Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730515 nr. 6

30 515
Wijziging van de Opiumwet in verband met het creëren van de mogelijkheid voor de burgemeester om bestuursdwang toe te passen ter handhaving van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in woningen, niet voor het publiek toegankelijke lokalen of bij woningen of die lokalen behorende erven

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 10 november 2006

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Wij hebben met instemming kennis genomen van de brede steun die het wetsvoorstel geniet. Zoals werd aangegeven in de memorie van toelichting en in diverse overleggen met de Tweede Kamer over het drugsbeleid, hebben gemeenten bij de uitvoering van het lokale drugsbeleid grote behoefte aan de voorgestelde regeling. De illegale verkoop van drugs uit woningen heeft zich in de loop der jaren zodanig ontwikkeld dat deze bijdraagt aan de verloedering van wijken en leidt tot onveilige situaties voor burgers. Er is sprake van een professionele criminaliteit die elke ruimte die de wet nog laat ten volle uitbuit. De beschikbare financiële middelen maken de aanschaf van woonpanden met het uitsluitende doel om er illegaal drugs te verkopen vrij eenvoudig. De wettelijke mogelijkheden van de overheid om daartegen op te treden, zo heeft de praktijk geleerd, zijn te beperkt. Dit komt omdat de illegale verkoop zodanig is ingericht dat er geen sprake is van verstoring van de openbare orde, althans dat deze niet in rechte kan worden vastgesteld. Wij zijn ons ervan bewust dat de voorgestelde bevoegdheid om woningen te kunnen sluiten een verregaande bevoegdheid is, zeker wanneer het zou gaan om een pand waarin ook daadwerkelijk wordt gewoond. Het gaat echter nagenoeg altijd om woningen die niet of slechts naar uiterlijke schijn worden bewoond. Wij begrijpen dat de gestelde vragen vooral zijn ingegeven om een proportionele inzet van deze sluitingsbevoegdheid te verzekeren. Dit heeft aanleiding gegeven tot nader overleg met en raadpleging van gemeenten. Wij menen er verder goed aan te doen hier aan te geven dat het niet de bedoeling is bij een eerste overtreding van de Opiumwet acuut tot sluiting van de woning over te gaan. Zoals thans bij toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet, zal ook voor het gewijzigde artikel 13b van de Opiumwet gelden dat er gefaseerd wordt opgetreden. Bij een eerst constatering van drugshandel wordt veelal volstaan met minnelijk vooroverleg, een schriftelijke waarschuwing of het opleggen van een dwangsom. Met het oog op sluitingen hebben gemeenten ook stappenplannen ontwikkeld of zijn daar nog mee bezig. De website van het Centrum Criminaliteitspreventie Veiligheid bevat een voorbeeld van een stappenplan voor de sluiting van een woning met een toelichting hoe men te werk dient te gaan. Kort samengevat zijn de stappen als volgt:

1) de voorbereiding van een besluit tot sluiting, waarvan een waarschuwing aan de belanghebbende vast onderdeel uitmaakt, opdat deze in de gelegenheid is de illegale verkoop te (doen) beëindigen;

2) het horen van de belanghebbende voorafgaand aan het besluit;

3) de belangenafweging door de burgemeester mede aan de hand van datgene wat de belanghebbende naar voren heeft gebracht;

4) de motivering van het besluit;

5) de bekendmaking aan de belanghebbende en aan derden;

6) de feitelijke sluiting en

7) het verhaal van de kosten.

Verder is van belang dat de sluiting van een woning krachtens artikel 13b van de Opiumwet van tijdelijke aard is. Indien, in voorkomend geval, de opheffing van een sluiting niet verantwoord is, kan op grond van de Wet Victor van 28 mei 2002 (Stb. 2002, nr. 348) worden opgetreden. Bij deze wet zijn de Woningwet, de Onteigeningswet en het Burgerlijk Wetboek aangevuld met bevoegdheden die variëren van het na een gemeentelijke aanschrijving aan een ander in gebruik of beheer geven van de gesloten woning tot en met onteigening van de woning ten name van de gemeente.

Tegen deze achtergrond zijn wij van oordeel dat de uitbreiding van de sluitingsbevoegdheid in artikel 13b van de Opiumwet een noodzakelijke en proportionele aanvulling is op het bestaande juridische instrumentarium.

Wij zullen hierna de vragen beantwoorden in de volgorde waarin ze zijn gesteld.

2. Rechtvaardiging van de verdergaande maatregel

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de reikwijdte van het wetsvoorstel, meer in het bijzonder naar de reikwijdte van de zinsnede «dan wel daartoe aanwezig is». Wij stellen voorop dat de geciteerde zinsnede onderdeel vormt van de huidige tekst van artikel 13b van de Opiumwet en dus niet met deze wetswijziging wordt geïntroduceerd. Over onhelderheid of problemen met de toepassing ervan is tot op heden niet gebleken. Deze zinsnede is opgenomen om te voorkomen dat de toepassing van artikel 13b alleen mogelijk zou zijn na ontdekking op heterdaad van verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. Overigens vindt in de praktijk optreden tegen panden pas plaats, nadat al is geconstateerd dat er sprake is van illegale verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. Die constatering is vastgelegd in informatie die door de gemeente is vergaard, meer in het bijzonder in processen in processen-verbaal van de politie over waarnemingen van gedragingen in en rond het pand en/of verklaringen van kopers. Het enkele aantreffen van drugs in een pand zonder dat er sprake is van enige indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt werden, is niet voldoende voor het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet. Dat zal voor woningen niet anders zijn.

Gevraagd door deze leden naar de relatie tussen de voorgestelde wijziging van artikel 13b van de Opiumwet en de bestrijding van illegale wietteelt in woningen, merken wij op dat het voorgestelde artikel niet strekt tot het terugdringen van de illegale teelt. De reden hiervoor is dat bij de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Stb. 2005, nr. 726) een nieuw artikel 97 is ingevoegd in de Woningwet, dat de bevoegdheid bevat om woningen te sluiten wegens illegale wietteelt.

Ook vroegen de leden van de CDA-fractie naar de toepassingsmogelijkheid bij growshops. Growshops, zoals we deze kennen, zijn doorgaans aan te merken als voor het publiek toegankelijke lokalen en kunnen dus onder de werking van het bestaande artikel 13b van de Opiumwet vallen indien er ook Opiumwetmiddelen worden verhandeld of daartoe aanwezig zijn. De voorgestane wijziging van artikel 13b is daarvoor dus niet nodig. Dit ligt anders in het geval een growshop bouwkundig in verbinding staat met een woning en er legale activiteiten en illegale activiteiten plaatsvinden. Te denken valt hierbij aan verkoop van stekjes van hennepplanten vanuit het woongedeelte. Artikel 13b van de Opiumwet in zijn huidige en toekomstige vorm leent zich echter niet voor toepassing tegen growshops die uitsluitend legale middelen voor het telen van wiet verkopen.

Deze leden vroegen verder welke betekenis de sluiting van een pand heeft voor de bewoner of eigenaar. Voor zover er al sprake is van werkelijke bewoning zal de sluiting voor de bewoner betekenen, dat hij zal moeten omzien naar andere woonruimte. De sluiting op zichzelf brengt geen wijziging in de eigendomsverhoudingen. Wel is van belang dat op grond van de in de inleiding van deze nota genoemde Wet Victor verdergaande maatregelen kunnen worden getroffen die in het uiterste geval ook onteigening kan inhouden op grond van artikel 77, eerste lid, sub 6, van de Onteigeningswet.

Gevraagd door de leden van de CDA-fractie naar de mogelijkheid om aan de sluiting van een pand ook een strafrechtelijke veroordeling van de eigenaar te koppelen, is moeilijk in algemene zin te beantwoorden. Strafrechtelijk optreden tegen de eigenaar is niet bij voorbaat uitgesloten, maar zal wel afhangen van de mate van zijn betrokkenheid bij de illegale verkoop van drugs.

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom een sterk verspreide ligging van de illegale verkooppunten problemen veroorzaakt als de gemeente wil overgaan tot het sluiten van een woning op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. Om over te kunnen gaan tot het sluiten van een woning op grond van artikel 174a dient verstoring van de openbare orde aangetoond te worden. In de praktijk is gebleken dat de rechter in gemeenten waar sprake is van een sterke concentratie van illegale verkooppunten binnen een beperkt gebied waarbinnen het openbare orde probleem algemeen bekend is, minder zware eisen stelt aan het in individuele gevallen aantonen van ernstige verstoring van de openbare orde. In gemeenten waar sprake is van verspreid liggende illegale verkooppunten en waarbij er geen sprake is van algemeen bekende problemen rond de openbare orde, stelt de rechter strengere eisen bij het aantonen van de verstoring van de openbare orde in concreto.

De leden van de fracties van de PvdA en de ChristenUnie vroegen waarom het advies van de Raad van State niet was overgenomen om de vormen van bestuursdwang in artikel 13b van de Opiumwet nader te omschrijven en wezen daarbij op een verband met artikel 13 van het EVRM. Het advies van de Raad van State strekte ertoe om in het voorgestelde artikel voorbeelden van bestuursdwang op te nemen. Wij wijzen erop dat het niet gebruikelijk is om de aard van de bestuursdwang in de wet te omschrijven. Dit vloeit voort uit de gedachte dat bestuursdwang in diverse situaties kan worden toegepast en dat de concrete maatregel telkens op maat gesneden zal moeten zijn. Door nu in de Opiumwet vormen van bestuursdwang op te nemen, zal onwillekeurig de indruk van een rangorde worden gewekt. Dat op zijn beurt kan leiden tot een ongewenste belasting van de uitvoeringspraktijk. Wij erkennen met de Raad van State de noodzaak om zorgvuldig om te gaan met wettelijke bevoegdheden die het woonrecht beperken. Wij zijn echter van mening dat de wettelijke context waarin deze wetswijziging tot stand komt (naast artikel 174a van de Gemeentewet en de genoemde Wet Victor) en de bestaande uitvoeringspraktijk, in het bijzonder de hantering van een stappenplan, een goede balans tussen het algemeen belang en het individuele belang op ongestoord genot van de woning voldoende waarborgt. Tegen deze achtergrond geven wij er de voorkeur aan de bestuursdwang niet nader te omschrijven.

De leden van deze fractie vroegen of de onderhavige wetswijziging ertoe bijdraagt dat een snellere verbeurdverklaring van een woning mogelijk wordt, wanneer er sprake is van illegale verkooppunten. Wij merken hierbij op dat verbeurdverklaring een bijkomende straf is die de strafrechter bij een veroordeling kan opleggen. Het gewijzigde artikel 13b van de Opiumwet bevordert het toepassen van bestuursdwang en daarin heeft de strafrechter geen rol.

De leden van de VVD-fractie vroegen – tegen de achtergrond van het rapport «Cannabis zonder coffeeshop1 » (voortaan: het coffeeshop rapport) waarin wordt vermeld dat het aandeel van de illegale verkoop van drugs vanuit woningen in verhouding tot andere illegale verkoopwijzen als«onder de toonbankdealers», horecagelegenheden, «06-dealers» en«straatdealers» moeilijk in te schatten is – wat de geschatte resultaten van deze wetswijziging zullen zijn. Wij merken op, dat artikel 13b van de Opiumwet, noch de voorgestelde wijziging daarvan, de panacee voor het probleem van de illegale verkoop van drugs zal zijn. Er zijn immers diverse vormen van illegale verkoop, zodat een gedifferentieerde aanpak nodig is. Uiteraard is het gewenst dat niet alleen tegen illegale verkoop vanuit woningen wordt opgetreden, maar ook tegen die andere vormen van illegale verkoop. Dit vergt een integrale aanpak waarop in paragraaf 3, bij de beantwoording van nadere vragen van deze en andere leden zal worden ingegaan.

De leden van deze fractie vroegen onder verwijzing naar het coffeeshop rapport en naar de waarschuwing van de Raad van State voor de beperking van het recht op het ongestoorde genot van eigendom om een inschatting van de urgentie van deze wetswijziging. Wij zijn ons bewust van de ingrijpendheid van de bevoegdheid die met dit wetsvoorstel aan de burgemeester wordt toegekend. Om die reden is aan het opstellen van het wetsvoorstel uitvoerig overleg met gemeenten voorafgegaan om na te gaan of het bestaande instrumentarium niet toch voldoende was, op een juiste wijze werd benut en of er alternatieven denkbaar waren. In het bijzonder de pogingen tot toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet, zoals beschreven in de memorie van toelichting, hebben de aard van de huidige problematiek rond woningen die worden misbruikt voor de illegale verkoop van drugs aan het licht gebracht. Dat die problematiek onverminderd bestaat, is bevestigd in onder andere bijeenkomsten met dan wel bezoeken aan gemeenten. Bijzonder pregnant is de situatie in de grensstreek waar – mede als gevolg van het drugstoerisme – veel structurele, illegale drugshandel vanuit woningen voorkomt en waartegen op grond van het huidige artikel 174a van de Gemeentewet niet effectief kan worden opgetreden. De reden daarvoor is, dat het illegale verkooppunten betreft ten aanzien waarvan ernstige verstoring van de openbare orde moeilijk kan worden aangetoond. Deze illegale drugshandel heeft een georganiseerd karakter en gaat gepaard met onder andere intimidatiepraktijken tegen omwonenden, waardoor overlastmeldingen en/of zichtbare overlast niet of nauwelijks sprake is. Dit draagt bij aan verloedering van de woonomgeving, die evenzeer onwenselijk is. De ontwikkelingen die de illegale verkoop vanuit woningen de laatste jaren heeft doorgemaakt, maakt het optreden ertegen alleen maar meer noodzakelijk. Dat optreden dient zichtbaar effectief te zijn. Nu het gemeenten niet of slechts zeer moeizaam lukt om op basis van de huidige instrumenten adequaat en zichtbaar op te treden tegen de verkoop van (soft)drugs uit woningen, leidt dit bij omwonenden tot veel frustraties, aangezien een hardnekkige kern van illegale verkooppunten blijft bestaan. Dit tast de geloofwaardigheid van de overheid aan.

Deze leden vroegen verder of artikel 13b van de Opiumwet in alle gevallen waarin sprake is van illegale verkooppunten meteen zal worden ingezet of dat het als «laatste redmiddel» zal worden gebruikt. In het overleg met gemeenten voorafgaand aan de opstelling van het wetsvoorstel en naar aanleiding van het verslag, is duidelijk geworden dat deze wijziging van de Opiumwet niet alleen bedoeld is, maar ook gezien wordt als een aanvulling op de bestaande instrumenten. Met andere woorden, waar andere instrumenten naar verwachting of ervaring geen soelaas bieden, zal het worden ingezet. Aangezien de aard en de ligging van illegale verkooppunten per gemeente kan verschillen, zal het steeds om lokaal maatwerk gaan. De keuze voor de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet of artikel 174a van de Gemeentewet om illegale verkooppunten tegen te gaan, zal daarom afhangen van de plaatselijke situatie.

De leden van de SP-fractie stelden een aantal vragen over het sofdrugsbeleid die al aan de orde zijn gekomen in het zeer uitvoerige debat over onder meer het «Maastrichts Manifest» tijdens het algemeen overleg van 22 juni 2006.Wij volstaan daarom hier met de opmerking dat in het toen door de regering ingenomen standpunt geen wijziging is opgetreden.

De vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie waarom niet nader wordt ingegaan op de bezwaren van de NOvA berust, denken wij, op een misverstand. De inleiding van de memorie van toelichting bevat een reactie op alle ontvangen adviezen. Juist omdat het advies van de NOvA als enige negatief was, is – met in achtneming van de verschillende aspecten daarvan – gemotiveerd aangegeven waarom dit advies niet is overgenomen.

Het verzoek van deze leden om in het wetsvoorstel expliciet aan te geven welke vormen van bestuursdwang worden bedoeld, is betrokken bij de beantwoording van een soortgelijke vraag van de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen de regering tevens om duidelijker uit te leggen hoe met deze wetswijziging de last van de dossiervorming daadwerkelijk verkleind wordt voor de burgemeester en niet verschoven wordt «van gehandhaafd artikel 174a van de Gemeentewet naar nieuw artikel 13b van de Opiumwet» wanneer alsnog vele stappen van een handhavingsmatrix doorlopen moeten worden eer overgegaan kan worden tot sluiting. Zoals in de inleiding is aangegeven wordt er inderdaad gefaseerd opgetreden. Daartoe dient het stappenplan. Dit houdt nauw verband met de ook door deze leden beoogde proportionaliteit van het overheidsoptreden. Onderdeel van de eerste fase van het optreden vormt de dossiervorming. Bij de voorbereiding van de sluiting van een woning krachtens artikel 174a van de Gemeentewet is het moeilijkste onderdeel voldoende gegevens te verzamelen óver de volgens dat artikel vereiste ernstige verstoring van de openbare orde. Bij de voorbereiding van de sluiting van een woning op grond van de Opiumwet is dat niet nodig. Daarbij kan worden volstaan met het verzamelen van gegevens over de illegale verkoop, etc. van drugs. In de praktijk is bij de toepassing van het bestaande artikel 13b van de Opiumwet gebleken dat dit aanzienlijk eenvoudiger is. Tegen deze achtergrond dient de opmerking over het verminderen van de last van de dossiervorming worden gelezen.

3. Integrale aanpak

De CDA-fractie vroeg welke aanscherpingen of aanvullende maatregelen er nodig zijn om op lokaal niveau drugspanden te kunnen aanpakken en hoe de regering de gemeenten hiervan op de hoogte gaat stellen. Het optreden tegen woningen op grond van artikel 13b van de Opiumwet zal niet op zichzelf staan. Het zal onderdeel uitmaken van door gemeenten te voeren integraal beleid. Dat houdt in dat gemeenten – meestal als onderdeel van het coffeeshopbeleid – kenbaar en duidelijk beleid dienen te hebben geformuleerd over de aanpak van illegale verkooppunten, dat ook is afgestemd in de lokale driehoek. Aanvullend op dit beleidskader zullen in de driehoek afspraken moeten zijn gemaakt over het gecombineerde optreden van het gemeentebestuur, de politie en het openbaar ministerie bij de aanpak van illegale verkooppunten. In dit verband zal vanuit onze departementen in samenwerking met het Centrum voor Criminaliteitsbestrijding en Veiligheid (CCV), een aantal gemeenten en de VNG een model voor een handhavingsarrangement worden opgesteld. Dit model komt via de website van het CCV beschikbaar voor alle gemeenten en dient ertoe dat gemeenten, voor zover ze dat nog niet hebben gedaan, een op de lokale situatie toegespitste integrale aanpak ontwikkelen.

De CDA-leden hoorden tenslotte graag van de regering of met dit wetsvoorstel tegemoet kan worden gekomen aan alle praktische knelpunten bij het binnenvallen, sluiten en het gesloten houden van drugspanden of dat er nog situaties zijn waarvoor dit wetsvoorstel geen oplossing biedt. De voorgestelde wetswijziging completeert het juridische instrumentarium en staat dus niet op zichzelf. Het is de verwachting van de praktijk dat hiermee een belangrijke hindernis voor effectief optreden wordt opgeheven. Op dit moment is niet gebleken dat er meer wetgevende maatregelen nodig zijn. Dit biedt geen absolute garantie voor de toekomst. Zoals de ervaringen met artikel 174a van de Gemeentewet hebben geleerd, zal het overheidsoptreden tegen de drugshandel leiden tot reacties vanuit de criminele wereld. Dit kan te zijner tijd aanleiding geven tot heroverweging van het wettelijke instrumentarium.

De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie stelden een aantal vragen over het risico dat door intensief optreden tegen illegale verkooppunten de illegale handel zal verschuiven naar koeriersdiensten, 06en straatdealers. Het is een algemeen feit dat bestrijding van criminaliteit het ongewenste neveneffect kan hebben dat de criminaliteit zich verplaatst dan wel zich transformeert en in een andere vorm weer opduikt. Dit is bij de aanpak van illegale verkoop van drugs uit woningen niet anders. In feite vloeit de thans voorgestelde wetswijziging voort uit het feit dat het optreden tegen bedrijfspanden met behulp van artikel 13b van de Opiumwet effectief is. Immers mede daardoor is er sprake geweest van verplaatsing van illegale verkoop naar woningen. Wij zijn het geheel met deze leden eens dat bij het toepassen van het uitgebreide artikel 13b goed moet worden gelet op ongewenste neveneffecten en dat daartegen ook moet worden opgetreden. Daarvoor zijn overigens al effectieve strafrechtelijke en bestuursrechtelijke middelen beschikbaar. Tegen drugsrunners en drugsdealers wordt in veel gemeenten stelselmatig opgetreden op grond van de Opiumwet. Verder worden tegen straathandel belangrijke bestuursrechtelijke instrumenten ingezet, zoals een verbodsbepaling uit de APV, al dan niet ontleend aan artikel 2.7.1 (drugshandel op straat) uit de model-APV van de VNG, alsmede verwijderingsbevelen en de samenscholingsverboden. Zo kennen de gemeenten Roosendaal en Bergen op Zoom een strafrechtelijke (o.a. opsporing en vervolging via de Opiumwet) en bestuursrechtelijke (o.a. verblijfsontzeggingen en terugvordering uitkeringen) aanpak van drugsrunners en -dealers. Door aansluiting bij het Veiligheidshuis wordt in deze gemeenten ook aan de preventieve aanpak van drugsrunners en -dealers vormgegeven. Deze stelselmatige aanpak zal uiteraard in de toekomst worden voortgezet. Ten slotte wordt opgemerkt, dat de gedachte dat cannabisgebruikers ten gevolge van het wegvallen van illegale verkooppunten noodgedwongen zouden moeten terugvallen op straatdealers, niet door ons wordt gedeeld. Door het gevoerde cannabisbeleid is het immers voor iedere inwoner van Nederland mogelijk om cannabis te kopen in een coffeeshop.

De leden van de VVD-fractie drongen er ook op aan het gevaar van verplaatsing duidelijk over het voetlicht te brengen bij de ambtsdragers die in individuele gemeenten voor het coffeeshopbeleid verantwoordelijk zijn. Via de informatie die beschikbaar is bij het CCV en de VNG zullen gemeenten geïnformeerd worden over de hierboven genoemde mogelijkheden om op te treden tegen drugsrunners, koeriersdiensten en straatdealers.

Onder verwijzing naar het coffeeshop rapport, wees de VVD-fractie op het feit dat er naast de toegestane coffeeshops talloze oogluikend toegestane «coffeeshops» zouden bestaan, die niet officieel geregistreerd staan maar wat betreft toegankelijkheid en uiterlijk weinig van geregistreerde coffeeshops zouden verschillen. Zij vroegen daarom aan de regering of de onderhavige wetswijziging ook beoogt deze coffeeshops aan te pakken. Allereerst merken wij naar aanleiding van de suggestie dat er talloze oogluikend toegestane «coffeeshops» zouden zijn op, dat de onderzoekers van het coffeeshop rapport slecht op een incidenteel geval wezen. In een van de tien onderzochte gemeenten ging het om één illegaal verkooppunt, dat in de volksmond bekend stond als een «coffeeshop», terwijl het in werkelijkheid een «onder de toonbank» dealer of thuisdealer betrof. Voor het overige zal duidelijk zijn dat alleen coffeeshops die vallen binnen het lokale coffeeshopbeleid en voldoen aan de AHOJ-G criteria zijn gevrijwaard van optreden zoals bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet.

De VVD-leden vroegen of er in de grensgebieden overleg heeft plaatsgevonden en/of er samenwerkingsplannen bestaan met gemeenten aan de andere zijde van de grens om eventuele neveneffecten van het optreden tegen illegale verkooppunten in of het hanteren van de nuloptie door Nederlandse grensgemeenten gezamenlijk en effectief aan te pakken. Vanuit Nederland wordt met België en Duitsland goed en intensief samengewerkt bij de bestrijding van drugscriminaliteit en drugstoerisme. Zo is één van de belangrijkste doelstellingen in de samenwerking met België om te komen tot een gemeenschappelijk veiligheidsplan voor de Euregio Maas/Rijn, dat als basis moet dienen voor een beter onderling afgestemd optreden bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, waaronder illegale drugshandel. Verder is het «joint hit team» een vorm van intensieve samenwerking op het gebied van de aanpak van illegale drugshandel tussen respectievelijk de Nederlandse, Belgische, Franse en Luxemburgse politie en de Nederlandse en Duitse politie. Ook op lokaal niveau is er sprake van intensieve grensoverschrijdende samenwerking. Zo overlegt bijvoorbeeld de lokale driehoek van de gemeenten Bergen op Zoom en Roosendaal jaarlijks met lokale Belgische en Franse autoriteiten.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoe de implementatie van dit wetsvoorstel aan de verschillende gemeenten gecommuniceerd zal worden. Momenteel hanteren veel gemeenten een eigen, van elkaar verschillende lijst van maatregelen om illegale verkooppunten te bestrijden. De aan het woord zijnde leden vroegen daarom of het nieuw voorgestelde artikel 13b van de Opiumwet overal op dezelfde wijze gebruikt zal worden en even snel zal worden ingezet. Zoals op een eerder vraag van deze leden is aangegeven, zal de aanpak van illegale verkoop van drugs vanuit woningen per gemeente verschillen omdat de situatie per gemeente verschilt. Het streven naar een uniforme aanpak heeft daarom weinig zin. De hierboven al vermelde ontwikkeling en publikatie van een modelhandhavingsarrangement op de website van de CCV heeft mede ten doel een zekere eenheid te bevorderen in de inzet van de verschillende instrumenten.

Deze leden wezen er voorts op dat 7% van de gemeenten in 2004 helemaal geen beleid inzake coffeeshops voerde en vroegen zich af of die gemeenten gebruik zullen maken van het nieuwe artikel. Wij merken op dat uit het onderzoeksrapport «Coffeeshops in Nederland 2005, aantallen coffeeshops en gemeentelijk beleid 1999–2005» blijkt, dat het aantal gemeenten dat voor coffeeshops geen nulbeleid of een maximumbeleid voert verder is gedaald tot 5%. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 22 februari 2006 aan alle gemeenten een brief verstuurd met daarin het verzoek aan die gemeenten die nog geen coffeeshopbeleid en in daaraan gekoppeld handhavingsarrangement hebben om dit alsnog te formuleren.

De vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie over het risico van verplaatsing van de drugshandel zijn betrokken bij de beantwoording van eerdere vragen van de leden van de VVD-fractie.

De leden van de ChristenUnie vroegen verder of de regering ook anderszins pro-actiever wil gaan optreden tegen de problematiek van drugsgebruik enhandel en dan met name in de sfeer van preventie en of de regering de gemeenten hiervoor meer middelen ter beschikking wil stellen. De regering zet vanuit haar landelijke verantwoordelijkheid stevig in op de ontmoediging van drugsgebruik. In de cannabisbrief van april 2004 is een breed scala aan maatregelen aangekondigd om het cannabisgebruik te ontmoedigen en de daarmee samenhangende overlast en handel tegen te gaan. In het Actieplan Ontmoediging Cannabis is een intensivering van preventieactiviteiten aangekondigd. Deze voornemens zijn inmiddels uitgevoerd. Zo is de massamediale campagne dit jaar voor de derde keer gericht op ontmoediging van cannabisgebruik onder jongeren. Ook zijn er preventieprojecten ontwikkeld specifiek gericht op risicogroepen zoals VMBO-scholieren en jongeren in de jeugdzorg. Daarnaast ontvangt het Trimbos-instituut subsidie om, in overleg met andere betrokken organisaties, preventiemateriaal gericht op coffeeshopbezoekers te ontwikkelen.

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de landelijke kaders van het drugspreventiebeleid, maar de uitvoering van de drugspreventie is gedecentraliseerd en berust bij gemeenten. Zij ontvangen hiervoor middelen van het Rijk die in het kader van het Grote Stedenbeleid (GSB) deel uitmaken van de Brede Doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid. Een brede doeluitkering is een uitkering waarvan de besteding van middelen onderling uitwisselbaar is tussen de diverse bestedingsdoeleinden. De GSB-steden kunnen zo hun lokale beleid optimaal afstemmen op de lokale omstandigheden. Indien verslavingspreventie op het lokale niveau een extra impuls nodig heeft, kunnen de GSB-steden zelf meer geld uit de brede doeluitkering hiervoor inzetten. Aangezien nu reeds een intensivering van het preventiebeleid op het lokale niveau mogelijk is, zullen hiervoor vanuit de Rijksoverheid geen extra middelen ter beschikking gesteld worden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen hoe de regering gaat bevorderen dat niet straks grote delen van straten (tegelijkertijd) dichtgespijkerd worden en of er nu al genoeg wettelijke middelen voorhanden zijn om te garanderen dat de gesloten huizen en lokalen heel snel weer deel uitmaken van het maatschappelijke verkeer. Ervan uitgaande dat met bovenstaande vraag bedoeld wordt dat – als gevolg van de aanpak van illegale verkooppunten – het straatbeeld in gemeenten niet te lang gedomineerd dient te worden door dichtgespijkerde panden, merken wij op dat het niet de regering is, maar gemeenten die woningen sluiten en ook de sluitingsduur bepalen. Wij gaan ervan uit dat gemeenten voldoende oog hebben voor het leefklimaat in de straat en wijk waarin gesloten woningen zich bevinden en daarmee ook rekening houden bij de bepaling van de duur van de sluiting. Als in voorkomend geval sluiting niet voldoende wordt geacht, staat de gemeente het instrumentarium van de Wet Victor ter beschikking. Zoals in de inleiding van deze nota is aangegeven biedt artikel 16a van de Woningwet burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de eigenaar of personen die uit anderen hoofde bevoegd zijn tot het in het gebruik geven van de woning aan te schrijven om bepaalde maatregelen te treffen. Dit kan inhouden het in gebruik of beheer geven van de woning aan al dan niet daartoe aangewezen personen of instellingen, maar ook het weer voor bewoning geschikt maken van het desbetreffende pand. Een verdergaande mogelijkheid biedt een onteigening van de gesloten woning ten name van de gemeente op grond van artikel 77 van de Onteigeningswet.

Ten slotte vroegen de leden van de ChristenUnie-fractie of de regering meer mogelijkheden wil ontwikkelen voor Justitie om daadkrachtiger te kunnen optreden in het «integraal drugsbeleid», waarover in dit wetsvoorstel gesproken wordt. Dit zou bijvoorbeeld kunnen op basis van onder andere de bevindingen van het Rotterdamse pilotproject met het «Doe normaal»-bevel. In deze fase zouden wij niet vooruit willen lopen op het pilotproject «FF Kappe» te Rotterdam met het «Ik doe normaal contract» en het «Doe normaal bevel». Dit experiment is onlangs van start gegaan en de resultaten ervan dienen te worden afgewacht. Bovendien staat het openbaar ministerie voldoende instrumentarium tot zijn beschikking om tegen deze vorm van criminaliteit op te treden. Voor een adequate aanpak van deze problematiek is het van belang dat strafrechtelijke en bestuursrechtelijke instrumenten in samenhang binnen een integrale aanpak worden ingezet.

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

De vraag van de leden van de PvdA-fractie met het oog op verbetering van de leesbaarheid van het gewijzigde artikel 13b van de Opiumwet, hebben wij besloten de formulering aan te passen zoals blijkt uit de nota van wijziging.

Voor de goede orde merken wij op, dat het element «voor het publiek toegankelijke» in het gewijzigde artikel is komen te vervallen. Reden hiervoor is, dat het de bedoeling is om niet langer onderscheid te maken tussen lokalen die wel of niet voor het publiek toegankelijk zijn. Aldus komt de reikwijdte van de bevoegdheid op grond van de Opiumwet overeen met die van de bevoegdheid van de burgemeester om krachtens artikel 174 en artikel 174a van de Gemeentewet wegens verstoring van de openbare orde op te treden tegen respectievelijk «voor het publiek openstaande gebouwen» en «niet voor het publiek toegankelijke lokalen».

Wij hopen hiermee alle vragen naar tevredenheid te hebben beantwoord.

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes


XNoot
1

Kamer II 2004–2005, 24 077, nr. 165, met als bijlage rapport «Cannabis zonder coffeeshop».