30 549
Raming der voor de Tweede Kamer in 2007 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten

nr. 11
NADERE TOELICHTING

Vastgesteld 27 juni 2006

Tijdens de behandeling van de Raming van de Tweede Kamer voor 2007 is toegezegd terug te komen op de vraag van het lid Van Beek of de huidige stand van de uitgaven wellicht de mogelijkheid biedt hieruit een deel van de Voorjaarsnotavoorstellen voor 2006 te financieren in plaats van de begroting te verhogen en, in samenhang hiermee, in het laatste geval of de begroting ook volledig wordt uitgeput. In antwoord daarop kan het volgende worden opgemerkt.

Een groot deel van de uitgaven ten laste van de begroting van de Kamer ligt op voorhand als volgt vast:

Hoedanigheidaard
Personele uitgavenschadeloosstellingen, wachtgelden & pensioenen en salarissen
Materiële uitgavenenergie & water, (onderhouds)contracten, vervangingsplannen
Overigefractieondersteuning

In de afgelopen jaren was binnen artikel 2 sprake van een zekere mate van onderputting binnen het budget voor schadeloosstelling. Maar deze is, op grond van de voorstellen van de werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties (WHOF), toegevoegd aan zowel de fractieondersteuning als het onderzoeksbudget.

Ofschoon binnen artikel 3 de personele apparaatsuitgaven de afgelopen jaren het budgettaire kader niet overschreden, is de ruimte nochtans beperkt. Extrapolatie van de uitgaven tot heden doet vermoeden dat het beeld voor 2006 hier niet significant van afwijkt.

Zowel de omvang als de planning van de materiële uitgaven zijn vastgelegd in vooraf door het Managementteam vastgestelde jaarplannen. De enige onderdelen binnen artikel 3 waarvoor dat (nog) niet geldt zijn het onderzoeksbudget (€ 1,011 mln) en het reisbudget voor uitzending van leden (€ 0,412 mln).

Het deel van het materiële budget dat niet is gebonden uit hoofde van de levering van energie & water, dan wel (onderhouds)contracten en vervangingsplannen, houdt over het algemeen verband met projectmatige activiteiten. Als zodanig bieden deze ook weinig flexibiliteit in het budget want indien de uitvoering van voorgenomen projecten verschuift naar een later jaar, moet ook het in het aanvankelijke jaar beschikbare budget worden overgeheveld naar een later jaar.

Tenslotte kan, met betrekking tot de hiervoor gememoreerde, planning van de uitgaven nog worden opgemerkt dat een aanzienlijk deel van de projectmatige uitgaven niet gelijkmatig over het jaar is verspreid. In dit verband kan als voorbeeld worden gewezen op activiteiten onder regie van de Facilitaire Dienst, die zijn gepland gedurende het zomerreces.

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,

Weisglas

De Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,

Biesheuvel-Vermeijden

Naar boven