30 428
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen; Banjul, 28 november 2005

B
nr. 3
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 10 maart 2006 en het nader rapport d.d. 10 november 2006, aangeboden aan de Koningin door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 28 februari 2006, no. 06.000666, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen; Banjul, 28 november 2005, met toelichtende nota.

De Raad van State onderschrijft de strekking van het verdrag, maar maakt een opmerking in verband met de opzegging van het ILO-verdrag 1181 en de voorlopige toepassing van het verdrag. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van de toelichtende nota wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 28 februari 2006, nr. 06.000666, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 10 maart 2006, nr. W12.06.0052/IV, bied ik U hierbij aan.

1. In artikel 12, tweede lid, van het verdrag is de voorlopige toepassing van artikel 4 tot en met 7 opgenomen. Deze bepalingen worden vanaf 28 januari 2006 toegepast; twee maanden na de ondertekening van het verdrag. Dit betekent dat onder meer de exportbeperking van de Wet beperking export uitkeringen vanaf die datum wordt opgeheven (artikel 4, eerste lid, van het verdrag).

In dit verband wijst de Raad erop dat naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 maart 20032 over de exporteerbaarheid van toeslagen op grond van de Toeslagenwet het ILO-verdrag 118 is opgezegd. Tevens wordt de exportbeperking in de Wet beperking export uitkeringen voor wat betreft uitkeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) vanaf de dag van de uitspraak niet langer toegepast. Dit is geregeld bij nota van wijziging bij het voorstel tot goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het ILO-verdrag 118.3

Vanaf 20 december 2005 is het Koninkrijk der Nederlanden door de opzegging niet langer partij bij het ILO-verdrag 118. In het licht daarvan is op 1 januari 2006 de opschorting van de exportbeperking in de AOW, de Anw, de WAO en de WAZ beëindigd. Tot die datum heeft dan ook de mogelijkheid bestaan om naar Gambia uitkeringen te exporteren op grond van de AOW, de Anw, de WAO en de WAZ. Het verdrag met Gambia heeft hierop geen invloed.

De Raad adviseert de toelichtende nota dienovereenkomstig aan te vullen.

1. De Raad wijst erop dat naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 maart 2003 over de exporteerbaarheid van toeslagen op grond van de Toeslagenwet, IAO-verdrag nr 118 is opgezegd. Hieruit volgt dat tot 1 januari 2006 de mogelijkheid heeft bestaan om naar Gambia uitkeringen te exporteren op grond van de AOW, de Anw, de WAO en de WAZ. Naar aanleiding hiervan is de artikelsgewijze toelichting met betrekking tot artikel 4 van het verdrag aangevuld.

2. Tot 1 januari 2006 heeft de mogelijkheid bestaan uitkeringen naar Gambia te exporteren op grond van de AOW, de Anw, de WAO en de WAZ (zie onder 1). Vanaf 28 januari 2006 is deze mogelijkheid opnieuw ontstaan voor wat betreft uitkeringen op grond van de AOW, de Anw en de WAO ingevolge de voorlopige toepassing van het verdrag. Dit roept de vraag op hoe er wordt omgegaan met reeds bestaande en nieuwe uitkeringsgerechtigden in Gambia in de periode 1 januari tot en met 27 januari 2006 en of deze periode, waarin export niet mogelijk was, tot problemen in de uitvoering leidt of heeft geleid.

De Raad adviseert hierop in de toelichtende nota in te gaan.

2. Voorts merkt de Raad op dat er geen mogelijkheid tot export van uitkeringen in de periode van 1 januari tot en met 27 januari 2006 zou hebben bestaan. Deze veronderstelling is echter abuis; artikel 12 van het verdrag regelt voorlopige toepassing vanaf 1 januari 2006. Naar aanleiding hiervan is de artikelsgewijze toelichting met betrekking tot artikel 12 van het verdrag aangevuld.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een korte toelichting betreffende de Toeslagenwet in te voegen, en enkele redactionele verbeteringen aan te brengen.

De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot


XNoot
1

Verdrag betreffende de gelijke behandeling van onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie, Genève, 28 juni 1962 (Trb.1962, 122).

XNoot
2

Zaaknummer 02/1308.

XNoot
3

Kamerstukken II 2003/04, 29 382, nr. 7.

Naar boven