A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 januari 2006
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 26 januari 2006.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 25 februari 2006.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
de op 27 mei 2003 te Genève totstandgekomen wijziging van de Europese
Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen
in het internationale vervoer over de weg (AETR) (Trb. 2005, 24).
Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot
Wijziging van de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden
voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over
de weg (AETR); Genève, 21 oktober 1999 (Trb. 2005, 24)
Toelichtende nota
De Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen
van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) is op
1 juli 1970 te Genève totstandgekomen (Trb. 1972, 97). Deze Overeenkomst
is daarna nog gewijzigd op 2 februari 1982 (Trb. 1982, 107), 24 juli
1991 (Trb. 1992, 145) en 30 augustus 1993 (Trb. 1994, 123).
Bij notificatie van 27 mei 2003 zond de Secretaris-Generaal van de
Verenigde Naties aan de Overeenkomstsluitende Partijen een door de Regering
van Frankrijk voorgestelde wijziging van artikel 12 van de Overeenkomst. Deze
wijziging van artikel 12, die eerder was aangenomen door de «Working
Party on Road Transport» van de Economische Commissie voor Europa van
de Verenigde Naties (VN/ECE) tijdens haar 93e bijeenkomst van 19 tot 21 oktober
1999 te Genève, is op 27 februari 2004 voor alle Overeenkomstsluitende
Partijen in werking getreden, aangezien geen van de Partijen bezwaar tegen
het voorstel heeft ingediend.
De wijziging is bedoeld ter versterking van de controle op de tenuitvoerlegging
van het AETR. Dit gebeurt in principe door de introductie van dezelfde minimumvoorwaarden
voor controles langs de weg en in de onderneming, als bepaald in de richtlijn
nr. 1988/599/EG van de Raad van 23 november 1988 betreffende standaardprocedures
voor de controle op de toepassing van verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisering
van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en verordening
(EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG
L 325).
De wijziging voorziet erin dat voor de controles van bestuurders van voertuigen
waar het AETR op van toepassing is, ten minste 1% van het aantal gewerkte
dagen wordt gecontroleerd, waarvan niet minder dan 15% van het totale
aantal gecontroleerde dagen langs de weg wordt gecontroleerd en niet minder
dan 25% in de onderneming. Tevens voorziet de wijziging erin dat door
de VN/ECE een verslag wordt gepubliceerd over de uitvoering van de controles
door de deelnemende partijen.
Door deze amendering op het AETR wordt de VN/ECE-regelgeving ten aanzien
van de controles op de rij- en rusttijden op hetzelfde niveau gebracht als
de EU-regelgeving. Feitelijk wordt deze EU-regelgeving uitgebreid naar het
oosten van Europa, en wel naar die landen die wel Verdragspartij zijn bij
het AETR, maar geen EU-lid, zoals bijvoorbeeld de Oekraïne en Rusland,
maar ook Zwitserland. Nederland is van oordeel dat het zeer wenselijk is dat
de ECE-regelgeving voor de niet-EU landen wordt opgetrokken naar ongeveer
hetzelfde niveau als dat van de EU-landen en heeft derhalve ingestemd met
deze wijziging van artikel 12 van het AETR.
De onderhavige verdragswijziging behoefde de voorafgaande goedkeuring
van de Staten-Generaal. Na doorzending van het wijzigingsvoorstel van de Secretaris-Generaal
van de Verenigde Naties door het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de
ministeries van Verkeer en Waterstaat en Sociale Zaken en Werkgelegenheid
is abusievelijk geen tijdige actie daartoe ondernomen, aangezien de inspecties
in het wegvervoer terzake in de praktijk niet zijn gebaseerd op artikel 12
van het AETR, doch op verordening (EEG) nr. 3821/85.
In de gegeven omstandigheden wordt daarom de goedkeuring achteraf gevraagd,
met een beroep op artikel 10 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
De onderhavige wijziging van het AETR is eerst een jaar na de inwerkingtreding
bekendgemaakt in het Tractatenblad. De gewijzigde tekst van het verdrag had
in die periode op grond van artikel 93 van de Grondwet geen een ieder verbindende
kracht.
Het voorgevallene heeft aanleiding gegeven tot een kritische beschouwing
van de procedure ter behandeling van wijzigingsvoorstellen van het AETR. De
voornaamste uitkomst daarvan is dat het ministerie van Buitenlandse Zaken
voortaan na ontvangst van dergelijke voorstellen bij de Secretaris-Generaal
van de Verenigde Naties een mededeling zal laten verrichten conform artikel
21, tweede lid, onder (b), van het verdrag, dat wil zeggen tot stuiting van
de inwerkingtreding voor Nederland totdat een kennisgeving van voltooiing
van de daartoe noodzakelijke voorwaarden is gedaan. Ondertussen zullen nieuwe
wijzigingsvoorstellen van het AETR-verdrag zelf tijdig ter parlementaire goedkeuring
worden overgelegd. Wijzigingen van de bijlage bij het verdrag behoeven op
grond van artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht
terzake voorbehouden.
Koninkrijkspositie
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze wijziging evenals
de Overeenkomst alleen voor Nederland.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K. M. H. Peijs
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. J. de Geus
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot