Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730540 nr. 4

30 540
Recht op een fatsoenlijk bestaan. Gehandicapten en ontwikkelingssamenwerking

nr. 4
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG

Vastgesteld 25 oktober 2006

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 5 oktober 2006 overleg gevoerd met minister Van Ardenne-van der Hoeven voor Ontwikkelingssamenwerking en het lid Tjon-A-Ten over:

– de brief van het lid Tjon-A-Ten d.d. 27 april 2006 ten geleide van de initiatiefnota «Recht op een fatsoenlijk bestaan. Gehandicapten en ontwikkelingssamenwerking» (30 540, nrs. 1–2);

– de brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking d.d. 28 juni 2006 houdende de reactie van de minister op de initiatiefnota van het lid Tjon-A-Ten, «Recht op een fatsoenlijk bestaan. Gehandicapten en ontwikkelingssamenwerking» (30 540, nr. 3).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Brinkel (CDA) vindt dat mensen met een beperking recht hebben op een waardig bestaan en zo goed mogelijk moeten kunnen participeren in de samenleving. In ontwikkelingslanden is dat een grote uitdaging, omdat juist in die landen de instellingen die mensen met een beperking daartoe in staat zouden moeten stellen zwak zijn. Dat blijkt ook uit de nota «Recht op een fatsoenlijk bestaan. Gehandicapten en ontwikkelingssamenwerking» van mevrouw Tjon-A-Ten.

Het is belangrijk dat er aandacht wordt besteed aan gehandicaptenbeleid in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Van het beleid dat is gericht op verbetering van het onderwijs, de gezondheidszorg en het bestuur in ontwikkelingslanden moeten ook kwetsbare groepen als gehandicapten kunnen profiteren. Goed bestuur betekent onder andere goede registratie en het aanleggen van betrouwbare statistieken zodat ook gehandicapte mensen in beeld komen. Een beter stelsel van gezondheidszorg komt ook gehandicapten ten goede en kan bijdragen aan het voorkomen van handicaps. Hetzelfde kan worden gezegd van het bevorderen van onderwijs in ontwikkelingslanden.

De aandacht voor gehandicapten bij bilaterale en multilaterale samenwerking moet, zoals de minister schreef, vooral vorm krijgen door integratie in het bredere beleid. Dit wordt ook wel mainstreaming genoemd. Het beleid voor kwetsbare groepen als gehandicapten moet volledig worden geïntegreerd in de strategieën van ontwikkelingslanden voor vermindering van de armoede. Mevrouw Tjon-A-Ten is in haar nota kritisch over het afschaffen van het doelgroepenbeleid gericht op gehandicapten. Dat keert echter niet terug in de aanbevelingen. Vindt zij het nodig om het doelgroepenbeleid opnieuw in het leven te roepen?

In de nota staat dat ervoor moet worden gezorgd dat bij het nastreven van de millenniumdoelen gehandicapten niet buiten de boot vallen. Hoe moet dit gebeuren? Kan de minister aangeven waar en hoe haar gestroomlijnde inzet voor mensen met een beperking tot resultaten heeft geleid en welke ijkpunten de regering daarbij hanteert? De beschikbaarheid van betere en meer accurate data zijn immers het begin van een effectieve aanpak.

In augustus 2006 is overeenstemming bereikt over de tekst van het ontwerpverdrag van de Verenigde Naties over de rechten van mensen met een handicap. In het ontwerp staat in artikel 32 dat deelnemende staten het op zich nemen om geëigende en effectieve maatregelen te nemen om het verdrag te realiseren. Of en, zo ja, in hoeverre voelt mevrouw Tjon-A-Ten zich gesteund door dit ontwerp? Vindt zij ook dat dit verdrag een belangrijk instrument kan zijn om te bevorderen dat in meer landen politieke wil ontstaat om maatregelen te nemen? Dat zou immers het begin van ownership kunnen zijn. Hoe ziet de minister de uitwerking van de bepalingen uit dit verdrag in relaties van Nederland met ontwikkelingslanden, in de samenwerking binnen de Europese Unie en in multilateraal verband?

Niet alleen de politiek is verantwoordelijk voor het welzijn van mensen met een beperking. Die verantwoordelijkheid geldt ook voor burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. In Nederland bestaan mondige organisaties van gehandicapten. Deze organisaties zijn door de regering betrokken bij de voorbereiding van de Nederlandse inbreng over het ontwerpverdrag. Het medefinancieringsstelsel geeft ook ruimte aan organisaties die samenwerken met organisaties van en voor gehandicapten in ontwikkelingslanden. Het versterken, organiseren en mobiliseren van mensen met een beperking zodat zij meer greep krijgen op situaties die hun leven beïnvloeden, is volgens de CDA-fractie primair een aangelegenheid van maatschappelijk initiatief. Empowerment is pas echt empowerment als dit van onderop tot stand komt. Deelt mevrouw Tjon-A-Ten deze mening en ziet zij een meerwaarde in de activiteiten van maatschappelijke organisaties?

Mensen met een handicap leveren zelf ook een actieve bijdrage aan een betere wereld. Dat moet beter mogelijk worden gemaakt, hier en in het beleid in ontwikkelingslanden. Belemmeringen moeten worden weggenomen, zodat een enorm reservoir aan onbenut talent ten goede kan komen aan de samenleving.

De heer Szabó (VVD) zegt dat hij aanvankelijk een dubbele afspraak had en dat hij daarom samen met de heer Brinkel een inbreng had voorbereid voor dit overleg. De heer Brinkel heeft dus ook namens hem gesproken.

Het is belangrijk dat er sprake is van ownership. De problemen van mensen met een handicap in de Derde Wereld moeten niet door Nederland worden opgelost, maar door de regeringen in de landen zelf. De Nederlandse regering kan daarbij uiteraard ondersteuning geven. Kan de minister aangeven hoe zij de regeringen, van vooral de partnerlanden, aanspreekt op het beleid ten aanzien van gehandicapten, bijvoorbeeld met betrekking tot het opzetten van registratiesystemen en de samenwerking van de regeringen en de niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) in de landen zelf en daarbuiten? Hoe gaat de minister om met de registratie van mensen die gehandicapt zijn geworden als gevolg van rampen? Bij rampen is additionele inzet nodig, met name van buiten, om deze mensen te kunnen bereiken. Is er beleid inzake het mobieler maken van mensen met een handicap in de Derde Wereld, met name op het terrein van telecommunicatie en ICT? Met deze middelen kunnen deze mensen beter worden bereikt en krijgen zij mogelijk ook de kans om te werken.

Mevrouw Eijsink (PvdA) vindt dat de aandacht voor verbetering van kansen van mensen met een handicap blijvend op de agenda moet staan. Het zal nooit vanzelfsprekend zijn dat gehandicapten een plaats in de samenleving krijgen, ook niet in de Nederlandse. Er moet dus voor worden gezorgd dat dit wordt ingebracht in de mainstreaming, zowel bilateraal als multilateraal. De minister schrijft: «Het criterium handicap zal niet als specifiek mensenrechtenissue in het ontwikkelings- en mensenrechtenbeleid worden benoemd, zoals een van de beleidsspeerpunten in de initiatiefnota voorstelt.» Mevrouw Eijsink heeft dat niet teruggevonden in de nota.

In de nota staat dat het niet gaat om het formuleren van een nieuwe beleidsagenda voor ontwikkelingssamenwerking, maar om het leggen van nieuwe accenten en een zekere mate van reallocatie van middelen binnen de bestaande programma’s voor ontwikkelingssamenwerking. Er staat ook dat er geen extra middelen hoeven te worden gevonden omdat deze beschikbaar zijn via de ODA-middelen (Official Development Assistance). Kan mevrouw Tjon-A-Ten voorbeelden geven van zaken die volgens haar nodig zijn binnen de bestaande programma’s? De inzet moet vooral plaatsvinden in landen waar Nederland al sterk vertegenwoordigd is op het terrein van ontwikkelingssamenwerking en waar al een geschiedenis is opgebouwd op dit terrein via ngo’s zoals de Stichting Liliane Fonds en Terres des Hommes.

In hoeverre vindt mainstreaming plaats? Hoe wordt inzichtelijk gemaakt welke percentages van de middelen worden toegekend aan mensen met een handicap? Hoe worden gehandicapten meegenomen in het beleid ten aanzien van rampenbestrijding of werkgelegenheid? Kan mevrouw Tjon-A-Ten een aantal concrete zaken noemen die nader moeten worden uitgewerkt?

In de nota worden enkele beleidsspeerpunten genoemd. In de Poverty Reduction Strategy Programs (PRSP’s) staat dat beperkingen worden opgenomen. Binnen PRSP’s is de aandacht voor mensen met een handicap echter marginaal. Hoe kunnen overheden worden aangemoedigd om hier meer aandacht aan te besteden? De minister moet goed kijken hoe in bijvoorbeeld de programma’s voor bestrijding van hiv en aids een stimulans kan worden opgenomen om meer aandacht te besteden aan gehandicapten. Een aantal ngo’s besteed in hun programma’s aandacht aan mensen met een handicap. Is de minister van plan om dit de komende jaren meer te concretiseren? Als het beleid ten aanzien van gehandicapten in programma’s van deze ngo’s verder vorm krijgt, zouden deze een voorbeeldfunctie kunnen hebben. In de programma’s van de grotere medefinancieringsorganisaties is de aandacht voor gehandicapten niet groot genoeg, zeker waar het gaat om participatie in de werkzaamheden.

De minister noemt in haar brief de inzet van het ministerie ten aanzien van het ontwerpverdrag van de VN inzake rechten van personen met een handicap. Er zou een concreet actieplan moeten worden opgesteld ter uitvoering van dit verdrag voor de korte en lange termijn. Het beleid moet nader geconcretiseerd worden, zonder over te gaan tot invoering van een nieuw doelgroepenbeleid. Ngo’s en regeringen moeten meer doordrongen worden van de noodzaak van beleid ten aanzien van gehandicapten.

De heer Van der Staaij (SGP) vindt het goed dat inzichtelijk is gemaakt wat er wordt gedaan ten aanzien van gehandicapten in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en wat er meer zou kunnen worden gedaan, zeker nu er geen doelgroepenbeleid meer is. De reactie van de minister was in dat licht wat zuinig. Kan zij aangeven wat in het kader van het huidige beleid kan worden gedaan om meer te focussen op gehandicapten, uiteraard zonder weer een doelgroepenbeleid op te zetten? Het zou jammer zijn als het debat over deze nota verzandt in een discussie over het doelgroepenbeleid.

Het is zinniger om te spreken over de concrete mogelijkheden binnen het huidige beleid om meer aandacht te besteden aan de verbetering van de positie van gehandicapten in ontwikkelingslanden. Kan zichtbaar worden gemaakt in hoeverre het Nederlandse beleid hieraan bijdraagt? Mensen die al gehandicapt zijn, moeten concrete mogelijkheden worden geboden om hun positie te verbeteren. Dat kan bijvoorbeeld via subsidie aan particuliere organisaties en via bilaterale hulp aan landen waarin basisgezondheidszorg een centraal thema is. Is dit naar de mening van de minister voldoende of kan er nog een schepje bovenop? In hoeverre kan worden geleerd van bijvoorbeeld Duitsland, Groot-Brittannië, Oostenrijk, Noorwegen en Italië die meer specifieke aandacht besteden aan het gehandicaptenbeleid binnen ontwikkelingssamenwerking?

De Wereldbank heeft sinds 2002 een adviseur gehandicapten. In de PRSP’s zijn de maatregelen ten aanzien van mensen met een handicap marginaal. Het is dan vreemd dat de minister zegt geen behoefte te hebben om bij te dragen aan het Global Partnership for Disability and Development van de Wereldbank omdat dit aan gehandicapten al voldoende wordt meegenomen in de PRSP’s. Is er wel voldoende aandacht voor mensen met een handicap in het multilaterale beleid? Wat kan er worden gedaan om dit onderwerp hoger op de agenda te krijgen? Het is ook van belang dat ontwikkelingslanden zich zelf verder bewust worden van de gehandicaptenproblematiek. In de initiatiefnota staat ook een speerpunt op dit terrein, namelijk registratie van gehandicapten als eerste stap. Kunnen landen als Nederland kennis en ervaring op dit terrein overdragen aan ontwikkelingslanden om de bewustwording in de landen zelf te stimuleren?

Antwoord van de initiatiefnemer

Mevrouw Tjon-A-Ten (PvdA) dankt de leden voor hun opmerkingen over de notitie en de minister voor haar reactie. Het beleid moet zijn gebaseerd op non-discriminatie en diversiteit. Iedereen, dus ook gehandicapten, moet kansen en mogelijkheden krijgen om een bijdrage te leveren aan de eigen samenleving. Inspanningen op dit terrein binnen het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid voor de allerarmsten moeten kwantitatief aantoonbaar zijn en kwalitatief impact hebben.

Er zijn weinig gegevens bekend met betrekking tot gehandicapten in ontwikkelingslanden. Tijdens het algemeen overleg over seksuele en reproductieve gezondheidszorg is vastgesteld dat in relatie tot de indicatoren onder millenniumdoel 5 betrouwbare data nodig zijn. De minister heeft in dat overleg toegezegd dat Nederland bereid is om waar mogelijk de lacunes op te vullen door ondersteuning te verlenen. Mevrouw Tjon-A-Ten gaat ervan uit dat dit ook geldt voor het verzamelen van gegevens over gehandicapten.

In de initiatiefnota wordt niet bepleit om opnieuw een doelgroepenbeleid te voeren. Er wordt een twin-trackbenadering voorgesteld. Dit betekent dat het beleid ten aanzien van gehandicapten waar mogelijk moet worden opgenomen in het reguliere beleid en dat specifieke maatregelen moeten worden genomen waar dat nodig is. Daartoe moeten op alle strategische gebieden de mogelijkheden van mensen met een handicap en mensen zonder handicap worden benoemd en moeten initiatieven die zijn gericht op empowerment van gehandicapten worden gesteund.

Er zijn vragen gesteld over het internationale juridische kader. Nederland heeft zich gecommitteerd aan een aantal zaken op dit terrein, namelijk de Standard Rules on the Equalization of Opportunities for Persons with Disabilities, de EU guidance notes en het ontwerpverdrag van de VN inzake de rechten van mensen met een handicap. Het aanvaarden van het VN-verdrag zal een grote stap voorwaarts zijn voor ontwikkelingslanden. Artikel 32 van het verdrag verwijst naar internationale samenwerking: ensuring that international co-operation, including international development programs, are inclusive of and accesible to persons with disabilities. Als Nederland dit verdrag ratificeert, zal ervoor gezorgd moeten worden dat binnen het Nederlandse beleid voor internationale samenwerking de programma’s inclusief en toegankelijk zijn voor personen met een handicap. In de aanbevelingen uit de nota is een aantal zaken geconcretiseerd en er is een aantal voorbeeldprojecten genoemd.

Werken aan empowerment is van groot belang. Als echter niet tegelijkertijd wordt gewerkt aan het opheffen van belemmeringen op dit terrein voor deze groep, zal er niets worden bereikt. Gehandicapten in ontwikkelingslanden zijn feitelijk onzichtbaar. Gehandicaptenorganisaties in deze landen zijn meestal zwak, als zij er al zijn. Hierdoor is het realiseren van empowerment van onderop zeer moeilijk. Het is dus nodig om specifieke acties te ondernemen om deze organisaties te versterken en om empowerment van onderop te bevorderen. Dit kan bijvoorbeeld worden meegenomen in de PRSP’s. Het is uiteraard niet de bedoeling om landen dingen op te leggen, er moet sprake zijn van ownership. In het Finse beleid voor ontwikkelingssamenwerking is bijvoorbeeld gekozen voor het nadrukkelijk benoemen van handicaps. Ngo’s worden gestimuleerd om gehandicaptenprojecten op te zetten en deze worden zo nodig extra gefinancierd. In artikel 32 van het VN-verdrag staat overigens nadrukkelijk dat de minister in bilaterale contacten partners kan voorstellen om het verdrag te implementeren en om ambassades en ngo’s die projecten hebben die op empowerment zijn gericht, te ondersteunen.

In 2002 heeft Terres des Hommes een notitie over onzichtbare kinderen aangeboden aan de Kamer en de regering. Daarmee is nooit iets gebeurd. Er zijn geen concrete maatregelen genomen ten aanzien van kinderen met een handicap, bijvoorbeeld inzake integratie in het onderwijs en sportactiviteiten. Daarom is deze nota opgesteld.

Bij rampen vallen mensen met een handicap vaak buiten de boot. Om beleid op dit terrein te ontwikkelen, zijn cijfers nodig. Om maatregelen te kunnen nemen, is het nodig om te weten waar deze mensen zijn. Er is overigens geen sprake van systematische uitsluiting van gehandicapten bij rampen. Mensen komen gewoon niet vooraan bij het verstrekken van humanitaire hulp omdat zij niet sterk zijn.

Het is een goed idee om mensen met een handicap te mobiliseren. Het betreft een zeer arme groep, dus de vraag is in hoeverre deze te bereiken is via telecommunicatie en ICT. Er moeten specifieke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat deze mensen toegang krijgen tot deze communicatiemiddelen. Een probleem hierbij is wel dat de meerderheid van de mensen met een handicap in ontwikkelingslanden geen onderwijs heeft gehad. De moderne communicatietechnieken zouden wel kunnen worden ingezet voor alfabetisering. Mevrouw Tjon-A-Ten vraagt de minister of zij daar iets in ziet.

Het opnieuw instellen van een doelgroepenbeleid zou een stap terug zijn. Het doorbreken van verarmingsprocessen moet de basis van het beleid zijn. Daarnaast moeten echter waar nodig specifieke programma’s worden opgezet. Gehandicapten worden vaak niet bereikt in hiv/aidsprojecten. De hiv/aidsprevalentie bij gehandicapte vrouwen is hoog, ook omdat zij zeer kwetsbaar zijn. Het probleem is dat bijvoorbeeld mensen met een auditieve of visuele handicap niet worden bereikt door voorlichtingsprogramma’s. Er moeten dus specifieke maatregelen worden genomen om deze groepen te bereiken. Een ander voorstel uit de nota betreft het inclusief onderwijs. Er moet worden geprobeerd om de toegankelijkheid, ook fysieke, van het onderwijs te vergroten voor kinderen met een handicap. Daarnaast zouden gehandicapten kunnen worden opgenomen in delegaties die spreken met ontwikkelingslanden. In de aanbevelingen staan meer concrete voorstellen die op korte termijn zijn te realiseren zonder veel extra kosten. Kenia zou als voorbeeld kunnen dienen. Daar is een krachtige gehandicaptenbeweging en er worden veel projecten op dit terrein uitgevoerd. Wellicht kan worden bezien hoe daar een aantal zaken met gehandicaptenorganisaties kan worden gerealiseerd.

Er bestaan sportprojecten die zich mede richten op integratie van gehandicapten. Op die manier kunnen andere kinderen en volwassenen zien dat kinderen met een handicap iets kunnen doen en dat zij dus ook een bijdrage kunnen leveren. Dit kan ertoe leiden dat zij op een andere manier gaan aankijken tegen mensen met een handicap.

Antwoord van de minister

De minister maakt mevrouw Tjon-A-Ten complimenten voor haar nota. Het is goed dat over dit onderwerp wordt gesproken, hoewel er geen doelgroepenbeleid meer is. Ook als er is gekozen voor een mainstreambeleid, blijft het soms nodig om individuele kwetsbare groepen onder de loep te nemen. De indruk bestond dat er in de nota werd vastgehouden aan het doelgroepenbeleid. Het is goed dat dit niet het geval blijkt te zijn.

De regering vond het vanzelfsprekend om intensief samen te werken met partijen om een VN-verdrag inzake de rechten van gehandicapten op te stellen. Daar is veel in geïnvesteerd. In het verdrag komt tot uiting wat de initiatiefnemer voorstaat, namelijk mainstreamen van gehandicaptenbeleid op tal van fronten, zowel bilateraal, multilateraal als particulier. Als het verdrag straks wordt geaccordeerd en landen gaan het ratificeren, zijn zij gehouden aan de uitvoering ervan. Alle partijen die tekenen, moeten gaan rapporteren. Daarvoor is informatie nodig. Er zal in landen bijgehouden moeten worden hoe het staat met de positie van gehandicapten, ook voor landen in oorlogsgebieden en post-conflictgebieden. Er moet worden gerapporteerd over opvang na oorlogen en hoe wordt omgegaan met getraumatiseerde mensen.

De Nederlandse regering wil niet zozeer inzetten op kleine thema’s of kleine groepen van kwetsbare mensen. Er moet worden ingezet op het beïnvloeden van veranderingsprocessen in ontwikkelingslanden op zo’n manier dat ook oog blijft bestaan voor deze kwetsbare groepen. Dat kan via PRSP’s en nationale onderwijsprogramma’s. Het is verheugend dat achttien Afrikaanse landen eind september voor het eerst hun nationale onderwijsprogramma’s presenteerden waarin ook de positie van verstandelijk en lichamelijk gehandicapte kinderen waren meegenomen. Op deze programma’s kunnen donorlanden intekenen via het Fast Track Initiative van de Wereldbank. Nederland en andere landen stellen hier ook geld voor beschikbaar. Als de betrokken regeringen en samenlevingen verantwoordelijkheid nemen, is de kans groter dat de uitvoering van deze programma’s optimaal is. Voor de uitvoering zijn particuliere organisaties nodig. Er zijn Nederlandse organisaties die concrete hulp bieden, zoals de Stichting Liliane Fonds.

Daarnaast zijn er organisaties die kwetsbare groepen ondersteunen om hen beter in staat te stellen om op te komen voor hun eigen belangen of om een organisatie te vormen. Dat moet leiden tot empowerment. Dat is er op dit moment onvoldoende. Er zijn maar enkele landen waarin op dit moment intrinsiek en inclusief wordt gewerkt met gehandicapten. In de meeste gevallen worden deze mensen uitgesloten. Dat is schrijnend en onacceptabel. Daarom is het goed dat de VN in 2007 hier wereldwijd aandacht aan besteden in het kader van een speciaal jaar voor de rechten van gehandicapten. De minister heeft spreektijd aangevraagd in de vergadering van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB) van de Europese Unie van 9 oktober 2006 om dit onderwerp aan de orde te stellen. De EU en de Europese Commissie moeten in de aanloop naar dit VN-jaar meer doen om aan bewustwording op dit terrein.

Landen zal worden gevraagd om het VN-verdrag te ratificeren, het te implementeren in wet- en regelgeving en te rapporteren. Landen kunnen steun krijgen van Nederland bij het opzetten van registratie en dataverzameling als zij daar behoefte aan hebben. Er moet bekend zijn of alle kinderen met een handicap onderwijs kunnen volgen zodat zij een beter bestaan kunnen opbouwen. Hiertoe moet een lobby worden opgezet en daar moet de Europese Unie een rol in vervullen. Als het verdrag is aanvaard, zal de Kamer worden geïnformeerd over de wijze waarop Nederland dit wil implementeren. De ministers van VWS en SZW zijn belast met de uitwerking van het verdrag in Nederland. Daarnaast moeten speerpunten worden opgesteld voor het ontwikkelingsbeleid op dit terrein. Hierbij zal ook de positie van de Wereldbank worden betrokken, die moet toezien op de PRSP’s en de inclusiviteit van het gehandicaptenbeleid in armoedestrategieën. De Wereldbank moet ook rapporteren over de voortgang in de landen. Er is voldoende capaciteit om deze monitoring uit te voeren.

De winst van het verdrag is dat landen die zich erbij aansluiten gehandicaptenbeleid moeten implementeren in het eigen beleid en dat zij dit ook moeten aantonen. Daarvoor is dataverzameling nodig en registratie. Nederland kan hier ondersteuning bij bieden. Dat heeft echter alleen zin als landen zelf een registratie willen opzetten. Er moet ook werk worden gemaakt van het wegnemen van belemmeringen voor mensen met een handicap. Dat moet zijn terug te vinden in nationale armoedestrategieën. Het verdrag biedt een kader om discussie te voeren over de positie van gehandicapten in het nationale beleid van landen. De millenniumdoelen horen hierbij, want deze moeten ook worden behaald voor gehandicapten. Zij zijn onderdeel van het armoedebeleid.

De VN-noodhulporganisatie OCHA houdt toezicht op noodhulpverstrekking aan gehandicapten. Dit punt is specifiek opgenomen in het beleid. De vraag is echter hoe dit uitwerkt in de praktijk. Er zal multilateraal nog eens worden aangekaart hoe de uitvoering wordt gecheckt. Er wordt veel gedaan aan ondersteuning van particuliere organisaties, zowel Nederlandse als organisaties van elders. Hulporganisatie BRAC uit Bangladesh ziet specifiek toe op de toegang tot scholen van kinderen met een handicap. Dit is de enige onderwijspartner van Nederland in Bangladesh. De Dutch Coalition on Disability and Development, die lobbyt en opkomt voor belangen en rechten van gehandicapten in ontwikkelingslanden, krijgt geld van de overheid. De International Planned Parenthood Federation heeft bijvoorbeeld een speciaal programma in Tunesië voor blinde jongeren.

Zoals ook al in de aanbevelingen in de nota staat, is preventie het allerbelangrijkst. Er moet worden geïnvesteerd in vaccinatie van baby’s en jonge kinderen om te voorkomen dat zij later gehandicapt worden. Er wordt veel onderzoek gedaan naar het voedingspatroon van moeders en kinderen om te voorkomen dat kinderen al op jonge leeftijd blind worden, bijvoorbeeld samen met Unicef, het Rode Kruis, wetenschappelijke instellingen, vluchtelingenorganisaties, de Wereldvoedselorganisatie en OCHA. Er is ook veel aandacht voor het opruimen van landmijnen in (voormalige) oorlogsgebieden. Daarnaast zijn in dergelijke gebieden programma’s om kindsoldaten zo snel mogelijk uit hun onveilige omgeving te halen en te re-integreren om te voorkomen dat zij voor het leven mentaal gehandicapt worden.

In het streven naar het behalen van de millenniumdoelen, het belangrijkste referentiekader, is het doel om gehandicapten niet buiten te boot te laten vallen. De uitkomsten van de inspanningen zijn niet herkenbaar en toetsbaar zo lang er geen gegevens zijn. De Nederlandse regering kan niet worden gevraagd om een eigen systeem hiervoor op te zetten. Het is onmogelijk om dat in alle 36 partnerlanden te doen. Daarom wordt ingezet op de nationale verantwoordelijkheid van de partnerlanden zelf voor dataverzameling, registratie en inbedding in het nationale beleid. Mainstreaming blijft het doel.

Er zijn specifieke programma’s voor bestrijding van hiv/aids. Er zijn meer organisaties die zich hiermee bezighouden. Het Global Network for People Living with HIV/AIDS houdt zich specifiek bezig met het versterken van belangen van mensen met een handicap, ook als groep.

Een aantal landen heeft een wat meer doelgroepgericht gehandicaptenbeleid. Nederlands streeft naar harmonisering van de ontwikkelingssamenwerking waarin meer wordt ingezet op sectoraal beleid. Hierin is het niet denkbaar om weer in te zetten op specifiek beleid. Er zal dus niet worden bezien wat er in landen als Duitsland en Finland wordt gedaan. De minister zal deze landen in de RAZEB wel vragen om aan te sluiten bij het VN-verdrag, waarin mainstreaming als uitgangspunt wordt genomen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Brinkel (CDA) dankt de minister voor de toezegging dat zij de uitvoering van het VN-verdrag aan de orde zal stellen in de RAZEB. Zij kan zich daarbij gesteund voelen door de resolutie die het Europees Parlement in januari heeft aangenomen. Hij dankt haar ook voor de toezegging dat zij de Kamer zal informeren over de concrete acties die zij zelf wil ondernemen in het kader van de uitvoering van het verdrag. Het VN-verdrag zal een belangrijk instrument zijn, omdat regeringen kan worden gevraagd zich eraan te houden. Het zou kunnen worden ingezet bij het creëren van bewustwording bij regeringen van ontwikkelingslanden en andere VN-lidstaten. Is de minister het daarmee eens?

De heer Szabó (VVD) stelt dat de positie van gehandicapten in heel veel landen in de Derde Wereld erbarmelijk is. Het is goed dat er binnenkort een VN-verdrag is, maar dat moet vervolgens wel geratificeerd en geïmplementeerd worden. Nederland moet zich bij de implementatie van dit verdrag focussen op bepaalde landen of onderwerpen. Als overal zaken worden gedaan, is de kans groot dat het resultaat nul is. In antwoordt op een vraag van mevrouw Eijsink zegt de heer Szabó dat er binnen het budget voor ontwikkelingssamenwerking voldoende geld is om ICT-activiteiten te stimuleren.

Mevrouw Eijsink (PvdA) merkt op dat het VN-verdrag inzake de rechten van het kind het meest geratificeerde verdrag is ter wereld, meer dan 190 landen hebben het getekend. Dit verdrag bestaat al 25 jaar. Verdragen zijn goed als instrument om landen te bewegen bepaalde maatregelen te nemen, maar er zijn geen sancties aan verbonden. Dit zal ook gelden voor het VN-verdrag inzake de rechten van gehandicapten. Veel landen zullen het verdrag willen ratificeren. Het is goed dat de minister in de RAZEB spreektijd heeft gevraagd voor dit onderwerp. Nederland zou een voorbeeld kunnen geven met betrekking tot de implementatie van dit verdrag.

Nederland heeft 36 partnerlanden. Het is moeilijk om over al deze landen gegevens te vinden. Kan Nederland niet met ngo’s die in bepaalde landen actief zijn, bezien of de voorbeeldfunctie verder kan worden ingevuld? Dat zou, aansluitend bij de actielijst die de minister al heeft toegezegd, een uitdaging zijn. Werk nu eens voor één land, waarin Nederland een stabiele basis heeft wat betreft ontwikkelingssamenwerking, concrete voorstellen uit. Kenia is misschien een minder goed voorbeeld, omdat dit een zeer complex land is.

De heer Brinkel vroeg of de PvdA onderschrijft dat paternalisme uit den boze is. Dat is het geval. Er zijn diverse organisaties die veel doen aan ondersteuning van gehandicapten. Er zijn echter ook medefinancieringsorganisaties die daar de afgelopen jaren weinig of niets aan hebben gedaan en die mainstreaming wel hoog in het vaandel hebben staan. Deze organisaties moeten worden gewezen op hun verantwoordelijkheid op dit terrein. Het onderwerp is niet populair bij ngo’s en organisaties in Nederland.

Mevrouw Eijsink is blij dat de minister heeft toegezegd dat er een actielijst zal worden opgesteld naar aanleiding van het VN-verdrag en dat zij hier aandacht voor vraagt in de RAZEB. De ngo’s zal worden gevraagd om in hun rapportages meer aandacht te besteden aan gehandicapten.

De heer Van der Staaij (SGP) is blij dat het debat niet ging om de vraag of er genoeg of te weinig wordt gedaan, maar om de vraag hoe er een extra impuls kan worden gegeven van de versterking van de positie van gehandicapten in ontwikkelingslanden. Hoewel er geen doelgroepenbeleid meer is, is het nuttig om te bezien hoe er binnen de mainstreaming nog specifieke aandacht aan gehandicapten kan worden gegeven. Het VN-verdrag is daar een uitstekend instrument voor, net als het VN-jaar voor gehandicapten in 2007. Hopelijk worden de aanbevelingen uit de nota en de suggesties die in dit debat zijn gedaan, meegenomen in de actielijst van de minister. Wellicht kan bijvoorbeeld worden gecheckt hoe de waarborgen bij noodhulp in de praktijk werken. Wanneer kan de actielijst worden verwacht?

Mevrouw Tjon-A-Ten (PvdA) is blij dat haar nota positief is ontvangen door het ministerie. Zij hoopt dat de minister zich net zo gaat inzetten voor gehandicapten in ontwikkelingslanden als zij al doet voor vrouwen. Nederland heeft in het ontwikkelingsbeleid een aantal speerpunten gekozen, zoals gezondheid, onderwijs en mensenrechten. Met name op deze terreinen wordt gemainstreamd.

Er zijn weinig particuliere organisaties die zich bezighouden met gehandicapten. Het verzoek van mevrouw Eijsink om medefinancieringsorganisaties op hun verantwoordelijkheid te wijzen is daarom goed. Er bij de Wereldbank een adviseur gehandicapten aangesteld. Deze kan echter moeilijk in zijn eentje in de hele wereld actief zijn. Gehandicapten worden vaak gezien als sluitpost. Het lijkt erop dat met de komst van de nieuwe directeur van de Wereldbank, de heer Wolfowitz, de aandacht voor gehandicapten minder is geworden. Hopelijk zet de minister zich er, ook met het oog op het nieuwe VN-verdrag, voor in om dit onderwerp weer hoger op de agenda te krijgen.

De minister wilde geen fondsen geven voor de Global Partnership on Disability and Development. Juist dat samenwerkingsverband is echter bezig met een statistisch project om het aantal gehandicapten in ontwikkelingslanden in kaart te brengen. Het zou goed zijn als Nederland dit initiatief ondersteunt. In de millenniumdoelen is geen enkel target opgenomen over gehandicapten. Hopelijk vraagt de minister ook in dit kader aandacht voor gehandicapten. De minister is al gevraagd om te laten onderzoeken hoe ervoor kan worden gezorgd dat de plausibiliteit van besteding van de middelen kan worden aangetoond.

Sri Lanka zou als voorbeeldland kunnen dienen. Er zijn een aantal zeer krachtige organisaties in dat land. Er zijn ook al diverse contacten gelegd.

De minister zegt dat het VN-verdrag bindend zal zijn voor nationale regeringen. Landen die het ondertekenen, moeten het ratificeren en vervolgens implementeren. Het verdrag kan functioneren als bewustwordingsinstrument, als basis voor het voeren van een dialoog over de positie van gehandicapten. De komende maanden moet worden bezien hoe breed de steun voor het verdrag is. Er wordt immers nogal wat gevraagd van de lidstaten. Zij moeten het gehandicaptenbeleid opnemen in het nationale beleid. Daarnaast moeten zij ten minste eens per vier jaar rapporteren aan een speciale commissie en als deze commissie vaker informatie wil hebben, moet die worden geleverd. Er komt ook een apart VN-protocol inzake een individueel klachtrecht voor gehandicapten. Het is dus geen vrijblijvend verdrag. Als het wordt aangenomen, is er een grote stap gezet waar het gaat om de bescherming van gehandicapten, empowerment, onderwijs en werk. Op deze thema’s zou de focus in het beleid moeten worden gelegd. Dat laat onverlet dat Nederland zich ook met de PRSP’s, het brede beleid, moet bezighouden. De focus moet liggen bij partnerlanden. Er moet echter ook worden geprobeerd om andere landen, zoals Rusland of China, aan te sporen om het verdrag te ratificeren.

Het beeld bestaat dat in veel landen moderne communicatietechnieken als internet en mobiele telefonie niet of nauwelijks beschikbaar zijn. Het tegendeel is waar. Seltel investeert veel in heel Afrika. Dat biedt veel kansen voor mensen die zijn afgesloten van de rest van de wereld en misschien nooit zelf zullen reizen. Ontwikkelingen op dit terrein gaan heel snel. De particuliere sector investeert hier veel in. De diensten zijn betaalbaar en zijn erg belangrijk voor empowerment en employment. Het toegankelijk maken van dergelijke communicatiemiddelen voor gehandicapten moet onderdeel zijn van programma’s op het gebied van empowerment.

Het zou weer de oude tijd zijn als de Tweede Kamer zou bepalen dat bijvoorbeeld Kenia een geschikt land is om bepaalde programma’s op te zetten. Het ontwikkelingsbeleid bevindt zich op dit moment in een heel andere fase. Er wordt bezien of landen behoefte hebben om bepaalde dingen op te zetten. Er moet dus geen land worden genoemd. In Sri Lanka is bijvoorbeeld veel meer aan de hand dan hier al is gezegd. Er is een zeer langdurig en zeer gewelddadig conflict gaande dat steeds maar niet wordt opgelost. De vraag is of daar nu van de regering en de samenleving kan worden verwacht om een behoorlijk gehandicaptenbeleid op te zetten. Als kan worden aangesloten op de behoefte van een land of een paar landen, zou er een traject kunnen worden ingezet. Dit is ook afhankelijk van medewerking aan het verdrag en van bijvoorbeeld de ngo’s die er actief zijn. Hier zal op worden gelet. Dit punt zal ook worden meegenomen in de overwegingen voor de komende tijd.

De minister is vooralsnog niet van plan om een nieuw monitoringsysteem op te zetten. Voor de ngo’s bestaat een monitoringprotocol. Daarin zal worden meegenomen dat meer moet worden gerapporteerd en dat de rapportages juist zijn. Dit zal worden besproken met de Nederlandse ngo’s.

Er kan nu niet worden gezegd wanneer de actielijst wordt aangeboden. Het is wellicht verstandig om dit pas na de verkiezingen te doen, anders zou de indruk gewekt kunnen worden dat de minister een soort testament wil nalaten. Bovendien is het VN-verdrag nog niet aangenomen. Het opstellen van de actielijst hoeft niet te wachten op ratificatie en implementatie van het verdrag. Het streven is om de actielijst begin 2007 aan de Kamer te zenden.

De Wereldbank heeft een supervisor die moet bewaken dat er voldoende wordt gedaan aan het mainstreamen van het gehandicaptenbeleid in de PRSP’s. Er is nu een vacature, dus er is misschien even een dipje. Er zal worden geprobeerd om erop aan te sturen dat deze vacature zo snel mogelijk wordt vervuld. De minister is geen voorstander van het instellen fondsen voor allerlei doelen, zoals het Global Partnership for Disability and Development. Er zijn ontzettend veel fondsen in de wereld die allemaal hun eigen weg gaan. De Wereldbank moet assistentie verlenen waar dat nodig is en heeft daar geld voor. Het is zijn taak om de kwaliteit van de nationale armoedestrategieën op een hoog peil te brengen. Daar hoeft geen fonds voor te worden ingesteld.

Bij de begroting en de verantwoording over de begroting is al voldoende gesproken over plausibiliteit en causaliteit.

Toezeggingen

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking informeert de Kamer begin 2007 over de wijze waarop de Nederlandse regering voornemens is uitvoering te geven aan het aanstaande VN-verdrag voor de rechten van personen met een handicap.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van Aartsen

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van Oort


XNoot
1

 Samenstelling:

Leden: De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), ondervoorzitter, Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Wilders (Groep Wilders), Van Baalen (VVD), Van Aartsen (VVD), voorzitter, Van den Brink (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Dijk (CDA), Nawijn (groep Nawijn), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Eijsink (PvdA), Samsom (PvdA), Brinkel (CDA), Szabó (VVD), Jonker (CDA), Koşer Kaya (D66), Nijs (VVD) en Van Schijndel (Groep Eerdmans/Van Schijndel).

Plv. leden: Dijksma (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Arib (PvdA), De Wit (SP), Leerdam (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Griffith (VVD), Varela (LPF), Haverkamp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kant (SP), Eski (CDA), Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Waalkens (PvdA), Dubbelboer (PvdA), Van Winsen (CDA), Veenendaal (VVD), Kortenhorst (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Van Fessem (CDA) en Dittrich (D66).