30 474
Regels voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

C
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 12 december 2006

Met belangstelling en waardering heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Ik geef hierbij mede namens de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mijn reactie op de vragen en opmerkingen van de leden.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de stand van zaken met betrekking tot het ontwerp voor een gewasbeschermingsverordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of in dit ontwerp in voldoende mate rekening wordt gehouden met de verschillen in ecologische en klimatologische omstandigheden in de Europese Unie.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft op 12 juli 2006 bij de Raad van de Europese Unie en het Europees parlement een ontwerp-gewasbeschermingsverordening ingediend. Het ontwerp bouwt voort op de huidige gewasbeschermingsrichtlijn en zal pas zijn volledige effect hebben nadat alle bestaande werkzame stoffen door de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn beoordeeld. Tot dat moment zijn zowel de gewasbeschermingsverordening als de huidige gewasbeschermingsrichtlijn van kracht.

Het ontwerp-gewasbeschermingsverordening verdeelt de Europese Unie in een Noord-, Midden-, en Zuid-Europese zone. Binnen deze zones introduceert het ontwerp een stelsel van zonale beoordeling met verplichte wederzijdse erkenning (een vorm van zonale toelating). Dat wil zeggen dat een lidstaat de verplichting heeft een gewasbeschermingsmiddel dat in een ander land van dezelfde zone is toegelaten, vrijwel zonder verdere beoordeling toe te laten. Het ontwerp voorziet slechts voor de bescherming van werkenden in een mogelijkheid om nadere eisen te stellen. De onder de huidige gewasbeschermingsrichtlijn bestaande discretionaire ruimte van de lidstaat komt grotendeels te vervallen. Dit betekent dat de lidstaat voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen geen beoordelingsvrijheid heeft inzake de agrarische, fytosanitaire, ecologische en klimatologische omstandigheden.

Voorwaarde voor de introductie van een stelsel van zonale toelating zijn voor mij een goed beschermingsniveau voor mens, plant, dier en milieu, het behoud van voldoende nationale speelruimte inzake de agrarische, fytosanitaire, ecologische en klimatologische omstandigheden en het behoud van een effectief middelenpakket. Nederland heeft veel kleine teelten met een kennisintensieve productiewijze in een dicht bevolkt land. Het is de vraag of de Commissie van de Europese Gemeenschappen met de voorgestelde gewasbeschermingsverordening voldoende ruimte geeft om met de voor Nederland specifieke omstandigheden rekening te houden. Het ligt naar mijn mening meer voor de hand om de beoordelingsmethodieken voor een toelating Europees zo veel mogelijk te harmoniseren. Ik ga daarbij uit van een met artikel 10 van de huidige gewasbeschermingsrichtlijn vergelijkbaar robuust systeem van wederzijdse erkenning waarin rekening wordt gehouden met de agrarische, fytosanitaire, ecologische en klimatologische omstandigheden in de verschillende gebieden in de Europese Unie.

Het ontwerp van de gewasbeschermingsverordening bevindt zich nog in het stadium waarin de lidstaten hun eerste commentaar geven. Daarbij is gebleken dat minstens 23 lidstaten ernstige bedenkingen hebben tegen het voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van verplichte wederzijdse erkenning. Invoering zal zeker nog anderhalf tot twee jaar duren.

De leden van de CDA-fractie hebben de indruk dat de nieuwe grondwaterrichtlijn veel vrijheid laat aan de lidstaten. De leden van de CDA-fractie vragen of deze vrijheid een stap is in de handhaving van discretionaire ruimte voor de lidstaten.

De grondwaterrichtlijn geeft anders dan de leden van de CDA-fractie veronderstellen geen beleidsvrijheid aan de lidstaten voor de vaststelling van drempelwaarden bij gewasbeschermingsmiddelen en biociden inzake de verontreiniging van grondwater. Voor iedere werkzame stof geldt een kwaliteitsnorm met een drempelwaarde van 0,1 μg per liter. Daarnaast is er een kwaliteitsnorm voor de som van alle afzonderlijke bestrijdingsmiddelen.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie naar de wijze waarop het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB) het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij de coating van zaaizaad gaat beoordelen. De leden van de CDA-fractie constateren dat de gewasbeschermingsrichtlijn geen uitzondering bevat voor zaaizaad.

De gewasbeschermingsrichtlijn bevat inderdaad zoals de leden van de CDA-fractie constateren geen uitzondering op het systeem van toelatingen voor de behandeling van zaaizaad. Daarmee is het nog niet duidelijk op welke wijze het CTB tot een toelating kan besluiten voor de behandeling van zaaizaad. Ik heb in mijn brief aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal van 20 september 2006 (Kamerstukken II 2006/07, 30 474, nr. 20, bladzijde 2, onderaan) aan gegeven dat ik voornemens ben om op basis van artikel 14 van het wetsvoorstel, eenmaal wet, een beleidsregel op te stellen waarin het CTB wordt opgedragen om middelen, die worden toegepast bij het coaten van zaaizaad, bestemd voor de buitenlandse markt slechts beperkt te toetsen. Het CTB voert deze toets uit op alle gewasbeschermingsmiddelen, ongeacht de werkzame stoffen die zij bevatten voor zover dit zaaizaad met die coating in het desbetreffende land mag worden gebruikt. Als toetsingsvoorwaarden gelden daarbij slechts dat de productielocatie in Nederland beschikt over een risico-evaluatie- en inventarisatierapport als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en over in het licht van de gewasbeschermingsrichtlijn toereikende vergunningen op grond van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Een en ander zal in overleg met het CTB, brancheorganisaties en belangenverenigingen worden uitgewerkt.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de mogelijkheden om snel aanpassingen te realiseren in deze snel veranderende materie om te voorkomen dat een bedrijfstak onverwacht hard wordt geraakt.

Het beleid tot toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden is anders dan de leden van de VVD-fractie opmerken vrij constant. De gewasbeschermingsrichtlijn, de biocidenrichtlijn, de uniforme beginselen en de gemeenschappelijke beginselen dateren uit de jaren negentig. De materie als zodanig wijzigt dan ook niet snel. Wel zijn sinds de inwerkingtreding van deze richtlijnen veel werkzame stoffen beoordeeld en niet opgenomen op bijlage I van een van beide richtlijnen. Dit betekent dat een aantal middelen gebaseerd op werkzame stoffen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen niet zijn opgenomen in de bijlagen bij de richtlijnen niet meer toelaatbaar zijn.

Voor zover er in Nederland minder dan in andere lidstaten middelen toelaatbaar zijn die zijn gebaseerd op werkzame stoffen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen nog worden beoordeeld, heb ik maatregelen genomen door middelen gebaseerd op minder risicovolle stoffen in het kader van de zogenoemde herprioritering van de beoordeling van werkzame stoffen in biociden en gewasbeschermingsmiddelen (artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962) en de vrijstellingen voor gewasbeschermingsmiddelen (artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962) voor de diverse sectoren beschikbaar te houden. In het wetsvoorstel is daaraan geheel hoofdstuk 9 gewijd (artikelen 122 en volgende). Hiermee heb ik het mogelijke gedaan binnen de overgangsperiode van de artikelen 8, tweede lid, van de gewasbeschermingsrichtlijn en artikel 16, eerste lid, van de biocidenrichtlijn voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor bestaande nog niet door de Commissie van de Europese Gemeenschappen beoordeelde werkzame stoffen in het licht van de juridische procedures bij het College voor Beroep van het bedrijfsleven en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg.

Voor nieuwe werkzame stoffen en werkzame stoffen die inmiddels bij bijlage I van de gewasbeschermingsrichtlijn en de biocidenrichtlijn zijn opgenomen is Nederland alleen bevoegd te besluiten over de toelating binnen de kaders van de beoordelingsmethoden van beide richtlijnen. In het wetsvoorstel wordt deze taak opgedragen aan het CTB. Het CTB heeft tot taak gewasbeschermingsmiddelen die voornoemde werkzame stoffen bevatten te beoordelen op basis van de Europese uniforme beginselen voor gewasbeschermingsmiddelen in het licht van agrarische, fytosanitaire, ecologische en klimatologische omstandigheden. Het CTB beoordeelt biociden aan de hand van de Europese gemeenschappelijke beginselen voor biociden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn alleen bevoegd om in bijzondere omstandigheden voor maximaal 120 dagen een vrijstelling te verlenen voor de bestrijding van een niet op andere wijze te bestrijden bedreiging van de plantaardige productie (artikel 38) of een niet op andere wijze te bestrijden gevaar (artikel 65).

Voor zover de gewasbeschermingsrichtlijn en de biocidenrichtlijn aan de lidstaat een eigen afwegingsruimte bieden, stellen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen met andere betrokken ministers bij ministeriële regeling vast op welke wijze daaraan invulling wordt gegeven. Deze ministeriële regeling zal tevens bepalingen bevatten om de door experts van de lidstaten opgestelde richtsnoeren (de zogenoemde guidance documenten) op een zo efficiënt mogelijke manier te kunnen vaststellen.

Ondernemingen die een besluit tot toelating bij het CTB vragen, krijgen met dit systeem zowel rechtszekerheid als flexibiliteit om op nieuwe omstandigheden in te kunnen spelen. Het is overigens ook aan de industrie van gewasbeschermingsmiddelen en biociden onderscheidenlijk organisaties van gebruikers om zo nodig in overleg met het CTB toelatingen onderscheidenlijk vereenvoudigde uitbreidingstoelatingen aan te vragen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

dr. C. P. Veerman

Naar boven