30 429
Wijziging van de Kernenergiewet (beperking geldingsduur vergunningen, beïnvloeden keuze van opwerking, financiële zekerheidstelling en vereenvoudiging van het bevoegd gezag)

nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 april 2007

In antwoord op het verzoek in de brief van de Vaste Commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (07-VROM-B-015) betreffende de voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Kernenergiewet (Kamerstukken II 2006–2006, 30 429, nrs. 1–6), bericht ik U als volgt.

Zoals in het coalitieakkoord is vastgelegd, is het de ambitie van het kabinet om tot een duurzame energievoorziening te komen die schoon en zuinig is. Met het oog daarop wordt thans nagegaan welke beleidsinstrumenten moeten worden ingezet en welke maatregelen genomen moeten worden om die ambitie te realiseren (project «schoon en zuinig»). Door de minister van Economische Zaken is advies aan de AER gevraagd aangaande de brandstofmix van de toekomstige energievoorziening in Nederland. Dit advies wordt nog voor de zomer verwacht. Verder zal dan ook door de SER een advies worden uitgebracht waarbij specifiek het onderwerp kernenergie aan de orde zal worden gesteld.

In dat kader verzoek ik U om de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp aan te houden totdat het kabinet rond de zomer met voorstellen komt ten aanzien van de toekomstige energievoorziening.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

Naar boven