minister heeft gelijk dat men onder de regeling heel beperkt een aantal huishoudelijke taken kan laten verrichten door een au pair. Ik ontvang echter, waarschijnlijk net als hem, berichten dat er wel degelijk mensen zijn die een groot deel van de dag ingezet worden voor huishoudelijke taken. Hoe wil de minister dergelijk misbruik tegengaan?

Minister Donner: Daarover kan ik weinig zeggen. Als er niet voldaan wordt aan de regelgeving voor au pairs, zal men moeten constateren dat er sprake is van illegale aanwezigheid. Men valt immers niet onder de regeling. Als een au pair meent dat zij te veel in het huishouden moet doen, is het aan haar of hem om de relatie met de familie waarvoor zij werkt, op te zeggen.

De voorzitter: Ik stel voor dat wij de minister na deze beantwoording excuseren. Hij heeft drukke werkzaamheden elders.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. In een debat vorige week over de toekomst van het asielbeleid heb ik gezegd dat het migratie-instrument een van de allerbelangrijkste instrumenten is om de samenleving te ordenen. Een dergelijke uitspraak brengt een verantwoordelijkheid met zich. Die verantwoordelijkheid vult het kabinet in door alle maatregelen die betrekking hebben op migratie, te nemen op basis van een visie. Wie laten wij toe? Om welke reden en voor welke periode? Welk type samenleving wil Nederland over twintig jaar zijn? Wat is de relevantie van het migratie-instrument daarbij? Wat betekent het voor de bescherming die wij kwetsbare mensen willen bieden? Wat betekent het voor mensen van wie wij weten dat zij een bijdrage leveren aan de economische, culturele en de wetenschappelijke ontwikkeling van Nederland? Een enkele spreker heeft dat benoemd als eigenbelang.

Het project Modern Migratiebeleid is omvangrijk. Iemand somde het aantal ministeries op dat hierbij betrokken is en die opsomming illustreert goed dat dit beleid nadrukkelijk gedragen wordt door het hele kabinet. Overigens heb ik voor dit project de allerleukste – ik gebruik dit woord bewust – bijeenkomsten met mijn collega-ministers en collega-staatssecretarissen gehad. Wij hebben daarbij diepgravend gesproken over de vraag wat het migratie-instrument precies behelst en wat het betekent voor de beleidsterreinen van de afzonderlijke bewindspersonen. Het kabinet heeft niet alleen een gedeelde visie op wat wij met dat middel voor Nederland willen doen, maar het heeft ook nadrukkelijk nagedacht over de vraag of het de maatregelen van de afzonderlijke departementen voor zijn rekening kan nemen.

De uitkomst van dit proces vindt u terug in de Blauwdruk. Ik heb dit stuk met heel veel genoegen aan de Kamer aangeboden, want het biedt een nieuwe basis voor het toelatingsbeleid. Het bevat een nieuwe structuur die eenvoudiger en duidelijker is. Zo worden de verschillende verantwoordelijkheden duidelijk benoemd. Het grote voordeel daarvan is dat de handhaafbaarheid van het stelsel zal verbeteren. Naast die grotere overzichtelijkheid noem ik het koppelen van bestanden en het spreken van dezelfde elektronische taal. Het lijkt misschien simpel, maar het inkomensbegrip van het ministerie van Financiën is niet het inkomensbegrip dat het ministerie van Justitie hanteert. Sociale Zaken hanteert op zijn beurt weer een ander begrip. Als je niet dezelfde definities hanteert, kun je echter nooit goed handhaven.

Al dit soort processen hebben wij doorgemaakt. Daarbij kwam heel veel techniek om de hoek kijken, maar wij hebben daarbij onze blik altijd gericht gehouden op het doel dat het zo transparant en overzichtelijk moet worden dat de handhaving gemakkelijk wordt voor alle betrokken diensten en inspecties. Ik denk dat het door de Blauwdruk modern migratiebeleid een stuk gemakkelijker wordt.

Nederland met zijn hoge welvaartsniveau zal altijd een restrictief toelatingsbeleid moeten hebben; wij kunnen niet iedereen toelaten. Nieuw in het beleid is dat wij selectief durven te zijn. Wij moeten selectief zijn, niet alleen met het oog op de economische ontwikkelingen, maar ook om grip te houden op de immigratie. Die grip is overigens ook nodig omdat een visieloos toelatingsbeleid risico’s met zich brengt voor de landen van herkomst. Innovatief en toekomstbestendig zijn de kernbegrippen van deze Blauwdruk. Wij hebben dat uitgewerkt in de formule: «uitnodigend waar het kan, restrictief waar het moet».

Een belangrijk aspect van ons beleid is dat wij veel vertrouwen zullen schenken aan onze afnemers, de gebruikers van het migratiebeleid. Belanghebbende bedrijven en organisaties krijgen het vertrouwen om medeverantwoordelijkheid te dragen voor de toelating van mensen die wij in Nederland nodig hebben. Dat vertrouwen krijgen ze, maar er is zeker geen sprake van blind vertrouwen. Het hoofdstuk over handhaving neemt daarom ook zo veel ruimte in. Gezien de manier waarop gebruik wordt gemaakt van de kennismigrantenregeling, denk ik dat wij dat vertrouwen met recht kunnen geven. Heel veel bedrijven maken niet alleen gebruik van deze regeling, maar zij houden Justitie ook goed op de hoogte van gewijzigde omstandigheden, bijvoorbeeld de mogelijkheid dat iemand uit dienst treedt.

De laatste jaren werken wij dus al samen, maar wij mogen ons daarvan natuurlijk niet afhankelijk maken. Het kan niet zo zijn dat wij alleen handhaven op basis van de informatie van onze afnemers. Met het oog daarop is het zo belangrijk dat wij bestanden aan elkaar kunnen koppelen en dat Justitie veel meer en efficiënter gaat samenwerken met Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zo gaan wij de Suwi-bestanden aan onze bestanden koppelen om te kunnen bepalen of uitkeringen rechtmatig worden verstrekt en of een verblijfsrechtelijke reactie nodig is. Verder gaan wij een koppeling tot stand brengen met de bestanden van de Belastingdienst, omdat het daardoor mogelijk wordt om te bepalen of iemand voldoet aan de inkomenseis voor kenniswerkers. Als de overheid onvoldoende toegang heeft tot dergelijke informatie, krijgt zij de handhaving natuurlijk nooit echt op orde.

Waarom is dit zo belangrijk? Als de handhaving niet op orde is, je je eigen regels en normen niet naleeft en strikt handhaaft, dan gaat dat per definitie ten koste van het draagvlak voor het migratiebeleid. Dat geldt ook voor de bescherming van asielzoekers. Ik denk dan aan mensen die zijn uitgeprocedeerd. Die moeten echt worden uitgezet. Ik denk aan mensen die geen kennismigrant blijken te zijn. Van hen moet de verblijfsvergunning echt worden afgepakt. Als je die maatregelen niet neemt, gaat dat ten koste van het draagvlak voor de visie van het kabinet op migratie.

Ik sluit mijn inleiding af met de opmerking dat de implementatie nog enige tijd in beslag zal nemen, onder meer omdat daarmee een langdurig wetgevingsproces is gemoeid. Dat betekent echter niet dat wij in de tussentijd niets doen. Het kabinet heeft nadrukkelijk gekozen voor een strategie waarbij het op korte termijn doet wat het kan doen. Ik doel daarmee natuurlijk op de quick wins en de proeftuinen. Voorbeelden daarvan staan in de brief.

De heer Kamp vroeg indringend wat er de afgelopen twee jaar is gedaan. De Blauwdruk modern migratiebeleid is nieuw, maar de gedachte dat kennismigratie onderdeel dient te zijn van een nieuw migratiebeleid, is ontwikkeld door het vorige kabinet. Er lag bij mijn aantreden een goed stuk dat al door de Kamer was geaccordeerd. De gedachte «restrictief en selectief migratiebeleid» lag er dus al. Na mijn aantreden heb ik onmiddellijk een rondje gemaakt langs de afnemers – bedrijven, onderwijsinstellingen en kunst- en cultuurinstellingen – om met eigen ogen te zien hoe de Kennismigrantenregeling in de praktijk werkte. Dat heeft ertoe geleid dat wij heel snel een aantal knelpunten hebben kunnen wegnemen.

Terwijl ik werkte aan deze grote exercitie, heb ik dus wel degelijk gewerkt aan het perfectioneren van het bestaande systeem en de Kennismigrantenregeling. Zo heb ik de zoektermijn voor studenten uitgebreid van drie maanden naar een jaar. Als een student in Nederland afstudeert, heeft hij een jaar de tijd om een baan te vinden. De inkomenseis voor een pas afgestudeerde student lag op hetzelfde niveau als de inkomenseis voor kenniswerkers die van buiten kwamen. Daaraan hebben wij ook iets gedaan door de inkomenseis voor deze pas afgestudeerden terug te brengen naar een reëel niveau.

De regel dat de partner van een kennismigrant via de versnelde procedure mee naar Nederland kon komen, heb ik ook aangepast. Het was namelijk de eis dat men op hetzelfde moment Nederland binnenkwam. Kwam een partner later naar Nederland, dan viel hij of zij onder de normale procedure voor gezinshereniging, een procedure die maanden in beslag kan nemen. Bedrijven die met expats werken, ervoeren dat als een drempel. Ik heb die regeling zo aangepast dat een gezinslid van een kennismigrant hem nareist, ook onder de versnelde procedure valt. In de praktijk deed een dergelijke situatie zich nog wel eens voor, doordat mensen hun huis nog moeten verkopen of kinderen een semester op school moeten afmaken. Voor wetenschappers heb ik eveneens een regeling opgesteld. In de afgelopen periode is dus wel degelijk heel veel gebeurd in de geest van de nota.

Niet alleen het grote aantal betrokken ministeries heeft ertoe geleid dat het zo lang heeft geduurd, maar ook het aantal uitvoeringsorganisaties en het grote aantal organisaties uit het veld dat hierbij betrokken was. Er is namelijk uitvoerig onderzocht hoe het in de praktijk gaat werken en of wij inderdaad kunnen handhaven op de manier die wij op papier hebben gezet. Daarvoor is een uitvoerige ex-ante-uitvoeringstoets uitgevoerd. Dat proces heeft de nodige tijd gekost, maar het heeft dan ook het nodige opgeleverd. Al met al beschikken wij nu over een realistische nota die goed op uitvoeringsaspecten is getoetst.

Er komt een lang wetgevingsproces aan. De Kamer heeft de termijnen gezien waarbinnen wij het allemaal voor elkaar willen krijgen. Begin 2009 starten wij met een uitvoeringstoets, toegespitst op de uitkomsten van dit debat en de wijzigingen die sinds de vorige toets zijn doorgevoerd. De uitkomsten daarvan worden meegenomen in het wetsvoorstel. Het is mijn bedoeling om dat voorstel voor het zomerreces bij de Kamer in te dienen. Als dit proces voortvarend doorlopen wordt, voorzie ik publicatie in het Staatsblad voor de tweede helft van 2010. Op dat moment beginnen wij met de implementatie van die onderdelen waarmee wij nog niet in de vorm van proeftuinen en quick wins zijn begonnen. U begrijpt dat ik daarbij hoop op een voortvarende behandeling in de Eerste Kamer en de Tweede Kamer.

Voorbeelden van proeftuinen. In de stukken staat voorjaar 2009, maar in werkelijkheid start in januari 2009 al een proeftuin en wel een proeftuin met de regeling voor hoger opgeleiden. Daarbij moet u denken aan studenten die aan topuniversiteiten zijn afgestudeerd en die naar Nederland mogen komen om binnen een jaar een baan te vinden. Verder starten wij met de regeling voor au pairs. Ten slotte noem ik de samenvoeging van de loketten van het CWI en de IND. Dit loket is enkele weken geleden geopend. Bij dit loket gaan wij zowel de twv als de verblijfsvergunning afgeven. Er gebeurt dus al heel veel en dat is niet alleen in het voordeel van de gebruikers, maar ook van de handhaving.

De heer Dijsselbloem wees op het interview in PM, waaruit zou blijken dat het in de praktijk anders werkt dan wij op papier neerzetten. Ik kom daar zelf ook voorbeelden van tegen. Als wij daarvoor een praktische oplossing zien, voeren wij die onmiddellijk in. Ik vraag hem wel oog te hebben voor het feit dat wij nu bezig zijn om papier in praktijk om te zetten. Dat proces zal ongetwijfeld nog meer voorbeelden opleveren van zaken, waarvan de bedoeling niet helemaal strookt met de praktijk. Wij zitten nu middenin dat proces, een proces dat ertoe moet leiden dat die voorbeelden opdrogen. Ik sluit dus niet uit dat wij nog meer voorbeelden onder ogen krijgen. Als ik tegen een zaal werkgevers zeg dat het de bedoeling is dat de IND terugbelt als een document ontbreekt omdat de aanvraag dan snel in orde kan worden gemaakt, zie ik instemmend geknik. Maar er zijn ook altijd een paar mensen die zeggen: «Ja hoor, maar zo gaat het echt niet in de praktijk!»

De heer Van de Camp (CDA): Het enthousiasme van de staatssecretaris over de Blauwdruk is groot. Ik zie echter nog steeds spanning tussen klantgerichtheid en de mogelijkheden voor departementale samenwerking. Ik zou graag zien dat zij meer nadruk legt op de klantgerichtheid. Ik begrijp dat al die systemen nog niet met elkaar communiceren en ik weet ook wel dat wij met vijf inkomensbegrippen werken, maar ik pleit toch voor meer klantgerichtheid.

Staatssecretaris Albayrak: Het veranderingsproces dat de IND doormaakt, is een randvoorwaarde voor de samenwerking met andere departementen. De heer Kamp en de heer Dijsselbloem hebben vragen gesteld over dit veranderingsproces en dan met name over de automatisering.

De IND is naar aanleiding van een rapport van de Algemene Rekenkamer aan de slag gegaan. De IND ging dus niet naar aanleiding van de wens om het migratiebeleid te moderniseren nadenken over de vraag hoe de dienst klantgerichter kan werken. De Algemene Rekenkamer heeft dit proces aangezwengeld, een proces dat nu al een jaar of twee loopt. De IND wil anders werken. Daar zijn andere automatiseringssystemen voor nodig. Het hoofd van de IND, Peter Veld, heeft dit goed opgepakt en werkt doortastend aan de implementatie.

De IND krijgt een nieuw systeem, INDIGO. Ik weet niet hoe goed de Kamer hiervan op de hoogte is. Als daarvoor belangstelling bestaat, zijn wij in ieder geval bereid om een technische briefing te bezorgen. Het is fascinerend wat daar gebeurt! INDIGO zal eerder worden geïmplementeerd dan het modern migratiebeleid. Het komende wetgevingsproces biedt dus de kans om ervoor te zorgen dat dit systeem goed werkt. De risico’s zijn al met al op dit moment te overzien.

De IND heeft een dienstverleningsconcept ontwikkeld, waarin de aanvrager centraal staat. Dat is van belang voor de positie van de referent. Hier hebben wij dus al vorderingen gemaakt met de verbetering van de dienstverlening en met name met die van de telefonische dienstverlening. Wij merken verder dat achterstanden zijn ingelopen en dat de klanten de IND een ruime voldoende geven. Belangrijker dan dat is echter dat de Nationale Ombudsman de IND niet meer in de top heeft staan van de lijst van organisaties die irritaties veroorzaken.

De heer Anker vroeg of er overgangsrecht komt. Het is een forse operatie. Op dit moment werken wij namelijk aan de uitwerking van het nieuwe stelsel, inclusief de wetgeving. Pas als je weet hoe de wetgeving eruit gaat zien, kun je je een beeld vormen van de mogelijke overgangsproblemen. Als wij dat beeld hebben, zullen wij de Kamer aangeven of en waar overgangsregelingen nodig zijn.

De heer Anker (ChristenUnie): Mijn vraag betrof vooral de mogelijke gevolgen van overgangsrecht voor het werk van de IND. Het moet voor de IND allemaal wel behapbaar blijven. Zo mogen er geen stapels dossiers ontstaan die op een nieuwe beoordeling wachten.

Staatssecretaris Albayrak: INDIGO is voornamelijk gericht op de gefaseerde invoering. De IND wordt daarbij stap voor stap meegenomen. De IND bereidt zich dus eigenlijk al twee jaar voor op het modern migratiebeleid. Wij hebben nog ongeveer anderhalf jaar te gaan tot het volgende toetsmoment van de Algemene Rekenkamer. Dat valt dus mooi samen met het traject van het Modern Migratiebeleid en de wetgeving.

Voorzitter. In mijn inleiding heb ik al gezegd dat de handhaving een voorwaarde is voor de realisatie van dit pakket nieuwe maatregelen. Ik ben er namelijk van overtuigd dat meer verantwoordelijkheid voor de referenten per definitie vraagt om meer toezicht. Dat extra toezicht bestaat onder meer uit een inlichtingenplicht voor de referent. Dat is een nieuwe verplichting die inhoudt dat referenten alle voor de IND belangrijke informatie over het verblijf van een vreemdeling moeten doorgeven aan de IND. Daarbij moet u vooral denken aan wijzigingen in de verblijfsgegevens.

De referent krijgt een wettelijke positie en dat was tot op heden niet het geval. Dat betekent dat je kunt gaan handhaven met verplichtingen en sancties. Nieuw is de sanctie van de bestuurlijke boete, waarvoor de inlichtingenplicht de grondslag biedt. Wij leggen die boete op als de referent geen of onjuiste informatie verstrekt. Er is gekozen voor een bestuurlijke boete, omdat die gemakkelijker ingezet kan worden dan de huidige civielrechtelijke garantstelling. Deze stelt in de praktijk namelijk niet zo heel veel voor. Ik denk echter dat het omwille van de tijd beter is om hierop niet al te uitgebreid in te gaan.

De heer Van de Camp vroeg waarom gekozen is voor een kan-bepaling voor het intrekken van de verblijfsvergunning bij een beroep op de bijstand. Het uitgangspunt is en blijft dat een verblijfsvergunning wordt ingetrokken op het moment dat iemand een beroep doet op de bijstand. Ik wil echter de ruimte houden om in individuele gevallen een belangenafweging te maken. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan gezinshereniging, want dan kun je niet in alle gevallen de vergunning intrekken, aangezien artikel 8 EVRM dan in de weg staat. Verder kunnen natuurlijk ook het buitenschuldcriterium, eergerelateerd geweld en minderjarigheid hiervoor aanleiding zijn. De formulering «kan worden ingetrokken» biedt ruimte voor een zelfstandige beoordeling in specifieke gevallen, maar dit zullen heel uitzonderlijke gevallen zijn. De regel is dus dat er wordt ingetrokken.

De heer Van de Camp (CDA): De wetgeving moet helder zijn. Ik zie dan ook liever dat de wetgever opschrijft «zal worden ingetrokken, tenzij ...» «Kan worden ingetrokken» kan in onze gejuridiceerde samenleving leiden tot een eindeloos debat.

Staatssecretaris Albayrak: Voor de wetgevingstechniek is dat onderscheid niet echt relevant. «Zal worden ingetrokken, tenzij ...» levert verder wellicht nog meer vragen op dan mijn kan-bepaling. Ik zal zoals gezegd, die kan-bepaling alleen in uitzonderingsgevallen toepassen, want de regel is en blijft dat de bijstand wordt ingetrokken.

Voorzitter. De heer Van de Camp en de heer Fritsma vragen waarom niet onmiddellijk strafrechtelijk wordt opgetreden tegen referenten die de fout ingaan. Het nieuwe stelsel biedt alle mogelijkheden om bij misdragingen op te treden. De consequenties voor de verplicht erkende referent zijn ontzettend groot. Wij mogen daarom alleen na een zorgvuldige afweging tot intrekking overgaan. De straf op de overtreding moet immers proportioneel zijn. Zo wordt iemand die slordig is omgegaan met de bewaarplicht, wel heel zwaar gestraft met intrekking of een schorsing. Wij gaan in alle gevallen contact opnemen. De eerste keer kan het bij een waarschuwing blijven, zeker als het om een licht verzuim gaat. Pas bij hardnekkig niet-nakomen van de inlichtingenplicht gaan wij de betrouwbaarheid ter discussie stellen.

De heer Fritsma (PVV): Het klinkt mij niet hard genoeg in de oren. Een referent die zich misdraagt – bijvoorbeeld afhaalrestaurant Melissa die een schijnkennismigrant naar Nederland haalt – moet worden uitgesloten van het over laten komen van andere migranten als het wordt betrapt. Het feit dat iemand de boel flest, is toch zeker voldoende reden om hem uit te sluiten van verdere samenwerking?

Staatssecretaris Albayrak: Jazeker. Het voorbeeld dat u geeft, is dan ook precies het voorbeeld van een bedrijf dat wij zouden aanpakken. Overigens is de lijst die u gebruikt, geen lijst van bedrijven die kennismigranten naar Nederland halen. Op die lijst staan bedrijven die na hun aanmelding zijn getoetst. Elke aanvraag van deze bedrijven wordt afzonderlijk getoetst. Als blijkt dat een van deze bedrijven probeert om iemand onder valse voorwendselen naar Nederland te halen, dan is het einde oefening voor de samenwerking. U geeft dus een voorbeeld, waarbij juist wel onmiddellijk hard wordt opgetreden. Mijn voorbeeld van de inlichtingenplicht voor een groot Nederlands bedrijf is anders, want daarbij ging het om slordigheid. In zo’n situatie moeten wij natuurlijk juist niet besluiten om onmiddellijk de vergunning in te trekken.

Op de door de heren Fritsma en Dijsselbloem genoemde lijst staat inderdaad een heel divers aantal bedrijven dat kennismigranten naar Nederland wil halen. Het is inderdaad een beetje vreemde line up. Wij hebben echter goed zicht op de bedrijven die de afgelopen jaren die vijfduizend kennismigranten naar Nederland hebben gehaald. Gebleken is dat het daarbij vooral om bedrijven uit de ICT-sector gaat. Slechts tien vergunningen op een totaal dus van ongeveer vijfduizend gingen naar de horecasector. De bedrijven waarvan u het raar vindt dat ze op de lijst staan, zijn dus niet de bedrijven die veel migranten naar Nederland halen.

De heer Fritsma vroeg waarom er geen paal en perk wordt gesteld aan het aantal herhaalde aanvragen dat men mag indienen.

De heer Fritsma (PVV): Ik doelde niet op het aantal herhaalde aanvragen, maar op het achter elkaar laten overkomen van partners. Dat is iets anders.

Staatssecretaris Albayrak: U hebt deze vraag al heel vaak gesteld. Ik zou mij ervan af kunnen maken door te verwijzen naar mijn eerdere antwoorden, maar ik wil hieraan toch een paar woorden wijden. Vorige week hebben wij een interessant debatje gevoerd, waarin wij een klein stapje nader tot elkaar zijn gekomen. Oneigenlijk gebruik en misbruik bestrijden wij nu al en dat wordt nog gemakkelijker met ons nieuwe beleid. Wat was het geval? Referenten die hun partner naar Nederland haalden, hadden eigenlijk geen eigen positie. Nu komt er een referentenregister waardoor de IND veel meer zicht krijgt op die referenten. Het wordt daardoor gemakkelijker om vast te stellen of zij serieel een partner uit het buitenland halen. Daar hadden wij tot nu toe geen goed zicht op. Als dat gebeurt, zullen wij zeker gaan optreden.

Het interessante debatje waarover ik sprak, ging overigens over het achterlaten van vrouwen in de landen van herkomst. Wat wij toen bespraken, is ook van toepassing op mannen die structureel hun vrouw mishandelen en die hun vrouw naar het land van herkomst terugsturen om een nieuwe vrouw over te laten komen. Ik vind dat je op z’n minst moet onderzoeken of dat geen contra-indicatie is voor het naar Nederland halen van een partner. Je weet dan immers dat er weer een kwetsbare vrouw in die situatie terecht zal komen. Ik heb u toegezegd dat ik zal bezien of ik een dergelijke geschiedenis als een contra-indicatie kan laten gelden. De nieuwe migrantenregeling en het referentenregister bieden mij de structuur om daarop zicht te houden.

Ik denk dat ik inmiddels genoeg heb gezegd over de handhaving om ervan uit te mogen gaan dat ik de vragen van de heer De Wit voldoende heb beantwoord.

De heer De Wit (SP): U gaat referenten en bedrijven dus beter dan tot nu toe controleren, ook als zij erkend zijn? Relativeert u hiermee het vertrouwen dat u in de stukken lijkt uit te spreken?

Staatssecretaris Albayrak: Vertrouwen maar geen blind vertrouwen. Ik zei dat het overzichtelijker en simpeler zou worden, en daardoor dus ook beter handhaafbaar. Dat is nadrukkelijk relevant voor de referent die een partner uit het buitenland haalt.

De heer Fritsma vroeg naar misbruik van de erkenning door werkgevers. Ik vraag hem daarbij in het oog te houden dat het vergaande gevolgen kan hebben voor een werkgever met foute bedoelingen als hij zich bij ons meldt met een verzoek tot erkenning als referent. Het kan zo’n malafide bedrijf fikse nadelen opleveren. Hij maakt zich namelijk bekend bij de IND, wat leidt tot een screening op strafrechtelijke overtredingen en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen. Als bij de minister van Sociale Zaken of bij mij zaken bekend zijn, komt dat op dat moment aan het licht. Verder bouwen wij een dossier op. Alle gegevens in dat dossier kunnen aanleiding zijn voor intensievere controle. De Arbeidsinspectie, de IND en andere organisaties wisselen informatie over hem uit. Hij krijgt te maken met regelmatige verzoeken om wijzigingen door te geven en met stelselmatige digitale controles. Als hij slordig omgaat met zijn administratie, kan dat tot een boete leiden. Ten slotte krijgt hij ook te maken met bedrijfsbezoeken van de IND. Als de IND daarbij iets opvalt, wordt dat doorgegeven aan de Arbeidsinspectie. Er zijn inmiddels ook afspraken gemaakt over de manier waarop deze dienst zal optreden en het verhalen van eventuele kosten.

Een werkgever die wil frauderen, brengt zich dus juist onder de aandacht van de IND. Hij komt verder terecht in een systeem dat gericht is op de bestrijding van misbruik. Als mensen zich daarvan bewust zijn, verkleint dat het risico aanzienlijk dat hiervan op grote schaal misbruik gemaakt zal worden.

Voorzitter. De gezinsmigratie. Mevrouw Azough en anderen vroegen naar de evaluatie van het beleid voor gezinsmigratie. Deze evaluatie, waarin ook de 120%-eis aan de orde komt, was voorzien voor het einde van dit jaar. Ik heb de Kamer inmiddels geschreven dat er sprake is van enige vertraging. Het moet een zorgvuldige evaluatie worden en ik wil dan ook niet dat men zaken afraffelt. Ik benadruk dat, omdat het niet mijn voorstel, maar dat van het WODC en INDIAC was om de einddatum van de evaluatie te verplaatsen. Ik heb met deze latere oplevering van het onderzoeksrapport ingestemd. Dat betekent dat wij begin 2009 in plaats van eind 2008 het rapport zullen ontvangen.

Er is gevraagd naar de kritiek van de EU op het gezinsherenigingsbeleid. De heer Fritsma en mevrouw Azough hebben over de mededeling van de Europese Commissie Kamervragen gesteld. Deze vragen zullen op de kortst mogelijke termijn beantwoord worden. Overigens staat deze mededeling niet voor vandaag geagendeerd. Ik kan de Kamer nu al wel mededelen dat het evaluatierapport van de richtlijn voor gezinshereniging 24 lidstaten betreft. Daarom heb ik aangegeven dat het geen juridisch onderbouwde inbreukprocedure is. Men richt zich immers op 24 landen. Het is natuurlijk wel mogelijk dat de Commissie op basis van haar bevindingen een inbreukprocedure start. Mocht dat gebeuren, dan denk ik dat wij, gezien de uitgangspunten van het huidige gezinsherenigingsbeleid, die juridische toets kunnen doorstaan.

De heer Fritsma vraagt waarom ik de termijn voor voortgezet verblijf voor gezinsmigranten niet op wil rekken naar tien jaar. Daar zijn een aantal formele en een aantal principiële redenen voor te geven. Een formele reden is dat in de richtlijn voor gezinshereniging een termijn van maximaal vijf jaar is opgenomen. Die termijn ligt dus vast. Deze discussie hebben wij ook gevoerd over de verlenging van het zelfstandig verblijf van drie naar vijf jaar. Je brengt met name vrouwen die in een afhankelijke positie verkeren ten opzichte van hun partner in een moeilijkere positie, omdat zij langer van hem afhankelijk zijn. Om die reden ben ik er ook niet voor om te werken met een termijn van tien jaar. Dat zou echt onwenselijk zijn, gezien de gevolgen voor de emancipatie van vrouwen. Overigens is hierover uitgebreid gedebatteerd met de Kamer en in die debatten heeft zij telkenmale haar steun uitgesproken voor de gedachte dat je deze termijn niet moet verlengen.

De heer Fritsma en de heer Anker vroegen naar het verruimde gezinsherenigingsbeleid. De heer Fritsma is tegen verruiming en de heer Anker zou graag zien dat het nog wat ruimer wordt. Ik heb met name het gezinsherenigingsbeleid voor ouderen verhelderd. Zowel de inkomenseis als de voorwaarde voor het aantal kinderen dat in Nederland woonachtig moet zijn om een oudere over te laten komen, wordt vereenvoudigd. Verder moet voortaan één van de kinderen volledig voor de vereiste inkomensnorm staan. Vroeger was de optelsom van de inkomens van de kinderen voldoende om een oudere over te laten komen.

Verder laten wij de absolute eis vallen dat vrijwel alle kinderen in Nederland moeten verblijven. Voortaan is de aanwezigheid van één kind voldoende. Men moet daarbij uiteraard aan de criteria van het ouderenbeleid voldoen. Dat betekent dat men alleenstaand moet zijn in het land van herkomst, ouder dan 65 jaar en verstoken van zorg. Waarom hebben wij de eis losgelaten dat vrijwel alle kinderen in Nederland moeten verblijven? Dat hebben wij gedaan, omdat deze eis niet concreet genoeg is en tot heel veel interpretaties en procedures heeft geleid. Het wordt ook hier eenvoudiger en duidelijker, en dus beter handhaafbaar.

De heer Fritsma (PVV): Dit is een toch wel heel erg vreemd antwoord, want een oudere met kinderen mag blijkbaar gewoon naar Nederland komen als hier een van haar andere kinderen woont. Waarom moet de Nederlandse samenleving de verantwoordelijkheid op zich nemen voor deze ouderen met alle gevolgen van dien voor de druk op de AOW en de gezondheidszorg? Dit ouderenbeleid is een onacceptabele verruiming.

De heer Kamp (VVD): Een oudere in Marokko met tien kinderen mocht alleen naar Nederland komen als negen van die kinderen in Nederland woonden. De staatssecretaris maakt daar nu één kind van. Ik vind het een grof schandaal. Hoe durft zij?

De heer Van de Camp (CDA): Eén kind moet garant staan voor de financiële consequenties, maar hoe lang moet hij dat doen? Een jaar? Een maand? Mijn fractie heeft deze regeling kritisch tegen het licht gehouden. Ik ben het met u eens dat het verzamelinkomen ook vrij fluïde is, maar als één kind garant kan staan, is het wel de vraag of hij niet na een jaar in de bijstand komt.

De heer Anker (ChristenUnie): Het feit dat iemand in het land van herkomst verstoken is van zorg weegt dus niet zwaarder dan de leeftijdsgrens?

De heer De Wit (SP): Mensen uit de praktijk pleiten ervoor om ouderen niet alleen te koppelen aan het speciale beleid voor 65-plussers. Er zijn namelijk ook mensen die met hun moeder of hun broer in gezinsverband samenwonen. Voor hen gelden die hoge eisen niet.

Staatssecretaris Albayrak: Bij de heer Kamp leeft wellicht een misverstand. Ik hoop dat hij zijn forse woorden wil terugnemen als ik dat ophelder. Het is niet zo dat iemand naar Nederland mag komen als tien van zijn of haar kinderen in Marokko wonen en één kind in Nederland. Het is en blijft namelijk een voorwaarde dat je alleenstaand bent in het land van herkomst. «Alleenstaand» betekent in dit verband dat er in het land van herkomst geen kinderen zijn die hun vader of moeder kunnen verzorgen. Dat was en is het uitgangspunt van het beleid.

Het komt voor dat mensen kinderen hebben in meerdere landen en dus niet in het land van herkomst. Als dan de keuze wordt gemaakt om bij het kind in Nederland te gaan wonen, toetsen wij aan de criteria. Alleen de voorwaarde dat alle kinderen in Nederland wonen, komt te vervallen. In het land van herkomst moet iemand ouder zijn dan 65, alleenstaand en verstoken van zorg. Die voorwaarden blijven gelden.

De heer Anker vraagt of het criterium «verstoken van zorg» niet zwaarder moet wegen dan de leeftijdsgrens. De criteria, inclusief de leeftijdseis, blijven staan. Ik maak daarbij wel de kanttekening dat ik het niet erg vind om in heel schrijnende gevallen voor de 341ste keer gebruik te maken van mijn discretionaire bevoegdheid.

De heer Kamp vraagt mij, in te gaan op de eis dat één kind garant moet staan voor het hele inkomen. Die eis geldt voor de periode dat de afhankelijke verblijfsvergunning geldt. Als een oudere na drie jaar een zelfstandige verblijfsvergunning krijgt, vervalt die eis natuurlijk.

De heer De Wit vraagt om verruimde gezinshereniging voor kennismigranten. Hierbij speelt het praktische punt dat de snelle procedure zich niet echt verhoudt met de toets die wij uitvoeren op de verruimde gezinshereniging. Ik zeg hem toe dat ik in de gesprekken met de gebruikers zal nagaan of het een probleem is.

De heer Fritsma vraagt waarom gezinshereniging mogelijk wordt gemaakt voor studenten in het zoekjaar. Studenten die hier aan een van de hogescholen zijn afgestudeerd, hebben soms al een vaste relatie. Als je een student verblijf toekent in de vorm van voortgezet verblijf, waarom zou je zijn of haar partner die hier al is dat dan niet toestaan? Deze studenten kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan onze samenleving en deze regeling valt dan ook onder de gedachte: selectief, omdat wij er een belang bij hebben. Hetzelfde argument is van toepassing op mensen die in het kader van de proeftuin vanaf 1 januari naar Nederland mogen komen, omdat ze afgestudeerd zijn aan een van de topuniversiteiten van de wereld.

De heer Dijsselbloem merkte op dat ik in het kader van het modern migratiebeleid gezegd heb dat de Belgiëroute niet van bijzonder belang is voor dat migratiebeleid. Aan de opmerking waarnaar hij verwijst, moet hij niet meer waarde toekennen dan in het kader van deze nota nodig is. Ik hecht er namelijk geen bijzonder belang aan om deze situatie onder deze nota te brengen, omdat deze nota niet over het vrij verkeer van personen gaat Hiernaar gaat namelijk veel aandacht uit. Het debat hierover is weer actueel geworden door het Metock-arrest van het Europese Hof. Hierover zijn schriftelijke vragen gesteld. Een en ander heeft mij ertoe gebracht om een interventie te plaatsen op de JBZ-raad over de consequenties hiervan voor de Belgiëroute. De Belgiëroute is voor een deel legitiem, want sommigen maken gewoon gebruik van de bestaande Europese regels voor vrij verkeer van personen. Hieraan kan en wil ik niets veranderen, maar wij weten ook dat er misbruik wordt gemaakt van deze route.

Mij stoort het dat wij in de praktijk nauwelijks gebruik kunnen maken van artikel 35 van de Europese richtlijn, die het mogelijk maakt om op te treden tegen mensen die via deze route een partner naar Nederland halen. Oorzaak daarvan is dat wij heel erg slecht zicht hebben op de ontwikkelingen rond deze route. Ik doe alles wat mogelijk is in mijn bilaterale contacten met mijn Belgische collega, maar het wordt nauwelijks gemonitord. Tegelijkertijd stijgt het aantal mensen dat naar Nederland komt door gebruik te maken van deze mogelijkheid in het Europese recht. Tijdens de vergadering van de JBZ-raad heb ik voorgesteld om het Europees te monitoren en een notificatieplicht in te voeren. Die notificatieplicht houdt in dat lidstaten elkaar informeren over opvallende ontwikkelingen.

Als ik zou constateren dat er opeens heel veel Duitsers naar Nederland komen, zou dat erop kunnen wijzen dat er een Nederlandroute voor Duitsland aan het ontstaan is. Ik vind dat ik Duitsland daarvan op de hoogte zou moeten stellen. Ik pleit binnen Europa dus voor monitoring en een notificatieplicht. Hopelijk gaat dat lukken.

Ik kom op het stellen van een mvv-eis. Een mvv is een machtiging tot voorlopig verblijf en eigenlijk is het de toets in het land van herkomst om te bepalen of iemand aan de voorwaarden voor toelating voldoet. Daardoor kunnen wij voorkomen dat vreemdelingen ongecontroleerd Nederland in kunnen reizen om vervolgens een aanvraag voor toelating te doen. De ambassades geven de mvv af. De heer Van de Camp vroeg hiernaar. Het toegangsvoordeel van de nieuwe procedure voor toegang en verblijf, de geïntegreerde procedure voor visum en verblijfsvergunning, is dat een vreemdeling bij aankomst in Nederland niet opnieuw de molen van toelatingstoetsen hoeft te doorlopen. In die procedure worden nu namelijk vaak dezelfde documenten gevraagd als die welke soms al eerder aan een andere instantie zijn overgelegd. De dubbelingen proberen wij er dus uit te halen, mede omdat dat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven kleiner maakt. Deze stap levert voordeel op, zonder dat het ten koste gaat van de zorgvuldigheid en de handhavingsmogelijkheden.

De heer De Wit en mevrouw Azough stelden de termijnen voor de mvv aan de orde. Ik acht het niet wenselijk om de termijn voor het ophalen van een mvv in een naburig land op zes maanden te stellen. Bij de keuze voor het bekorten van de termijn is doorslaggevend geweest dat in de praktijk de meeste vreemdelingen hun mvv gaan halen, nadat is ingewilligd. De termijn moet je zo kort mogelijk houden, juist omdat wij de mvv en de vvr gaan samenvoegen. Dat voorkomt namelijk dat iemands situatie zich in deze periode tot aan de binnenkomst in Nederland kan wijzigen. De tijd tussen aanvraag, inwilliging en het afhalen van de mvv wil ik zo kort mogelijk houden, omdat dat in ons belang is en in het belang van de vreemdeling. Over het wetsvoorstel inzake de mvv wordt op dit moment schriftelijk overleg gevoerd. Ik zal dus meer gedetailleerd op al deze vragen terugkomen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De meerderheid van de mensen is inderdaad in staat om binnen drie maanden de mvv op te halen. Op die groep richtte ik mij dan ook niet. Ik richtte mij op die mensen voor wie dit te gevaarlijk is. Ik kan mij voorstellen dat in dergelijke gevallen een uitzondering wordt gemaakt. Zijn uitzonderingen voor specifieke situaties mogelijk?

Staatssecretaris Albayrak: Ik denk dat wij hierop terugkomen in het schriftelijk overleg. Ik kan nu al wel zeggen dat wij mensen niet vragen om hun mvv op te halen op een plaats waar het voor hen gevaarlijk is. Als gesteld wordt dat van mensen verwacht kan worden dat ze in een bepaald land hun mvv op gaan halen omdat er in hun land geen diplomatieke vertegenwoordiging is, houden wij er rekening mee dat dit binnen de gestelde termijn mogelijk moet zijn.

Ik kom op de leges. In het coalitieakkoord staat inderdaad de opdracht om onderzoek te doen naar de vraag of de hoogte van de huidige leges belemmerend werken voor kennismigranten. Ik heb de ACVZ gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. Dat onderzoek is inmiddels afgerond en de Kamer krijgt dit rapport, voorzien van een kabinetsreactie, binnenkort onder ogen. Het lijkt mij goed om aan de hand van deze kabinetsreactie de discussie over de leges voort te zetten. Er bestaat een relatie tussen leges en kostprijs. De leges zijn nog steeds niet kostendekkend. Op dit moment zitten wij op een percentage van 36. Desalniettemin zijn de leges hoog en is de ruimte om ze verlagen dus ook klein. De heer De Wit zegt dat het modern migratiebeleid tot een snellere procedure leidt en vraagt zich af of dit vervolgens leidt tot een lagere kostprijs. Gelet op het gat van 64%, zal deze eventuele verlaging niet leiden tot een kostendekkend systeem.

De heer De Wit, de heer Van der Staaij en met name mevrouw Azough vragen naar de consequenties voor de landen van herkomst als wij te enthousiast kennis naar Nederland halen uit landen waar ze die kennis zelf keihard nodig hebben. Er bestond heel lang consensus over dat het effect per definitie negatief zou zijn voor de landen van herkomst. Inmiddels is er meer onderzoek beschikbaar en daaruit rijst een genuanceerd beeld op. Juist de gevolgen van migratie en kennismigranten op de herkomstlanden zijn groot: «remittances», internationale netwerken en remigratie van mensen met meer kennis. De zaak is dus ingewikkelder dan werd gedacht. Nederland en alle andere ontwikkelde landen die gebruikmaken van kennismigranten van ontwikkelingslanden, dragen een grote verantwoordelijkheid. Dat is de reden dat wij werken aan een EU-gedragscode. Nederland zet daar hard op in.

Recentelijk kreeg ik een voorbeeld van de noodzaak waarom je per land een plan van aanpak zou moeten opstellen. De president van Ghana was in Nederland op bezoek en in zijn gevolg bevonden zich ook mensen van de Ghanese immigratiedienst. Zij vertelden dat zij mensen terughalen naar Ghana. Zij spreken mensen in Engeland actief aan en bieden hen een baan aan in Ghana. Landen als Nederland en Engeland moeten dit soort initiatieven ondersteunen. Wij kunnen dat doen door te helpen met het opvangen van het inkomensverschil tussen in dit geval Engeland en Ghana. Het salaris van een arts is in Engeland immers veel hoger. In Malawi loopt een dergelijk project. Daar topt men de salarissen van plattelandsartsen op. Dat is een goed voorbeeld van een project dat ontwikkelingslanden kan steunen om mensen te bewegen in hun eigen land te blijven of terug te keren. Ik geef de voorkeur aan deze route boven een al te gemakkelijke discussie aan de hand van: «braindrain is slecht». Wij kunnen hier echt een win/win-situatie van maken, niet alleen voor ons, maar zeker ook voor de ontwikkelingslanden.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De staatssecretaris geeft één concreet voorbeeld van een project dat gericht is op compensatie. Wij hebben niet veel tijd meer en ik vraag haar daarom, schriftelijk een toelichting te geven op alles wat er wordt gedaan om het fenomeen van de braindrain aan te pakken.

Staatssecretaris Albayrak: Die informatie komt sneller naar u toe dan u denkt, want de nota over ontwikkeling en migratie moet nog worden besproken. Ik voer dat debat met de Kamer graag samen met de minister voor Ontwikkelingszaken. Ik kan u nu al wel zeggen dat Nederland op dit moment nauwelijks verantwoordelijk is voor braindrain. China, India en westerse landen als de VS en Canada en Japan zijn de belangrijkste herkomstlanden van onze kennismigranten. Er komen nauwelijks kennismigranten uit Afrika naar Nederland. De zorgsector werft overigens niet uit ontwikkelingslanden.

De heer Van de Camp vroeg naar de blue card van de EU. Europa komt met een stelsel dat minder ver gaat dan dat wij in Nederland doen. Ik ben daarmee akkoord gegaan, omdat het belangrijk is dat alle 27 landen van de EU met een Kennismigrantenregeling gaan werken. Voor ons voegt het niets toe, maar voor heel veel andere landen is het nieuw. Het is de verwachting dat deze richtlijn voor het einde van dit jaar wordt aangenomen. De implementatietermijn loopt twee jaar en drie jaar daarna wordt er geëvalueerd. Op dat moment kunnen wij zien op welke wijze andere landen die toepassen en of dat ons een goede positie geeft om te pleiten voor verandering van de Europese Kennismigrantenregeling en de blue card.

Ik denk dat ik daarmee ook de vraag heb beantwoord van de heer Van der Staaij of het toekomst-proof is. Wij hebben het uitdrukkelijk niet alleen vanuit internationaal perspectief opgesteld, maar ook vanuit Europees oogpunt. Daarvoor hebben wij het naast alle richtlijnen gelegd. Het Zweeds voorzitterschap zal een vervolg geven aan het Haags Programma en daarmee is het Nederlandse beleid zeker toekomst-proof.

De voorzitter: Het is op een haar na 13.00 uur. Ik stel voor dat wij de staatssecretaris tot dat moment de tijd geven om de laatste vragen te beantwoorden. Het is daarna aan ons om te bezien of wij op een ander moment een tweede termijn willen houden.

Staatssecretaris Albayrak: De minister van Sociale Zaken heeft al het een en ander gezegd over het verblijf voor religieuze doeleinden. Er ligt nog een enkele vraag op antwoord te wachten. De heer Anker vraagt hoe wij omgaan met de lijst, nu de religieuze instellingen ook referent worden. De organisaties die op deze lijst staan, kunnen hun aanvragen blijven indienen in het kader van de overgangsregeling. Het is de verwachting dat diegenen die nu op de lijst staan, straks als referent worden aangewezen.

Ik kom op de kolommensystematiek en de betrokkenheid van religieuze organisaties. Aanvankelijk waren religieuze en levensbeschouwelijke organisaties sceptisch over het voornemen om voor hen geen aparte kolom in te richten. Inmiddels begrijpen zij waarom een aparte kolom voor religieuze toelating niet nodig is. Het gesprek met hen is overigens in een goede verstandhouding gevoerd.

De heer Van de Camp vroeg naar de mogelijkheid van een uitzondering op het salariscriterium voor gastdocenten in de Kennismigrantenregeling. In de Blauwdruk kon hij lezen dat het kabinet binnen de Kennismigrantenregeling verblijf mogelijk zal maken voor onbezoldigde gastdocenten. Wij zullen de regelgeving daartoe aanpassen. Ik zal kritisch kijken naar de formulering van de artikelen waarnaar de HBO-raad verwijst.

De heer Dijsselbloem vroeg waarom wij deze wijziging niet hebben aangegrepen om met een puntensysteem te werken zoals in Engeland en Australië. Wij hebben wel iets afgekeken van het Verenigd Koninkrijk. Sinds 2002 kent men daar het «Highly Skilled Migrant Programme». Ons stelsel is daar deels op gebaseerd. Er is overigens wel enig verschil voor vreemdelingen tussen het Britse en het Nederlandse systeem. Zo laten de Britten ook hooggekwalificeerde mensen in aanmerking komen, terwijl onze definitie van de kennismigrant alleen gebaseerd is op het salariscriterium.

Voordat wij overwegen om het Engelse systeem naar Nederland te transporteren, willen wij ervaring hebben opgedaan met het toelaten van talent. Zij baseren talent op punten voor het onderwijsverleden en werkervaring, terwijl wij eerst ervaring willen opdoen met een beperkte groep getalenteerde hoogopgeleiden. Het toetsen van werkervaring is daarbij niet aan de orde. De situatie in Engeland is feitelijk een heel andere dan bij ons. Bovendien houden zij hun systeem op dit moment tegen het licht. Het is dus zeker niet zo dat wij dat systeem zonder meer kunnen overnemen.

De heer Dijsselbloem vroeg wat er is gedaan met de aandacht die is gevraagd voor partners van Nederlandse ontwikkelingswerkers en hun komst naar Nederland op het moment dat hun partners terugkomen. Deze problematiek is onder mijn aandacht gebracht. Ik beraad mij op dit moment op een reactie. Ik zal de Kamer hierover nog voor het kerstreces berichten.

De heer Anker vroeg naar het EZ-project Branding. Ik zie aan zijn reactie dat ik mij vergis. Dit project is bedoeld om Nederland aantrekkelijker te maken als vestigingsplaats. Als je met het oog op innovatie probeert om je land aantrekkelijker te maken, is de Kennismigrantenregeling vooral faciliterend. Wij moeten het natuurlijk vooral hebben van onze naam en faam. Hoe staat Nederland bekend? Is Nederland een aantrekkelijk land om te wonen met een gezin? Is het een fijn land? Dat speelt allemaal een rol in de hoofden van mensen en het is dan ook goed dat EZ hard werkt aan het in de markt zetten van het merk Nederland, de zogenaamde branding.

De heer Van de Camp wees erop dat er geen ziektekostenverzekering kan worden afgesloten als men met een mvv Nederland inreist, totdat de verblijfsvergunning is afgegeven. Door de toegang en verblijfsprocedure zal dit probleem op termijn verdwijnen. Voor de tussenliggende periode ben ik in overleg met het ministerie van VWS.

De heer Kamp haalde het artikel in de Telegraaf aan, waarin staat dat ik 340 verblijfsvergunningen heb afgegeven op basis van mijn discretionaire bevoegdheid. Dat aantal zou bovenop de verblijfsvergunningen komen, die wij nu al «rondstrooien». Toen ik las dat het er 340 waren, dacht ik: «Zijn het er zo weinig? Ik moet beter mijn best gaan doen». Ik zeg dat bewust zo, want dit aantal wijkt niet af van het gebruik van de discretionaire bevoegdheid van mijn voorgangers. Ik zit er zelfs onder. Die discretionaire afwijkingsbevoegdheid heeft verder niets met het generaal pardon te maken. Het tegenovergestelde is wel waar, want het generaal pardon heeft mensen weggehaald die anders een beroep hadden gedaan op mijn discretionaire bevoegdheid.

Mijn voorgangers en ik hebben altijd een discretionaire afwijkingsbevoegdheid gehad en die bevoegdheid zal zeker blijven bestaan. Als een geval aan je wordt voorgelegd, moet je immers kunnen bepalen of je de optelsom van omstandigheden zo schrijnend vindt en humanitair zo onacceptabel, dat het reden is om in afwijking van je eigen beleid een verblijfsvergunning af te geven. Die ruimte zal elke staatssecretaris of minister voor Vreemdelingenzaken ook in de toekomst hebben. De aantallen laten zien dat daarvan consequent en zorgvuldig gebruik wordt gemaakt.

De voorzitter: Wilt u nu een tweede termijn houden of op een later tijdstip?

De heer Fritsma (PVV): Ik heb behoefte aan een korte concluderende termijn.

De heer Kamp (VVD): Ik ook.

De voorzitter: Ik zie meer instemmende gebaren. Dat zullen wij dan voor een ander moment moeten plannen, want daarvoor is nu geen tijd meer.

Ik bedank de staatssecretaris. Ik heb negen toezeggingen genoteerd, maar omdat het debat nog niet is afgerond, kan de buit nog groter worden.

De voorzitter van de vaste commissie van Justitie,

De Pater-van der Meer

De voorzitter van de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Wit

De griffier van de vaste commissie van Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), De Wit (SP), voorzitter, Van Gent (GroenLinks), Blok (VVD), Tichelaar (PvdA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), ondervoorzitter, Luijben (SP), Ulenbelt (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Koppejan (CDA), Tony van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Karabulut (SP) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gerkens (SP), Sap (GroenLinks), De Krom (VVD), Heerts (PvdA), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Sterk (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Irrgang (SP), Lempens (SP), Cramer (ChristenUnie), Biskop (CDA), Kamp (VVD), Joldersma (CDA), Fritsma (PVV), Tang (PvdA), Ouwehand (PvdD), Gesthuizen (SP), Heijnen (PvdA) en Weekers (VVD).