30 549
Raming der voor de Tweede Kamer in 2007 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten

nr. 13
BRIEF VAN HET PRESIDIUM

Aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 november 2006

Op 13 september jl. heeft het Presidium in een bijzondere Presidiumbijeenkomst stilgestaan bij de werkwijze en het functioneren van het Presidium. Aanleiding hiertoe waren enkele gebeurtenissen in het afgelopen half jaar waarbij (besluiten van) het Presidium tot publieke discussie leidden. Het Presidium heeft hierbij ook de aangehouden motie Spies/Van Beek (Kamerstuk 30 549, nr. 7)1 betrokken. De bevindingen van het Presidium treft u hierbij aan.

Het Presidium is van mening dat vertrouwen en collegiaal bestuur voorop dienen te staan. Alleen op deze wijze kan het Presidium zijn kerntaak uitvoeren, te weten het algemeen belang van de Kamer dienen (deugdelijke begroting en besteding van middelen, deugdelijk toezicht op Griffier en MT, deugdelijke voorstellen met betrekking tot staatsrechtelijke, procedurele en rechtspositionele kwesties). Het Presidium heeft tijdens de eerder genoemde bijzondere Presidiumbijeenkomst geconstateerd dat het Presidium ook te maken heeft gekregen met veranderingen in de cultuur van de politiek waardoor het Presidium meer in de open(baarheid) zijn werk is gaan doen. Deze ontwikkeling heeft ook geleid tot een sterker beroep op samenwerking en consensus. Voorts is het naar de mening van het Presidium noodzakelijk dat de besluitvorming in het Presidium recht doet aan de verhoudingen in de Kamer, zodat er ook een zo groot mogelijk draagvlak in de Kamer is voor deze besluiten. In dit verband merkt het Presidium op dat sinds de tachtiger jaren van de vorige eeuw fractiesecretarissen lid zijn van het Presidium.

Om slagvaardig en transparant deze kerntaak te kunnen uitvoeren wil het Presidium de volgende aanbevelingen onder uw aandacht brengen, te weten:

– om te streven om de omvang van het Presidium te verkleinen, bijvoorbeeld door deze te beperken tot maximaal één lid per fractie (met uitzondering van de fractie van de Voorzitter) en waar mogelijk kleine fracties te bundelen;

– om de plaatsvervangende leden te handhaven;

– om heldere kaders te scheppen waarbinnen de autonomie van de Kamercommissies gewaarborgd is;

– om de toezichthoudende functie van het Presidium op het ambtelijk apparaat meer inhoud te geven;

– om de agenda en de besluitenlijst niet alleen op intranet maar ook op internet openbaar te maken;

– om de adviescommissies van het Presidium (zoals BBC, STOI en GAA) onder voorzitterschap van een lid van het Presidium in te stellen voor een bepaalde termijn maar niet langer dan de parlementaire zittingsperiode en om

– deze commissies een duidelijk omlijnde taak, waaronder een (periodieke) evaluatie, heldere bevoegdheden en het recht om gevraagd en ongevraagd het Presidium te adviseren, te geven.

Uitgaande van deze aanbevelingen is het Presidium geen voorstander van het, zoals bij de verkiezing van de Voorzitter, benoemen van de leden van het Presidium via een «openbare» verkiezing . Dat geldt ook voor de suggestie om portefeuillehouders in te stellen. Ter toelichting zij opgemerkt dat de Voorzitter het enige lid van het Presidium is die is vrijgesteld voor Presidiumtaken. Presidium en Managementteam zien wel mogelijkheden om een sterker accent te leggen op de voorbereiding van de Presidiumvergaderingen en de besluitvorming van het Presidium zoals bijvoorbeeld het eerder informeren en toezenden van stukken en het ten volle benutten van de bestaande mogelijkheden, zoals vroegtijdige beraadslagingen over (de uit te zetten koers van) de Raming van de Kamer, zodat het Presidium zijn toezichthoudende functie op de werkorganisatie naar behoren kan verrichten.

Het is naar de mening van het Presidium meer een zaak van cultuur dan van structuur. Juist vanwege de eerder genoemde noodzaak om een zo groot mogelijk draagvlak in de fracties te creëren dienen collegiaal besturen en de verandering van een meer open en transparante werkwijze waardoor ook de rol van het Presidium naar de Kamer verduidelijkt wordt, voorop te staan.

Het Presidium meent dat hiermee afdoende is ingegaan op de eerder genoemde aangehouden motie Spies/Van Beek en dat gelet op deze zelfevaluatie er geen behoefte bestaat aan de instelling van een (deels) externe commissie.

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

F. W. Weisglas

De Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

J. E. Biesheuvel-Vermeijden


XNoot
1

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat het voor het goed functioneren van het Presidium wenselijk is, dit functioneren van tijd tot tijd te evalueren;

overwegende, dat het van belang is om daarbij naast de huidige totstandkoming, samenstelling en werkwijze ook alternatieven te betrekken;

overwegende, dat tot die alternatieven in elk geval zou moeten behoren een andere wijze van totstandkoming, een Presidium met minder leden en/of een presidium waarin de leden bepaalde portefeuilles beheren;

verzoekt het Presidium op korte termijn een dergelijke evaluatie te laten uitvoeren onder verantwoordelijkheid van een speciaal daartoe in te stellen commissie die niet uit louter leden van het Presidium bestaat en die voor 1 januari 2007 over haar bevindingen rapporteert.

Naar boven