Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630427 nr. 6

30 427
Instelling van een adviescollege op het terrein van de rechtspositie van politieke ambtsdragers, leden van de Hoge Colleges van Staat en topambtenaren (Wet adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers en topambtenaren)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 7 september 2006

Inleiding

De regering dankt de leden van de verschillende fracties voor hun inbreng voor het verslag naar aanleiding van onderhavig wetsvoorstel.

De leden van de fracties van de PvdA en hadden VVD met belangstelling kennis genomen van het voorliggende voorstel. De leden van de fracties van het CDA en SP hadden kennis genomen en stelden enkele vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie gaven aan het gezien de huidige politieke situatie niet zinvol te vinden om op dit moment inhoudelijk op de voorliggende wetsvoorstellen in te gaan, zij behielden zich het recht voor om dat ter gelegener tijd wel te doen.

De leden van de CDA-fractie herinnerden aan een passage uit de brief van de ambtsvoorganger van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die aan de basis lag voor de adviesopdracht aan de commissie-Dijkstal: «Het salaris voor ministers is in 1980 aangemerkt als het hoogst mogelijke niveau, waarvan de salarissen van de overige politieke en ambtelijke topfunctionarissen vervolgens zijn afgeleid. Dat betekende ook dat de overige salarissen van de functionarissen met een hoger inkomen werden teruggebracht tot het ministersniveau. [...] De topstructuur was in dat opzicht normerend bedoeld». (Kamerstuk 28 479, nr. 1.) Zij vroegen de regering in het kort aan te geven op welke wijze aan dit uitgangspunt gevolg is gegeven vanaf 1980 tot heden en waar de belangrijkste oorzaken zijn aan te wijzen voor het feit dat in de publieke sector bij zo veel topfuncties inmiddels een hoger salaris ontstaan is dan het ministerssalaris?

De Adviescommissie beloning en rechtspositie ambtelijke en politieke topstructuur («commissie Dijkstal») heeft in haar advies «Over dienen en verdienen» van april 2004 uiteengezet dat de huidige topstructuur twee verschillende rechtspositieregelingen verenigt. In vergelijking met de ambtelijke rechtspositieregelingen ontbreken in de politieke rechtspositieregelingen een werktijdenregeling en de mogelijkheid voor het toekennen van toeslagen.

De commissie heeft de beloningsachterstand van de politieke rechtspositieregelingen ten opzichte van de ambtelijke becijferd op circa 30%. De bezoldiging van de ambtelijke top stijgt door de mogelijkheid om toeslagen toe te kennen, waarbij door de geringe salarisafstand tot het salaris van bewindslieden de bezoldiging van de ambtelijke top al snel uitstijgt boven het ministerssalaris. Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de instelling van publiekrechtelijke ZBO’s, organisaties die voorheen tot de overheidsorganisatie behoorden, hebben daarnaast ook een rol gespeeld bij de ontwikkeling van de topsalarissen bij de (semi)overheid.

De commissie Dijkstal heeft aangetoond wat de tekortkomingen in de vormgeving van de huidige topstructuur zijn. De topstructuur is oorspronkelijk als beheersinstrument ingericht. Het ministerssalaris is daarbij in 1981 aangemerkt als het hoogste salaris in de semi-publieke en publieke sector, zoals de leden van de CDA-fractie terecht opmerkten. In de publieke sector is tot op heden het ministerssalaris (dat wil zeggen het «vaste» deel van de bezoldiging) nog steeds de top van het salarissysteem. Het ministerssalaris blijft zelfs de top van het salarissysteem als (top)ambtenaren gebruik maken van de mogelijkheid om de arbeidsduur te verlengen tot 40 uur. Van deze mogelijkheid kunnen politieke ambtsdragers geen gebruik maken omdat ze geen arbeidstijdenregeling kennen. Hoewel het ministerssalaris nog steeds aan de top van het salarissysteem staat, is de normerende werking hiervan beperkt. Deze wordt namelijk verstoord door de op grond van arbeidsmarktoverwegingen ingezette instrumenten voor de toekenning van inkomenstoeslagen (in 1989 geïntroduceerd). Door cumulatie van vaste en variabele beloning kan de bezoldiging van een (top)ambtenaar de bezoldiging van een minister overstijgen.

De instelling en het functioneren van de permanente adviescommissie

De leden van de CDA-fractie stelden er prijs op te vernemen of de regering veronderstelt dat door instelling van een adviescollege het proces van salarisaanpassingen in de publieke sector minder moeizaam zal verlopen, met name het publieke debat.

Na het advies van de commissie Dijkstal «Over dienen en verdienen» liggen er nu vier wetsvoorstellen ter behandeling in uw kamer. Dit feit is al een bevestiging dat een onafhankelijke adviescommissie het proces van salarisaanpassingen in de publieke sector minder moeizaam doet verlopen. Voor het eerst in 25 jaar ligt een voorstel tot structurele aanpassing van het ministerssalaris als nieuw normsalaris voor de salarissen van de publieke sector voor. Terugkijkend op de advisering van de commissie Dijkstal constateert de regering dat de adviezen een positieve werking hebben gehad op de inhoud van het publieke debat over topinkomens. De door commissie voorgestelde hoogte van het ministersalaris heeft inmiddels als ijkpunt ook buiten de publieke sector een zekere normerende werking gekregen.

De hoogte van topinkomens beheerst vaak het publieke debat. In veel gevallen gaat het om incidenten en ontbreekt een grondige beschouwing van de problematiek. Een gezaghebbende onafhankelijke permanente commissie moet in staat worden geacht boven dergelijke incidenten uit te stijgen door te kijken naar richtinggevende structurele salarisontwikkelingen in de markt en de semi-publieke en publieke sector.

De leden van de CDA-fractie vroegen of juist door de transparantie en openbaarmaking van nevenfuncties en de daaraan gekoppelde neveninkomsten, alsmede de openbaarmaking naar aanleiding van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (WOPT), er een jaarlijks ritueel in het politieke debat zijn intrede doet, waarbij de inhoud te veel in de schaduw van politiek gewin kan komen.

De publieke discussie en het politieke debat concentreren zich nu voortdurend op incidentele uitschieters en excessieve salarisstijgingen in de semi-publieke sector. De genoemde salarisbedragen zijn onvergelijkbaar omdat veelal onduidelijk is welke salariscomponenten zijn meegenomen. Door de jaarlijks aan de Tweede Kamer toe te zenden integrale rapportage over het salarisniveau en -ontwikkeling van topfuncties in de publieke en semi-publieke sector worden de voorwaarden geschapen om te voorkomen dat het politieke debat zich richt op incidenten. Door de beloningsgegevens in samenhang per sector te presenteren ontstaat een genuanceerd beeld van de salarisontwikkeling van topfuncties in de (semi-)publieke sector. Door het hanteren van een eenvormige salarisdefinitie worden de gerapporteerde topinkomens ook onderling vergelijkbaar. In het najaar van 2006 komt de eerste rapportage beschikbaar.

De leden van de PvdA-fractie misten een nadere onderbouwing van de regering dat in andere landen positieve ervaringen met een dergelijke adviescommissie zijn. Waaruit bestaan deze ervaringen? Op welke manier is dit elders vormgegeven? Kennen deze landen eenzelfde wijze waarop over beloningen wordt besloten? Is een dergelijke adviescommissie ook elders in het leven geroepen? Wat zijn daarvoor de redenen geweest?

Het belangrijkste voorbeeld van een permanente adviescommissie is de in het Verenigd Koninkrijk in 1971 ingestelde onafhankelijke Review Body on Senior Salaries (SSRB).

De SSRB geeft onafhankelijk periodiek advies aan:

• de minister-president, de voorzitter van het Hogerhuis en de minister van Defensie over respectievelijk de beloning van ambtelijke top («senior civil servants»), de rechterlijke macht en de defensietop.

• de minister-president over de beloning en pensioenen van parlementsleden, Hogerhuisleden, ministers en anderen waarvan de beloning wordt bepaald bij «Ministerial and Other Salaries Act 1975». Een dergelijk advies wordt elke drie jaar opgesteld. Het laatste advies dateert van 2004.

De samenstelling van de SSRB is divers, uit verschillende maatschappelijke geledingen (wetenschap, consultancy, accountancy, pensioenen, human resources) zijn de tien leden afkomstig. Benoeming is voor drie jaar. De commissie heeft in haar bestaan ruim 60 adviezen uitgebracht. Vergelijking met soortgelijke functies in de marktsector en consultatie van betrokkenen is een onderdeel van de onderbouwing van de advisering.

De volgende overwegingen dient de SSRB te betrekken in haar advisering:

• De noodzaak om geschikt en kwalitatief goed personeel te werven, te behouden en te motiveren.

• Het overheidsbeleid om de publieke dienstverlening te verbeteren en de daarbij horende outputvereisten.

• Beschikbare gelden (uitgavenlimieten).

• De inflatiedoelstelling van de overheid.

De aanbevelingen van de commissie vormen een zwaarwegend advies. Besluitvorming vindt vervolgens plaats in het parlement.

Australië kent sinds 1973 de onafhankelijke «Remuneration Tribunal». Deze commissie bestaat uit maximaal drie benoemde leden voor vijf jaar. De leden zijn vooral afkomstig uit het bedrijfsleven. De commissie bepaalt, rapporteert en geeft advies over bezoldiging en toeslagen en rechten voor federale parlementariërs, ministers, de leden van de rechterlijke macht en de ambtelijke top.

De regering is alvorens een salarisaanpassing voor parlementariërs te doen wettelijk verplicht om advies bij de commissie in te winnen. Voorts adviseert de commissie jaarlijks over het ministerssalaris. Daarnaast heeft deze commissie de bevoegdheid jaarlijks toelagen en vergoedingen vast te stellen voor senatoren, leden van het federale parlement en ministers waarbij het parlement de bevoegdheid heeft achteraf (binnen 15 dagen) een dergelijk besluit terug te draaien. De commissie brengt ook advies uit aan de minister-president, ministers en parlementsvoorzitter over de bezoldiging van topfunctionarissen van overheidsorganisaties.

Canada kent sinds 1975 een wettelijk vereiste beloningscommissie (Committee to Review Allowances of Members of Parliament). Op grond van de Parliament of Canada Act moet binnen twee maanden na de algemene federale verkiezingen een commissie worden ingesteld om de schadeloosstelling en toeslagen van de parlementariërs en ministers te herzien. Binnen zes maanden moet een advies worden opgesteld. De leden van de tijdelijke commissies zijn veelal voormalige ministers of topambtenaren. De aanbevelingen worden door de minister in het parlement ingediend. Vanaf 1980 heeft de regering de aanbevelingen onverkort overgenomen en neergelegd in wetgeving.

De leden van de fractie van de PvdA zagen de meerwaarde van een dergelijk adviescollege nog onvoldoende. Het college geeft immers een advies waarover altijd nog een politieke besluitvorming genomen dient te worden. Uiteindelijk moet er voor elk voorstel eenzelfde procedure worden gevolgd als nu het geval is. Deze leden vroegen zich daarom af welke toegevoegde waarde een dergelijk adviescollege heeft. Heeft de regering er onvoldoende vertrouwen in dat zij of toekomstige regeringen afgewogen en onderbouwde salarisvoorstellen kan doen, waarover politieke besluitvorming kan plaatsvinden?

Het aanpassen van de salarissen van politieke ambtsdragers was in het verleden altijd een moeizaam proces. Wat ontbrak was een samenhangende beloningssystematiek voor alle politieke ambtsdragers. Salarisaanpassingen van politieke ambtsdragers hadden door deelaanpassingen een sterk incidenteel karakter. Een permanente adviescommissie kan, ook in de toekomst, een integraal beloningsbeleid voor politieke ambtsdragers bevorderen. Daarnaast kan een onafhankelijke commissie in belangrijke mate de schijn vermijden dat politieke ambtsdragers zelf oordelen over de hoogte van het eigen salaris. Daartoe is overigens wel vereist dat ook in de parlementaire besluitvorming de zwaarwegendheid van het onafhankelijke advies wordt onderkend.

De leden van de PvdA-fractie wilden voorts graag weten hoe de advisering door een onafhankelijke commissie zich gaat verhouden tot de wens om voor de salarisontwikkelingen van politieke ambtsdragers de ontwikkelingen bij de gehele sector Rijk te volgen. Is een dergelijk orgaan niet overbodig in zo’n situatie, zo vroegen zij.

Politieke ambtsdragers volgen in beginsel de generieke salarisontwikkeling van het personeel werkzaam in de sector Rijk. In het arbeidsvoorwaardenoverleg worden ook andersoortige afspraken gemaakt die niet in alle gevallen doorwerking kunnen krijgen in het arbeidsvoorwaardenpakket van ambtsdragers (arbeidsduur, variabele beloning, pensioenen en uitkeringen). Dit aspect, maar ook arbeidsmarktontwikkelingen, salarisontwikkelingen in de markt en semi-publieke sector en functievergelijkingen, kan meegenomen worden in de boordeling of structurele aanpassingen in de bezoldiging noodzakelijk zijn. De permanente commissie krijgt na de aanvang van een nieuwe kabinetsperiode de opdracht te kijken naar de noodzaak van dergelijke structurele aanpassingen van het arbeidsvoorwaardenpakket in den brede en de bezoldiging in het bijzonder.

Het adviescollege zal in ieder geval aan het begin van een kabinetsperiode over structurele salarisaanpassingen adviseren. De leden van de VVD-fractie vroegen op dat punt in hoeverre de adviezen van het college openbaar zullen zijn. Gaarne kregen zij daarop een reactie van de regering.

De adviezen van de permanente commissie zullen, net als de adviezen van de tijdelijke commissie Dijkstal, openbaar zijn.

Artikel 63 van de Grondwet bepaalt dat geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden bij wet worden geregeld. De kamers kunnen een voorstel van wet terzake alleen aannemen met ten minste tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen. De leden van de VVD-fractie vroegen de regering wat de gevolgen zijn van het in te stellen adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers en topambtenaren voor de tweede volzin van artikel 63 van de Grondwet? Blijft een tweederde meerderheid op termijn nodig voor wetsvoorstellen die de geldelijke voorzieningen van leden van de Staten-Generaal betreffen? Zo vroegen deze leden.

De huidige wijze van besluitvorming blijft ook bij de instelling van de permanente beloningscommissie intact. Immers, aan de situatie dat de kamer uiteindelijk besluit over zijn eigen rechtspositie wordt geen verandering aangebracht. Wel zorgt de instelling van de commissie er voor dat de rechtspositie van politieke ambtsdragers integraal door een onafhankelijke commissie wordt bezien, op basis van objectieve criteria wordt beoordeeld en vervolgens in elke kabinetsperiode wordt geagendeerd.

De leden van de SP-fractie verzochten de regering het wetsvoorstel in die zin aan te passen dat het tot de functie van de adviescommissie gaat behoren om te toetsen in hoeverre de politieke ambtsdragers daadwerkelijk hebben bijgedragen aan het verbeteren van het bestuurlijk en democratisch klimaat, als randvoorwaarde voor een verhoging van de salarissen.

Anderzijds moet de commissie ook de mogelijkheid hebben om de salarissen naar beneden aan te passen. De leden van de SP-fractie menen dat meer nadruk op de maatschappelijke waarde van politici de beloningsadviezen meer «maatschappelijke aanvaardbaar» zal maken. Zij verzochten de regering hier op in te gaan.

De «maatschappelijke waarde» van politieke ambtsdragers wordt beoordeeld door de samenleving en uiteindelijk het electoraat. Het is ondenkbaar dat een beloningscommissie door middel van het aanpassen van de bezoldiging een oordeel velt over het functioneren van politieke ambtsdragers. De introductie van een dergelijke vorm van «resultaatbeloning» voor politieke ambtsdragers is in staatsrechtelijke zin ondenkbaar.

De leden van de SP-fractie verzochten de minister om te komen met een omschrijving van voorwaarden en eisen waaraan politici moeten voldoen en om de commissie te laten werken met die lijst van voorwaarden en eisen.

De rekrutering en selectie van volksvertegenwoordigers is uitsluitend een taak van politieke partijen. Zij stellen de voorwaarden en eisen op waaraan (kandidaat)politici moeten voldoen. Hier past naar het oordeel van de regering geen overheidsbemoeienis.

De samenstelling van de adviescommissie

De leden van de CDA-fractie constateerden dat voor het adviescollege leden in aanmerking komen, die zonder last zitting hebben en geen met de taakvervulling van het college onverenigbare functies vervullen.

Commissieleden zullen o.a. worden gezocht in de organen van het openbaar bestuur, maar mogen tezelfdertijd niet meer actief zijn in het openbaar bestuur opdat een direct belang bij de uit te brengen adviezen voorkomen wordt. De leden van de CDA-fractie vroegen of hiermee deze categorie niet dusdanig beperkt wordt, dat er nauwelijks leden te vinden zullen zijn. Zij vroegen de regering aan te geven aan welke functies nog wel gedacht kan worden voor deze categorie?

Voor de leden van de adviescommissie Dijkstal golden dezelfde vereisten als in voorliggend wetsvoorstel worden gesteld aan de leden van een permanente adviescommissie. Deze leden hadden een zeer gevarieerde achtergrond (voormalig minister, voormalig lid Tweede Kamer, voormalige burgemeester, voormalig CdK, voormalig lid Hoog College van Staat, gewezen voorzitter werkgeversorganisatie en vakcentrale, bedrijfsleven en wetenschap). Voor de permanente adviescommissie verwacht de regering eveneens voldoende rekruteringsmogelijkheden te hebben.

De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering op welke manier dit adviescollege wordt vormgegeven en uit welke sectoren worden leden van dit college aangetrokken? Daarnaast vroegen deze leden welke specifieke kennis en kwaliteit wordt aangetrokken voor dit college en of hierbij ook personen uit de marktsector worden betrokken?

De leden van de SP-fractie stelden dat ook de samenstelling van de commissie moet worden aangepast in die zin dat er mensen met gevarieerde achtergrond in zitten, die kennis hebben van en gevoel voor maatschappelijke verhoudingen.

De permanente adviescommissie zal dezelfde gevarieerde samenstelling krijgen, met kennis van en gevoel voor maatschappelijke verhoudingen, als de tijdelijke adviescommissie Dijkstal. Hierbij worden ook personen uit de marktsector betrokken. Kennis van beloningsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden, pensioenen en de inrichting van het openbaar bestuur zijn bij de werving van commissieleden van belang.

De reikwijdte van de adviestaak van de commissie

De leden van de CDA-fractie gingen ervan uit dat het adviescollege tevens gaat adviseren over topfuncties bij publiekrechtelijke ZBO’s. Kan de adviescommissie in de toekomst ook een rol gaan spelen met betrekking tot advisering bij topfuncties in privaatrechtelijke ZBO’s?

De adviescommissie zal adviseren over het structurele beloningsniveau en de rechtspositie van politieke ambtsdragers, de Hoge Colleges van Staat en de ambtelijke topstructuur van de sector Rijk. In de taakopdracht van de commissie is niet voorzien in advisering over individuele topfuncties bij privaat- en publiekrechtelijke ZBO’s. In het kabinetsstandpunt is vastgelegd dat bezoldiging van topfunctionarissen van publiekrechtelijke ZBO’s een kabinetsbesluit vereist (in navolging van het advies van de commissie Dijkstal) in het geval de hoogte van de bezoldiging uitstijgt boven het ministersalaris.

De regering heeft overigens een aanvullend advies gevraagd aan de commissie Dijkstal over de bezoldiging van topfunctionarissen van privaatrechtelijke ZBO’s. Dit advies wordt in het najaar van 2006 verwacht.

De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering de redenen waarom de rechtspositie en beloningsstructuur van de rechterlijke macht niet bij de adviestaak van het op te richten adviescollege wordt betrokken. Zij vroegen of hiervoor een apart college voor wordt ingesteld?

Zij vroegen de regering nader in te gaan op het idee de top van de drie staatsmachten op dezelfde wijze te belonen? Zou dit in de ogen van de regering een wenselijke ontwikkeling zijn? Zo ja, op welke manier en op welke termijn wil de regering dit vormgeven? Zo neen, waarom niet?

Voor het betrekken van een adviescollege bij de vormgeving van de rechtspositie en beloningsstructuur van de Rechterlijke Macht ziet de regering geen aanleiding.

De leden van de Rechterlijke Macht behoren tot het overheidspersoneel. Sinds jaar en dag worden de arbeidsvoorwaarden van de leden van de Rechterlijke Macht vastgesteld in arbeidsvoorwaardenoverleg tussen de regering en de vertegenwoordigers van de beroepsgroep, zoals voor al het overheidspersoneel gebeurt.

Sinds het begin van de jaren negentig – bij de vorming van het zogenaamde sectorenmodel – vindt dit overleg plaats in een afzonderlijke sector Rechterlijke Macht. De minister van Justitie treedt daarbij op als werkgever en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak als vakbond. Deze onderhandelingen gelden voor alle salarisniveaus binnen de sector Rechterlijke Macht, ook voor die niveau’s die tot de topstructuur gerekend kunnen worden.

Het resultaat van deze onderhandelingsronden loopt overigens in de pas met het resultaat in de overige overheidssectoren.

De regering hecht eraan om deze onderhandelingen ook in de toekomst in haar volle omvang en voor alle salarisniveaus te kunnen blijven voeren, omdat daarmee de onderlinge samenhang tussen de verschillende beloningsniveau’s binnen de sector Rechterlijke Macht het best gewaarborgd is. Het optreden van een adviescollege past niet goed bij een systeem van onderhandelingen; een systeem dat naar de mening van de regering overigens bevredigende resultaten heeft opgeleverd. Het hebben van een aparte arbeidsvoorwaardensector benadrukt het eigene van de Rechterlijke Macht, die in ons staatsbestel als derde staatsmacht een niet weg te denken rol vervult, die echter van een andere orde is dan de rol van politieke ambtsdragers en die van topambtenaren De beloning van topambtenaren valt niet onder het arbeidsvoorwaardenoverleg van de sector Rijk. Vandaar dat de beloning van topambtenaren sector Rijk wel onder de taakopdracht van de permanente beloningscommissie is gebracht .

De leden van de VVD-fractie deelden het uitgangspunt van de regering dat voor de bezoldiging van topfunctionarissen van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen de hoogte van het ministersalaris als maximum bepalend zou moeten zijn. Graag vernamen deze leden welke goede argumenten er zouden kunnen zijn om een kandidaat voor een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan een hoger salaris dan het ministersalaris aan te bieden. Ook vernamen deze leden graag of de hoogte van het salaris boven dat van de minister-president kan uitstijgen. Voorts vroegen deze leden zich af of het adviescollege op de hoogte gesteld wordt van de individuele salariëringen van topfunctionarissen van publiekrechtelijke ZBO’s boven het ministerniveau, een en ander met het oog op de periodieke integrale advisering aan de regering. Graag kregen de leden van de VVD-fractie een reactie op deze vragen.

In het eerste advies van de Commissie Dijkstal «Over dienen en verdienen» wordt gesteld dat de bezoldiging van topfunctionarissen van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen maximaal gelijk is aan het salarisniveau van een minister. De regering heeft dit advies overgenomen. Afwijken van de regel is slechts mogelijk bij wet of algemene maatregel van bestuur.

In hetzelfde advies is ook aangegeven dat de bezoldiging in individuele gevallen en onder bijzondere omstandigheden uit kan stijgen boven het bezoldigingsniveau van een minister (of de minister-president). Het ministersalaris is een grensbedrag, daar beneden is de vakminister zelfstandig bevoegd de bezoldiging toe te kennen, daarbóven is instemming van de Ministerraad vereist. Advies ten aanzien van de bezoldiging is maatwerk. De Ministerraad kan een hogere bezoldiging toestaan op grond van bijvoorbeeld een van de volgende argumenten: Arbeidsmarkt (referentiemarkt van de functionaris):

• individuele capaciteiten (uniek individu, een «autoriteit»);

• prestatie (c.q. de opdracht);

• functiezwaarte;

• bezoldigingsniveau van de vorige functie van de (kandidaat) bestuurder.

Indien besloten wordt dat een hogere bezoldiging dan dat van een minister aan de orde is, dan wordt deze met inachtneming van onderstaande uitgangspunten toegekend bij wet of algemene maatregel van bestuur:

– bezoldigingen boven het ministersalaris worden op individuele basis toegekend;

– de opvolger heeft hierop geen automatische aanspraak;

– ontslagvergoedingen zijn bedoeld als vangnet en overbrugging tussen twee functies. Ze dienen niet gebruikt te worden als uitgesteld primair loon, bij wijze van compensatie voor een (te) lage primaire beloning.

Jaarlijks – voor de eerste maal in het najaar van 2006 – wordt de Tweede Kamer schriftelijk op de hoogte gebracht van alle functionarissen op wie de Wet openbaarmaking publiek gefinancierde topinkomens van toepassing is èn die een beloning hebben genoten die ligt boven het ministersalaris. Uiteraard wordt ook het permanente Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers en topambtenaren van deze uitkomsten op de hoogte gesteld.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes