nr. 36
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 september 2009
In mijn brief van 23 december 2008 (TK vergaderjaar 2008–2009,
30 492, nr. 31) heb ik u geïnformeerd over de wijze waarop
uitvoering gegeven zal worden aan de motie Bouwmeester c.s. (TK vergaderjaar
2006–2007, 30 492, nr. 22) over de invulling van de nieuwe
norm voor dwangbehandeling en de motie Voordewind c.s. (TK vergaderjaar 2006–2007,
30 492, nr. 25) over dwangmedicatie versus noodmedicatie in relatie
tot bijwerkingen. In deze brief heb ik melding gemaakt van de uit te voeren
quick scan door een onderzoeksbureau (Zorgconsult Nederland (ZCN)). Het doel
van de quick scan was inzicht te krijgen in de praktijk van en de consensusvorming
over de verruimde dwangbehandeling en in het verlengde daarvan inzicht in
de afwegingen die in de praktijk worden gemaakt rond de duur van dwangbehandeling
in relatie tot bijwerkingen van medicatie. Bijgaand rapport «De praktijk
van dwangbehandeling in de Wet bopz» van Zorgconsult Nederland vormt
de weerslag en de resultaten van de quick scan.1
Ten aanzien van de motie-Bouwmeester (30 492, nr. 22) concludeert
ZCN op basis van haar onderzoek2 dat:
• vrijwel alle respondenten goed bekend zijn met de verruiming van
de mogelijkheden voor dwangbehandeling die per 1 juni 2008 kan worden
toegepast. De behandelaren en geneesheren-directeuren beschouwen de verruiming
van de wet als een verbetering. Het feit dat een groep patiënten voor
wie in het verleden behandeling niet mogelijk was, nu wel behandeld kan worden,
wordt als een welkome aanvulling in de behandelmogelijkheden ervaren.
• Over de invulling van de uitgangspunten die gelden wanneer tot
dwangbehandeling wordt overgegaan, is overwegend overeenstemming te zien o.a.
over het benoemde gevaar, de criteria doelmatig, proportioneel en subsidiair
en de invulling van de diagnostiek.
• Waar het gaat om interpretatie van de open norm «redelijke
termijn» en de maximale termijn van de verruimde dwangbehandeling blijkt
bij een aantal respondenten behoefte te bestaan aan verduidelijking.
• Voor wat betreft de consensusvorming in het veld blijkt dat er
niet sprake is van expliciete, op schrift vastgestelde richtlijnontwikkeling
vanuit het veld. Afstemming over de invulling van de open norm op instellingsoverstijgend
niveau heeft volgens de helft van de geneesheren-directeuren o.a. plaatsgevonden
in het stedelijk eerste geneeskundigen overleg en de Vereniging geneesheren
directeuren.
• De wetswijziging administratief nog niet tot nauwelijks is doorgedrongen.
Het Bopzis-registratiesysteem is nog gebaseerd op de oude meldingsformulieren
dwangbehandeling en de meeste instellingen gebruiken nog de oude meldingsformulieren
dwangbehandeling.
Ten aanzien van de motie-Voordewind (30 492, nr. 25) komt ZCN
tot de volgende conclusies:
De inhoud van deze motie over dwangmedicatie versus noodmedicatie in relatie
tot bijwerkingen wekt verwarring bij zowel de geneesheren-directeuren en de
psychiaters, aangezien beide vormen van medicamenteuze behandeling een andere
oorsprong hebben. Bij noodmedicatie gaat het om een acute noodsituatie, dan
zijn bijwerkingen secundair. Bij dwangmedicatie hoeft er geen sprake te zijn
van een dergelijke noodsituatie, dus ook niet van noodmedicatie. Mogelijk
richt de motie zich op het feit dat kortdurende medicatie eerst toegepast
moet worden, wat vanzelfsprekend zou moeten gebeuren in het kader van proportionaliteit.
Het terugdringen of zo mogelijk vermijden van bijwerkingen bij de keuze
van dwangmedicatie blijkt volgens de respondenten in zijn algemeenheid een
tweede natuur van behandelaars om bijwerkingen zo veel als mogelijk is te
verkleinen of te vermijden. Volgens de respondenten geeft dat de beste kans
op het uiteindelijk vrijwillig accepteren van medicatie door patiënten.
Verder wordt door de behandelaars gesteld dat de meeste patiënten in
deze groep een lange voorgeschiedenis hebben waardoor al bekend is hoe zij
reageren op medicatie. Als patiënten onbekend zijn wordt volgens een
deel van de behandelaars zoveel mogelijk gewerkt met kortdurende medicatie
om bijwerkingen te toetsen. Ook wordt om dezelfde reden vaak op een lage dosering
gestart om zicht te krijgen op eventuele bijwerkingen of veelal gekozen voor
de tweede generatie antipsychotica omdat deze de minste bijwerkingen geeft.
De respondenten geven aan dat het bij noodmedicatie gaat om een acute noodsituatie
dan zijn afwegingen over risico’s op bijwerkingen secundair.
Vervolgens presenteert ZCN enkele aanbevelingen aan het ministerie van
VWS, de beroepsgroep psychiaters en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).
Deze aanbevelingen zal ik door middel van toezending van het onderhavige rapport
onder de aandacht brengen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP),
GGZ Nederland en de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Naar aanleiding van de aanbeveling die betrekking heeft op het ministerie
van VWS over de verduidelijking/nadere invulling van de open normen in het
dwangbehandelingscriterium reageer ik als volgt.
Zoals ik reeds in mijn brief aan uw Kamer van 23 december 2008 (TK
vergaderjaar 2008–2009, 30 492, nr. 31) heb verwoord is het
niet aan de wetgever om normen tot in detail in te vullen. Zonder deze open
normen zou de regelgeving te omvangrijk worden, omdat iedere denkbare casus
moet worden beschreven. Daardoor zou de regelgeving onwerkbaar worden. De
beroepsgroepen dienen zelf richtlijnen te ontwikkelen, waardoor een consistent
beleid kan ontstaan waarop jurisprudentie kan worden gevormd. In dit verband
noem ik de ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijn dwang en drang.
Zoals in mijn brief over de beleidsvoornemens dwang en drang van 19 mei
2009 (TK vergaderjaar 2008–2009, 30 492, nr. 34) is aangekondigd
zal het Trimbos instituut een voorstudie verrichten naar de wenselijkheid
en haalbaarheid van de ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn dwang
en drang waarmee alle beroepsgroepen in de gezondheidszorg die
betrokken zijn bij de toepassing van dwang en drang kunnen werken; zowel psychiaters,
als verpleegkundigen als andere beroepsgroepen. Bij deze voorstudie zullen
de resultaten van onderhavige quick scan «de praktijk van dwangbehandeling
in de Wet bopz» eveneens worden betrokken.
Ik vertrouw erop dat ik u met deze brief voldoende heb geïnformeerd
over de uitvoering van beide moties.
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink