Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201730486 nr. 15

30 486 Evaluatie Embryowet

Nr. 15 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 mei 2017

Bijgaand stuur ik u een bundel van twee essays over de morele aanvaardbaarheid van het kweken van menselijke organen in dieren1. De bundel is in opdracht van het Ministerie van VWS tot stand gekomen en bestaat uit drie delen. Het eerste deel dient ter inleiding en achtergrond op de essays. Deel twee betreft een essay dat terughoudendheid bepleit. Deel drie betreft een essay dat pleit voor wetenschappelijke vooruitgang. Beide essays worden aan het eind van elk deel kritisch becommentarieerd door de auteur(s) van de tegenoverliggende positie.

Achtergrond van de opdracht

In de tweede evaluatie van de Embryowet werd aangekaart dat met nieuwe technologische mogelijkheden mens-dier combinaties kunnen worden gemaakt, die niet onder de Embryowet vallen. Men doelde op chimaeren, die tot stand worden gebracht door geherprogrammeerde menselijke stamcellen te vermengen met een dierlijk embryo. Omdat deze menselijke stamcellen niet van embryonale oorsprong zijn, valt de handeling niet onder de huidige Embryowet, waarin chimaeren worden gedefinieerd als mens-dier combinaties uit embryonale cellen. In het evaluatierapport werd aanbevolen de nieuwe chimaeren ook onder de Embryowet te brengen, maar wel iets ruimer te reguleren dan de volledig uit embryonale cellen gecreëerde chimaeren. Reden daarvan is de belofte dat met behulp van deze nieuwe chimaeren menselijke organen in dieren zouden kunnen worden gekweekt.

In reactie op de evaluatie in 2013 heeft de Minister toegezegd de nieuwe chimaeren te reguleren als de reeds in de Embryowet gereguleerde chimaeren.2 Dat betekent dat chimaeren tot stand mogen worden gebracht, maar ze mogen niet langer dan veertien dagen worden gekweekt en ook niet in een baarmoeder worden geplaatst. Deze voorgenomen beperkingen belemmeren het onderzoek naar het kweken van menselijke organen in dieren. In 2016 vroeg uw Kamer de Minister in een motie om te onderzoeken welke kansrijke innovaties kunnen bijdragen aan het terugdringen van het tekort aan transplantatieorganen. Het kweken van organen in dieren is een potentiële lange termijn innovatie.

De Minister heeft uw Kamer toegezegd de morele en juridische aspecten hiervan nader te bezien.3 Om de morele aspecten breed in kaart te brengen, heeft het ministerie opdracht gegeven voor de twee essays in bijgaande bundel: één vanuit de tegenpositie en één vanuit de voorpositie.

Over de essays

Deel I van de bundel beschrijft de stand van de wetenschap over het tot stand brengen van mens-dier chimaeren, de typen menselijke stamcellen die daarvoor gebruikt kunnen worden en de technische uitdagingen om daarmee daadwerkelijk tot het kweken van menselijke organen in dieren te komen. Deel II is het essay van Henk Jochemsen dat pleit voor een pas op de plaats op dit punt. In deel III wordt door Wybo Dondorp en Guido de Wert gepleit voor het mogelijk maken van onderzoek naar deze toepassing. Aan het eind van de delen II en III worden de betogen kritisch becommentarieerd door de respectievelijke auteur(s) van de tegenovergestelde positie.

Dankzij deze vorm, waarin beide posities een podium krijgen en kritisch worden becommentarieerd, wordt helder waar de verschillen van inzicht zitten tussen beide posities. Ik licht drie belangrijke verschillen in deze brief toe.

Een eerste verschil van inzicht betreft de geldigheid van het argument «toepassing van de technologie is tegennatuurlijk». Jochemsen betoogt dat – hoewel uit de natuur niet zondermeer normen af te leiden zijn – de natuur in haar aard wel een zekere ordening kent waarin normativiteit besloten ligt. «Natuurlijk» is dan datgene zoals de natuur het bedoeld heeft. Jochemsen stelt evenwel dat het niet eenvoudig is te herkennen wat in de natuur «goed» is en wat als verstoring beschouwd moet worden. Maar de kern van zijn positie is dat in de natuur wel degelijk een normativiteit besloten ligt die wij kunnen herkennen en erkennen. Dondorp en De Wert zien in deze redenering de zogenaamde «naturalistische drogreden». Zij menen dat uit de constatering hoe de natuur is (feit) niet valt af te leiden wat wel of niet verantwoord is (norm). Zij stellen dat achter het argument van tegennatuurlijkheid andere – vaak conventionele, soms discriminerende – normen schuilgaan, soms gepaard gaand met emoties als afkeer en angst. Die achterliggende normen en emoties moeten naar boven komen en daarover moet het debat worden gevoerd, stellen Dondorp en De Wert. Dit laatste beaamt Jochemsen overigens. Het verschil van inzicht in de betekenis van een beroep op «natuurlijkheid» hangt samen met een fundamenteel verschillende levensbeschouwelijke visie op de werkelijkheid.

Een tweede verschil betreft het antwoord op de vraag of deze technologie een aantasting van de menselijke waardigheid betekent. Menselijke waardigheid is een complex begrip. Het betekent dat mensen intrinsieke waarde hebben en daarom niet louter als middel gebruikt mogen worden. Ethici verschillen van mening over de grond waarop die menselijke waardigheid berust. Jochemsen kiest als fundament het mens-zijn zelf, echter niet in de strikt biologische zin, maar in de spirituele en morele zin. Hij ziet daarom een fundamenteel verschil in morele status tussen mens en dier. In zijn visie is de morele status van een dier met daarin een menselijk orgaan niet onmiddellijk verhoogd. In die zin is de menselijke waardigheid dus niet in het geding, aldus Jochemsen. Zijn bezwaar schuilt vooral in het doorbreken van de natuurlijke ordening (het onderscheid tussen mens en dier).

Dondorp en De Wert kiezen als grondslag voor menselijke waardigheid datgene wat mensen in moreel opzicht bijzonder maakt: dat wij «personen» zijn, dat wil zeggen wezens die in staat zijn over zichzelf en hun bestaan na te denken, keuzes te maken en daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Ook zij komen tot de conclusie dat van aantasting van de menselijke waardigheid geen sprake is bij het kweken van menselijke organen in dieren. Maar een belangrijk verschil met Jochemsen is dat in hun opvatting die waardigheid niet noodzakelijk alleen voor mensen is gereserveerd. Het gaat immers om de waardigheid van personen. Dit betekent dat voor het kweken van menselijke organen geen gastdieren met persoonachtige eigenschappen (zoals mensapen) mogen worden gebruikt. Het betekent ook dat bij die kweek geen dieren met persoonachtige eigenschappen tot stand gebracht mogen worden. Jochemsen deelt de bezwaren tegen dergelijke toepassingen, maar op grond van andere argumenten, zoals verstoring van een gegeven ordening en dierenwelzijn.

Een derde verschil van inzicht betreft de vraag hoe het breed geaccepteerde principe van subsidiariteit geïnterpreteerd moet worden. Dit principe bepaalt dat de techniek met de minste negatieve effecten de voorkeur verdient om een bepaald doel te realiseren. Jochemsen stelt dat een in moreel opzicht beladen techniek pas verantwoord kan zijn als eerst minder beladen technieken voldoende zijn onderzocht en niet blijken te werken. Dondorp en De Wert menen dat, zolang onduidelijk is of er minder beladen alternatieven zijn die werken, de verschillende opties parallel aan elkaar onderzocht mogen of zelfs moeten worden, teneinde geen kostbare tijd te verliezen. Wel onderstrepen zij dat ook bij het toestaan van onderzoek naar de hier beschreven technologie blijvend naar minder beladen alternatieven voor het terugdringen van het orgaantekort moet worden gezocht.

Standpuntbepaling

Ik verwacht dat deze bundel inzichtelijk materiaal biedt op basis waarvan uw Kamer en het nieuwe kabinet het debat kunnen voeren. Vanwege de demissionaire status van het kabinet, bied ik u de essays zonder verdere inhoudelijke reactie aan.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 30 486, nr. 5

X Noot
3

Kamerstuk 33 506, nr. 26