nr. 8
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel (nrs. 3
en 4), heeft de eer als volgt verslag uit te brengen in de vorm van een lijst
van vragen. De daarop door de regering gegeven antwoorden zijn hierbij afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Aptroot
De adjunct-griffier van de commissie,
Jaspers
1
Hoe komt het dat het niet lukte om de ontvangsten in
verband met de afrekening van de per 1 augustus 2004 beëindigde
Onderwijs in allochtone levende taken (OALT)-regeling in zijn geheel in 2005
te realiseren? (pag. 2).
De verantwoording over OALT kon door gemeenten worden ingezonden nadat
de gemeenterekening 2004 was goedgekeurd. Na 15 juli 2005 zijn gemeenten
gerappelleerd en is aanvullende informatie gevraagd om de hoogte van het terug
te vorderen bedrag te bepalen. Deze procedure duurt standaard 16 tot 20 weken.
De betreffende beschikkingen zijn in november en december verzonden. Omdat
er niet kon worden verrekend met de lopende geldstroom, is gemeenten gevraagd
om het gevorderde bedrag terug te betalen. Hiervoor is een termijn van 4 weken
gegeven. Een bedrag van 19,6 miljoen is door gemeenten na deze termijn terugbetaald.
2
Hoe verklaart u de geringe uitgaven voor het project «Leren
en Werken»? Hoe komt het dat de aanvragen voor de tijdelijke stimuleringsregeling «Leren
en Werken» pas in 2006 konden binnenkomen?
De projectdirectie Leren & Werken is officieel van start gegaan op
1 maart 2005. In eerste instantie is er een plan van aanpak geschreven
met de doelstellingen van de projectdirectie en de manier waarop de projectdirectie
deze doelen wil bereiken. Vervolgens is gestart met het ontwerpen van de tijdelijke
stimuleringsregeling leren en werken. Dit proces heeft de nodige tijd in beslag
genomen. Daarnaast zit er een aantal maanden tussen het moment waarop de regeling
gepubliceerd wordt en het moment dat de subsidie daadwerkelijk verstrekt wordt.
Een voorwaarde bij het aanvragen van subsidie is dat er sprake is van een
samenwerkingsverband en dat er een intentieverklaring wordt ondertekend, vervolgens
moet de aanvrager een projectplan indienen. Gemiddeld neemt dit proces een
half tot driekwart jaar in beslag. Hierdoor zijn de aanvragen voor de tijdelijke
stimuleringsregeling binnengekomen in 2006. Dit is ook de belangrijkste reden
voor de geringe uitgaven in 2005.
3
Kunt u verklaren hoe het kan dat het verschil tussen
raming en de realisatie op artikel 11 (studiefinanciering) dergelijke substantiële
bedragen laat zien?
De uitgaven en ontvangsten op het artikel studiefinanciering worden mede
bepaald door ontwikkelingen die nog gedurende het uitvoeringsjaar aan veranderingen
onderhevig zijn. Dit betekent dat er verschillen tussen ramingen en realisaties
tot aan het eind van het jaar kunnen optreden. In 2005 zijn er inderdaad substantiële
verschillen zichtbaar waarvan de meest in het oog springende zijn:
• relevante uitgaven basisbeurs + € 31,4 miljoen;
dit hangt samen met de invoering van de prestatiebeurs voor de bol met ingang
van schooljaar 2005–2006 waardoor, als gevolg van minder prestatiebeursgerechtigden
dan ingeschat bij de bol, meer basisbeursuitgaven als gift zijn verstrekt.
De afwijking is relatief groot doordat bij het maken van de raming onvoldoende
ervaringscijfers beschikbaar waren.
• Relevante uitgaven OV-kaart + € 6,1 miljoen; hier
treedt hetzelfde effect op als hiervoor genoemd, namelijk het geringere prestatiebeurseffect
bij de bol.
• OV-kaart uitgaven prestatiebeurs ho – € 22,6
miljoen; dit komt doordat meer OV-kaartgerechtigden onder het prestatiebeurs-regime
vallen dan verwacht, hetgeen zich pas duidelijk aftekende na het
begin van het nieuwe studiejaar.
• Relevante overige uitgaven samenhangend met achterstallig recht – € 27,3
miljoen; de omvang van de post wordt bepaald door de resultaten van diverse
uitvoeringscontroles door de IB-Groep. De uitkomsten hiervan fluctueren jaarlijks.
• Het relevante ontvangstenverschil van – € 15,4
miljoen ontstaat voornamelijk door de renteontvangsten op nieuwe rentedragende
leningen waarvan de raming in het uitvoeringsjaar ten onrechte naar boven
is bijgesteld.
Daarnaast is er sprake van lagere ontvangsten (– € 11,5
miljoen) op kortlopende schulden. Deze ontvangsten zijn het directe resultaat
van diverse uitvoeringscontroles en fluctueren jaarlijks.
4
Welke oorzaken heeft de vertraging die is opgetreden
bij de oprichting van het platform voor beroepen in het onderwijs?
In het Algemeen Overleg van 28 oktober 2004 hebben de Vaste Commissie
voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik overeenstemming bereikt over de
samenstelling van het Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs. De conclusies
van dit overleg heb ik vastgelegd in de brief van 2 november 2004, kenmerk
AP/OKP/2004/52008 (Kamerstuk 2004–2005, 27 923, nr. 17), gericht
aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Aansluitend zijn
de daarvoor in aanmerking komende organisaties gevraagd voordrachten te doen
voor kandidaat-leden van het Landelijk Platform. Uit deze voordrachten heb
ik in februari 2005 een keuze gemaakt. Op 29 maart 2005 heb ik het Landelijk
Platform geïnstalleerd.
5
Hoe komt het dat de afrekening van de vergoeding over
voorgaande jaren voor het contract inzake het openbaar vervoer in 2005 1,7
miljoen Euro hoger uitviel dan begroot?
De meest recente raming van de afrekening van de vergoeding over 2004
is in 2005 bepaald op basis van onder andere de verwachte geïndexeerde
openbaar vervoerprijs over dat 2004. De werkelijke geïndexeerde prijzen
2004 bleken bij de eindafrekening over 2004 met de OV-bedrijven echter iets
hoger te liggen, waardoor een verschil in de afrekening van € 1,7
miljoen ontstaat.
XNoot
1Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), Lambrechts (D66), Hamer (PvdA),
Van Bommel (SP), Mosterd (CDA), Blok (VVD), Balemans (VVD), Slob (CU), Vergeer
(SP), Tichelaar (PvdA), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok
(CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Eski (CDA), Aptroot (VVD), voorzitter,
Smeets (PvdA), ondervoorzitter, Eijsink (PvdA), Leerdam (PvdA), Van Miltenburg
(VVD), Kraneveldt (LPF), Hermans (LPF), Van Dam (PvdA), Visser (VVD), Azough
(GL), Roefs (PvdA) en Jungbluth (GL).
Plv. leden: Ferrier (CDA), Bakker (D66), Bussemaker (PvdA), Vacature (SP),
Brinkel (CDA), Vacature (algemeen), Örgü (VVD), Van der Vlies (SGP),
Kant (SP), Dijksma (PvdA), Hessels (CDA), Sterk (CDA), Atsma (CDA), Van Bochove
(CDA), Van Hijum (CDA), Van Aartsen (VVD), Verbeet (PvdA), Arib (PvdA), Stuurman
(PvdA), De Krom (VVD), Varela (LPF), Herben (LPF), Meijer (PvdA), Nijs (VVD),
Halsema (GL), Kalsbeek (PvdA) en Vendrik (GL).