Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201030545 nr. 88

30 545 Uitvoering Wet Werk en Bijstand

Nr. 88 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2010

Op 28 maart 2008 is de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met het openstellen van de mogelijkheid van het verlenen van bijzondere bijstand aan bepaalde groepen personen die gedwongen zijn opgenomen of worden verpleegd (hierna: Wet bijzondere bijstand bij dwangopname1) in werking getreden. Tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in uw Kamer heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd om twee jaar na inwerkingtreding van de wet de effecten hiervan in een «doorkijkje» (hierna: onderzoek) te bezien. Hierbij doe ik deze toezegging gestand.

Het onderzoek is uitgevoerd door de Inspectie Werk en Inkomen (hierna: IWI) en op 25 februari jl. aan mij aangeboden.2

De volgende twee vragen stonden in het onderzoek van IWI centraal:

  • 1. Hoe geven gemeenten invulling aan het beleid met betrekking tot de uitvoering van de wet bijzondere bijstand bij dwangopname.

  • 2. Draagt de bij de Wet bijzondere bijstand bij dwangopname geïntroduceerde mogelijkheid tot bijzondere bijstandsverlening bij aan het voorkomen van dakloosheid, het niet verzekerd zijn tegen ziektekosten en aan het kunnen voldoen van persoonlijke uitgaven voor personen die gedwongen worden opgenomen of worden verpleegd in een psychiatrisch ziekenhuis, instelling voor verstandelijke gehandicapten, verpleeg-/verzorgingstehuis of TBS-inrichting.

Het onderzoek door IWI is een indicatief onderzoek geweest waarbij 24 gemeenten en 18 instellingen in de zin van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen waren betrokken. Hierna zal eerst aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek worden ingegaan op de beantwoording van de twee centrale vragen. Daarna worden nog enige andere uitkomsten van het onderzoek besproken. Ten slotte volgt de conclusie.

1. Invulling gemeentelijk beleid

Aan de gemeenten is de vraag gesteld of ze beleid hebben vastgelegd voor het verlenen van bijstand bij gedwongen opname. Van de ondervraagde gemeenten heeft 60% te kennen gegeven inderdaad beleid te hebben opgesteld voor deze gevallen.

Uit het onderzoek blijkt dat de gemeenten die beleid hebben vastgelegd geen onderscheid maken tussen gedwongen opname en vrijwillige opname. Dit heeft tot gevolg dat deze gemeenten bij dwangopname de hoogte van de bijstand voor kleine persoonlijke uitgaven en de premie voor de ziektekostenverzekering niet individueel bepalen maar hiervoor bijstand verlenen naar de norm zak- en kleedgeld bij vrijwillige opname. De helft van deze gemeenten doen dit bovendien in de vorm van algemene in plaats van bijzondere bijstand.

Daarnaast wordt uit praktische overwegingen deze algemene bijstand door een aantal gemeenten één tot twee maanden na opname doorbetaald naar de vóór de opname van toepassing zijnde norm.

Bijstand voor doorbetaling van de vaste lasten in verband met het aanhouden van de woning wordt door alle gemeenten die beleid hebben vastgelegd (60%) wel altijd verleend in de vorm van bijzondere bijstand.

Veertig procent van de gemeenten heeft geen specifiek beleid geformuleerd ingeval van dwangopname. In hun beleid stemmen zij de bijstand zowel qua hoogte als qua duur af op de individuele situatie (toepassing van het maatwerkprincipe).

Vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet is bij 40 procent van de gemeenten geen enkele aanvraag ingediend voor bijstand in verband met een gedwongen opname, althans voor zover deze gemeenten dat uit hun administratie kunnen herkennen. Het betreft meestal kleinere gemeenten.

2. Bijdrage aan voorkomen dakloosheid en onverzekerd zijn

De inschatting van de ondervraagde gemeenten en instellingen is dat de mensen waarvoor de wet bedoeld is, krijgen waar ze recht op hebben. De kans op niet-gebruik is klein door de goede samenwerking tussen gemeenten en instellingen en het feit dat instellingen belang hebben bij de verstrekking van de bijzondere bijstand bij gedwongen opnames.

Verder kunnen instellingen en gemeenten niet met zekerheid aangeven dat het nooit voorkomt dat een persoon die wordt opgenomen, gedwongen is om zijn huis te verkopen of de huur op te zeggen tijdens zijn opnameperiode. Dit omdat hiervan geen administratie wordt bijgehouden, wat overigens ook niet vereist is.

3. Overige bevindingen

Woonplaats

Iemand heeft recht op bijstand tegenover de gemeente waar hij woonplaats heeft. Waar iemand woonplaats heeft wordt beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden. In het geval van gedwongen opname zal het meestal zo zijn dat de bijstandsgerechtigde nog steeds zijn woonplaats heeft in de gemeente waar zijn woning staat. Uit het onderzoek is dan ook gebleken dat de gemeenten met een instelling niet van mening zijn dat zij onevenredig meer bijzondere bijstand betalen dan gemeenten zonder een instelling.

Toegankelijkheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Over het algemeen zijn de gemeenten die een aanvraag voor bijzondere bijstand in verband met gedwongen opname hebben ontvangen en de instellingen positief over de toegankelijkheid en de uitvoerbaarheid van de wet. Door gemeenten en instellingen wordt aangegeven dat hieraan bijzonder wordt bijgedragen door de goede samenwerking tussen de verschillende partijen. Bij de uitvoerbaarheid van de wet wordt de kanttekening gemaakt dat omwille van de uitvoerbaarheid de bijstand voor de ziektekosten naar de norm van zak- en kleedgeld van artikel 23 WWB wordt verstrekt. Over de handhaafbaarheid van de wet zijn de meeste gemeenten tevreden. Enkele gemeenten merken op dat instellingen niet altijd tijdig doorgeven dat iemand ontslagen is uit een inrichting waardoor te lang bijstand wordt verstrekt.

4. Conclusie

Ik ben tevreden met de uitkomst uit het onderzoek dat de effecten van de Wet bijzondere bijstand bij dwangopname overeenkomen met het beoogde doel van die wet. De mensen die behoren tot de doelgroep van de wet krijgen die bijstand waar ze recht op hebben. Hierdoor wordt het risico dat ze onverzekerd raken voor hun ziektekosten of dat ze dakloos worden in sterke mate beperkt. Dit is te meer van belang aangezien het een kwetsbare groep betreft. Verder is het goed te constateren dat gemeenten en instellingen positief zijn over de toegankelijkheid en de uitvoerbaarheid van de wet.

Gelet op de kwetsbaarheid van de doelgroep vind ik het belangrijk dat gemeenten rekening houden met de individuele omstandigheden van de belanghebbende om zodoende maatwerk te kunnen verlenen. Gemeenten die beleid hebben geformuleerd bepalen de hoogte van de bijstand bij gedwongen opnamen voor kleine persoonlijke uitgaven en de premie voor ziektekostenverzekering naar de normen van artikel 23 WWB. Deze gemeenten maken dus geen onderscheid tussen mensen die gedwongen worden opgenomen en mensen die vrijwillig worden opgenomen. Ik heb echter geen aanleiding te veronderstellen dat het met de bijzondere bijstand beoogde maatwerk door deze benadering niet tot zijn recht komt. Het is in het kader van de bijzondere bijstandsverlening namelijk goed mogelijk maatwerkondersteuning te verlenen waarbij gebruik wordt gemaakt van groepskenmerken3. Gemeenten kunnen daarbij beleidsregels opstellen die betrekking hebben op kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het feit dat de belanghebbende tot een bepaalde specifieke groep personen behoort. In dat kader kunnen gemeenten ervoor kiezen om personen die gedwongen of vrijwillig zijn opgenomen als een specifieke groep aan te merken. Dit omdat de kosten die voortvloeien uit het feit dat een persoon gedwongen opgenomen is niet veel zullen verschillen van de kosten die voortvloeien uit de omstandigheid dat een persoon vrijwillig opgenomen is.

Uit de invulling van het gemeentelijk beleid komt naar voren dat in een aantal gemeenten sprake is van een niet-juiste wetsuitvoering. Dit heeft betrekking op het feit dat sommige gemeenten de bijstand deels verstrekken als algemene bijstand in plaats van de in artikel 13 WWB voorgeschreven bijzondere bijstand en dat deze algemene bijstand door een aantal gemeenten gedurende één tot twee maanden na opname wordt doorbetaald naar de vóór de opname van toepassing zijnde norm van alleenstaande (ouder) of gezin.

Het bovenstaande geeft mij geen aanleiding om gemeenten een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 76, derde lid, van de WWB. Omdat dit wel ongewenste effecten heeft in het kader van de bekostiging zal ik gemeenten in het algemeen wijzen op het feit dat het belangrijk is dat zij te verlenen bijstand ingeval van dwangopname uitsluitend verstrekken en administreren als bijzondere bijstand. Voorkomen moet worden dat de bijzondere bijstand ingeval van dwangopnamen, waarvoor een bedrag van € 3 miljoen structureel aan de algemene uitkering van het gemeentefonds is toegevoegd, als algemene bijstand verantwoord wordt aan het Rijk.

Ter voorkoming daarvan zal ik gemeenten in de Verzamelbrief wijzen op het feit dat ze de bijstand voor personen die gedwongen zijn opgenomen, uitsluitend dienen te verlenen in de vorm van bijzondere bijstand.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

J. P. H. Donner


XNoot
1

Kamerstukken II 2006/07 31 138.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
3

Zie ook Kamerstukken II 30 800 XV, 2006/07, nr. 7, p. 1–3.