30 483
Wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen)

nr. 14
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 oktober 2006

Op 17 oktober 2006 heeft uw Kamer op voorstel van mevrouw Spies besloten de stemmingen over de wijziging van de Wet milieubeheer (30 483) en de moties met betrekking tot het Activiteitenbesluit een week uit te stellen. Hieraan gekoppeld heb ik van de zijde van uw Kamer het verzoek gekregen mijn voornemens met betrekking tot het Activiteitenbesluit op een rij te zetten. Met deze brief voldoe ik aan dit verzoek.

Achtereenvolgens geef ik een overzicht van mijn voornemens met betrekking tot de structuur en opzet van het Activiteitenbesluit, de milieutechnische voorschriften van dit besluit en het (verdere) proces van totstandkoming. Ik grijp daarbij terug op het met de vaste commissie voor VROM op 20 september 2006 gevoerde Algemene Overleg over het Activiteitenbesluit, het wetgevingsoverleg met uw Kamer op 12 oktober 2006 en de twee in dit verband verstuurde brieven van 13 september en 2 oktober 2006.

Structuur en opzet van het Activiteitenbesluit

Gezien de inspraakreacties en het positieve oordeel van uw Kamer hierover, blijft de structuur en opzet van het Activiteitenbesluit in grote lijnen zoals die is met daarbij de volgende kanttekeningen.

• Zorgplichten en maatwerkvoorschriften.

De zorgplichtbepaling is een belangrijk onderdeel van het Activiteitenbesluit en is onmisbaar om veel gedetailleerde regelgeving te vermijden. Met name voor activiteiten die slechts sporadisch voorkomen en voor situaties die theoretisch denkbaar zijn maar in de praktijk nauwelijks zullen voorkomen. Voor de veel voorkomende activiteiten worden de zorgplichten voor de belangrijkste milieuaspecten nader geconcretiseerd in de doel- en middelvoorschriften. De zorgplicht kan voor deze milieuaspecten niet worden gebruikt om strengere eisen te stellen. In de toelichting van het Activiteitenbesluit zal ik deze beperking van de werking van de zorgplichtbepaling beter dan nu het geval is, toelichten. Verder zal ik nauwkeuriger dan nu het geval is aangeven wat de algemene en de specifieke kaders zijn waarbinnen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Tegen het stellen van maatwerkvoorschriften staat beroep open. Bovenstaande is in lijn met de motie van de leden Spies en De Krom (30 483, nr. 11).

• Meldingsplicht type A-bedrijven.

Zoals ik bij het debat op 12 oktober 2006 heb aangegeven, weegt de meerwaarde van een melding van de type A-bedrijven naar mijn mening niet op tegen de daaraan verbonden administratieve lasten van 17 miljoen euro per jaar. Ik neem daarbij in aanmerking dat alleen inrichtingen met weinig milieurelevantie onder type A-bedrijven vallen. Bijvoorbeeld kleine kantoorgebouwen. De door uw Kamer gedane suggestie dat gemeenten gebruik kunnen maken van de gegevens die bij de Kamer van Koophandel al beschikbaar zijn, ondersteun ik. Door langs deze lijn te werken hoeft een bedrijf niet meerdere keren te melden. Ook de meerwaarde van het melden van alle lozingen die onder de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vallen aan de waterkwaliteitsbeheerder acht ik niet opwegen tegen de daarmee gepaard gaande administratieve lasten. Aanpassing van het Activiteitenbesluit conform de motie zou bijvoorbeeld betekenen dat wanneer het afstromend regenwater van het dak van een kantoorgebouw op een naastgelegen sloot wordt geloosd, dit afzonderlijk aan de waterkwaliteitsbeheerder gemeld moet worden.

• Gemeentelijke verordening.

In overleg met de gemeenten zal ik bezien in welke situaties een verordening nodig is. Mijn inzet hierbij is dat de verordening slechts beperkt zal worden ingezet. Alleen in die situaties waarin evident is dat gezien de aard van het gebied waarop de verordening betrekking heeft, de basisnormen niet toereikend zijn. Bijvoorbeeld een horecaconcentratiegebied.

Milieutechnische voorschriften

Zoals ik in het overleg op 20 september en 12 oktober jl. heb aangegeven, houd ik bij het verwerken van de inspraakreacties op het ontwerpbesluit als algemeen uitgangspunt aan, dat het Activiteitenbesluit niet mag leiden tot generieke verzwaringen van de eisen voor bedrijven. Uitzonderingen hierop zijn alleen aan de orde als sprake is van verouderde vergunningen (level playing field) en als dit nodig is uit een oogpunt van harmonisatie van voorschriften. Ook wettelijke verplichtingen (zoals de noodzaak om te voldoen aan best bestaande technieken) of geactualiseerde normen en richtlijnen (zoals bijvoorbeeld NEN normen of de PGS richtlijn voor opslag van gevaarlijke stoffen) kunnen reden zijn bestaande voorschriften te actualiseren. Ik zie de motie nr. 13 van de leden De Krom en Spies als ondersteuning van deze lijn. Ten aanzien van een aantal specifieke onderwerpen heb ik de volgende voornemens.

• Geluid.

Het in de meeste bestaande 8.40 AMvB’s opgenomen overgangsrecht ten aanzien van geluid voor inrichtingen die vóór een bepaalde datum in bedrijf waren (+ 5 dB(A)), kwam niet terug in het ontwerp Activiteitenbesluit. Zoals toegezegd bij het AO van 20 september zal dit overgangsrecht in stand worden gelaten. Op dit punt zal het ontwerpbesluit dus worden aangepast.

• Akoestische onderzoeken.

De in het ontwerpbesluit opgenomen verplichting tot akoestisch onderzoek voor gezoneerde industrieterreinen vervalt. Hiervoor in de plaats komt een voorschrift dat gemeenten de mogelijkheid geeft om een akoestisch onderzoek te vragen als daarvoor aanleiding bestaat. Dit met name om de geluidsruimte op een gezoneerd industrieterrein zo goed mogelijk te benutten.

• Onderzoeksverplichtingen «verruimde reikwijdte».

De onderzoeksverplichtingen voor afvalpreventie en waterbesparing die nu nog gelden, worden geschrapt. De onderzoeksverplichtingen voor energiebesparing en vervoersmanagement worden sterk versoberd. Voor energie zal de verplichting worden beperkt tot de echt grote bedrijven en dan alleen nog in de situatie waarin het aannemelijk is dat het bedrijf energiebesparingspotentieel «laat liggen». Voor vervoersmanagement geldt eenzelfde lijn: een onderzoeksverplichting alleen bij grote bedrijven (meer dan 500 werknemers; nu is dit 100 werknemers). Voor bedrijven met meer dan 50 werknemers zal ik in de ministeriële regeling een keuzepakket aan erkende maatregelen opnemen. Met deze benadering zijn beide onderzoeksverplichtingen vooral een stok achter de deur voor die bedrijven die zich onvoldoende inspannen om, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, een bijdrage te leveren aan energiebesparing, beperking van de luchtverontreiniging en geluidsoverlast en de verbetering van de bereikbaarheid. Bij het overleg dat ik met het bedrijfsleven heb, zal ik mijn uiterste best doen om te bewerkstelligen dat bedrijven vooral op eigen initiatief de redelijkerwijs mogelijke maatregelen treffen op het vlak van energiebesparing en vervoersmanagement. Want met de heer de Krom ben ik van mening dat het voortouw voor maatregelen op dit vlak bij voorkeur bij de bedrijven moet liggen. Als dit punt adequaat door het bedrijfsleven wordt opgepakt dan zullen bedrijven niet verplicht worden onderzoeken naar energiebesparing en vervoersmanagement uit te voeren. Over de inhoud en de invulling hiervan zal nauw overleg plaatsvinden met het bedrijfsleven. Door deze benadering kom ik mijn inziens tegemoet in de richting in de heer Krom. Ik ontraad echter op dit moment de motie. Om in een tweede fase nog meer bedrijven onder het Activiteitenbesluit te brengen, zal dit Besluit snel na inwerkingtreding gewijzigd worden. Ik wil de periode tussen nu en deze wijziging gebruiken om te evalueren hoe met de onderzoeksverplichtingen op het gebied van energie en verkeer/vervoer omgegaan wordt. Bij de wijziging van het Activiteitenbesluit kan dan bekeken worden of de genoemde onderzoeksverplichtingen gewijzigd moeten worden.

Verder proces van tot stand koming Activiteitenbesluit en ministeriële regeling

Het intensieve overleg met bedrijfsleven en overheden over de inhoud van het ontwerp Activiteitenbesluit wordt gecontinueerd. Hierbij gelden voor mij de kaders en randvoorwaarden zoals die in het overleg met uw Kamer zijn vastgesteld en die ik in deze brief heb samengevat. In november vindt bestuurlijk overleg met het bedrijfsleven plaats waarbij eventuele nog resterende geschilpunten zullen worden besproken. Vervolgens zal ik het Activiteitenbesluit zo spoedig mogelijk voor advies toezenden aan de Raad van State.

Een eerste ontwerp van de ministeriële regeling zal deze maand naar buiten worden gebracht. Het is mijn bedoeling om deze ontwerpregeling in de Staatscourant te publiceren voor inspraak. Een dergelijke voorpublicatie is niet verplicht. Gezien het belang dat ik hecht aan het oordeel van overheden en bedrijfsleven over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van deze regeling, wil ik deze extra stap echter wel inbouwen. Op verzoek van zowel bevoegde gezagen als bedrijfsleven zal voorafgaand aan de voorpublicatie het ontwerp van de ministeriële regeling eerst besproken worden in het (technische) overleg met de verschillende partijen.

Voor de invoeringsbegeleiding wordt in overleg met alle betrokken partijen (bevoegde gezagen en brancheorganisaties) een invoeringsplan opgesteld. Hierbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan het toezicht op het nieuwe Activiteitenbesluit, omdat een kwalitatief goed toezicht een belangrijke randvoorwaarde is voor een succesvolle uitvoering van het Activiteitenbesluit.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Naar boven