Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730533 nr. 8

30 533
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enkele andere belastingwetten in verband met de introductie van een regeling voor vrijgestelde beleggingsinstellingen en een aanpassing van de eisen voor beleggingsinstellingen met uitdelingsverplichting

nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 26 oktober 2006

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

ARTIKEL I wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel A wordt artikel 6a als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen» vervangen door: artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

2. Het derde lid komt als volgt te luiden:

3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder financiële instrumenten verstaan:

a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

b. derivatencontracten voor de overdracht van kredietrisico;

c. opties, futures, swaps, termijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op klimaatvariabelen, emissievergunningen, inflatiepercentages of andere economische statistieken en die in contanten moeten worden afgewikkeld; en

d. financiële contracten ter verrekening van verschillen.

b. Onderdeel B komt als volgt te luiden:

B. In artikel 17, derde lid, onderdeel b, wordt «in een in Nederland gevestigde vennootschap» vervangen door: in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling,.

c. Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «c. in de situatie waarin het lichaam dan wel zijn beheerder beschikt over een vergunning op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen of daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 4, derde lid, onderdeel a, van die wet, geldt » vervangen door: c. indien de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in dat lichaam zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, of het lichaam dan wel zijn beheerder beschikt over een vergunning op grond van artikel 2:65 van die wet of daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 2:66, derde lid, van die wet, geldt.

2. In het tweede lid wordt «d. in de situatie waarin het lichaam dan wel zijn beheerder niet beschikt over een vergunning op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen of niet daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 4, derde lid, onderdeel a, van die wet, geldt» vervangen door: d. indien de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in dat lichaam niet zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, of het lichaam dan wel zijn beheerder niet beschikt over een vergunning op grond van artikel 2:65 van die wet of niet daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 2:66, derde lid, van die wet, geldt.

3. Het vierde lid vervalt en het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «Na het zesde lid wordt» vervangen door: Na het derde lid wordt. Voorts wordt de aanduiding «7» vervangen door: 4.

II

In ARTIKEL III, onderdeel B, wordt na het tweede lid een lid toegevoegd, luidende:

3. In het vierde lid wordt na de eerste volzin toegevoegd: De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot rechtspersonen die een vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

III

Na ARTIKEL III wordt, onder vernummering van artikel IV tot artikel V, een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IV

De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 4b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «meer dan 15% van zijn vermogen» vervangen door: meer dan 40% van zijn vermogen.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «gebruik mag maken van» vervangen door: gebruik maakt van.

3. In het zevende lid wordt «meer dan 15% te bedragen» vervangen door: meer dan 40% te bedragen.

B. Artikel 4b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «meer dan 40% van zijn vermogen» vervangen door: meer dan 25% van zijn vermogen.

2. In het zevende lid wordt «meer dan 40% te bedragen» vervangen door: meer dan 25% te bedragen.

IV

Artikel V (nieuw) komt als volgt te luiden:

ARTIKEL V

1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

2. Artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vindt ten aanzien van beleggingsinstellingen als bedoeld in dat artikel voor het eerst toepassing met betrekking tot het boekjaar dat aanvangt op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

3. Artikel 3.29a van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt voor het eerst toepassing aan het einde van het eerste boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari 2007.

4. De wijzigingen ingevolge artikel III vinden toepassing op de opbrengst van de in artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen, die op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet ter beschikking is gesteld.

5. In afwijking van het eerste lid treedt artikel IV, onderdeel B, in werking op 1 januari 2011.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging bevat de volgende vijf aanpassingen:

1. Een uitbreiding van de financiële instrumenten waarin de vrijgestelde beleggingsinstelling mag beleggen;

2. Uitsluiting van belangen in vrijgestelde beleggingsinstellingen van de buitenlandse belastingplicht op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

3. Het handhaven van het huidige beurscriterium naast het voorgestelde vergunningscriterium voor de fiscale beleggingsinstelling;

4. Het uitsluiten van de teruggaafmogelijkheid van dividendbelasting voor buitenlandse beleggingsinstellingen;

5. Geen verplichte renseignering bij collectieve beleggingsinstellingen die minder dan het in de spaarrenterichtlijn1 genoemde percentage van 40% en vanaf 1 januari 2011 25% beleggen in schuldvorderingen. Thans is dit percentage 15%.

Deze wijzigingen zijn, met uitzondering van punt 4, aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag en worden in de artikelsgewijze toelichting nader toegelicht. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het voorstel aan te passen aan de wijzigingen ingevolge de Wet werken aan winst (Kamerstukken 30 572) en de Wet op het financieel toezicht (Kamerstukken 29 708).

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Onderdeel I, onder a (artikel 6a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Voor het begrip financieel instrument wordt op hoofdlijnen aangesloten bij artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daaraan worden enkele categorieën van financiële instrumenten toegevoegd die zijn opgenomen in de definitie van de Mifid-richtlijn1. Deze richtlijn dient in 2007 in de Nederlandse wetgeving te worden geïmplementeerd. Het Wft-begrip financiële instrumenten (onderdeel a) is ruimer dan de opsomming van de financiële instrumenten zoals oorspronkelijk in artikel 6a, derde lid, was opgenomen. Onder het begrip financieel instrument in de zin van de Wft vallen namelijk ook instrumenten die betrekking hebben op beleggingen in grondstoffen (grondstofderivaten). De aanvullend opgenomen eerdergenoemde financiële instrumenten van de Mifid-definitie zijn instrumenten voor de overdracht van kredietrisico’s (de zogenoemde credit default swaps, onderdeel b), derivatencontracten met betrekking tot andere objecten (bijvoorbeeld emissierechten, onderdeel c) en instrumenten ter verrekening van verschillen (onderdeel d). Voorgaande uitbreiding komt tegemoet aan de behoefte van institutionele beleggers om in toenemende mate een gedeelte van hun vermogen te beleggen in verschillende soorten derivatencontracten.

Ook vastgoed is een belangrijk beleggingsinstrument voor binnen- en buitenlandse institutionele beleggers, zoals bijvoorbeeld pensioenfondsen. Doordat de vrijgestelde beleggingsinstelling niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting en niet inhoudingsplichtig is voor de dividendbelasting, zou het rechtstreeks mogen onderbrengen van vastgoed in een dergelijke beleggingsinstelling betekenen dat Nederland in buitenlandse verhoudingen eenzijdig van elke belastingheffing ter zake van het vastgoed afziet. Het ontmoet echter geen bezwaar dat een vrijgestelde beleggingsinstelling indirect, bijvoorbeeld via een fiscale beleggingsinstelling met uitdelingsverplichting, in onroerende zaken belegt. Dat is mogelijk omdat aandelen in een dergelijke beleggingsinstelling vallen onder het begrip financieel instrument als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. De belastingheffing over de onroerende zaken blijft in een dergelijke situatie, via de door de fiscale beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting, gewaarborgd.

Onderdeel I, onder b (artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Een in het buitenland gevestigd lichaam is op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 belastingplichtig voor een belang van ten minste 5% in een vrijgestelde beleggingsinstelling als dat belang niet tot zijn ondernemingsvermogen behoort. Zoals is opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag, is het de vraag of dit zich in de praktijk zal voordoen. Er bestaat echter geen bezwaar tegen om ten behoeve van de rechtszekerheid belangen in vrijgestelde beleggingsinstellingen expliciet uit te sluiten van artikel 17, derde lid. Hierbij is mede van belang dat vrijgestelde beleggingsinstellingen geen verdragsbescherming hebben en slechts kunnen beleggen in financiële instrumenten die worden verhandeld op een gereguleerde kapitaalmarkt. Het is dus onwaarschijnlijk dat vrijgestelde beleggingsinstellingen kunnen worden gebruikt voor doorstroomconstructies. In de onderhavige wijziging worden belangen in vrijgestelde beleggingsinstellingen uitgezonderd van artikel 17, derde lid.

Onderdeel I, onder c (artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Op grond van deze wijziging blijft het huidige beurscriterium naast het voorgestelde vergunningscriterium voor de fiscale beleggingsinstelling bestaan. De (soepelere) aandeelhoudersvereisten van artikel 28, tweede lid, onderdeel c, onder 1° zijn dus zowel van toepassing als de aandelen van het lichaam zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht die op 1 januari 2007 in werking zal treden (dat wil zeggen beursgenoteerd zijn), als indien het lichaam beschikt over een vergunning op grond van artikel 2:65 van de Wet op het financieel toezicht (of daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 2:66, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht). Hierdoor wordt bereikt dat beursgenoteerde beleggingsinstellingen die geen vergunning hebben, nog steeds in aanmerking kunnen komen voor het regime van de fiscale beleggingsinstelling.

De soepelere aandeelhouderseisen zullen ook van toepassing zijn in geval rechten van deelneming in een beleggingsinstelling worden aangeboden aan institutionele of professionele partijen. Immers, beheerders van beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming worden aangeboden aan professionele partijen, zijn op grond van de Wft vrijgesteld van de vergunningplicht.

De wijziging van artikel 28, vierde lid, is komen te vervallen, omdat de daarin opgenomen waarderingsverplichting als gevolg van wijzigingen die voortvloeien uit de Wet Werken aan winst, voortaan wordt geregeld in artikel 13a van de Wet Vpb 1969.

Onderdeel II (artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965)

In de Wet werken aan winst wordt aan artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting een vierde lid toegevoegd op grond waarvan de bestaande regeling tot teruggaaf van dividendbelasting eveneens wordt opengesteld voor rechtspersonen die weliswaar in het buitenland zijn gevestigd maar overigens in een zelfde positie verkeren als de in artikel 10, eerste lid, bedoelde Nederlandse rechtspersonen. De in deze nota van wijziging opgenomen aanvulling van het vierde lid bewerkstelligt dat buitenlandse beleggingsinstellingen, evenals Nederlandse vrijgestelde beleggingsinstellingen, geen recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting.

Onderdeel III (Artikel 4b van de Wet internationale bijstandverlening)

De doelstelling van dit wetsvoorstel is te komen tot een verbetering van het vestigingsklimaat voor beleggingsinstellingen door versterking van de nationale, fiscale infrastructuur voor beleggingsinstellingen. Met het oog op versterking van de concurrentiepositie van in Nederland gevestigde beleggingsinstellingen kan ook worden gekeken naar de verplichtingen waaraan beleggingsinstellingen zich hebben te houden uit hoofde van de spaarrenterichtlijn. De spaarrenterichtlijn is geïmplementeerd in de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (hierna: WIB). De verplichtingen voor in Nederland gevestigde beleggingsinstellingen volgen uit hetgeen hierover in hoofdstuk IA van die wet is te vinden.

De beleggingsinstelling met de status van collectieve beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 4b, tweede lid, van de WIB, heeft de administratieve last te dragen van een verruimd rentebegrip, en daarmee van een ruimere renseigneerplicht dan andere financiële instellingen, bedoeld in artikel 4i van de WIB. Voor collectieve beleggingsinstellingen, waaronder icbe’s, heeft het rentebegrip namelijk eveneens betrekking op het rente-element in «dividendachtige» uitkeringen (artikel 4b, eerste lid, onderdeel b, van de WIB) of vervreemdingsvoordelen met daarin een rente-element (artikel 4b, eerste lid, onderdeel c, van de WIB). Verplichte renseignering is, gezien artikel 4b, eerste lid, onderdeel c, en zevende lid, van de WIB, niet aan de orde als de in Nederland gevestigde collectieve beleggingsinstelling minder dan 15% van zijn vermogen belegt in schuldvorderingen. De spaarrenterichtlijn noemt in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, en derde lid, eerste volzin, evenwel een doelmatigheidspercentage van 40%. Door in artikel 4b, eerste lid, onderdeel c, en artikel 4b, zevende lid, van de WIB deze ruimte niet te benutten bestaat in de markt het gevoel dat Nederlandse icbe’s ter zake met een hogere administratieve last worden opgezadeld dan nodig is. Daarom wordt in artikel IV, onderdeel A, van dit wetsvoorstel voorgesteld de redactie van artikel 4b, eerste lid, onderdeel c, en artikel 4b, zevende lid, van de WIB te herzien. Op deze manier wordt de concurrentiepositie versterkt van Nederland als vestigingsland voor beleggingsinstellingen.

De in artikel IV, onderdeel A, gehanteerde interpretatie van de artikel 6, eerste lid, onderdeel d, derde lid, eerste volzin, en zesde lid, eerste volzin, sluit aan bij de gedachte Europese regelgeving niet te implementeren op een wijze die onnodig belastend is voor het bedrijfsleven. Andere landen, zoals Luxemburg en Ierland, volgen eveneens deze gedachtegang. Daarbij moet wel worden aangetekend dat aansluiting zoeken bij de ruimte die de spaarrenterichtlijn biedt, betekent dat collectieve beleggingsinstellingen die meer dan 15%, maar minder dan 40% van hun vermogen beleggen in schuldvorderingen, voor directe rentebetalingen wel verplicht zijn tot automatische renseignering, maar niet ter zake van de rente die wordt betaald bij verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming. Het enkele bestaan van dit onderscheid betekent dat de beleggingsinstellingen worden gedwongen een dubbel criterium te gaan hanteren. Deze administratieve last weegt evenwel niet op tegen het concurrentienadeel dat collectieve beleggingsinstellingen thans ondervinden van beleggingsinstellingen elders.

Artikel 6, zevende lid, van de spaarrenterichtlijn schrijft voor dat het percentage in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, en derde lid, vanaf 1 januari 2011 dient te worden gesteld op 25%. De in artikel IV, onderdeel B, voorgestelde wijziging sluit hierbij aan.

Voorts wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt een redactionele onvolkomenheid in de redactie van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de WIB te herstellen. In die bepaling wordt in lijn met de Nederlandse tekstversie van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, ten tweede, van de spaarrenterichtlijn gesproken van collectieve beleggingsinstellingen die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid die in de WIB in artikel 4e is terug te vinden. Andere tekstversies beperken deze groep tot degene die ook daadwerkelijk van de keuzemogelijkheid gebruik heeft gemaakt. De Duitse versie spreekt van «Einrichtungen, die von der Wahlmöglichkeit des Artikels 4 Absatz 3 Gebrauch gemacht haben». In artikel IV, onderdeel A, wordt de reikwijdte van de WIB tot deze proporties teruggebracht.

Onderdeel IV (inwerkingtredingsbepaling)

In de inwerkingtredingsbepaling is bepaald dat een beleggingsinstelling voor het eerst onder het regime van artikel 6a van de Wet Vpb 1969 kan vallen met ingang van het boekjaar dat aanvangt op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Artikel 3.29a van de Wet IB 2001 vindt met betrekking tot een belegging in een vrijgestelde beleggingsinstelling evenwel voor het eerst toepassing bij het einde van het boekjaar dat op of na 1 januari 2007 is aangevangen. Zodoende wordt ondernemingen de mogelijkheid geboden om hun belangen waarop dat artikel van toepassing is, te herstructureren.

De wijzigingen in de Wet op de dividendbelasting 1965 zullen van toepassing zijn op winstuitdelingen die op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet beschikbaar worden gesteld.

De Minister van Financiën,

G. Zalm


XNoot
1

Richtlijn nr. 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU 2005, L 157).

XNoot
1

Richtlijn nr. 2004/39/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (PbEU 2004, L 145).