30 541
Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de beëindiging van de bekostigingsrelatie tussen de agrarische innovatie- en praktijkcentra en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 11 juli 2006

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de opmerkingen en vragen van de fracties van het CDA en de VVD in het verslag van 14 juni 2006.

Bij de beantwoording van de vragen wordt zoveel mogelijk de volgorde van de indeling van het verslag aangehouden.

Deze nota gaat vergezeld van een nota van wijziging, in verband met redactionele en wetstechnische verbeteringen.

1. Beleidsachtergronden

De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom de gedeeltelijke vraagsturing bij het praktijkleren, zoals die in de praktijk functioneert, niet voldoet voor de toekomst.

De huidige mengvorm van instellingsfinanciering en vraagsturing biedt onvoldoende prikkel om het aanbod optimaal te laten aansluiten bij de vraag naar praktijkleren, die door onderwijskundige ontwikkelingen ook steeds diverser wordt (zie het antwoord op uw vraag over de competentiegerichte kwalificatiestructuur). Hierdoor ontstaat het risico dat onrendabele voorzieningen in stand worden gehouden, hetgeen niet bijdraagt aan een doelmatige inzet van financiële middelen die LNV voor het praktijkleren beschikbaar stelt.

2. Huidige en toekomstige situatie

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of de onderwijsaanbieders zoals de AOC’s, het hoger agrarisch onderwijs (HAO’s) en de WUR, achter de beleidswijzigingen staan die met dit wetsvoorstel worden beoogd.

Alle onderwijsinstellingen, evenals de Sectoradviescommissie HAO en de AOC-raad zijn geconsulteerd over de beleidswijzigingen die met dit wetsvoorstel worden beoogd. Vervolgens is ook het wetsvoorstel voor commentaar voorgelegd. Het volgende commentaar is ontvangen. Het Wellantcollege en de AOC-raad onderschrijven het doel van het wetsvoorstel. Wageningen Universiteit en de Vereniging Buitengewoon Groen (scholengemeenschappen) hebben in de consultatieronde aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgestelde beleidswijziging.

De Aeresgroep is niet van oordeel dat vraagsturing op de markt zal leiden tot een doelmatiger gebruik van overheidsmiddelen. De Sectoradviescommissie HAO heeft aangegeven zich aan te sluiten bij het commentaar van de Aeresgroep. Een uiteenzetting van de commentaren is opgenomen in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of het bedrijfsleven is betrokken bij de beleidswijzigingen die met dit wetsvoorstel zijn beoogd. Zij hebben dezelfde vraag met betrekking tot het kenniscentrum voor de landbouw, Aequor.

De betrokkenheid van het bedrijfsleven en Aequor bij de programmering van praktijkleren in het groene onderwijs acht ik van groot belang. Daarom heb ik ervoor gekozen het bedrijfsleven en Aequor te betrekken bij de daadwerkelijke articulatie van de vraag naar praktijkleren door de instellingen.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd wat studenten in de praktijk zullen merken van dit voorstel. Daarbij vragen zij zich met name af of de keuzemogelijkheden en keuzevrijheden van studenten door dit wetsvoorstel worden vergroot.

Het competentiegerichte onderwijs maakt het steeds meer noodzakelijk dat per leerling/student maatwerk wordt geboden. Een aanbod van praktijkinstructie op IPC’s dat tamelijk los staat van het curriculum past hier steeds minder in. De aanbieders van praktijkleren zullen naar de school en de beroepspraktijkvorming (bpv)/stageplek toe moeten komen om gerichte ondersteuning te bieden. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt door de invoering van vraagsturing bij te dragen aan deze flexibilisering van het aanbod voor specifieke opleidingen. Dit zal bijdragen aan grotere mogelijkheden voor de student om te kiezen voor een specifieke invulling van bpv/stage.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd wat de positie van de IPC’s is in deze beleidswijziging. De leden van de CDA-fractie stellen hierbij de vraag of de regering ervan overtuigd is dat de IPC’s door hun innovatieve kracht en door het flankerend beleid dat geboden wordt hun positie in de markt in de nieuwe situatie kunnen behouden.

IPC Groene Ruimte heeft met haar trainingsactiviteiten op het gebied van bosbouw en beheer van de groene ruimte een sterke marktpositie. De financiële positie van deze organisatie is bovendien uitstekend. Deze organisatie heeft altijd aangegeven graag zo snel mogelijk als vrije partij, buiten de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), te willen opereren op de markt. Met IPC Groene Ruimte is in 2003 een overeenkomst gesloten over de beëindiging van de bekostigingsrelatie met LNV. Onderdeel hiervan is een budget voor flankerend beleid van € 7,5 mln.

PTC+ heeft eerder twijfels geuit over het uittreden uit de WEB, maar werkt thans volledig en constructief mee aan de vervolgstappen. De aard van de activiteiten van PTC+, vooral productielandbouw (veehouderij, akkerbouw, tuinbouw), brengt een zwakkere marktpositie met zich mee. Toch is deze organisatie erin geslaagd door reorganisaties en heroriëntatie op nieuwe taken slechte financiële resultaten (2002–2004) om te buigen in een opwaartse trend. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de voortgaande heroriëntatie een gezonde basis zal vormen voor de toekomst. De flankerende maatregelen ondersteunen de overgang naar de nieuwe positie voor deze organisaties. Het vierjarige overgangsbudget zal de schommelingen in de vraag verminderen.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of het internationale onderwijs bij de IPC’s in het gedrang komt.

Ik heb het voornemen het beschikbare budget voor internationaal onderwijs (zoals thans door PTC+ verzorgd) programmagestuurd in te zetten. Ik verken op dit moment de modaliteiten voor internationale praktijkinstructie in de land- en tuinbouw in het kader van het beleid voor ontwikkelingssamenwerking. In de overgangsperiode kan het overgangsbudget van de IPC’s worden aangewend voor door mij aan te wijzen onderwijsactiviteiten. Ik zal hierbij ook activiteiten op het gebied van internationaal onderwijs aanwijzen.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het gehele budget, dat voor praktijkinnovatie wordt uitgegeven door het ministerie van LNV, in de toekomst beschikbaar is voor het praktijkonderwijs in de «LNV-kolom».

Het budget voor vakdepartementaal beleid, waar het budget voor praktijkleren deel van uitmaakt, zal in beginsel de komende jaren in stand blijven. Het budget voor praktijkleren zal in de overgangsperiode tevens benut worden voor de bekostiging van het flankerende beleid.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of het budget, dat in de toekomst beschikbaar is voor het praktijkonderwijs, extra middelen zijn voor beroepspraktijkvorming, boven op de reguliere middelen voor beroepspraktijkvorming die net als bij het reguliere «OCW-onderwijs» ook voor landbouwonderwijs beschikbaar zijn.

Het gaat deels om reguliere bekostiging en deels om extra middelen. De bijzondere leeromstandigheden in het groene onderwijs maken de inzet van deze extra middelen noodzakelijk. Stages zijn vanwege bedrijfsrisico’s soms niet mogelijk. Het groene onderwijs is kleinschalig, verspreid over het land en sterk praktijkgericht. Aangezien de sector erg innovatief en kapitaalsintensief is, vereist praktijkleren grootschalige investeringen, specifieke deskundigheid en soms specifieke locaties.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of er nader kan worden ingegaan op de rol van de Groene Kenniscoöperatie bij de inzet van middelen voor praktijkonderwijs via het ministerie van LNV.

Op 20 juni jl. heb ik afspraken gemaakt met de Groene Kenniscoöperatie over een beleidsprogramma Groene Kennisverspreiding 2006–2010. Dit programma beoogt het publieke groene kennissysteem te revitaliseren met het oog op een adequate ondersteuning van het LNV-beleid en de ambities van het kabinet met betrekking tot de kenniseconomie. Instellingen zullen worden gestimuleerd en waar nodig gefaciliteerd om met name in hun regio arrangementen voor kennis en innovatie te ontwikkelen met relevante actoren (m.n. bedrijven, andere kennisinstellingen) in hun directe omgeving.

Onderdeel van deze afspraken is een advies over de noodzakelijke organisatie en financiering van praktijkleervoorzieningen voor 2007 en verder. Ik wil bevorderen dat de groene onderwijsinstellingen komen tot een samenhangend programma voor praktijkleren in de land- en tuinbouw en tot onderlinge afspraken over de aanbesteding daarvan, zodat een efficiënte inzet van de middelen gewaarborgd is. De Groene Kenniscoöperatie vervult alleen een adviserende rol bij de inzet van de middelen voor praktijkleren. De subsidie voor de individuele instellingen zal door mij worden vastgesteld.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of met beide IPC’s een overeenkomst is gesloten over beëindiging van de directe bekostigingsrelatie.

Met IPC Groene Ruimte is eind 2003 een overeenkomst gesloten. Met PTC+ zijn de onderhandelingen in een vergevorderd stadium.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd vanaf welk moment de IPC’s konden weten dat dit beleid van vraagsturing en keuzevrijheid voor de onderwijsinstellingen zou worden ingevoerd.

Vanaf 1997 is door LNV overleg gevoerd met de IPC’s over de uitwerking van het besluit over te gaan op vraagsturing. Vanaf dat moment was de invoering van volledige vraagsturing derhalve bekend.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of de regering van mening is dat het invoeren van een competentiegerichte kwalificatiestructuur van invloed is op de plaats van praktijkleren binnen of buiten de IPC’s.

Ten gevolge van de invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur wordt praktijkleren steeds meer ingezet ter ondersteuning van de beroepspraktijkvorming op een leerbedrijf. Er is behoefte aan een flexibel, innovatief en gedifferentieerd aanbod van praktijkleerarrangementen dat aansluit bij de steeds heterogenere vraag van scholen, waarin individueel te verwerven competenties en de aansluiting bij de beroepspraktijk voorop staan. Deze vraag naar maatwerk en aansluiting bij de praktijk en het curriculum brengt met zich mee dat IPC’s hun diensten steeds meer ter plekke zullen moeten aanbieden.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd wat de reden is dat de Aeresgroep zegt dat er signalen zijn dat marktpartijen de concurrentie van IPC’s niet zullen accepteren.

Over het niet accepteren door marktpartijen van de concurrentie van de IPC’s hebben mij geen signalen bereikt. Daarvoor bestaat ook geen aanleiding omdat er geen sprake zal zijn van oneigenlijke concurrentie. Voor alle marktpartijen gelden immers dezelfde regels.

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd of het IPC en het PTC+ gelijkwaardig zijn behandeld als het gaat om privatisering. Zij vragen daarbij aan te geven of er bij het PTC+ een aantal zaken wel rechtstreeks bekostigd blijven en of het IPC hierdoor in een nadelige positie komt.

Bij de beëindiging van de wettelijke status en de directe bekostiging door LNV worden beide IPC’s gelijkwaardig behandeld. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen bij geen van beide IPC’s activiteiten rechtstreeks bekostigd worden. Alle aan deze organisaties door Rijk en onderwijsinstellingen te verlenen opdrachten zullen moeten voldoen aan de regels voor aanbesteding.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of er voldoende flankerend beleid is om het instandhouden van een unieke kennis en infrastructuur, de primaire kwetsbare sectoren, de internationale studenten en het faciliteren van een intensivering van de samenwerking tussen regulier onderwijs en praktijkleren te bereiken. Daarbij vragen deze leden hoe reëel de regering de door de Aeresgroep en PTC+ uitgesproken vrees acht, dat de door hen genoemde onderdelen in de problemen komen.

De kwetsbaarheid van de genoemde sectoren en aandachtsgebieden wordt door mij onderkend. Ik heb dan ook het voornemen een deel van het beschikbare budget te oormerken voor praktijkleren in de land- en tuinbouw. Ik kan zelf overgaan tot aanbesteding van activiteiten op het gebied van praktijkleren, indien de beoogde samenwerking tussen de groene onderwijsinstellingen (binnen de Groene Kenniscoöperatie) niet zal leiden tot een gemeenschappelijk bovenschools programma voor de genoemde sectoren. Gedurende de overgangsperiode van vier jaar zullen voldoende flankerende middelen beschikbaar worden gesteld voor de overgang naar de nieuwe situatie.

Voor de positie van de internationale studenten verwijs ik naar het antwoord op de eerdere vraag van de CDA-fractie over dit onderwerp.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd om een uitvoerige reactie op de verschillende elementen uit het Position Paper van IPC Groene Ruimte.

Gelijkheidsbeginsel

Uitgangspunt bij de beëindiging van de wettelijke status en de bekostigingsrelatie is inderdaad dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Aangezien beide organisaties erg van elkaar verschillen, bijvoorbeeld in activiteiten (verschillende sectoren), omvang (PTC+ is veel groter dan IPC Groene Ruimte) en organisatiestructuur, kan gelijkwaardige behandeling leiden tot verschillende uitkomsten.

Op basis van door de IPC’s zelf opgestelde businessplannen is bepaald welke personele kosten de nieuwe positie met zich zal meebrengen. Hierover is in 2003 een overeenkomst gesloten met IPC Groene Ruimte. Onderdeel van deze overeenkomst was eveneens het intrekken van de door IPC Groene Ruimte ingediende bezwaarschriften tegen de bekostiging. Hiermee is bij de vaststelling van het uiteindelijke bedrag van € 3 miljoen voor personele kosten rekening gehouden.

Met PTC+ is in september 2005 een schikking getroffen naar aanleiding van de lopende bezwaarschriften tegen de bekostiging. De schikking betrof € 2 mln. Bij de overige uitgekeerde bedragen ging het om nabetalingen van bedragen die nog verschuldigd waren voor geleverde prestaties op het gebied van praktijkleren en niet om een schikking.

Op dit moment zijn de gesprekken met PTC+ over een overeenkomst in een vergevorderd stadium. Uitgangspunt is ook hier welke personele kosten de nieuwe positie met zich mee zal brengen. De getroffen schikking over de lopende bezwaarschriften van PTC+ zal bij deze overeenkomst worden betrokken.

Zoals hierboven reeds in antwoord op een vraag van de VVD-fractie is uiteengezet, zal er geen sprake zijn van concurrentievervalsing door rechtstreekse bekostiging van PTC+. Bij de aanbesteding van opdrachten zal ook IPC Groene Ruimte kunnen meedingen. Overigens is er op dit moment slechts in zeer beperkte mate sprake van overlap in de activiteiten van beide organisaties.

Verschillen tussen de met IPC Groene Ruimte gesloten overeenkomst en het wetsvoorstel

De vrij globale bepalingen van de overeenkomst met IPC Groene Ruimte zijn niet strijdig met het wetsvoorstel. In het wetsvoorstel is een aantal bepalingen opgenomen die gangbaar zijn bij de aanwending en verantwoording van overheidsmiddelen. Zo is in het wetsvoorstel voorgeschreven dat het overgangsbudget dient te worden aangewend voor door de minister aan te wijzen onderwijsactiviteiten die kosteloos aan de groene onderwijsinstellingen worden aangeboden. Met IPC Groene Ruimte is afgestemd dat alleen onderwijsactiviteiten zullen worden aangewezen die nu nog op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs bekostigd worden. Daarnaast is in het wetsvoorstel bepaald dat in geval van overcompensatie het teveel aan uitgekeerde flankerende middelen moet worden terugbetaald. Tot slot bepaalt het wetsvoorstel in aanvulling op de overeenkomst dat uit de jaarrekening moet blijken dat er sprake is van een rechtmatige aanwending van de flankerende middelen. Ik zie in de bepalingen van het wetsvoorstel geen reden om de gesloten overeenkomst ter discussie te stellen, aangezien de nadere bepalingen niet strijdig zijn met de overeenkomst.

Veranderen van de spelregels tijdens het spel

Er is vanaf het moment van sluiten van de overeenkomst met IPC Groene Ruimte eind 2003 geen sprake geweest van beleidswijzigingen, maar van een nadere invulling van de ingezette beleidslijn. Bij deze nadere invulling is IPC Groene Ruimte steeds nauw betrokken geweest.

De latere datum van beëindiging van de wettelijke status en directe bekostiging is niet nadelig geweest voor IPC Groene Ruimte. Deze organisatie heeft zich hierdoor langer op de nieuwe situatie kunnen voorbereiden. De bekostiging was in deze periode gegarandeerd en IPC Groene Ruimte heeft aanvullend ook reeds drie keer een tegemoetkoming ontvangen voor de personele kosten (tezamen € 2 mln., € 1 mln. volgt nog in 2007 en 2008). In deze periode heeft de organisatie geen risico’s gelopen. Dit blijkt ook uit de uitstekende financiële positie.

Als tegemoetkoming voor de onzekerheid over de vraag in de overgangsperiode wordt aan IPC Groene Ruimte een overgangsbudget van € 4,5 mln. ter beschikking gesteld.

Uiteraard gelden bij invoering van vraagsturing en marktwerking de regels voor (Europese) aanbesteding.

Werkgelegenheid en continuïteit

Zoals hierboven reeds aangegeven, is geen sprake van beleidswijzigingen die de continuïteit van en werkgelegenheid bij IPC Groene Ruimte in gevaar brengen. Ook de jaarcijfers van deze organisatie geven hiervoor geen enkele aanleiding.

Overige kritiek op de memorie van toelichting

Zoals ik hierboven reeds heb beschreven, is geen sprake geweest van beleidswijzigingen. Ik begrijp dat de invoering van een nieuwe regeling onzekerheid met zich meebrengt. De flankerende maatregelen, de tegemoetkoming in de personele kosten en het overgangsbudget beperken de risico’s voor de IPC’s en garanderen de continuïteit van de vraag naar praktijkleren in de overgangsperiode van vier jaar. Zeker in het eerste jaar zal hierdoor het effect van de vraagsturing voor de IPC’s beperkt zijn.

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd of het klopt dat in de overeenkomst, die is gesloten met het ministerie van LNV, IPC Groene Ruimte haar uitstaande bezwaarschriften heeft ingetrokken, maar dat die van het PTC+ gehonoreerd zijn en er dus sprake is van concurrentievervalsing.

Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op de vraag van de CDA-fractie over de verschillende elementen van het Position Paper van IPC Groene Ruimte.

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd of de gesloten privatiseringsovereenkomst uit 2003 overeenkomt met de wetstekst.

Hiervoor verwijs ik eveneens naar het antwoord op de vraag van de CDA-fractie over de verschillende elementen van het Position Paper van IPC Groene Ruimte.

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd welke gevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de werknemers van de verschillende instellingen en voor de samenwerking tussen de groene onderwijsinstellingen en de IPC’s.

Om eventuele gevolgen voor de werknemers van de IPC’s op te kunnen vangen voorziet dit wetsvoorstel in omvangrijk flankerend beleid. Zoals uiteengezet in het Advies van de Raad van State blijven de huidige arbeidsvoorwaarden van toepassing voor de zittende personeelsleden.

De samenwerking tussen de groene onderwijsinstellingen en de IPC’s zal op de vrije markt volgens de regels voor aanbesteding vorm kunnen krijgen.

Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt ondertekend door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. J. A. van der Hoeven.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Naar boven