nr. 2
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 10 maart
2006 en het nader rapport d.d. 23 maart 2006, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de ministers van Verkeer
en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het advies van de Raad
van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 1 februari 2006, no. 06.000340, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens
de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de
Wijziging van de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de
bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR);
Genève, 24 juni 2005, met toelichtende nota.
De verdragswijziging ziet op wijzigingen en aanvullingen van de Europese
Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen
in het internationale vervoer over de weg (hierna: AETR)1, in verband met de introductie van de digitale tachograaf in de Europese
Unie op grond van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december
1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer2.
De Raad van State maakt een opmerking over de bevoegdheid van de lidstaten
tot het aangaan van de verdragswijziging.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 1 februari
2006, no. 06.000340, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake de bovenvermelde verdragswijziging rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 10 maart 2006, nr. W02.06.0024/II, bied ik U hierbij
aan.
1. Bevoegdheid lidstaten tot verdragswijziging
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
kan de communautaire bevoegdheid om internationale overeenkomsten te sluiten
onder meer voortkomen uit handelingen die door de communautaire instellingen
op grond van EG-verdragsbepalingen worden verricht.3Wanneer
een EG-regeling is ingevoerd, zijn de lidstaten echter niet langer gerechtigd
om – individueel of collectief – met derde landen verplichtingen
aan te gaan, die deze regels aantasten.4 In het
voorliggende geval is onder meer sprake van EG-regelingen in de vorm van twee
verordeningen van de Raad die zien op regulering van het wegvervoer, namelijk
de eerdergenoemde verordening nr. 3821/85 en verordening (EEG) nr. 3820/85
van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften
van sociale aard voor het wegvervoer1.
De Raad is daarom van oordeel dat niet de lidstaten, maar de Gemeenschap tot
de onderhavige wijziging van het AETR had moeten besluiten, dan wel dat de
Raad van Ministers op voorstel van de Commissie mandaat aan de lidstaten had
moeten geven om in het belang van en namens de Gemeenschap te onderhandelen
en tot de verdragswijziging te besluiten.
In het licht van het voorgaande adviseert de Raad in de toelichtende nota
aan te geven in hoeverre en op welke wijze er afstemming met de Gemeenschap
heeft plaatsgevonden.
De opmerking over de bevoegdheidskwestie van de Europese Gemeenschappen
geeft aanleiding tot de volgende verheldering.
Op het gebied van het vervoer, in het bijzonder wat betreft de bevoegdheid
om verdragen daarover te sluiten, zijn veel bevoegdheden inderdaad overgegaan
naar de Europese Gemeenschap (EG) omdat ter zake inmiddels veel Europese regelgeving
is ingevoerd. In die zin is er op het onderhavige gebied thans inderdaad sprake
van exclusieve bevoegdheid van de EG. De EG kan die bevoegdheid echter in
veel gevallen (nog) niet zelf in volle omvang uitoefenen. Veel internationale
regelingen op vervoersgebied komen tot stand onder de vlag van de Verenigde
Naties (VN), zoals in casu binnen de Economische Commissie voor Europa (ECE/VN),
en haar gespecialiseerde organisaties, zoals de Internationale Maritieme Organisatie
(IMO) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO). De EG is geen
partij bij deze organisaties waarvan het lidmaatschap alleen openstaat voor
staten; de EG heeft bij deze organisaties wel een waarnemersstatus. In de
praktijk is een werkwijze gegroeid waarbij de Europese Commissie en de lidstaten
in deze internationale organisaties nauw samenwerken bij de totstandbrenging
en wijziging van internationale regelgeving op terreinen waar de EG bevoegd
is.
De onderhavige wijzing van het AETR-verdrag is voorbereid in het kader
van de ECE/VN te Genève. De Europese Commissie heeft samen met de EG-lidstaten
deelgenomen aan de onderhandelingen en speelt een actieve rol bij het verdere
streven naar harmonisatie van de AETR- en de Europese regelgeving. De wijziging
van het AETR-verdrag is derhalve in goede afstemming tussen de lidstaten en
de Gemeenschap tot stand gekomen.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoelde verdragswijziging
wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U mede namens mijn ambtgenoten van Verkeer en Waterstaat en van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verzoeken mij te machtigen gevolg te geven
aan mijn voornemen de verdragswijziging vergezeld van de toelichtende nota
ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot
XNoot
1Totstandgekomen op 1 juli 1970 te Genève (Trb. 1972, 97) en
later gewijzigd op 2 februari 1982 (Trb. 1982, 107), 24 juli 1991
(Trb. 1992, 145), 30 augustus 1993 (Trb. 1994, 123) en 27 mei 2003
(Trb. 2005, 24).
XNoot
3HvJ EG zaak 22/70 (AETR), Jur. 1971, p. 263, bevestigd in o.a. HvJ EG
advies 1/94 (WTO), Jur. 1994, p. I-5267 en HvJ EG zaak C-266/03 (Commissie/Luxemburg),
2 juni 2005 (n.n.g.).
XNoot
4Zie de eerdere advisering hierover van de Raad in Kamerstukken II 2005/06,
30 441, B en nr. 2, alsmede het advies van de Raad van 19 december
2005, nr. W09.05.0517/V.
XNoot
1PbEG 1985, L 370. Deze verordening zal op termijn worden vervangen door
een verordening tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard
voor het wegvervoer, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december
1985 en verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998,
en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december
1985.