nr. 11
NADERE TOELICHTING
Tijdens de behandeling van de Raming van de Tweede Kamer voor 2007 is
toegezegd terug te komen op de vraag van het lid Van Beek of de huidige stand
van de uitgaven wellicht de mogelijkheid biedt hieruit een deel van de Voorjaarsnotavoorstellen
voor 2006 te financieren in plaats van de begroting te verhogen en, in samenhang
hiermee, in het laatste geval of de begroting ook volledig wordt uitgeput.
In antwoord daarop kan het volgende worden opgemerkt.
Een groot deel van de uitgaven ten laste van de begroting van de Kamer
ligt op voorhand als volgt vast:
| Hoedanigheid | aard |
|---|
| Personele uitgaven | schadeloosstellingen, wachtgelden &
pensioenen en salarissen |
| Materiële uitgaven | energie & water, (onderhouds)contracten,
vervangingsplannen |
| Overige | fractieondersteuning |
In de afgelopen jaren was binnen artikel 2 sprake van een zekere mate
van onderputting binnen het budget voor schadeloosstelling. Maar deze is,
op grond van de voorstellen van de werkgroep Heroriëntatie ondersteuning
fracties (WHOF), toegevoegd aan zowel de fractieondersteuning als het onderzoeksbudget.
Ofschoon binnen artikel 3 de personele apparaatsuitgaven de afgelopen
jaren het budgettaire kader niet overschreden, is de ruimte nochtans beperkt.
Extrapolatie van de uitgaven tot heden doet vermoeden dat het beeld voor 2006
hier niet significant van afwijkt.
Zowel de omvang als de planning van de materiële uitgaven zijn vastgelegd
in vooraf door het Managementteam vastgestelde jaarplannen. De enige onderdelen
binnen artikel 3 waarvoor dat (nog) niet geldt zijn het onderzoeksbudget (€ 1,011
mln) en het reisbudget voor uitzending van leden (€ 0,412 mln).
Het deel van het materiële budget dat niet is gebonden uit hoofde
van de levering van energie & water, dan wel (onderhouds)contracten en vervangingsplannen, houdt over het algemeen verband met projectmatige
activiteiten. Als zodanig bieden deze ook weinig flexibiliteit in het budget
want indien de uitvoering van voorgenomen projecten verschuift naar een later
jaar, moet ook het in het aanvankelijke jaar beschikbare budget worden overgeheveld
naar een later jaar.
Tenslotte kan, met betrekking tot de hiervoor gememoreerde, planning van
de uitgaven nog worden opgemerkt dat een aanzienlijk deel van de projectmatige
uitgaven niet gelijkmatig over het jaar is verspreid. In dit verband kan als
voorbeeld worden gewezen op activiteiten onder regie van de Facilitaire Dienst,
die zijn gepland gedurende het zomerreces.
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
Weisglas
De Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
Biesheuvel-Vermeijden