Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630454 nr. 5

30 454
Wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 in verband met de vereenvoudiging van de systematiek toeslag premie ziektekostenverzekering, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere en ondergeschikte aard

nr. 5
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 2 december 2005 en het nader rapport d.d. 6 februari 2006, aangeboden aan de Koningin door de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 24 oktober 2005, no. 05.003988, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 in verband met de vereenvoudiging van de systematiek toeslag premie ziektekostenverzekering, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere en ondergeschikte aard, met memorie van toelichting.

Op de uitkering op basis van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) onderscheidenlijk de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv) kan een toeslag worden gegeven als compensatie voor de ten laste van de uitkeringsgerechtigde blijvende premie voor de ziektekostenverzekering. De hoogte van de toeslag is gebaseerd op de werkelijk door betrokkene betaalde premie. In de bestaande systematiek leidt iedere wijziging van de premie tot herberekening van de toeslag. Gerechtigden moeten daarenboven jaarlijks gegevens inzenden over de betaalde premie, eventuele bijdragen door andere instanties of werkgevers en gegevens over het inkomen van de partner. Vanaf 1 januari 2006 zal de cliënt ook de hoogte van de zorgtoeslag moeten doorgeven aan de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), hetgeen een nieuwe last betekent. Het wetsvoorstel beoogt de systematiek van de compensatieregeling in de Wubo en de Wuv te vereenvoudigen door de (gemaximeerde) vergoeding van werkelijk betaalde premie voor ziektekostenverzekering te vervangen door een forfaitaire vergoeding. Hierdoor worden de administratieve lasten voor zowel de uitkerings-gerechtigden als de PUR verminderd.

De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt daarbij de volgende opmerkingen.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 24 oktober 2005, no. 05.003988, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 2 december 2005, nr. W13.05.0468/III, bied ik U hierbij aan.

Het ontwerp houdende wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 in verband met de vereenvoudiging van de systematiek toeslag premie ziektekostenverzekering, alsmede tot het aanbrengen van wijzigingen van andere en ondergeschikte aard heeft de Raad van State aanleiding gegeven tot enkele opmerkingen. In verband daarmee wordt een aanpassing van het ontwerp wenselijk geacht.

1. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de overstap naar een forfaitaire vergoeding onvermijdelijk inkomenseffecten veroorzaakt. De Raad merkt op dat de concrete inkomenseffecten afhankelijk zijn van de hoogte van de forfaitaire bedragen, die bij algemene maatregel van bestuur zullen worden vastgesteld. In de toelichting wordt vermeld dat als uitgangspunt is gekozen dat door de voorgestelde wijzigingen maximaal 8 procent van de gerechtigden erop mag achteruit gaan. De toelichting maakt niet duidelijk waarom juist voor dit percentage gekozen is en niet voor bijvoorbeeld het uitgangspunt dat negatieve inkomenseffecten in het geheel worden voorkomen. Evenmin wordt aangegeven hoe groot het inkomensverlies (in percentage of in euro) in individuele gevallen maximaal zou mogen zijn. Ook wordt in de toelichting niet vermeld of en zo ja in welke mate de nieuwe regeling positieve inkomenseffecten zal hebben. Volstaan wordt met de mededeling dat met de inzet van het bedrag dat nu aan de compensatieregeling wordt uitgegeven het gekozen percentage van 8% grosso modo haalbaar blijkt.

De Raad adviseert het gekozen uitgangspunt te motiveren en de inkomenseffecten die zullen optreden inzichtelijk te maken en cijfermatig te onderbouwen. Indien daarbij zou blijken dat een kleine groep gerechtigden er relatief veel op zal achteruit gaan, terwijl anderen er juist op vooruit zullen gaan, betekent dit een nadeel voor bepaalde uitkeringsgerechtigden dat naar het oordeel van de Raad in elk geval nader gemotiveerd moet worden, te meer nu de Wubo en de Wuv zijn gebaseerd op de solidariteit ten opzichte van vervolgden en burgerslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

De Raad adviseert de toelichting aan te vullen.

1. De overgang van een op declaratie van werkelijke kosten gebaseerd systeem naar een compensatieregeling met forfaitaire bedragen, leidt op individueel niveau welhaast onvermijdelijk tot inkomenseffecten, zowel positieve als negatieve. Daarbij geldt uiteraard, dat hoe hoger de forfaitaire tegemoetkoming des te kleiner het aantal mensen dat erop achteruit gaat. Bij de precieze vormgeving van de forfaitaire compensatieregeling was het zoveel mogelijk beperken van negatieve inkomenseffecten een belangrijk criterium. Het integraal compenseren van negatieve inkomensgevolgen zou echter in veel gevallen leiden tot overcompensatie van premielasten. De uitgaven voor de compensatie van de ziektekostenpremie zouden met ongeveer 50 procent stijgen tot € 11,5 miljoen. De uiteindelijk gekozen variant houdt in dat in totaliteit 7,6 procent van het aantal gerechtigden geconfronteerd wordt met hogere premielasten, waarbij het in tweederde van de gevallen gaat om een verhoging tussen € 0–10 per maand. Met de gekozen benadering wordt naar mijn oordeel een acceptabel evenwicht bereikt tussen het aantal gevallen van over- en ondercompensatie. De bovenstaande motivering is in de memorie van toelichting opgenomen.

Het advies van de Raad van State om een cijfermatige onderbouwing te geven van de inkomenseffecten is opgevolgd door in de memorie van toelichting een tabel op te nemen waarin de gevolgen van de voorgestelde premiecompensatie voor de verschillende categorieën van gerechtigden staan weergegeven.

2. Uitkeringsgerechtigden die in het buitenland wonen kunnen ook in aanmerking komen voor een toeslag voor de premie ziektekostenverzekering. Omdat de premielasten in het buitenland sterk uiteenlopen zouden bij een forfaitaire regeling negatieve koopkrachteffecten alleen te voorkomen zijn bij zeer hoge toeslagen en zou ten aanzien van bepaalde uitkeringsgerechtigden een verregaande overcompensatie plaatsvinden. Om die reden is in het wetsvoorstel voor gerechtigden die voor een toeslag in aanmerking komen en in het buitenland wonen gekozen voor een andere compensatiesystematiek. Bij deze groep zal de toeslag eenmalig individueel worden vastgesteld en vervolgens jaarlijks geïndexeerd. Het maximumbedrag wordt vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur en vervolgens eveneens jaarlijks geïndexeerd.

De Raad adviseert in de toelichting uiteen te zetten, waarom deze afwijkende systematiek geen schending oplevert van het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van het recht zoals dat geldt binnen de Europese Unie. Hij merkt hierbij op dat ten aanzien van in het buitenland woonachtige gerechtigden een forfaitair stelsel gehanteerd zou kunnen worden, waarbij voor elk land, waar uitkerings-gerechtigden wonen, afzonderlijk forfaitaire bedragen worden vastgesteld. Het probleem van zeer hoge toeslagen en verregaande overcompensatie zou hiermee zijn ondervangen. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

3. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt, dat het nieuwe zorgstelsel geen verandering in de premielasten brengt voor uitkeringsgerechtigden in het buitenland. Deze constatering lijkt juist voor het merendeel van deze groep mensen, die immers veelal in hun woonland verzekerd zijn voor ziektekosten en niet onder de nieuwe Zorgverzekeringswet vallen. De Raad vraagt echter aandacht voor de positie van die uitkeringsgerechtigden in het buitenland die op grond van een verdrag inzake sociale zekerheid recht hebben op zorg ten laste van Nederland en voor wie het nieuwe zorgstelsel mogelijk wel een verandering in financiële lasten tot gevolg heeft. De Raad adviseert in de toelichting aan te geven of en op welke wijze hiermee rekening zal worden gehouden in de voorgestelde systematiek.

2 en 3. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State betreffende de voorgestelde systematiek ten aanzien van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden die in aanmerking komen voor een toeslag voor de premie ziektekostenverzekering zijn het wetsvoorstel en de memorie van toelichting op een aantal punten gewijzigd. Naast de in Nederland gevestigde uitkeringsgerechtigden kunnen nu ook de uitkeringsgerechtigden op wie artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet van toepassing is, de zogenaamde verdragsgerechtigden, voor een forfaitaire toeslag in aanmerking komen. De invoering van het nieuwe zorgstelsel heeft voor deze (op dit moment ongeveer 90) mensen financiële gevolgen die vergelijkbaar zijn met de gevolgen voor in Nederland gevestigde gerechtigden. Daarom ligt het toekennen van een zelfde toeslag als aan de in Nederland gevestigde gerechtigden voor de hand. Voor gerechtigden die in het buitenland wonen en op wie artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet niet van toepassing is, is het wetsvoorstel niet gewijzigd. Het invoeren van een forfaitaire toeslag voor buitenlandse niet verdragsgerechtigden zou er toe leiden dat een aantal van deze uitkeringsgerechtigden er fors op achteruit zou gaan, terwijl er voor anderen een verregaande overcompensatie zou plaatsvinden. De suggestie van de Raad van State om ten aanzien van deze gerechtigden een forfaitair stelsel te hanteren, waarbij voor elk land, waar uitkeringsgerechtigden wonen, afzonderlijke forfaitaire bedragen worden vastgesteld is niet overgenomen omdat dit geen oplossing biedt voor de geconstateerde problematiek. Niet alleen de premielasten die gerechtigden in de verschillende landen moeten dragen lopen heel erg uiteen, ook binnen bepaalde landen bestaan er grote verschillen in premielasten van gerechtigden. De regeling zoals die geldt voor buitenlandse, niet verdragsgerechtigden, is niet ongunstiger dan die geldt voor de in Nederland gevestigde toeslaggerechtigden en de gerechtigden op wie artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet van toepassing is. Voor beide groepen is het uitgangspunt voor het bepalen van de toeslag het totaal van de ten laste van gerechtigden blijvende kosten in het kader van de te betalen ziektekostenpremie. Daarnaast geldt voor beide groepen gerechtigden het voordeel van de administratieve vereenvoudiging. Er is derhalve geen sprake van schending van het discriminatieverbod.

4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

4. De redactionele kanttekeningen die de Raad van State in overweging heeft gegeven zijn onverkort overgenomen.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C. I. J. M. Ross-van Dorp

Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no. W13.05.0468/III met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

– In het voorgestelde artikel 21 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 zowel in het eerste als in het tweede lid de zinsnede «voor zover deze toeslag meer bedraagt» vervangen door: voor zover deze premie meer bedraagt.

– In artikel IV «de gerechtigde» vervangen door: de uitkeringsgerechtigde.