30 432
Voorstel van wet van de leden Depla en B. M. de Vries houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscatle facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw

nr. 6
MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

ALGEMEEN DEEL

Inleiding

Een lijfrente is een van het leven afhankelijke periodieke uitkering die voortvloeit uit een op eigen initiatief getroffen voorziening en die geen verband houdt met een dienstbetrekking. Ondernemers die onder de inkomstenbelasting vallen (bijvoorbeeld met een éénmanszaak of firmanten van een vennootschap onder firma), kunnen alleen in de derde pijler met een lijfrentepolis een (fiscaal gefaciliteerde) voorziening treffen voor hun oude dag en/of de nabestaanden. Ook werknemers met een pensioentekort kunnen, naast de mogelijkheid van de bijspaarmodule die veel pensioenfondsen kennen, via het lijfrenteregime hun pensioen in de derde pijler aanvullen. Voor een lijfrentepolis heeft de overheid een aantrekkelijke fiscale regeling getroffen. Dit om te stimuleren, dat mensen sparen voor voldoende inkomen op hun oude dag. Op dit moment zijn mensen, die fiscaal ondersteund individueel willen (bij-)sparen voor hun oudedagsvoorziening, gedwongen dit bij een verzekeraar te doen. De uitvoeringskosten hiervan zijn hoog en ondoorzichtig. Met dit voorstel willen de initiatiefnemers de oudedagsparaplu uitbreiden met een faciliteit om via een geblokkeerde spaarrekening bij een bank of een beleggingsrecht bij een beheerder van een beleggingsinstelling individueel een (aanvullende) oudedagsvoorziening in de derde pijler op te bouwen. Zo ontstaat er een keuzemogelijkheid binnen die derde pijler. Tegelijkertijd zal het voorstel via een vergroting van de markt tot meer concurrentie bij financiële aanbieders leiden en een bijdrage leveren aan een grotere transparantie in de kostenstructuren van financiële producten.

In de Belastingverkenning voor de 21ste eeuw (kamerstukken II 1997/98, 25 810, nr. 2) hebben de staatssecretaris en minister van financiën beschreven dat het wenselijk zou zijn om de lijfrenteaftrek onder de zogeheten oudedagsparaplu uit te breiden: «Vanuit oogpunt van verdere flexibilisering en gelijke behandeling van verschillende producten voor de oude dag is een afwijkende behandeling van eigen besparingen – die uiteindelijk bedoeld zijn voor de oudedagsvoorziening – minder gewenst. De tendens tot versobering van de collectieve pensioenregelingen en vergroting van de individuele keuzevrijheid biedt de mogelijkheid om voor individueel maatwerk aan te sluiten bij de opbouwmogelijkheden in de sfeer van de loonbelasting, onder gelijktijdige integratie van het lijfrenteregime.» Daarnaast is bij de Belastingherziening 2001 met algemene stemmen een motie aangenomen (kamerstukken II 1999/200, 26 727 nr. 106, van de leden Giskes en de Vries) met de strekking:«verzoekt de regering zo spoedig mogelijk een notitie op te stellen over de mogelijkheden om ook andere producten dan lijfrenteverzekeringen, zoals geblokkeerde spaar- of beleggingsrekeningen, in aanmerking te laten komen voor de fiscale faciliteiten ten behoeve van pensioenopbouw». In de daaropvolgende begrotingen van Financiën is te lezen dat deze notitie in voorbereiding of in behandeling is. Echter nu in 2006 heeft de Kamer daarvan nog niets vernomen.

Inhoud van het wetsvoorstel

Met dit wetsvoorstel willen de initiatiefnemers regelen dat aan sparen via een geblokkeerde spaarrekening of beleggingsrecht voor latere uitkeringen fiscale ondersteuning wordt geboden. Er wordt gespaard voor een kapitaal dat later in termijnen kan worden uitgekeerd.

Aan zelfstandige ondernemers, die voor hun pensioen vrijwel volledig zijn aangewezen op de individuele verzekeringsmarkt, en aan werknemers met een pensioentekort wordt zo meer keuze geboden. De initiatiefnemers willen een einde maken aan de gedwongen winkelnering bij verzekeringsmaatschappijen en in plaats daarvan ook de veelal goedkopere mogelijkheid geven tot banksparen. De initiatiefnemers zijn van mening dat dit voorstel door marktwerking zal leiden tot meer concurrentie, tot grotere transparantie in de kostenstructuren van financiële producten en daarmee tot een kostenverlaging voor de gebruikers van deze producten.

Analoog aan de mogelijkheid om een lijfrentekapitaal op te bouwen komt er met dit initiatiefwetsvoorstel een nieuwe mogelijkheid om via stortingen op een geblokkeerde bankrekening of beleggingsrecht een kapitaal op te bouwen waarvoor op een later tijdstip een recht op periodieke uitkeringen kan worden aangekocht dan wel dat gedurende een aantal jaren in termijnen kan worden uitgekeerd door een bank of beleggingsinstelling. In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden de artikelen met betrekking tot het lijfrenteregime op de volgende punten aangepast en aangevuld:

– Sparen via een geblokkeerde bankrekening of beleggingsrecht voor vermogensopbouw voor een oudedagvoorziening wordt fiscaal ondersteund door de stortingen op de bankrekening en ter verkrijging van een lijfrentebeleggingsrecht overgemaakte bedragen gelijk te behandelen als de premiebetalingen voor een lijfrenteverzekering.

– De maximale hoogtes van de fiscaal gefaciliteerde spaarbedragen zijn gelijk aan die bij het lijfrenteregime.

– De blokkering van de spaarrekening of het beleggingsrecht duurt tot uiterlijk het 70ste levensjaar.

– Het geblokkeerde spaartegoed kan worden aangewend voor de aankoop van een recht op periodieke uitkeringen bij een verzekeraar. Maar het is ook mogelijk om het geblokkeerde spaartegoed onder bepaalde voorwaarden in vaste en gelijkmatige termijnen te laten uitkeren door een bank of beleggingsinstelling. Onder bepaalde voorwaarden omdat alleen de spaarvormen gericht op een oudedagsvoorziening in het kader van dit wetsvoorstel moeten worden gefaciliteerd. Bovendien vinden de initiatiefnemers het realiseren van een level playing field tussen verzekeraars en banken en eenvoudige regelgeving van belang. De uitkering van de bank of beleggingsinstelling mag in beginsel niet eerder ingaan dan het 65e levensjaar, maar uiterlijk op 70 jaar. Indien de uitkering in of na het 65e levensjaar ingaat, bedraagt de minimale uitkeringsduur vijf jaar. De hoogte van de uitkering is (bij een kortere uitkeringsduur dan 20 jaar) gemaximeerd. De voorwaarden komen in dit geval zoveel mogelijk overeen met de tijdelijke oudedagslijfrente. Indien de uitkering eerder ingaat dan het 65e levensjaar of hoger is dan het hiervoor bedoelde maximum, bedraagt de minimale uitkeringsduur 20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren dat de belastingplichtige jonger is dan 65 jaar. De voorwaarden komen in dit geval zoveel mogelijk overeen met de levenslange oudedagslijfrente. Net als bij lijfrentes geldt voor de bovengenoemde spaarvormen een afkoopverbod.

– Bij overlijden van de belastingplichtige kan het tegoed in vaste en gelijkmatige termijnen worden uitgekeerd aan de nabestaanden.

– Bij hele kleine tegoeden kan het tegoed in één termijn worden uitgekeerd.

– In de Regeling van de Minister van Financiën van 9 oktober 1990 tot uitvoering van artikel 14 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Stcrt. 198) moet, conform de voor uitvoerders van een levensloopregeling met ingang van 1 september 2005 opgenomen uitzondering op de vrijstelling van toezicht (artikel 2b van deze regeling), een uitzondering worden opgenomen waardoor uitvoerders van een lijfrentebeleggingsrecht eveneens niet onder de vrijstelling van artikel 2b vallen.

Vooral zelfstandig ondernemers, zzp-ers en freelancers hebben baat bij deze regeling, omdat zij geheel afhankelijk zijn van pensioenopbouw in de derde pijler. Hetzelfde geldt voor mensen in loondienst die een pensioengat hebben.

Door het wetsvoorstel kan er tegen lagere kosten gespaard worden voor de oude dag. Het resultaat is dat bij een gelijke inleg van spaargelden er een hoger resultaat gehaald kan worden.

Ter dekking van de met de bovengenoemde wijzigingen samenhangende budgettaire derving (zie hierna) wordt voorgesteld om het maximaal als premiegrondslag (= inkomensgrondslag/-franchise) in aanmerking te nemen bedrag te verlagen naar € 87 355; de maximumpremie geldt dan bij een inkomensgrondslag van € 98 170.

Internationale aspecten

In de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel L, wordt ingegaan op de verrekening van dividendbelasting die betaald is in het buitenland. Daarnaast wordt de opnamen van een lijfrenterekening voor de verdragstoepassing gezien als vallend onder het begrip «lijfrente». Tegen die achtergrond is er geen verschil wat betreft de Nederlandse verdragstoepassing met de huidige lijfrente.

Budgettaire consequenties en administratieve lasten

Met het initiatiefwetsvoorstel wordt beoogd om op het terrein van fiscaal gefacilieerde lijfrente-achtige producten de concurrentie te laten toenemen en als gevolg daarvan de kosten te laten afnemen. Ten behoeve van de raming worden drie groepen onderscheiden: 1. de groep die een hoger bedrag zal inleggen(omdat het rendement toeneemt en deze spaarvorm dus aantrekkelijker wordt). Onder deze groep vallen ook de belastingplichtige die in het verleden nog niet deelname en door het onderhavige wetsvoorstel dit wel gaan doen; 2. de groep die hetzelfde bedrag blijft inleggen (omdat de hoogte van de inleg voor deze groep uitsluitend wordt bepaald door de financiële ruimte); 3. de groep die een lager bedrag gaat inleggen (omdat de hoogte van de inleg voor deze groep wordt bepaald door de beoogde uitkering en er als gevolg van de kostenverlaging kan worden volstaan met een lagere inleg om hetzelfde doelvermogen te realiseren). De groepen 1 en 3 zal een groeiend aantal deelnemers krijgen door de lagere kosten.

Per saldo zal dit in totaal tot extra budgettaire lasten van 100 miljoen leiden. Om deze lasten te dekken wordt de maximum premiegrondslag verlaagd (zie boven) De uitvoeringskosten leiden alleen tot extra uitvoeringkosten voorzover het om een stijging van het aantal deelnemers gaat. Het gaat hierbij om ongeveer 3 ton structureel voor de belastingdienst. De administratieve lasten (aanvullende renseignering) zullen bij financiële instellingen stijgen met 2.5 miljoen euro per jaar omdat het aantal deelnemers stijgt. Opgemerkt moet worden dat financiële instellingen zelf kunnen kiezen om hun marktaandeel en daarmee de uitvoeringskosten te laten stijgen.

Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I (Wet inkomstenbelasting 2001)

Artikel I, onderdeel A (artikel 1.7 Wet inkomstenbelasting 2001)

In dit onderdeel wordt voorgesteld de in artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen definitie van het begrip lijfrente in die zin aan te vullen, dat in deze wet en in de daarop berustende bepalingen onder lijfrenten ook wordt verstaan een aanspraak op het tegoed van een lijfrentespaarrekening of op de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van die wet. Daarbij wordt tevens voorgesteld om het bestaande verbod van afkoop, vervreemding enz. bij lijfrente ook te laten gelden voor lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten.

Artikel I, onderdeel B (artikel 3.124 Wet inkomstenbelasting 2001)

Op grond van dit onderdeel wordt de bestaande tekst van artikel 3.124 van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangeduid als eerste lid in verband met de toevoeging van een tweede lid aan dit artikel. In de als gevolg van die wijziging als eerste lid aangeduide tekst wordt «lijfrenten» telkens vervangen door «lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a». Deze wijziging hangt samen met de voorgestelde aanpassing van artikel 1.7.

Met de toevoeging van het tweede lid wordt bewerkstelligd, dat in alle bepalingen waarin wordt gesproken over een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, de tekst van die bepalingen mede betrekking heeft op tegoeden van een lijfrentespaarrekening en op waarden van lijfrentebeleggingsrechten. Dat geldt eveneens voor alle bepalingen waarin niet wordt gesproken over een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, maar over een lijfrente die dient ter compensatie van een pensioentekort of van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125. Dit zijn immers synoniemen. Ook in alle bepalingen waarin wordt gesproken over een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, heeft de tekst van die bepalingen als gevolg van de toevoeging van het tweede lid mede betrekking op tegoeden van een lijfrentespaarrekening en op waarden van lijfrentebeleggingsrechten.

Artikel I, onderdeel C (artikel 3.125 Wet inkomstenbelasting 2001)

Op grond van dit onderdeel wordt «lijfrenten» telkens (afgezien van de specifiek benoemde uitzondering) vervangen door «lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a». Deze wijziging hangt samen met de voorgestelde aanpassing van artikel 1.7.

Artikel I, onderdeel D (artikel 3.126 Wet inkomstenbelasting 2001)

Op grond van dit onderdeel wordt «lijfrenten» vervangen door «lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a». Deze wijziging hangt samen met de voorgestelde aanpassing van artikel 1.7.

Artikel I, onderdeel E (artikel 3.126a Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.126a, eerste lid, worden de bedragen die door een belastingplichtige zijn overgemaakt naar een lijfrentespaarrekening of door hem zijn overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling (lijfrentebeleggingsrecht), gelijkgesteld met premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, die dienen ter compensatie van een pensioentekort als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a.

Een lijfrentespaarrekening is een rekening die wordt aangehouden bij een onderneming of instelling als omschreven in het tweede lid, waarvan het tegoed uitsluitend kan worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, dan wel met inachtneming van de in het vierde tot en met zevende lid opgenomen voorwaarden, kan worden uitgekeerd in termijnen. Een lijfrentebeleggingsrecht is een recht van deelneming dat wordt aangehouden bij een in Nederland gevestigde beheerder van een beleggingsinstelling aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen, waarvan de waarde uitsluitend kan worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, dan wel met inachtneming van de in het vierde tot en met zevende lid opgenomen voorwaarden kan worden uitgekeerd in termijnen.

De in het vierde tot en met zevende lid opgenomen voorwaarden voor de uitkering in termijnen, zijn zodanig vormgegeven dat deze er toe leiden dat de uitkeringen zoveel mogelijk overeenkomen met de uitkeringen die voortvloeien uit een lijfrenteverzekering als bedoeld in artikel 3.125. Volledige aansluiting is echter niet mogelijk als gevolg van het feit dat een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht geen verzekeringsprodukten zijn.

Op grond van het vierde lid geldt onder meer het volgende.

Ingeval de eerste termijn niet eerder aan de belastingplichtige-spaarder wordt uitgekeerd dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, moet het tegoed van de rekening, onderscheidenlijk de waarde van het recht:

1°. in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar, worden uitgekeerd;

2°. waarbij de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt;

3°. en waarbij – ingeval de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn minder dan 20 jaar bedraagt – het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 19 161 (bedrag 2006).

Ingeval de eerste termijn eerder aan de belastingplichtige-spaarder wordt uitgekeerd dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, moet het tegoed van de rekening, onderscheidenlijk de waarde van het recht:

1°. in vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar, worden uitgekeerd;

2°. waarbij de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, vermeerderd met het aantal jaren dat de belastingplichtige-spaarder jonger is dan 65 jaar ten tijde van het ingaan van de termijnen (dit benadert – rekening houdende met het streven naar een zo eenvoudig mogelijke regeling – op globale wijze een levenslange uitkering).

Indien de eerste termijn aan de verzekeringnemer wordt uitgekeerd binnen zes maanden na het overlijden van zijn partner of zijn gewezen partner geldt (ongeacht de leeftijd van de verzekeringnemer en de hoogte van het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar), in afwijking van het bovenstaande, dat de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar dient te bedragen.

Bij overlijden van de belastingplichtige-spaarder moet (het restant van) het tegoed van de rekening onderscheidenlijk de waarde van het recht in vaste en gelijkmatige termijnen aan een of meer erfgenamen worden uitgekeerd, waarbij ook weer voorwaarden gelden wat betreft de duur van de termijnen. Daarbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen de situatie waarin de termijnen reeds waren ingegaan en de situatie waarin dat nog niet het geval was. Indien de uitkeringen reeds waren ingegaan, dient de voor de erflater geldende reeks ingevolge het zesde lid te worden voortgezet. Indien de termijnen nog niet waren ingegaan is de duur van de termijnen – in lijn met de met betrekking tot lijfrentes gestelde voorwaarden – ingevolge het vierde lid, onderdeel b, afhankelijk van de hoedanigheid en leeftijd van de erfgenaam-verkrijger. Ingeval de erfgenaam een bloed- of aanverwant is, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, die ouder is dan 30 jaar, dient (het restant van) het tegoed van de rekening onderscheidenlijk de waarde van het recht:

1°. in direct ingaande, vaste en gelijkmatige termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar, te worden uitgekeerd;

2°. waarbij de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt.

Ingeval de in de vorige volzin bedoelde erfgenaam jonger is dan 30 jaar, is er een keuzemogelijkheid wat betreft de duur van de uitkeringen. De erfgenaam kan kiezen voor de hiervoor genoemde uitkering van ten minste 20 jaar of voor een uitkering waarbij de periode tussen de eerste uitkering en de laatste uitkering ten minste vijf jaar bedraagt, doch maximaal het aantal jaren dat de erfgenaam jonger is dan 30 jaar. Bij een keuze voor de laatstgenoemde uitkeringsduur moeten de termijnen derhalve een einde nemen in het kalenderjaar waarin de bedoelde erfgenaam 30 jaar wordt.

Ingeval de erfgenaam de partner is, geldt als voorwaarde wat betreft duur van de uitkeringen, dat de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt.

Met de voorwaarde dat er sprake moet zijn van vaste en gelijkmatige uitkeringen is aangesloten bij de voorwaarde die geldt voor lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a. Dat betekent dat het wel is toegestaan om de hoogte van de uitkeringen te indexeren, mits de minimale uitkeringsduur in acht wordt genomen. Ingevolge het zevende lid is artikel 1.7, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Dit ziet op de situatie dat de hoogte van de uitkeringen niet in geldeenheden is vastgesteld.

Ingevolge het vijfde lid mag het tegoed van de rekening of de waarde van het recht ineens worden uitgekeerd, indien het bedrag van de bij toepassing van het vierde lid, op jaarbasis ten hoogste (dat wil zeggen bij de minimale uitkeringsduur) uit te keren termijn erg laag zou worden. Voor de hoogte van dit bedrag is aangesloten bij de in de Pensioen- en spaarfondsenwet opgenomen regeling voor de afkoop van kleine pensioenen. Het gaat hierbij (voor 2006) om een bedrag van € 361,02 per jaar; in het geval de rechthebbende zich in het buitenland heeft gevestigd geldt het dubbele van dit bedrag. Met de in het voorgestelde vijfde lid opgenomen bepaling wordt voorkomen dat een wanverhouding ontstaat tussen de hoogte van het uit te keren bedrag en de daaraan verbonden administratieve lasten.

De met de naar de bankinstelling, onderscheidenlijk beheerder overgemaakte bedragen behaalde rendementen moeten uiteraard worden bijgeboekt op de lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk worden aangewend ter verkrijging van lijfrentebeleggingsrechten. Deze rendementen kunnen dus ook uitsluitend worden gebruikt voor het verkrijgen van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, dan wel met inachtneming van de in het vierde tot en met zevende lid opgenomen voorwaarden in termijnen worden uitgekeerd.

Als gevolg van de in het eerste lid opgenomen gelijkstelling zijn alle bepalingen die gelden voor premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, eveneens van toepassing op de bedragen die worden overgemaakt naar een lijfrentespaarrekening of zijn overgemaakt naar een beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer lijfrentebeleggingsrechten. Zo geldt het plafond van de jaarlijkse aftrek van artikel 3.127 voor het gezamenlijke bedrag aan «echte» lijfrentepremies en de overgemaakte bedragen naar een lijfrentespaarrekening of ter verkrijging van een lijfrentebeleggingsrecht overgemaakte bedragen.

In verband met de in het eerste lid opgenomen gelijkstelling is een bepaling nodig die regelt dat het artikel waarin staat naar welke verzekeraar de lijfrentepremie moet worden overgemaakt, niet van toepassing is op de naar een lijfrentespaarrekening of de ter zake van een lijfrentebeleggingsrecht overgemaakte bedragen. Voor de lijfrentespaarrekening of het lijfrentebeleggingsrecht is namelijk een afzonderlijke categorie aanbieders in het wetsvoorstel geformuleerd. Om die reden is in de laatste volzin van het eerste lid bepaald dat artikel 3.126 niet van toepassing is met betrekking tot de in artikel 3.126a bedoelde, overgemaakte bedragen.

In artikel 3.126a, tweede lid, is bepaald bij welke onderneming of instelling een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht kan worden aangehouden. Het gaat om onder de Wet toezicht kredietwezen 1992 vallende spaar- en handelsbanken en om onder de Wet toezicht beleggingsinstellingen vallende beheerders van beleggingsinstellingen. Ook in andere landen gevestigde banken en beheerders van beleggingsinstellingen kunnen als aanbieder optreden mits zij maar voldoen aan bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden worden ingevolge het negende lid opgenomen in een algemene maatregel van bestuur. Voor deze voorwaarden zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de regels die reeds gelden voor de in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 bedoelde buitenlandse aanbieders van lijfrenteprodukten.

De in artikel 3.126a, derde lid, opgenomen gelijkstelling van een rekeninghouder van een lijfrentespaarrekening of houder van een lijfrentebeleggingsrecht met een verzekeringnemer is noodzakelijk voor de toepasbaarheid van onder meer artikel 3.133.

De in artikel 3.126a, achtste lid, opgenomen gelijkstelling van de termijnen, bedoeld in het vierde lid, vijfde lid en zesde lid, is onder andere van belang voor de toepassing van artikel 7.2 en voor de toepassing van artikel 34 Wet op de loonbelasting 1964. Op grond van het laatstgenoemde artikel kunnen als gevolg van deze gelijkstelling bij algemene regel van bestuur regels worden gesteld ingevolge welke loonbelasting wordt ingehouden op de hiervoor genoemde termijnen.

Artikel I, onderdeel F (artikel 3.127 Wet inkomstenbelasting 2001)

De in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 3.127, eerste lid, hangt samen met de hiervoor genoemde wijzigingen van artikel 3.124.

De voorgestelde wijziging van artikel 3.127, derde lid, dient ter dekking van de budgettaire derving die naar zonder deze maatregel naar verwachting zou resulteren als gevolg van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen. Voorgesteld wordt om het maximaal als premiegrondslag in aanmerking te nemen bedrag met € 61 224 te verlagen. Het maximaal als premiegrondslag in aanmerking te nemen bedrag bedraagt thans € 148 579 (en wordt bij de huidige franchise van € 10 816 bereikt bij een inkomensgrondslag van € 159 395). Bij de voorgestelde wijziging resulteert een maximaal in aanmerking te nemen premiegrondslag van € 87 355 (welk bedrag bij de huidige franchise van € 10 816 wordt bereikt bij een inkomensgrondslag van € 98 171).

Artikel I, onderdeel G (artikelen 3.128 en 3.129 Wet inkomstenbelasting 2001)

De in dit onderdeel voorgestelde wijzigingen van de artikelen 3.128 en 3.129 zijn noodzakelijk als gevolg van de hiervoor genoemde wijzigingen van artikel 3.124.

Artikel I, onderdeel H (artikelen 3.131 Wet inkomstenbelasting 2001)

De in dit onderdeel voorgestelde wijzigingen van artikel 3.131 zijn noodzakelijk als gevolg van de hiervoor genoemde wijzigingen van artikel 3.124 en de introductie van artikel 3.126a.

Artikel I, onderdeel I (artikel 3.133 Wet inkomstenbelasting 2001)

Voorgesteld wordt het instrument van de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen onverminderd van kracht te laten zijn in situaties waarin via een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht aftrek is genoten maar de belastingplichtige of de bank of de beheerder van de beleggingsinstelling zich niet houdt aan de voorwaarden waaronder de aftrek is verleend. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de in artikel 3.126a bedoelde, overgemaakte bedragen en het daarover behaalde rendement als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, indien het tegoed van de betreffende lijfrentespaarrekening of de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht voor een ander doel wordt aangewend dan voor een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 of uitkeringen als bedoeld in artikel 3.126a.

Artikel I, onderdeel J (artikel 3.136 Wet inkomstenbelasting 2001)

De in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 3.136 is noodzakelijk als gevolg van de hiervoor genoemde wijzigingen van artikel 3.124.

Artikel I, onderdeel K (artikelen 6.5 en 6.6 Wet inkomstenbelasting 2001)

De in dit onderdeel voorgestelde wijzigingen van de artikelen 6.5 en 6.6 zijn noodzakelijk als gevolg van de hiervoor genoemde wijzigingen van artikel 3.124.

Artikel I, onderdeel L (artikelen 9.2 Wet inkomstenbelasting 2001)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 9.2 bewerkstelligt dat bij een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht waarbij is belegd in aandelen, de ter zake van de opbrengst van die aandelen ingehouden dividendbelasting niet in de inkomstenbelasting kan worden verrekend door de rekeninghouder of belegger. In plaats daarvan kan de kredietinstelling waarbij de lijfrentespaarrekening wordt aangehouden onderscheidenlijk de beheerder van de beleggingsinstelling waarbij het lijfrentebeleggingsrecht wordt aangehouden, deze dividendbelasting verrekenen. De kredietinstelling is dan wel gehouden een bedrag ter grootte van de ingehouden dividendbelasting te storten op de lijfrentespaarrekening van de rekeninghouder. Hierdoor wordt per saldo het brutodividend bijgeschreven op de lijfrentespaarrekening. Op dezelfde wijze is de beheerder van de beleggingsinstelling verplicht een bedrag ter grootte van de verrekende dividendbelasting aan te wenden ter verkrijging van een of meer lijfrentebeleggingsrechten in die instelling ten behoeve van degene bij wie die dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen. De hiervoor genoemde verplichtingen voor de kredietinstelling en de beheerder van de beleggingsinstelling vloeien voort uit het in artikel IV opgenomen voorstel tot wijziging van artikel 25 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In het voorstel is geen specifieke regeling getroffen voor de door een houder van een lijfrenterekening ontvangen buitenlandse dividenden. Als gevolg van het feit dat de op dergelijke dividenden ingehouden buitenlandse dividendbelasting naar huidig recht niet voor verrekening in aanmerking komt (waardoor de in artikel 15 van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting 2001 opgenomen regeling in dergelijke situaties niet van toepassing is), komen deze buitenlandse dividenden derhalve voor hun netto-bedrag (dividenden minus ingehouden bronbelasting) aan de houder van de lijfrenterekening ten goede. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat met betrekking tot de buitenlandse dividendbelasting in voorkomende gevallen het verdragstarief van veelal 15% van toepassing is.

Artikel I, onderdeel M (artikelen 9.3 Wet inkomstenbelasting 2001)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging hangt samen met de vernummering van artikel 9.2, achtste lid, waarnaar wordt verwezen in artikel 9.3, tweede lid, onderdeel k.

Artikel I, onderdeel N (artikelen 10.1 Wet inkomstenbelasting 2001)

Met de in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 10.1 wordt bewerkstelligd, dat het in artikel 3 126a, vierde lid, opgenomen maximum voor een uitkering ingevolge een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een belastingplichtige-spaarder van 65 jaar of ouder bij een uitkeringsperiode van minder dan 20 jaar, jaarlijks wordt geïndexeerd.

Artikel II (Invorderingswet 1990)

Artikel II (artikel 44a Invorderingswet 1990)

De in dit onderdeel voorgestelde wijziging beoogt om artikel 44a evenals bij een «echt» lijfrentecontract te kunnen toepassen bij een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3 126a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het gaat hierbij om de aansprakelijkheid van de spaarinstelling of de beheerder van de beleggingsinstelling voor de belasting die de rekeninghouder van een lijfrentespaarrekening of de houder van een lijfrentebeleggingsrecht is verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 3.133, 3.135 of artikel 3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (globaal aangeduid: het zich niet houden aan de voorwaarden waaronder destijds aftrek van de naar de rekening of ter zake van het recht overgemaakte bedragen is genoten).

Artikel III (Successiewet 1956)

Artikel III (artikel 32 Successiewet 1956)

Met de in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 32, vijfde lid, van de Successiewet 1956 wordt bewerkstelligd dat de in het eerste lid, onder 5°, van dat artikel opgenomen vrijstelling eveneens geldt voor de verkrijging van een tegoed van een lijfrentespaarrekening of de verkrijging van een lijfrentebeleggingsrecht (dat als belaste termijnen voor de inkomstenbelasting moet worden uitgekeerd). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze voor het successierecht vrijgestelde tegoeden en rechten eveneens worden meegenomen bij de in het tweede en derde lid van dat artikel genoemde verminderingen van de aldaar genoemde algemene vrijstellingen.

Artikel IV (Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Artikel IV (artikel 25 Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De in dit artikel opgenomen wijziging van artikel 25 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 hangt samen met de in artikel I, onderdeel H, voorgestelde wijziging van artikel 9.2 Wet inkomstenbelasting 2001. Op grond van de laatstgenoemde wijziging kan de rekeninghouder van een lijfrentespaarrekening of belegger van een lijfrentebeleggingsrecht, een en ander als bedoeld in artikel 3.126a Wet inkomstenbelasting 2001, niet zelf de dividendbelasting verrekenen die is ingehouden op de opbrengst van een lijfrenspaarrekening of van een lijfrentebeleggingsrecht. Op grond van de in artikel IV voorgestelde wijziging van artikel 25 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kan in de plaats daarvan de kredietinstelling waarbij de lijfrentespaarrekening wordt aangehouden onderscheidenlijk de beheerder van de beleggingsinstelling waarbij het lijfrentebeleggingsrecht wordt aangehouden, deze dividendbelasting verrekenen. De kredietinstelling is dan wel gehouden een bedrag ter grootte van de ingehouden dividendbelasting te storten op de lijfrentespaarrekening van de rekeninghouder die niet zelf kan verrekenen. Hierdoor wordt per saldo het brutodividend bijgeschreven op de lijfrentespaarrekening. Op dezelfde wijze is de beheerder van de beleggingsinstelling verplicht een bedrag ter grootte van de verrekende dividendbelasting aan te wenden ter verkrijging van een of meer lijfrentebeleggingsrechten in die instelling ten behoeve van degene bij wie die dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen.

Artikel V (Wet op de dividendbelasting 1965)

Artikel V (artikel 4 Wet op de dividendbelasting 1965)

In dit onderdeel wordt voorgesteld een vrijstelling op te nemen in de Wet op de dividendbelasting 1965 op grond waarvan een beleggingsinstelling waarin een natuurlijk persoon via een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a Wet inkomstenbelasting 2001 participeert, geen dividendbelasting behoeft in te houden op opbrengsten die worden aangewend voor uitbreiding van het lijfrentebeleggingsrecht in die instelling.

Ingeval de beleggingsinstelling van voornoemde vrijstelling geen gebruik maakt, kan de beheerder van de beleggingsinstelling de dividendbelasting verrekenen, net zo als een kredietinstelling, en ook onder de gehoudenheid een bedrag ter grootte van die dividendbelasting aan te wenden ter uitbreiding van het lijfrentebeleggingsrecht van degene die ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001 de dividendbelasting niet kan verrekenen.

Artikel VI (Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering)

Artikel VI (artikel 475c Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering)

In dit onderdeel wordt voorgesteld om artikel 475c, onderdeel d, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in die zin aan te passen, dat de daarin opgenomen regeling inzake de beslagvrije voet ook van toepassing is op uitkeringen die ten laste komen van een lijfrentespaarrekening of die ten laste komen van de waarde van het lijfrentebeleggingsrecht.

Depla

B. M. de Vries

Naar boven