nr. 9
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 18 januari 2007
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
ARTIKEL I wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel A komt artikel 6a, derde lid, onderdeel a, als volgt
te luiden:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de
Wet op het financieel toezicht, met uitzondering van zaken en rechten als
omschreven in artikel 17a, eerste lid, onderdelen a en b, van deze wet;.
b. In onderdeel C komt artikel 28, tweede lid, onderdeel f, als volgt
te luiden:
f. in de in onderdeel c, aanhef, bedoelde situatie zijn bestuurders
van het lichaam alsmede meer dan de helft van de leden van de raad van commissarissen
van het lichaam niet tevens bestuurder of commissaris van een ander lichaam
bij wie al dan niet tezamen met een verbonden lichaam ten minste één
vierde gedeelte of meer berust van de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid
in het lichaam en staan evenmin in dienstbetrekking tot dat andere lichaam,
met dien verstande dat deze voorwaarde niet geldt ingeval dat andere lichaam
een beleggingsinstelling is als bedoeld in onderdeel c.
TOELICHTING
Algemeen
In de eerste nota van wijziging is aangegeven dat het geen bezwaar ontmoet
dat een vrijgestelde beleggingsinstelling indirect, bijvoorbeeld via een fiscale
beleggingsinstelling met uitdelingsverplichting, in onroerende zaken belegt.
Op die wijze blijft de belastingheffing over de inkomsten uit de onroerende
zaken, via de door de fiscale beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting,
gewaarborgd. Dat blijkt echter niet altijd het geval te zijn.
Op grond van het voorgestelde artikel 6a, derde lid, onderdeel a, van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kan een vrijgestelde beleggingsinstelling
beleggen in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van
de Wet op het financieel toezicht. Ook een participatie in een fiscaal transparant
onroerend goed fonds (dat belegt in Nederlandse onroerende zaken) kan een
dergelijk financieel instrument zijn. Als een buitenlandse belegger rechtspersoon
rechtstreeks participeert in een dergelijk fonds, dan wordt dat belang op
grond van artikel 17a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Vpb 1969 tot een
Nederlandse onderneming gerekend. De buitenlandse belegger is daarvoor op
grond van artikel 17, derde lid, van die wet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting.
Als een buitenlandse belegger natuurlijk persoon rechtstreeks participeert
in een dergelijk fonds, dan leidt dat op de voet van artikel 7.7 van de Wet
IB 2001 tot buitenlandse belastingplicht van die belegger. Als een participatie
in een fiscaal transparant onroerend goed fonds echter door een vrijgestelde
beleggingsinstelling wordt gehouden, dan zou zonder nadere voorziening het
Nederlandse heffingsrecht verloren gaan. De aanpassing van artikel 6a beoogt
dit te voorkomen door te bepalen dat een vrijgestelde beleggingsinstelling
niet mag beleggen in zaken en rechten als omschreven in artikel 17a, eerste
lid, onderdelen a en b, van de Wet Vpb 1969.
Voorts wordt bij deze nota van wijziging een met ingang van 1 januari
2007 ontstane onjuiste verwijzing hersteld. In het voorgestelde artikel 28,
tweede lid, onderdeel f, van de Wet Vpb 1969 (bestuurders- en commissarissen-eis)
wordt nog verwezen naar het vierde lid van artikel 28; dat lid is echter per
1 januari 2007 komen te vervallen (Wet werken aan winst). Voorts wordt
in genoemd onderdeel nog verwezen naar de Wet toezicht beleggingsinstellingen
in plaats van naar de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet op het
financieel toezicht.
In de eerste nota van wijziging is op blz. 5 aangegeven dat de zogenoemde «soepelere»
aandeelhouderseisen van artikel 28, tweede lid, onderdeel c, ook van toepassing
zouden zijn ingeval rechten van deelneming in een beleggingsinstelling worden
aangeboden aan institutionele of professionele partijen. Dat is echter niet
juist. Of de soepelere aandeelhouderseisen van toepassing zijn, hangt namelijk
niet af van die aandeelhouders, maar van het feit of de rechten van deelneming
aan een «breed publiek» worden aangeboden. De eisen van het tweede
lid, onderdeel c, gelden alleen, indien aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid
van de beleggingsinstelling zijn toegelaten tot de handel op een markt in
financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het
financieel toezicht, of de beleggingsinstelling dan wel haar beheerder beschikt
over een vergunning op grond van artikel 2:65 van die wet of daarvan is vrijgesteld
op grond van artikel 2:66, derde lid, van die wet. Dat neemt niet weg dat
beleggingsinstellingen vaak geen hinder ondervinden van de «strengere»
eisen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, omdat zij – net als
thans het geval is – hun rechten van deelneming zonder beperkingen bij
bepaalde institutionele en professionele partijen (zoals vrijgestelde pensioenfondsen)
kunnen plaatsen.
Artikelsgewijze toelichting
Onderdeel I, onder a (artikel 6a, derde lid, van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969)
De aanvulling van artikel 6a, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb 1969,
bewerkstelligt dat de vrijgestelde beleggingsinstelling geen financiële
instrumenten mag aanhouden die bestaan uit in Nederland gelegen onroerende
zaken of rechten daarop. En voorts geen participaties in ondernemingen, andere
dan aangeduid met effectenbezit. Daaronder valt bijvoorbeeld een commanditair
belang in een in Nederland gevestigde onderneming.
Onderdeel I, onder b (artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969)
De bestuurders- en commissarissen-eis heeft oorspronkelijk als doel te
waken tegen aantasting van de onafhankelijkheid van ter beurze genoteerde
beleggingsinstellingen door middel van bestuurders of commissarissen die tevens
een functie vervullen bij een aandeelhouder bij wie (al dan niet tezamen met
een verbonden lichaam) 25% of meer van de aandelen in de beleggingsinstelling
berust. In het onderhavige wetsvoorstel wordt in artikel 28, tweede lid, onderdeel
c, het «beurscriterium» aangevuld met beleggingsinstellingen die
beschikken over een vergunning op grond van de Wet op het financieel toezicht.
Op grond van het voorgestelde onderdeel f geldt de bestuurders- en commissarissen-eis
ook voor die beleggingsinstellingen om onafhankelijkheid te waarborgen. De
voorwaarde geldt echter niet, indien het bedoelde 25%-belang berust
bij een beleggingsinstelling die zelf moet voldoen aan de voorwaarden van
het tweede lid, onderdeel c.
De Minister van Financiën,
G. Zalm