Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200830426 nr. 8

30 426
Wijziging van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen in verband met de wijziging van de hoogte van de bezoldiging van de ministers, de minister-president en de staatssecretarissen

nr. 8
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 25 september 2007

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Het opschrift komt te luiden:

Wijziging van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen en enige andere wetten in verband met de wijziging van de hoogte van de bezoldiging van de ministers, de minister president, de staatssecretarissen, de leden van de Raad van State, de leden van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman

2

In de considerans wordt «en de staatssecretarissen» vervangen door: , de staatssecretarissen, de leden van de Raad van State, de leden van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman.

3

Artikel I, onderdeel A, wordt vervangen door:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid wordt het eerste lid vervangen door:

1. De bezoldiging van de ministers wordt bepaald op € 10 917,38 per maand.

2. De bezoldiging van de minister-president wordt bepaald op 110% van de bezoldiging van de ministers.

3. De bezoldiging van de staatssecretarissen wordt bepaald op 90% van de bezoldiging van de ministers.

2. In het vierde lid vervalt «en staatssecretarissen» en wordt «de in het eerste lid genoemde bedragen» vervangen door: het in het eerste lid genoemde bedrag.

3. In het vijfde lid wordt na «ministers» ingevoegd: , minister-president.

Aa

In artikel 1, eerste lid, wordt «€ 10 917,38» vervangen door: € 11 135,73.

4

Na artikel I worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL Ia

De wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, komt te luiden:

De bezoldiging van de vice-president van de Raad van State is gelijk aan de bezoldiging van de ministers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen. De bezoldiging van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak wordt bepaald op 90% van de bezoldiging van de vice-president. De bezoldiging van de overige staatsraden wordt bepaald op 85% van de bezoldiging van de vice-president.

B

Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:

De bezoldiging van de president van de Algemene Rekenkamer is gelijk aan de bezoldiging van de ministers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen. De bezoldiging van de overige leden in gewone dienst wordt bepaald op 85% van de bezoldiging van de president.

C

Artikel 6 vervalt.

ARTIKEL Ib

Artikel 1 van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De bezoldiging van de Nationale ombudsman is gelijk aan de bezoldiging van de ministers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen. De bezoldiging van de substituut-ombudsman wordt bepaald op 85% van de bezoldiging van de Nationale ombudsman.

2. Het derde lid vervalt.

ARTIKEL Ic

1. Er is een commissie van wijzen.

2. Bij besluit van de commissie wordt het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen verhoogd tot 130% van € 9924,89, eventueel verhoogd overeenkomstig artikel 1, vierde lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen. De commissie kan daarbij besluiten het bedrag op verschillende tijdstippen in stappen te verhogen tot 130%.

3. Indien deze wet in werking treedt na 31 maart 2008, wordt het bedrag in het tweede lid vervangen door «€ 10 123,39».

4. De commissie neemt het in het tweede lid genoemde besluit uiterlijk binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wet.

5. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op de commissie.

6. De commissie bestaat uit drie leden die worden benoemd bij koninklijk besluit.

7. Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regelt de bezoldiging van de leden van de commissie.

8. Tegen een besluit van de commissie kan geen beroep worden ingesteld.

ARTIKEL Id

1. Tot het tijdstip waarop een besluit van de commissie van wijzen, bedoeld in artikel Ia, eerste lid, in werking treedt, wordt de bezoldiging van de staatssecretarissen, in afwijking van artikel 1, derde lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen, met ingang van 1 januari 2008 bepaald op € 10 247,16 per maand en met ingang van 1 april 2008 op € 10 452,10.

2. Nadat een besluit van de commissie van wijzen in werking is getreden, wordt de bezoldiging van de staatssecretarissen bepaald op grond van artikel 1, derde lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen, tenzij dit leidt tot een lagere bezoldiging dan het bedrag genoemd in het eerste lid. In dat geval wordt de bezoldiging van de staatssecretarissen bepaald overeenkomstig het eerste lid.

5

In artikel II wordt «artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen» vervangen door «de artikelen Ic, tweede lid, en Id, eerste lid, van deze wet en 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen» en wordt de laatste volzin vervangen door: De nadere vaststelling geschiedt bij koninklijk besluit.

6

Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IIa

Artikel I, onderdeel Aa, vervalt, indien de commissie van wijzen, bedoeld in artikel Ic, eerste lid, heeft besloten tot verhoging van het bedrag, bedoeld in artikel Ic, tweede lid, met ingang van een tijdstip vóór 1 april 2008.

7

Artikel III komt te luiden:

ARTIKEL III

1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt zes maanden na bekendmaking van het tijdstip waarop het bedrag, bedoeld in artikel Ia, tweede lid, wordt verhoogd tot 130%.

2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen I, onderdelen A en B, Ia, Ib en Id, in werking met ingang van 1 januari 2008. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2007, treden zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werken zij terug tot en met 1 januari 2008.

3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel Aa, in werking met ingang van 1 april 2008. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 maart 2008, treedt artikel I, onderdeel Aa, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 april 2008.

Toelichting

Inleiding

In april 2004 heeft de Adviescommissie beloning en rechtspositie ambtelijke en politieke topstructuur (hierna: commissie Dijkstal) in het advies «Over dienen en verdienen» geadviseerd een nieuwe beloningsstructuur voor (politieke) ambtsdragers in te voeren. In januari 2006 zijn op basis van de adviezen van de commissie Dijkstal vier wetsvoorstellen aan de Tweede Kamer gezonden, waaronder onderhavig voorstel met betrekking tot het ministerssalaris.

Over het beleid rond de topinkomens bevat het Coalitieakkoord de volgende passage:

«De inkomens in de publieke en semi-publieke sfeer worden genormeerd respectievelijk gemaximeerd. De beloningsstructuur wordt vereenvoudigd; voor een aantal categorieën vloeit daar versobering uit voort. Met betrekking tot de inkomens in de publieke en semi-publieke sfeer geldt het inkomen van de Minister-president als maximumnorm. Daarbij wordt uitgegaan van het inkomen zoals dit zou moeten zijn overeenkomstig het kabinetsstandpunt op de voorstellen van de commissie Dijkstal. De aanpassing van het inkomen van bewindspersonen aan deze norm geschiedt in stappen. Aanpassingen zullen niet door het kabinet worden voorgesteld maar door een in te stellen commissie van wijzen worden vastgesteld».

Met deze nota van wijziging geeft het kabinet uitvoering aan deze passage met betrekking tot het ministerssalaris en doet daartoe de volgende voorstellen. Op basis van het advies van de commissie Dijkstal was in onderhavig wetsvoorstel een verhoging van het ministerssalaris opgenomen van 30%. De commissie constateerde dat door een aantal omstandigheden ten opzichte van rijksambtenaren een salarisachterstand van 30% is ontstaan. Het voorstel is nu om de verhoging van het ministerssalaris gefaseerd in te voeren. In het wetsvoorstel wordt met deze nota van wijziging een verhoging van het ministerssalaris van 10% opgenomen. Overweging daarbij is dat de commissie Dijkstal heeft vastgesteld dat genoemde salarisachterstand voor een deel is gelegen in de onmogelijkheid voor arbeidsduurverlenging tot een 40-urige werkweek die wel voor het rijkspersoneel geldt. Voorstel is om deze achterstand te herstellen in de vorm van de eerste stap van 10%.

Voorts wordt in lijn met het Coalitieakkoord een commissie van wijzen ingesteld die beslist over de gefaseerde invoering van de verhoging tot 130%. Deze bevoegdheid wordt in de wet vastgelegd. De commissie besluit op welk tijdstip of tijdstippen de verdere verhogingen tot 130% geschieden.

Met betrekking tot de bezoldiging van de overige ambtsdragers stelt het kabinet voor om deze overeenkomstig de voorstellen van de commissie Dijkstal te verhogen. Dat wil zeggen dat de betreffende bedragen worden verhoogd tot het niveau dat de commissie voorstelt als de bezoldiging van de ministers wordt verhoogd tot 130%, met dien verstande dat de verhoging thans niet meer bedraagt dan 10%, de verhoging niet uitstijgt boven het thans voorgestelde nieuwe ministersalaris (110% van het huidige ministersalaris) en hierdoor geen achteruitgang in de bezoldiging optreedt. Op deze wijze wordt bereikt dat deze ambtsdragers niet op de hem in het vooruitzicht gestelde bezoldiging hoeven te wachten totdat de bezoldiging van ministers is aangepast aan de voorstellen van de commissie Dijkstal, en wordt tevens voorkomen dat diverse ambtsdragers tijdelijk een hogere bezoldiging genieten dan ministers.

De invulling van de voorstellen van de commissie Dijkstal ten aanzien van de Hoge Colleges van Staat en de rechterlijke macht is door het vorige kabinet voor nadere besluitvorming aangehouden1. Het huidige kabinet acht het raadzaam om de door de commissie Dijkstal genoemde topfuncties bij de Hoge Colleges van Staat volgens de door de commissie voorgestelde systematiek te koppelen aan het ministerssalaris. Daartoe wordt de bezoldiging van de hoogste functies (vice-president Raad van State, president Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman) gelijkgesteld aan de bezoldiging van ministers, zoals dat thans eveneens het geval is. Vervolgens worden de overige leden van de Raad van State en de Algemene Rekenkamer, alsmede de substituut-ombudsman, conform het voorstel van de Commissie Dijkstal procentueel gekoppeld aan de hoogste topfuncties (respectievelijk 90% en 85%). Op die wijze ontstaat een evenwichtige beloningsstructuur. Met betrekking tot de rechterlijke macht zal het kabinet afzonderlijke voorstellen doen.

Met onderhavige nota van wijziging wordt bepaald dat de verhoging van de bezoldiging van de ministers met 10% ingaat per 1 januari 2008. Dit om op korte termijn en op een logisch moment concrete uitvoering te geven aan de in het Coalitieakkoord voorgestelde uitvoering van het advies van de commissie Dijkstal. Indien onderhavig voorstel van wet na 1 januari 2008 in het Staatsblad wordt geplaatst, zullen de wijzigingen terugwerken tot 1 januari 2008. Ook de voorgestelde verhoging van de bezoldiging van andere ambtsdragers treedt op die datum in werking. De inwerkingtreding van de verhoging van de bezoldiging van de staatssecretarissen, de vice-president en de leden van de Raad van State, de president en de leden van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman is eveneens in onderhavige nota van wijziging opgenomen. De aanpassing van de verhoging van de schadeloosstelling van de leden van de Tweede Kamer en de leden van het Europees Parlement, alsmede de vergoeding van de leden van de Eerste Kamer is opgenomen in de gelijktijdig met deze nota van wijziging ingediende nota van wijziging van het voorstel van wet tot invoering van een beloningsstructuur voor politieke ambtsdragers2. Per gelijke datum zal de bezoldiging van de overige politieke ambtsdragers worden aangepast in de op deze ambtsdragers van toepassing zijnde regels.

Artikelsgewijs

Onderdelen 1 en 2

In deze onderdelen worden het opschrift en de considerans aangepast aan de wijziging van de bezoldiging van de leden van de Raad van State, de leden van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman in onderhavig voorstel van wet.

Onderdeel 3 (ministerssalaris)

Met onderdeel 3 wordt het bedrag van de bezoldiging van de ministers aangepast (artikel 1 Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen). Ten opzichte van de huidige bezoldiging wordt het ministerssalaris met 10% verhoogd tot € 10 917,38. In het voorstel van wet was verzuimd in het vijfde lid de minister-president toe te voegen. Dit verzuim wordt thans hersteld. Van de gelegenheid is voorts gebruik gemaakt een redactionele verbetering aan te brengen.

Onderdeel 4, artikelen Ia en Ib (Hoge Colleges van Staat)

Met de thans ingevoegde artikelen Ia en Ib worden de wetten betreffende de bezoldiging van de vice-president en de leden van de Raad van State, de president en de leden van de Algemene Rekenkamer alsmede de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman aangepast. De bezoldiging van de vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman wordt gelijkgesteld aan de bezoldiging van de ministers. Dat betekent dat de bezoldiging van deze ambtsdragers – wier bezoldiging thans eveneens gelijk is aan de bezoldiging van ministers – wordt verhoogd met 10% en dat toekomstige verhogingen van de bezoldiging van de ministers automatisch doorwerken in de bezoldiging van de president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman.

De bezoldiging van de overige genoemde ambtsdragers wordt uitgedrukt in percentages van de bezoldiging van vice-president van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer onderscheidenlijk de Nationale ombudsman.

Artikel 6 van de Wet van 11 september 1964 en artikel 1, derde lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman, betreffende de aanpassing van de bezoldiging van de leden van de Hoge Colleges van Staat aan een algemene verhoging van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel, kunnen vervallen, nu op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen de bezoldiging van de ministers reeds aan een dergelijke verhoging wordt aangepast en de bezoldiging van de leden van de Hoge Colleges van Staat door de thans voorgestelde bepalingen aan de bezoldiging van de ministers is gekoppeld.

Onderdeel 4, artikel Ic (commissie van wijzen)

Met artikel Ia wordt de in het Coalitieakkoord genoemde commissie van wijzen ingesteld. Aangezien de commissie besluiten zal nemen over het tijdstip of de tijdstippen waarop de verdere verhoging van het ministersalaris plaatsvindt, is de commissie formeel gezien een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Nu de commissie slechts één of enkele besluiten zal nemen, bestaat aan de toepassing van de Kaderwet geen behoefte. In plaats daarvan wordt alleen het nodige geregeld. Zo wordt de benoeming van de leden bij koninklijk besluit voorgeschreven en wordt voorts bepaald dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de bezoldiging van de leden van de commissie regelt. Daarbij is het Vacatiegeldenbesluit 1988 van toepassing.

Een besluit dat de commissie neemt, is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het is echter niet gewenst dat tegen dit besluit bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Daarom wordt beroep tegen dit besluit uitgesloten. Nu tegen het besluit geen beroep kan worden ingesteld, is op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht tevens de mogelijkheid van bezwaar uitgesloten.

De bekendmaking van het besluit van de commissie is niet apart geregeld. Uit artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht volgt reeds dat dit besluit bekend wordt gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Onderdeel 4, artikel Id (staatssecretarissen)

In onderdeel 4, artikel Id, is een overgangsbepaling opgenomen met betrekking tot de bezoldiging van de staatssecretarissen. De bezoldiging van de staatssecretarissen wordt – zolang de commissie van wijzen geen besluit heeft genomen – niet bepaald op 90% van de bezoldiging van de ministers. In plaats daarvan wordt de bezoldiging verhoogd met 10% ten opzichte van het niveau van 2007 tot € 10 247,16 per maand. Indien de commissie van wijzen de bezoldiging van ministers verhoogt, wordt de bezoldiging van de staatssecretarissen volgens de hoofdregel vastgesteld op 90% van de bezoldiging van ministers, tenzij dit tot een lagere bezoldiging leidt dan € 10 247,16. Het omslagpunt ligt in dat geval bij een verhoging van de bezoldiging van ministers met 14,72% ten opzichte van de bezoldiging van ministers in 2007.

Onderdeel 5 (voorzieningen betreffende wijzigingen salaris burgerlijk rijkspersoneel)

In de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010 zijn de salarissen over de periode 1 januari 2007 tot 1 april 2008 verhoogd met 2,3%, waarbij tevens het nominale deel van de eindejaarsuitkering is ingebouwd. De verhoging per 2007 is verwerkt in de bedragen, bedoeld in onderdeel 3 (€ 10 917,38) en onderdeel 4, artikel Id, (€ 10 247,16). In artikel IIa worden de bedragen aangepast aan de verhoging van de salarissen van het rijkspersoneel die in werking treedt per 1 april 2008, voor het geval de stemming over onderhavig voorstel van wet in de Tweede Kamer plaats zou vinden na 1 april 2008.

In artikel II van het wetsvoorstel is reeds een voorziening getroffen voor het geval een verhoging van de salarissen plaats vindt na de stemming in de Tweede Kamer, maar vóór de inwerkingtreding van de wet. Aan die bepaling wordt thans toegevoegd een voorziening om tevens het bedrag in de artikelen Ic en Id aan te passen, waar het betreft de maximale verhoging van het ministerssalaris door de commissie van wijzen.

De aanpassing, bedoeld in artikel II, vindt plaats voordat de wet in werking treedt. Regeling van de inwerkingtreding van die aanpassing is daarmee overbodig en wordt daarom geschrapt.

Onderdelen 6 en 7 (Inwerkingtreding)

In het oorspronkelijke artikel III was bepaald dat onderhavig voorstel van wet in werking treedt bij het aantreden van het nieuwe kabinet. Inmiddels hebben verkiezingen voor de leden van de Tweede Kamer plaatsgevonden en is een nieuw kabinet aangetreden. De inwerkingtredingsbepaling wordt hieraan aangepast. Het kabinet streeft naar invoering van de eerste fase van de verhoging van de beloning van politieke ambtsdragers per 1 januari 2008. Om die reden treden de wijzigingen betreffende de bezoldiging van de ministers, de minister-president, de staatssecretarissen, de leden van de Raad van State en de Algemene Rekenkamer, alsmede de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman, per die datum in werking. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel III, tweede lid. Indien deze wet later dan 1 januari 2008 in het Staatsblad komt te staan, werken deze bepalingen terug tot en met 1 januari 2008.

Uitzondering vormt artikel I, onderdeel Aa, dat de aanpassing van de bezoldiging van de ministers regelt per 1 april 2008 aan de verhoging van de salarissen van het burgerlijk rijkspersoneel overeenkomstig de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2007–2010.

In artikel IIa is bepaald dat artikel I, onderdeel Aa, vervalt in geval de commissie van wijzen heeft bepaald dat de bezoldiging van de ministers vóór 1 april 2008 wordt verhoogd.

Tevens is voorzien in de intrekking van deze wet. De in artikel Ic voorgestelde commissie van wijzen heeft een eenmalige taak. De op deze commissie betrekking hebbende bepalingen kunnen vervallen, nadat de commissie haar werkzaamheden heeft vervuld. Omdat op dat tijdstip de overige bepalingen van deze wet eveneens zijn uitgewerkt, is in artikel III bepaald dat de wet vervalt.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst


XNoot
1

Kamerstukken II 2005/06, 30 693, nr. 3, pp. 3–4.

XNoot
2

Kamerstukken II 2006/07, 30 693, nr. 7.