nr. 10
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 juni 2006
Op 13 juni heb ik in het wetgevingsoverleg over het jaarverslag SZW
2005 (kamerstuk 30 550, nr. 9) de toezegging gedaan uw Kamer voor het
22 juni a.s. schriftelijk te reageren op een aantal vragen van mw. Noorman-den
Uyl, lid van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
uw Kamer. Het betreft de volgende vragen:
1. Wat is de ontwikkeling van de kostprijs (gemiddelde uitkeringshoogte)
geweest van 2001–2005 en wat zijn de achterliggende oorzaken van deze
ontwikkeling?
2. In het antwoord op vraag 11 wordt gesproken over een daling van het
bijstandsvolume, terwijl volgens het antwoord op vraag 69 sprak zou zijn van
een stijging. Wat is hiervoor de verklaring?
3. Hoeveel bedroeg de feitelijke instroom vanuit de WW naar de bijstand
in 2005. Wat zijn de oorzaken van het verschil tussen raming en realisatie?
Hieronder treft u de antwoorden op deze vragen aan.
Ontwikkeling kostprijs
Mw. Noorman-den Uyl vraagt naar een verklaring voor de verschillen
in de «kostprijs». Hierbij is niet gedoeld op de normuitkeringen
die voor de verschillende leefvormen worden gehanteerd. Deze normuitkeringen
bepalen de hoogte van de uitkering voor de bijstandsontvanger. Mw. Noorman-den
Uyl informeert naar de gemiddelde kosten van de uitkeringen die gemeenten
aan hun klanten toekennen en waarmee in de begroting wordt gerekend.
In onderstaande reeks is de gemiddelde uitkering per bijstandcliënt
voor de jaren 2001 t/m 2005 weergegeven. Het betreft hier realisaties. Bron
hiervoor zijn de gerealiseerde netto uitgaven aan bijstandsuitkeringen aan
mensen jonger dan 65 jaar gedeeld door het gemiddeld aantal bijstandsuitkeringen. Netto wil hier zeggen: de uitgaven minus terugontvangsten
door gemeenten. Het jaar 2006 blijft buiten beschouwing, dat jaar loopt nog.
Bron voor die gemeentelijke uitgaven zijn de opgaven die gemeenten aan
SZW verstrekken in het verslag over de uitvoering (VODU). Voor de periode
2001–2003 is met het oog op de korte termijn die er voor de beantwoording
van de vragen beschikbaar was gebruik gemaakt van afgeleide cijfers.
Tabel 1: Ontwikkeling gemiddelde uitkering Abw/WWB (personen
jonger dan 65 jaar)
| | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 |
|---|
| Gemeentelijke uitgaven | 3 688 891 776 | 3 762 054 299 | 4 023 004 112 | 4 152 527 573 | 4 174 399.629 |
| Gemiddeld aantal uitkeringen < 65 | 328 142 | 318 492 | 327 680 | 337 400 | 334 994 |
| Gemiddelde uitkering < 65 | € 11 242 | € 11 812 | € 12 277 | € 12 307 | € 12 461 |
Verschillen van jaar op jaar kunnen worden verklaard door:
– Jaarlijkse aanpassingen aan de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden
(WKA).
– Veranderingen in de samenstelling van de bijstandspopulatie a.g.v.
gerealiseerde effecten van rijksbeleid (zoals bijvoorbeeld a.g.v. doorstroom
na maatregelen in de WW-vervolguitkering etc.).
– Veranderingen in de samenstelling van de bijstandspopulatie naar
leefvorm (gehuwden/paren, alleenstaande ouders en alleenstaanden).
– Veranderingen in de uitvoering in boeten- en maatregelenbeleid;
hoe intensiever er wordt gehandhaafd, hoe groter de opbrengsten uit boeten
en maatregelen, waardoor de netto-uitgaven aan bijstandsuitkeringen lager
worden.
Ik heb uw Kamer op 2 juli 2004 een procesbeschrijving toegestuurd
die inzicht geeft in de wijze waarop de raming van het WWB-budget tot stand
komt (Kamerstukken II, 2003–2004, 28 870 nr. 117). Daarin is beschreven
dat de gemiddelde uitkering die in jaar t-1 is gerealiseerd gebruikt wordt
voor de berekening van de bijstandsuitgaven voor jaar t. In de gerealiseerde
gemiddelde uitkering komen gevolgen van de autonome verandering van de samenstelling
van het bestand en het effect van de uitvoering van beleid tot uitdrukking.
Deze gerealiseerde gemiddelde uitkering wordt verhoogd met de factoren die
van invloed zijn op de kosten voor gemeenten, zoals de WKA en rijksbeleid.
Dit levert de gemiddelde uitkering op die wordt gebruikt voor de raming van
het komende jaar. Zodoende sluit de raming zo goed mogelijk aan bij de verwachte
werkelijke kosten voor gemeenten.
Ontwikkeling volume
Het antwoord op vraag 11 betreft volumecijfers zonder de uitkeringen aan
personen ouder dan 64. Het antwoord op vraag 69 bevat cijfers inclusief die
groep. Verder betreffen de cijfers bij vraag 11 de standen per ultimo van
elk jaar, terwijl de cijfers bij vraag 69 de gemiddelde stand over het jaar
(op basis van maandcijfers) betreft. Deze gemiddelde stand is van belang bij
het ramen van de uitgaven.
Tabel 2: Aantallen uitkeringen Abw/WWB, in duizenden
| | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 |
|---|
| Bijstand aan personen jonger dan 65 jaar (ultimo per jaar) (cf.
vraag 11) | 481 | 437 | 397 | 363 | 335 | 322 | 320 | 336 | 339 | 328 |
| Bijstand totaal (incl. personen ouder dan 65 jaar) (gemiddelde
stand) (cf. vraag 69) | | | | | | 346* | 339 | 350 | 360 | 361 |
Bron: CBS.
* = gecorrigeerd cijfer.
Instroom van WW naar WWB
In het antwoord op vraag 72 PvdA is gemeld dat de instroom in de bijstand
vanuit de WW in 2003 8 000 uitkeringen bedroeg. De meest recente cijfers
over de instroom van de WW naar de WWB gaan t/m het 3e kwartaal 2004. In de
eerste drie kwartalen van 2004 blijken ruim zevenduizend personen over te
zijn gegaan van WW naar bijstand. Dit betekent dat voor heel 2004 de totale
doorstroom naar verwachting ca. tienduizend zal bedragen. Ten opzichte van
2003 is de doorstroom met circa tweeduizend personen toegenomen.
Voor 2004 was rekening gehouden met een extra
instroom van circa achthonderd uitkeringen als gevolg van de maatregelen in
de WW. Deze komt bovenop de autonome doorstroom van mensen die na het verstrijken
van de maximale uitkeringsduur van WW naar de bijstand gaan.
De maatregelen in de WW verklaren dus een deel van de toegenomen instroom
in 2004. Alhoewel hier geen analyses op hebben plaatsgevonden, mag worden
aangenomen dat het resterende deel van de extra instroom het gevolg is van
conjuncturele ontwikkelingen, de autonome component waaraan werd gerefereerd.
Het gaat daarbij om mensen die gedurende de looptijd van hun WW-uitkering
geen betaalde baan vinden, en na het verstrijken van de maximale uitkeringsduur
doorstromen van de WW naar de WWB. Deze groep maakt deel van de volumeraming
die mbv de ramingsregel «vertraagd» in de ramingen van het bijstandsvolume
beland.
In de raming voor 2005 was rekening gehouden met een extra instroom van circa 2 500 uitkeringen ten opzichte van
2004 als gevolg van beleidsmaatregelen op het WW-terrein.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. A. L. van Hoof