30 420
Emancipatiebeleid

nr. 2
MEERJARENBELEIDSPLAN EMANCIPATIE 2006–2010 EMANCIPATIE: VANZELFSPREKEND, MAAR HET GAAT NIET VANZELF!

Inhoudsopgave

Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006–2010 
Emancipatie: Vanzelfsprekend, maar het gaat niet vanzelf! 
Overzicht doelstellingen en subdoelstellingen3
   
1Emancipatie nationaal: verankeren en aanjagen11
1.1Inleiding11
1.2Wat is bereikt vanaf 200012
1.3Doelstelling14
   
2Veiligheid15
2.1Inleiding15
2.2Stand van zaken15
2.3Wat is bereikt vanaf 200016
2.4Doelstellingen en indicatoren17
   
3Economische zelfstandigheid20
3.1Inleiding20
3.2Stand van zaken21
3.3Wat is bereikt vanaf 200023
3.4Doelstellingen en indicatoren24
   
4Maatschappelijke participatie29
4.1Inleiding29
4.2Stand van zaken30
4.3Wat is bereikt vanaf 200031
4.4Doelstellingen en indicatoren32
   
5Besluitvorming34
5.1Inleiding34
5.2Stand van zaken34
5.3Wat is bereikt vanaf 200035
5.4Doelstellingen en indicatoren37
   
6Emancipatie internationaal40
6.1Inleiding40
6.2Stand van zaken40
6.3 Doelstellingen en indicatoren43
   
Bijlage 1Overzicht beleidsacties domeinen47
1Arbeid, zorg en inkomen47
2Dagindeling54
3Macht en besluitvorming63
4Mensenrechten69
5Kennissamenleving77
6Overzicht bronnen behorende bij beleidsacties domeinen80
   
Bijlage 2Overzicht organisaties brainstormbijeenkomsten88

Emancipatie: Vanzelfsprekend, maar het gaat niet vanzelf!

Vrouwen en mannen zijn gelijk. Dat is in Nederland een vanzelfsprekend uitgangspunt. Maar iets wat vanzelfsprekend is, gaat niet vanzelf goed. Vandaar dat opeenvolgende kabinetten de emancipatie bevorderen aan de hand van concrete maatregelen en de ontwikkeling van beleid. In 2000 is het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie vastgesteld. Hierin staan de doelstellingen voor de periode tot 2010 en beleidsacties voor de eerste vier jaar. Het huidige kabinet maakt tussentijds de balans op. Het rapporteert met deze notitie over de periode 2000–2005 en doet nieuwe voorstellen voor het emancipatiebeleid tot 2010.

De belangrijkste conclusie is dat er weliswaar vooruitgang is geboekt in de afgelopen vijf jaar, maar dat er nog volop werk te doen is. De bestaande hoofddoelstellingen voor het emancipatiebeleid blijven daarom ongewijzigd. Kern van het emancipatiebeleid is en blijft dat meer vrouwen meer uren gaan werken en dat hun talenten en kwaliteiten beter worden benut. Dat is goed voor vrouwen zelf, de samenleving en de toekomst. De unieke talenten van mannen én vrouwen zijn van groot belang voor de kwaliteit van de samenleving in al haar domeinen, zowel sociaal, economisch als moreel.

Wel voegt het kabinet een nieuwe doelstelling toe, die van maatschappelijke participatie. Hoewel burgers zelf een belangrijke verantwoordelijkheid hebben bij het ontwikkelen en benutten van hun talenten, is niet iedereen in staat een zelfstandig bestaan op te bouwen en economische zelfstandigheid te bereiken. Dat geldt vooral voor een groot aantal vrouwen. Het kabinet wil voorkomen dat zij langs de kant komen te staan en in een sociaal isolement raken. Het bevorderen van maatschappelijke participatie van vrouwen in een kwetsbare positie is daarom voor de komende jaren toegevoegd als een van de hoofddoelstellingen van het emancipatiebeleid.

Flinke vooruitgang

In de eerste vijf jaar van de beleidsperiode is flinke vooruitgang geboekt. De stijging van het opleidingsniveau van vrouwen zet gestaag door. Vrouwen nemen vaker deel aan hogere vormen van onderwijs en halen sneller dan mannen hun diploma. Ook hebben steeds meer vrouwen een betaalde baan. De arbeidsparticipatie van vrouwen neemt met ongeveer één procentpunt per jaar toe en is nu ruim 54%1. Vooral jonge middelbaar en hoger opgeleide vrouwen doen het goed. Eerdere zorgen over de aansluiting van vrouwen bij de kennissamenleving blijken grotendeels onterecht. Het gebruik van computer, internet en mobiele telefoon is bij veel vrouwen volledig ingeburgerd. De deelname aan en doorstroom op de arbeidsmarkt is langzaam maar zeker zichtbaar in het aandeel van vrouwen in managementfuncties en politieke topfuncties. Vrouwen bekleden nu ongeveer een kwart van de managementposities. In de samenstelling van het kabinet, de Nederlandse afvaardiging in het Europese parlement en in de Tweede Kamer is bij de laatste verkiezingen de vertegenwoordiging van vrouwen flink toegenomen2.

Om deze positieve ontwikkeling in de arbeidsmarktdeelname van vrouwen te ondersteunen, is in de afgelopen jaren een aantal wettelijke maatregelen genomen. Om werken aantrekkelijker te maken voor zowel mannen als vrouwen is de arbeidskorting verhoogd en zijn verschillende vormen van combinatiekorting ingevoerd. Verlofrechten voor werknemers zijn in de Wet Arbeid en Zorg vastgelegd en in de Wet Aanpassing Arbeidsduur is het recht vastgelegd op vermindering of uitbreiding van de wekelijkse arbeidsduur. Er zijn meer dan 250 experimenten dagindeling ondersteund, gericht op een betere combinatie van arbeid en zorg. De Wet kinderopvang biedt een nieuw wettelijk kader voor de financiering, kwaliteit en marktwerking in de kinderopvang. Vooral voor de lagere inkomensgroepen is de kinderopvang goedkoper geworden. Het aanbod van (formele) kinderopvang is toegenomen van 126 000 plaatsen in 2000 tot ruim 206 000 plaatsen in 20041. Vanaf 2006 gaat de levensloopregeling gelden.

Meer vanzelfsprekend, maar nog niet af

Emancipatie is meer vanzelfsprekend, maar nog niet af. Dit geldt voor elk van de onderdelen van het emancipatiebeleid: veiligheid, arbeidsparticipatie die leidt tot economische zelfstandigheid, maatschappelijke participatie en besluitvorming. In de buitenlandagenda spelen dezelfde hoofdthema’s.

Economische zelfstandigheid

Na de komst van het eerste kind verminderen de meeste moeders hun arbeidsuren. Vaders doen dat zelden. Bovendien brengen veel vrouwen hun werktijden nog verder terug naarmate de kinderen ouder worden. De zorg voor kinderen of hulpbehoevende familieleden is voor veel mensen moeilijk te combineren met een voltijdbaan of een grote deeltijdbaan. Mede daarom kiezen met name vrouwen vaak voor (kleine) deeltijdbanen. Van alle vrouwen in Nederland is hierdoor slechts zo’n 40% economisch zelfstandig. Vooral het aantal uren dat vrouwen werken, blijft relatief laag: de arbeidsdeelname in arbeidsjaren van vrouwen in Nederland behoort tot de allerlaagste in Europa. Ook groeit het aantal vrouwen met een betaalde baan minder snel dan vijf jaar geleden werd verwacht. De economische laagconjunctuur speelt hierbij mede een rol.

De arbeidsparticipatie van Surinaamse en Antilliaanse vrouwen in sommige leeftijdsgroepen is hoger dan die van autochtone vrouwen. Maar voor veel vrouwen uit andere etnische minderheden is een baan en eigen inkomen vaak nog een onbereikbaar perspectief. Een vergelijking van de arbeidsparticipatie van de jonge generatie vrouwen is illustratief. Van de Surinaamse en Antilliaanse jonge vrouwen heeft 71% en 62% een baan (tegen 72% van de autochtone jonge vrouwen)2. Van de Turkse en Marokkaanse jonge vrouwen heeft 29% en 31% een baan. Een belangrijke rol hierbij spelen traditionele opvattingen over huwelijk en de zorg voor de kinderen naast het opleidingsniveau en taalbeheersing.

Besluitvorming

Om de kwaliteit van het openbaar bestuur te handhaven en te verbeteren is evenredige deelname van vrouwen aan politieke besluitvorming en openbaar bestuur van belang. In de Nederlandse samenleving zijn vrouwen en minderheden ondervertegenwoordigd op topposities in politieke besluitvorming, management en besturen. Hierdoor blijven capaciteiten en talenten onbenut, maar loopt ook de kwaliteit en representativiteit van de (democratische) besluitvorming gevaar. Het streven naar diversiteit dient daarom een centraal element in de samenstelling en inrichting van besluitvorming en bestuur te zijn.

Wat betreft het aandeel van vrouwen in het nationale parlement behoort Nederland met de Scandinavische landen tot de koplopers. Maar het aandeel van vrouwen in gemeenteraden stagneert en bij Provinciale Staten gaat het aandeel van vrouwen zelfs achteruit.

De inzet van het kabinet is verder om te stimuleren dat een groter aantal vrouwen een zetel krijgt in de gemeenteraden.

Ook in het bedrijfsleven kan een grotere diversiteit bijdragen aan verbetering van prestaties. Bedrijven en instellingen hechten steeds meer belang aan een divers personeelsbestand. Het streven naar doorstroming van vrouwen naar de hogere echelons van de arbeidsmarkt staat veelal in het teken van «diversiteitmanagement». Hiermee staat cultuurverandering op de agenda. In de praktijk komt dit neer op het wegnemen van belemmeringen voor de loopbaankansen van vrouwen en andere groepen (werving en selectie, loopbaanbeleid, beeldvorming, organisatie van het werk).

Geweld tegen vrouwen en meisjes

Er is nog een belangrijke reden waarom de emancipatie niet af is, en op onderdelen een extra impuls nodig heeft. Schrikbarend veel vrouwen en meisjes hebben in hun leven te maken met seksueel geweld en geweld in de relationele sfeer. Het gaat om tienduizenden ernstige gevallen van seksueel en relationeel geweld per jaar. Ook mannen en jongens zijn slachtoffer van dit geweld. Dit geweld stopt niet vanzelf. Het geweld achter de voordeur dient te worden bestreden in zowel autochtone als allochtone kring. Herhaling van eenmaal gesignaleerd geweld dient meetbaar te verminderen in de komende jaren. De aanpak van het huiselijk geweld staat hoog op de politieke agenda. De ambitie van het kabinet is om een vermindering van het geweld te realiseren. Hiertoe worden diverse concrete maatregelen genomen.

Op grond van inzichten die sinds het najaar van 2004 beschikbaar zijn, wordt een aanpak ontwikkeld van eergerelateerd geweld. Maatregelen van preventieve en repressieve aard, die in 2005 zijn aangekondigd, worden verder uitgevoerd. Vrouwelijke genitale verminking dient eveneens door een combinatie van preventieve en repressieve aanpak te worden bestreden. De etnische gemeenschappen waarin deze praktijken nog bestaan, hebben hierbij zelf een grote rol en verantwoordelijkheid.

Het onderwijs heeft een belangrijke ondersteunende taak bij het voorkomen en doen stoppen van geweld, door tijdig mogelijke problemen te signaleren en door jongeren te ondersteunen in het ontwikkelen van burgerschap en weerbaarheid tegen ongewenste seksuele gedragingen en geweld.

Internationaal

Het internationale emancipatiebeleid wordt ingekaderd door internationale verplichtingen en afspraken in VN- en EU-verband. Belangrijke uitgangspunten zijn het VN-Vrouwenverdrag ter uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het Beijing Platform for Action. Tien jaar na Beijing is de conclusie dat er weliswaar vooruitgang is geboekt, maar dat er nog een wereld te winnen is op het terrein van gendermainstreaming, zowel op VN-niveau als binnen de EU. De thema’s die in het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie op nationaal niveau gekozen worden voor de komende vijf jaren zijn en blijven ook relevant voor de buitenlandagenda.

Zo is een van de doelstellingen het borgen van systematische aandacht voor de effecten van uitzendingen op lokale vrouwen en voor de samenstelling van de uit te zenden eenheid (conform Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad). Ook wil het kabinet dat de positie van vrouwen in ontwikkelingsgebieden structurele aandacht krijgt.

Consistente doelstellingen in gewijzigde context

De doelstellingen van het emancipatiebeleid voor de komende jaren zijn op hoofdlijnen onveranderd, maar de context is gewijzigd. Een groter aandeel van vrouwen in arbeid en inkomen is niet alleen een wens van veel vrouwen, maar ook noodzakelijk met het oog op de vergrijzing en de economie. Het voorkomen van geweld is behalve een relationeel vraagstuk ook steeds vaker een vraagstuk van sociale normen met betrekking tot seksualiteit en partnerkeuze. Maatschappelijke participatie is uiteraard van belang om het vrijwilligerswerk te kunnen voortzetten, maar ook om sociale uitsluiting van vrouwen in kwetsbare posities te voorkomen en om nieuwe Nederlanders kansen te bieden tot leren en meedoen in de samenleving, naast of voorafgaand aan betaalde arbeid. Maatschappelijke participatie is een nieuwe doelstelling van het emancipatiebeleid. Tot slot is het streven naar meer vrouwen in besturen niet uitsluitend een vraagstuk van emancipatie, maar ook van diversiteit in brede zin.

De Nederlandse samenleving wordt steeds diverser. Niet alleen leven er veel mensen in Nederland afkomstig uit een ander land en andere cultuur, ook de leefpatronen en maatschappelijke posities van vrouwen en mannen, ouderen en jongeren zijn volop in verandering. Nederlanders vinden individuele keuzevrijheid steeds belangrijker. Ieder wil zorg, betaald werk en vrije tijd op haar of zijn eigen manier combineren. Sekse, culturele achtergrond en levensfase bepalen de accenten die mannen en vrouwen in hun leven en gezinsleven aanbrengen.

Het kabinet wil iedere Nederlandse burger zoveel mogelijk beschermen tegen geweld en de voorwaarden scheppen voor participatie opdat ieder ook daadwerkelijk in vrijheid keuzes kan maken. Door het grote aantal vluchtelingen, arbeids- en huwelijksmigranten in Nederland is dit een maatschappelijke en economische opgave van formaat voor de komende jaren.

Economische zelfstandigheid kerndoel emancipatiebeleid

Het emancipatiebeleid richt zich op het realiseren van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in de ontwikkeling naar economische zelfstandigheid en actief burgerschap. Gelijke rechten, vrijheden en zeggenschap, en een meer gelijke deelname aan arbeid en zorg dragen bij aan de kwaliteit en de balans van het bestaan. De achterblijvende arbeidsparticipatie van vrouwen is daarom een punt van zorg.

Doelstelling blijft dat de arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt naar 65% en het percentage economisch zelfstandige vrouwen 60% is in 2010. Vooral dit laatste is niet eenvoudig gezien de trend dat vrouwen nu gemiddeld minder uren per week werken dan tien jaar geleden. Minder uren betekent over het algemeen een lager inkomen waarmee economische zelfstandigheid niet gehaald wordt.

In de eerste plaats kan dit voor vrouwen zelf nadelig uitpakken. Het relatief geringe aantal uren dat veel vrouwen werken, vergroot het risico op uitkeringsafhankelijkheid bij werkloosheid of arbeidsongeschiktheid van de partner, en bij echtscheiding.

Een grotere arbeidsdeelname van vrouwen is echter ook voor de ontwikkeling van de economie van groot belang. De doelstellingen van het emancipatiebeleid passen binnen de bredere sociaal-economische doelstelling om de arbeidsparticipatie in Nederland te vergroten. In een vergrijzende samenleving en globaliserende economie is de inzet van al het talent nodig om het huidige hoge welvaartsniveau te behouden en de verzorgingsstaat te blijven bekostigen. Als de arbeidsparticipatie niet stijgt, komt de betaalbaarheid van de verzorgingstaat in het geding.

Nederland heeft alle talenten van vrouwen en mannen nodig om te kunnen concurreren in de wereldeconomie. Het probleem van de arbeidstekorten in de komende jaren kan voor een belangrijk deel opgelost worden als meer vrouwen meer uren gaan werken.

De inzet van het kabinet in de komende jaren richt zich hiertoe op de verdere verbetering van de activerende werking van het stelsel voor werk en inkomen op mannen en vrouwen. Ten behoeve van maatregelen voor de langere termijn wordt een scenarioanalyse naar de arbeidsparticipatie van vrouwen uitgevoerd. In deze analyse wordt betrokken de stagnerende groei van de arbeidsparticipatie van vrouwen en de vermindering van het aantal uren dat vrouwen per week werken.

De ambitie van het kabinet is ondanks deze negatieve trend dat het arbeidsvolume van vrouwen groeit naar minimaal 50%, dit is naar verwachting het Europese gemiddelde in 20101.

Het arbeidsvolume van Nederlandse vrouwen ligt nu nog ruim vijf procentpunt onder het Europese gemiddelde. Op basis van de eerdergenoemde scenarioanalyse zal het kabinet bepalen wanneer het percentage van 50% naar verwachting gerealiseerd kan worden.

Een stijging van het arbeidsvolume heeft een positieve invloed op de economische zelfstandigheid en het inkomen van vrouwen uit arbeid.

In dit perspectief van «meer vrouwen aan het werk» is het zorgelijk dat een kwart van de meisjes en vier van de tien jongens het wenselijk vinden dat zodra er kinderen zijn, uitsluitend de man de kost verdient. Het gemiddelde tussen hen beiden komt praktisch overeen met de huidige praktijk. Van de paren met minderjarige kinderen is in 38% van de gevallen sprake van één kostwinner.

Bevorderen maatschappelijke participatie

Een ander belangrijk punt van zorg is dat niet iedereen in staat is een zelfstandig bestaan op te bouwen en economische zelfstandigheid te bereiken. Een laag opleidingsniveau is hierbij een bepalende factor, zowel voor autochtone vrouwen als voor vrouwen uit etnische minderheden. Een laag taalniveau en gebrekkige kennis van de Nederlandse samenleving belemmeren met name vrouwen uit etnische minderheden. Door hun kennis en competenties te ontwikkelen kunnen zij hun rol in de opvoeding en schoolprestaties van hun kinderen versterken en de basis leggen voor het maatschappelijke succes van de volgende generatie volwassenen.

De inzet van het kabinet is om een nieuw inburgeringsstelsel te implementeren. Hierin is speciale aandacht voor de inburgering van vrouwen zonder uitkering en zonder werk, aan wie de gemeente een inburgeringstraject kan aanbieden. Om zoveel mogelijk trajecten voor vrouwen mogelijk te maken zijn daarom extra middelen vrij gemaakt. Dit is aanvullend op de algemene inburgeringsplicht en het inburgeringsexamen, waardoor ook vrouwen uit etnische minderheden die nu een taalachterstand hebben, beter Nederlands zullen spreken en een basiskennis krijgen van de Nederlandse samenleving.

Daarnaast zal het kabinet stimuleren dat de grote steden actief beleid voeren op het terrein van emancipatie en integratie. Er zullen vrouwelijke en mannelijke rolmodellen worden ingezet om de bewustwording van eigen verantwoordelijkheid van minderheden en minderhedenorganisaties te bevorderen. Daarnaast hebben deze rolmodellen tot doel de beeldvorming over migranten te verbeteren.

Investeren in jeugd en de nieuwe generatie volwassenen

Het kabinet acht het van groot belang dat de nieuwe generatie wordt voorbereid op de samenleving van morgen. Dit betekent dat jongens en meisjes worden voorbereid op een levensloop waarin het combineren van arbeid en zorg voor zowel mannen als vrouwen vanzelfsprekend is en waarin elke opleiding en elk beroep voor zowel vrouwen als mannen open staat. Opvoeders en leerkrachten hebben hierin een belangrijke taak.

Ook het bedrijfsleven heeft een verantwoordelijkheid en belang, want alle talenten zijn nodig in de vergrijzende samenleving en globaliserende economie van morgen. Stereotypering in de beeldvorming, onzichtbare belemmeringen in de bedrijfscultuur, directe en indirecte discriminatie bij werving en selectie op sekse en etniciteit dienen bespreekbaar te worden gemaakt en te worden opgeruimd. Voor jongeren, meisjes én jongens, geldt dat zij werkervaring moeten kunnen opdoen ongeacht afkomst of huidskleur. Het kabinet zal de vinger aan de pols houden, goede voorbeelden in sectoren en bedrijven ondersteunen en op basis van gesignaleerde knelpunten met sociale partners afspraken maken over verbeteringen.

In het onderwijs is de ontwikkeling van burgerschap als een van de kernleerdoelen opgenomen. In het lesprogramma zal aandacht besteed worden aan thema’s als rechtstaat, democratie en vrijheid. Ook zal het thema omgaan met geweld en seksualiteit aandacht krijgen. Bewustwording van grenzen en opbouwen van weerbaarheid tegen grensoverschrijdende gedragingen kan in belangrijke mate bijdragen aan de emancipatie en de vermindering van geweld, ook in de volwassen leeftijd.

Emancipatie als onderdeel van alle beleidsterreinen

Er is dus nog volop werk te doen, op verschillende terreinen van het kabinetsbeleid. Emancipatie hoort een vanzelfsprekend onderdeel van de portefeuilles van de vakministers en van de leden van de verschillende vaste Kamercommissies te zijn. Het kabinet zal eind 2006 een kabinetsstandpunt uitbrengen waarin de vraag wordt beantwoord op welke wijze emancipatie op alle beleidsterreinen geborgd en ondersteund kan worden en of een coördinatierol daarbij nog nodig is. De rapportage van de Visitatiecommissie Emancipatie, die een oordeel geeft over de verankering van het emancipatieperspectief bij alle ministeries, zal in dit kabinetsstandpunt worden betrokken.

In het nationale en internationale emancipatiebeleid voor de periode 2006–2010 vindt aanscherping plaats van de eigen verantwoordelijkheid van de vakdepartementen. Er is een beperkt aantal hoofd- en subdoelstellingen geformuleerd waarop verschillende ministeries het initiatief hebben. Hiermee ontstaat een helder kader voor uitvoering en verantwoording voor de komende jaren. De vakministers zullen zelf in het parlement verantwoording afleggen over het beleid en de effecten van dit beleid voor de positie van vrouwen en mannen.

De coördinerend minister blijft in deze kabinetsperiode de vakministers ondersteunen in hun taak. Hij zal dat doen door nieuwe vraagstukken te agenderen en vakministers intensiever te ondersteunen bij de beleidsontwikkeling en -uitvoering, waar dat nodig en wenselijk is. Ook zal hij emancipatieprojecten met een landelijke reikwijdte of projecten die door en voor de doelgroep worden ontwikkeld, blijven ondersteunen met subsidies. Juist de initiatieven uit de doelgroep zelf die het lokale niveau overstijgen zijn van groot belang voor de voortgang van het emancipatieproces in de samenleving.

Twee instellingen ontvangen institutionele subsidies: E-Quality, kenniscentrum voor emancipatie in de multiculturele samenleving, en het IIAV, dat het culturele erfgoed van vrouwen in het verleden en heden documenteert. E-Quality kan ministeries, provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties met raad en daad bijstaan bij expertiseontwikkeling, de uitvoering van emancipatie-effectrapportages en projecten gericht op verbetering van de positie van vrouwen. Het IIAV biedt informatie over de positie van vrouwen aan onder andere vrouwenorganisaties, wetenschappers, beleidsmakers en journalisten. Belangrijke gesprekspartners op het emancipatieterrein zijn de landelijke vrouwenorganisaties die de belangen van vrouwen vertegenwoordigen en behartigen, zoals de Nederlandse Vrouwen Raad (NVR), Tiye Internationaal en de landelijke organisaties voor minderheden verenigd in het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) en de verschillende nieuwe groepen van (jonge) vrouwen uit etnische minderheden.

Emancipatieagenda voor 2006–2010: leeswijzer

Het aanjagen en verankeren van het nationale emancipatiebeleid is het vertrekpunt voor deze notitie. Daarna volgt veiligheid als fundamenteel recht en basaal uitgangspunt voor vrouwen en mannen om in de samenleving te kunnen functioneren. In de hoofdstukken economische zelfstandigheid, maatschappelijke participatie en besluitvorming zit de kern van het emancipatiebeleid voor de komende jaren. In deze hoofdstukken zijn ook de domeinen dagindeling en kennissamenleving uit het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2000 geïntegreerd. De notitie sluit af met emancipatie in een internationale dimensie. Alle hoofdstukken geven een terugblik en een vooruitblik: wat is er bereikt tot nu toe en wat zijn de doelstellingen en beleidsacties voor de komende periode.

In bijlage I staan alle in 2000 voorgenomen 184 beleidsacties met een samenvatting van de resultaten.

Tabel 1. Overzicht doelstellingen en subdoelstellingen

HoofddoelstellingenSubdoelstellingen
Emancipatie nationaal: verankeren en aanjagen
Hoofddoelstelling 1: Het vergroten van de aandacht voor de emancipatie-effecten van beleid.Subdoelstelling 1Gendermainstreaming In 2007 wordt mede op basis van de eindrapportage van de Visitatiecommissie Emancipatie een kabinetsstandpunt opgesteld over de wijze waarop aandacht voor emancipatie op alle beleidsterreinen geborgd en ondersteund kan worden en over de vraag of coördinatie nog nodig is. (SZW/Alle Ministeries)
  
 Subdoelstelling 2Kennisinfrastructuur In de periode tot 2010 wordt een kennisinfrastructuur voor emancipatie ondersteund die dienstbaar is aan het parlement, ministeries, provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties. (SZW)
Veiligheid 
Hoofddoelstelling 2:Het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en meisjes.  1) Verhoging van de aangiftebereidheid en vermindering van het aantal herhaalde meldingen van huiselijk geweld in de grote steden.Subdoelstelling 3 Voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen Het realiseren van steun- en adviespunten huiselijk geweld in 35 centrumgemeenten en van een beleidsplan huiselijk geweld in 250 gemeenten voor 2007. (VWS/Justitie)   Subdoelstelling 4 Vrouwenhandel Voorkomen en bestrijden van vrouwenhandel door uitvoering van het Nationaal Actieplan Mensenhandel. (Justitie)
  
 Subdoelstelling 5 Vrouwelijke genitale verminking Voorkomen en bestrijden van vrouwelijke genitale verminking. (VWS)
  
 Subdoelstelling 6 Weerbaarheid en seksuele ontwikkeling jeugd In de periode tot 2010 realiseren van structurele aandacht voor seksualiteit en preventie van geweld gericht op jeugd.. (VWS/V&I/OCW)
  
 Subdoelstelling 7 Preventie geweld tegen vrouwen en meisjes In periode tot 2010 ondersteunen van minimaal 75 projecten gericht op preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes. (SZW).
Economische zelfstandigheid
Hoofddoelstelling 3: Het vergroten van de economische zelfstandigheid van vrouwen.   Indicatoren: 1) Het aantal economisch zelfstandige vrouwen is minimaal 60% in 2010. 2) De arbeidsparticipatie van vrouwen is minimaal 65% in 2010. 3) Het aandeel van vrouwen in het totale inkomen uit arbeid is minimaal 35% in 2010. 4) Het aandeel van mannen in zorgtaken is minimaal 40% in 2010.Subdoelstelling 8 Sociaal stelsel In het sociale stelstel worden arbeidsparticipatie en de combinatie van arbeid en zorg zodanig gefaciliteerd dat er gelijke kansen ontstaan voor mannen en vrouwen voor economische zelfstandigheid en een bestendig levensloopinkomen. (SZW)   Subdoelstelling 9 Scholen, kinderopvang en dagarrangementen In 2007 worden scholen verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van de voor-, tussen- en naschoolse opvang van kinderen van 4 tot 12 jaar. (OCW/SZW)   Subdoelstelling 10 Tijd voor arbeid en zorg Sociale partners en gemeenten zullen afspraken maken over het verminderen van het aantal knelpunten met betrekking tot de combinatie van werk en privé. (SZW)
  
 Subdoelstelling 11 Vrouwen uit etnische minderheden Afspraken over het vergroten van de arbeidsparticipatie van vrouwen uit etnische minderheden worden geconcretiseerd en uitgevoerd. (SZW)
  
 Subdoelstelling 12 Gelijke kansen in bedrijven Met het bedrijfsleven worden projecten uitgevoerd gericht op het verbeteren van gelijke kansen van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt en het verminderen van beloningsverschillen. (SZW)
  
 Subdoelstelling 13 Vrouwelijke ondernemers Het stimuleren van vrouwelijke nieuwe ondernemers. (EZ)
Maatschappelijke Participatie
Hoofddoelstelling 4: Het voorkomen van sociale uitsluiting van vrouwen in een kwetsbare en kansarme positie.   Indicator: 1) Het realiseren van de deelname van minimaal 50 000 vrouwen in een kwetsbare positie aan maatschappelijke participatie voor 2010.Subdoelstelling 14 Inburgering Het implementeren van een nieuw inburgeringsstelsel, waarin vrouwen zonder inkomen uit arbeid of uitkering een prioritaire groep vormen. (V&I/gemeenten)   Subdoelstelling 15 Emancipatie en integratie in grote steden Realiseren van een actief beleid in de grote steden gericht op maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden, waarbij in de periode tot 2007 200 000 vrouwen worden bereikt en 20 000 vrouwen daadwerkelijk starten met een nieuwe activiteit. (SZW/V&I)
  
 Subdoelstelling 16 Rolmodellen Ondersteunen van vrouwelijke en mannelijke rolmodellen uit etnische minderheden, die bewustwording en positieve beeldvorming op lokaal niveau gaan stimuleren. (SZW/V&I)
  
 Subdoelstelling 17 Vrijwilligersorganisaties Afsluiten van een sociaal contract met vrijwilligersorganisaties over de inzet van 50 000 vrouwen in een kwetsbare positie voor 2010. (SZW/VWS)
  
 Subdoelstelling 18 Stimulering maatschappelijke participatie Het ondersteunen van minimaal 75 projecten gericht op het stimuleren van de maatschappelijke participatie van vrouwen in een kwetsbare positie in de periode tot 2010. (SZW)
Besluitvorming
Hoofddoelstelling 5: Het realiseren van een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in besluitvormende posities.   Indicatoren: 1) Het vergroten van het aandeel van vrouwen in topfuncties bij de overheid tot minimaal 25% in 2010. 2) Het vergroten van het aandeel van vrouwen in topfuncties in het bedrijfsleven tot minimaal 20% in 2010. 3) Het vergroten van het aandeel van vrouwen in topfuncties in de non-profitsector tot minimaal 35% in 2010. 4) Het vergroten van het aandeel van vrouwen in politieke posities tot minimaal 45% in 2010.Subdoelstelling 19 Vrouwen in de top van de overheid In de periode tot 2010 realiseren van de streefcijfers van de rijksoverheid via gerichte benoemingen- en loopbaanbeleid. (BZK/Alle Ministeries)   Subdoelstelling 20 Vrouwen in de top van arbeidsorganisaties Ondersteunen van initiatieven van bedrijven, non-profitorganisaties en maatschappelijke actoren tot realiseren van de streefcijfers. (EZ/OCW)   Subdoelstelling 21 Vrouwen in politiek en openbaar bestuur Stimuleren van politieke partijen tot het realiseren van streefcijfers en borgen van de evenredige samenstelling van door het kabinet in te stellen raden en commissies. (BZK/SZW)   Subdoelstelling 22 Stimulering vrouwen in raden, commissies en besturen Het ondersteunen van minimaal 75 projecten gericht op het stimuleren van de deelname van vrouwen in raden, commissies en besturen in de periode tot 2010. (SZW)
Emancipatie internationaal
Hoofddoelstelling 6: Bijdragen aan het uitbannen van alle vormen van discriminatie van vrouwen in de wereld en het structureel bevorderen van de positie van vrouwen in alle levensdomeinen.Subdoelstelling 23 Gendermainstreaming internationaal Het realiseren van structurele aandacht voor de verbetering van de positie van vrouwen in alle internationale dossiers. (BZ/SZW)   Subdoelstelling 24 Vrouwen in (post-)conflictgebieden Het borgen van systematische aandacht voor de effecten van uitzendingen op lokale vrouwen. Ook is er aandacht, indien nodig, voor de samenstelling van de uit te zenden eenheid. (BZ/Defensie)
  
 Subdoelstelling 25 Seksuele en reproductieve rechten Het bevorderen van structurele naleving van internationale afspraken gericht op het verbeteren van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, in het bijzonder van meisjes en vrouwen. (BZ)
  
 Subdoelstelling 26 Vrouwen in ontwikkelingsgebieden Het borgen van structurele aandacht voor de positie van vrouwen in ontwikkelingsgebieden. (BZ)

1. EMANCIPATIE NATIONAAL: VERANKEREN EN AANJAGEN

1.1 Inleiding

Hoofddoelstelling van het emancipatiebeleid is het bevorderen van gelijke rechten, kansen, vrijheden en (sociale) verantwoordelijkheden in de Nederlandse samenleving voor vrouwen en mannen.

Het emancipatiebeleid wordt via twee sporen uitgevoerd. Via het eerste spoor richt het beleid zich op het verankeren van emancipatie binnen alle beleidsterreinen van de ministeries, andere overheden en maatschappelijke organisaties. Deze verankering wordt ook wel gendermainstreaming genoemd. De gedachte hierachter is dat elk beleid emancipatie-effecten heeft. Vrouwen en mannen hebben verschillende posities en belangen, waardoor beleidsmaatregelen een verschillend effect kunnen hebben op beide groepen. Aandacht voor deze verschillen vergroot de kwaliteit van beleid.

Het tweede spoor is gericht op het aanjagen van het emancipatiebeleid en emancipatieproces. Dit gebeurt door het agenderen, ondersteunen en monitoren van nieuwe beleidsinitiatieven en -instrumenten in samenspraak met andere overheden en maatschappelijke partners. Een belangrijk doel hierbij is het ondersteunen van een kennisinfrastructuur voor emancipatie die dienstbaar is aan het parlement, ministeries, provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties.

1.2 Wat is bereikt vanaf 2000

Spoor 1 Verankeren

Actieplan Emancipatietaakstellingen Departementen

In de kabinetsperiode 1998–2002 is het Actieplan Emancipatietaakstellingen Departementen uitgevoerd1. Het plan omvat per ministerie ten minste drie taakstellingen. De taakstellingen zijn een nuttig instrument voor gendermainstreaming. Het merendeel heeft bijgedragen aan de intensivering van het emancipatiebeleid van de ministeries.

Emancipatie Effect Rapportage

Sinds 1994 wordt de Emancipatie Effect Rapportage (EER) gebruikt om het reguliere beleid van de Rijksoverheid vooraf te toetsen op onvoorziene gevolgen voor mannen en vrouwen.

In 2001 verschijnt de eerste Handleiding EER. De herziene editie van de handleiding EER van 2005 besteedt binnen het genderperspectief aandacht aan etniciteit en sociale klasse. Binnen het toetsingskader is nationale en internationale weten regelgeving geïntegreerd. In de periode vanaf 1998 zijn zeven volledige Emancipatie-effectrapportages uitgevoerd:

– Ministerie van VROM: Vijfde nota ruimtelijke ordening.

– Ministerie van Justitie: Wijziging Basisstelsel Huwelijksvermogensrecht.

– Ministerie van Financiën: Verkenning belastingstelsel 21e eeuw.

– Ministerie van Financiën: Belastingen en premies.

– Ministerie van OCW: Cultuurnota 2001–2004: Cultuur als Confrontatie.

– Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: Levensloopregeling.

– Ministerie van VWS: concept voorstel Wet Maatschappelijke Ondersteuning.

Met een genderbudgetanalyse kunnen reguliere bestedingen vanuit een genderperspectief worden geanalyseerd. Er zijn pilots gedaan bij de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Financiën2. In 2005/2006 zullen in opdracht van het Ministerie van SZW genderbudgetanalyse-pilots plaatsvinden bij enkele gemeenten.

Kabinetsstandpunt gendermainstreaming

Met het kabinetsstandpunt gendermainstreaming (2001) is de verantwoordelijkheid voor het verankeren van het emancipatiebeleid in elk departementaal beleid gelegd bij de ministeries zelf. Streven is dat deze verankering in 2006 is gerealiseerd. De Visitatiecommissie Emancipatie die het kabinet in 2004 heeft ingesteld, visiteert in de periode tot eind 2006 alle ministeries met als doel een impuls te geven aan de verankering van en de aandacht voor het man/vrouw-perspectief in zowel het ontwerp als de uitvoering van het beleid. Met de instelling van deze commissie zijn de tegenstrijdige rollen van beoordeling en stimulans, die de coördinerende bewindspersoon tot dan toe beide vervulde, uit elkaar gehaald en verhelderd. De Minister stimuleert, de Visitatiecommissie beoordeelt, de vakministers rapporteren ieder afzonderlijk en de Kamer controleert.

Spoor 2 Aanjagen

Emancipatiemonitor

Het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek stellen elke twee jaar gezamenlijk de Emancipatiemonitor op, in opdracht van het Ministerie van SZW. Er zijn nu drie edities van de Emancipatiemonitor verschenen (2000, 2002 en 2004). Het doel van de monitor is om ontwikkelingen op een aantal belangrijke terreinen te volgen en zo zicht te houden op het emancipatieproces in de samenleving. De monitor fungeert als een thermometer voor het beleid van de vakdepartementen en van het coördinerend emancipatiebeleid. Ook is de monitor een van de informatiebronnen voor de verplichte nationale en internationale rapportages. De volgende monitor verschijnt eind 2006.

Daarnaast is de Nederlandse regering verplicht elke vier jaar aan de Tweede Kamer te rapporteren over hoe het VN-Vrouwenverdrag in de praktijk werkt. In dat kader is in de afgelopen jaren een aantal verdiepende onderzoeken gedaan naar de inhoud en reikwijdte van dit Verdrag.

Communicatie

Vanaf 2003 is communicatie ingezet om het emancipatiebeleid dichter bij overheden en burgers te brengen. Het gaat vooral om het bereiken van een cultuuromslag en verandering van beeldvorming. Daartoe zijn www.emancipatieweb.nl, www.opgelijkevoet.nl, www.toptijd.nu en www.dagindeling.nl ingericht. Om de huidige rol- en taakverdeling tussen mannen en vrouwen bespreekbaar te maken is in 2003 en 2004 het ESF/EQUAL-project Mannen in de Hoofdrol uitgevoerd. Daarnaast heeft in 2003 een interactief traject plaatsgevonden met als doel burgers en maatschappelijke organisaties direct te betrekken bij vernieuwing van het beleid. Op de website www.mannenwordenerbetervan.nl, vond gedurende tien weken discussie plaats over vernieuwing van het emancipatiebeleid.

Subsidiebeleid

Met subsidies ondersteunt en stimuleert de minister het emancipatieproces in de samenleving. Vanaf 2004 hebben er wijzigingen plaatsgevonden in het subsidiebeleid. Ten eerste wordt een groter deel van het budget dan voorheen geoormerkt voor projectmatige subsidies. Werd voorheen nog 80% van het totale subsidiebudget ingenomen door institutionele subsidies en resteerde er 20% voor projectmatige subsidies, de verhouding is nu 45% voor institutionele subsidies versus 55% voor projectmatige subsidies. Het aantal instellingen dat institutionele subsidie ontvangt, is teruggebracht tot twee instellingen die een centrale plaats innemen in de kennisinfrastructuur:

• E-Quality, kenniscentrum voor emancipatie in de multiculturele samenleving, speelt een belangrijke rol in gendermainstreaming processen. Deze organisatie biedt ministeries, provincies en gemeenten, maar ook bedrijven en maatschappelijke organisaties, de nodige ondersteuning in de vorm van analyses, adviezen, training, organisatie van expert meetings, conferenties en netwerkdagen.

• Het IIAV, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging, is het expertisecentrum voor de informatieverzorging over de positie van vrouwen en vrouwenstudies. Het IIAV verzamelt, bewaart en documenteert het culturele erfgoed van vrouwen in het verleden en heden. Het IIAV richt zich in het bijzonder op vrouwenorganisaties, wetenschappers, beleidsmakers, journalisten en programmamakers die behoefte hebben aan informatie over de positie van vrouwen.

Een tweede verandering in het subsidiebeleid is dat de criteria voor het verkrijgen van projectmatige subsidies zijn gewijzigd. Zo is resultaatgerichtheid een belangrijk criterium. Ook moeten de projecten passen binnen de thematische beleidsprioriteiten van het emancipatiebeleid.

De wijzigingen in het subsidiebeleid betekenen dat er geen institutionele subsidie meer wordt verstrekt aan de vrouwenbeweging in de zin van vrouwenorganisaties die als belangenorganisaties fungeren. Om de omslag van instellingssubsidie naar projectmatige subsidie te faciliteren, is voor een periode van twee jaar (2005–2006) een deel van het projectmatige subsidiebudget gereserveerd voor projecten van de drie koepels van vrouwenorganisaties. De Nederlandse Vrouwen Raad (NVR) en Tiye International maken gebruik van deze regeling.

Naast bovengenoemde subsidies worden Europese subsidies (ESF, Equal) verstrekt om het emancipatiebeleid te stimuleren. Ook is een groot aantal specifieke emancipatieprojecten uitgevoerd. Deze zijn beschreven in de volgende hoofdstukken en in Bijlage I.

Conclusie beide sporen

Met het kabinetsstandpunt Gendermainstreaming, de departementale taakstellingen en de instelling van de Visitatiecommissie Emancipatie is bereikt dat emancipatie meer aandacht krijgt binnen de ministeries en binnen het reguliere beleid. De Emancipatie Effect Rapportage als beleidsinstrument wordt nog relatief weinig gebruikt. Met de Emancipatiemonitor is een systematische monitoring van het emancipatieproces opgezet. Met verschillende websites wordt een structurele en actuele informatievoorziening over lopende dossiers en projecten gewaarborgd. Door een verschuiving van de instellingensubsidies naar projectsubsidies is een betere en ruimere ondersteuning voor emancipatieprojecten met een landelijke reikwijdte en/of uitstraling gerealiseerd.

1.3 Doelstelling

De doelstelling is:

Het vergroten van de aandacht voor de emancipatie-effecten van beleid.

Subdoelstelling 1 Gendermainstreaming

Begin 2007 wordt mede op basis van de eindrapportage van de Visitatiecommissie Emancipatie een kabinetsstandpunt opgesteld over de wijze waarop de aandacht voor emancipatie op alle beleidsterreinen geborgd en ondersteund kan worden en over de vraag of coördinatie nog nodig is. (SZW/Alle Ministeries)

In het kabinetsstandpunt Gendermainstreaming is aangegeven dat eind 2006 de inbedding van gendermainstreaming in het beleid van de departementale en interdepartementale organisatie een feit dient zijn. De Visitatiecommissie Emancipatie die het kabinet in 2004 heeft ingesteld, visiteert in de periode tot eind 2006 alle ministeries met als doel een impuls te geven aan de verankering en de aandacht voor het man/vrouw-perspectief in zowel het ontwerp als de uitvoering van het beleid. De resultaten van de visitatie zullen door de verantwoordelijke minister zelf aan de Tweede Kamer worden gestuurd. De betrokken minister kan daarbij aangeven op welke wijze hij of zij het man/vrouw perspectief verder wil vormgeven en hoe wordt omgegaan met de uitkomsten van het visitatieproces.

De Visitatiecommissie zal eind 2006 een integrale rapportage opstellen met aanbevelingen over de voortgang met betrekking tot de verankering van het emancipatieperspectief. Op basis hiervan zal het kabinet beoordelen hoe de aandacht voor emancipatie op de verschillende beleidsterreinen de beste borging en ondersteuning kan krijgen en of coördinatie in een volgende kabinetsperiode nog nodig is.

Subdoelstelling 2 Kennisinfrastructuur

In de periode tot 2010 wordt een kennisinfrastructuur voor emancipatie ondersteund die dienstbaar is aan het parlement, ministeries, provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties. (SZW)

Het kabinet zal de komende jaren een landelijke kennisinfrastructuur op het terrein van emancipatie blijven ondersteunen met subsidie aan E-Quality en het IIAV. De hoofdopdracht aan E-Quality is om expertise te leveren voor het emancipatiebeleid en de gendermainstreaming van ministeries, provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Het IIAV behoudt zijn rol als hoeder van het nationale erfgoed op het terrein van emancipatie en bevordert het gebruik van zijn archief en informatiedossiers door professionals, studenten en wetenschappers.

De subsidieregeling voor emancipatieprojecten met een landelijke reikwijdte en/of uitstraling zal worden voortgezet op drie hoofdthema’s van het meerjarenbeleid emancipatie: veiligheid, maatschappelijke participatie en besluitvorming. Uitgangspunt in de regeling is dat projecten voor en met de doelgroep zelf worden ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd en dat de projecten bijdragen aan zichtbare verbeteringen voor de doelgroep. Het accent ligt daarbij op vrouwen in een kwetsbare positie.

2. VEILIGHEID

2.1 Inleiding

Veiligheid is een fundamenteel mensenrecht, ook voor vrouwen en meisjes. Veiligheid waarborgt lichamelijke integriteit en schept de basisvoorwaarde voor deelname in de samenleving. Veiligheid biedt fysieke bewegingsvrijheid, maar ook de vrijheid om zelfstandig te denken en in vrijheid te spreken. Het geeft de ruimte eigen keuzes te maken met betrekking tot opleiding, werk en partner. Voorkomen en bestrijden van geweld neemt daarom een belangrijke plaats in binnen het emancipatiebeleid.

2.2 Stand van zaken

Geweld tegen vrouwen is onder te verdelen in vijf typen:

– huiselijk geweld;

– seksueel geweld;

– eergerelateerd geweld;

– genitale verminking;

– mensenhandel, in geval van seksuele uitbuiting.

Over aard en omvang van geweld tegen vrouwen is landelijk weinig recent cijfermateriaal voorhanden. Gegevens die uit registratie en onderzoek bekend zijn, worden hier beknopt beschreven.

De landelijke politieregistratie van huiselijk geweld in 2004 meldt dat 81,5% van de 56 000 incidenten vrouwelijke slachtoffers treft (Ferwerda, 2004).

Uit het onderzoek «Seks onder je 25ste» blijkt dat ongeveer een op de zes meisjes (16,3%) en een op de twintig jongens wel eens is gedwongen tot seksuele handelingen1.

In 2004 komen bij de Stichting tegen vrouwenhandel 405 aanmeldingen binnen, in 2003 is het aantal aanmeldingen 257 en in 2002 is dit aantal 3432. Vrijwel alle slachtoffers zijn meisjes en vrouwen. De grootste groep slachtoffers (40,7%) is 18 tot en met 23 jaar oud.

Jaarlijks verblijven gemiddeld 4600 vrouwen en 4600 kinderen in de vrouwenopvang. Het percentage allochtonen in de vrouwenopvang is de laatste jaren 60%. De Marokkaanse groep is daarbinnen het grootst, gevolgd door Turkse en Surinaamse vrouwen en kinderen.

Omdat er geen volledige monitoring voorhanden is over aard en omvang van het geweld dat «achter de voordeur» plaatsvindt, heeft het kabinet in 2004 en 2005 pilots laten uitvoeren op vijf locaties om de Vrouwenveiligheidsindex (VVI later vervangen door de Lokale Index Huiselijk Geweld) te ontwikkelen. De belangrijkste resultaten uit de pilots tonen aan dat slachtoffers van huiselijk geweld vooral volwassen vrouwen, meisjes en jongens zijn3. Op de meeste locaties is rond een kwart van het totale aantal slachtoffers 30 jaar of jonger. Op het totaal van de onderzochte groepen hebben niet-westerse allochtonen het meest te maken gehad met huiselijk geweld.

2.3 Wat is bereikt vanaf 2000

Huiselijk geweld heeft een structurele plaats in het Veiligheidsprogramma en het Grote Stedenbeleid van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken. Het kabinet investeert veel in de aanpak van huiselijk geweld. De gezamenlijke inzet van maatschappelijke organisaties en overheid en de beleidsmatige coördinatie van het ministerie van Justitie onderstrepen dit. Maatregelen uit de nota «Privé Geweld – Publieke Zaak» worden programmatisch en interdepartementaal gerealiseerd4.

Het ministerie van OCW heeft een landelijk nascholingsprogramma «Omgaan met huiselijk geweld op school» laten ontwikkelen. Naast het versterken van de signaalfunctie van de school staat in deze training centraal welke stappen gezet kunnen worden bij een vermoeden van huiselijk geweld bij een leerling. Voor relevante hogere beroepsopleidingen zijn onderwijsmodulen ontwikkeld om de toekomstige beroepsbeoefenaar voor te bereiden op het signaleren van en omgaan met huiselijk geweld.

Scholen hebben een meldplicht voor seksueel misbruik en seksuele intimidatie. Er zijn vertrouwensinspecteurs aangesteld bij de Onderwijsinspectie. In het kader van het Project Preventie Seksuele Intimidatie is nu onder andere aandacht voor loverboys.

Gedurende het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2004 heeft het ministerie van SZW in het kader van de implementatie van het Beijing Platform for Action drie indicatoren opgesteld voor seksuele intimidatie op de werkplek. De Sociale Raad heeft deze indicatoren in december 2004 geaccordeerd5.

Bij de aanpak van eergerelateerd geweld zet het kabinet in op meer veiligheid voor slachtoffers, een versterkte preventie en een grotere deskundigheid bij onder andere de politie en de vrouwenopvang. Tot het voorjaar 2006 voert de politie Haaglanden in samenwerking met de politie Zuid-Holland-Zuid een pilotproject uit om het inzicht in de aard en omvang van eergerelateerd geweld te vergroten en een politieaanpak te versterken. Een politieaanpak zal ook na afloop van het project verder worden vormgegeven. Landelijk gebruik van een protocol, dat onder meer voorziet in afspraken over samenwerking, rollen en verantwoordelijkheden van betrokken partijen, interventiemogelijkheden en contactpersonen, zal worden gestimuleerd. De vrouwenopvang realiseert een dekkend aanbod van plaatsen voor noodopvang, en start met de registratie van eergerelateerd geweld. Daarnaast wordt geïnvesteerd in scholing en training van professionals om de signalering van eergerelateerd geweld te verbeteren. Het College van procureurs-generaal zal de Aanwijzing huiselijk geweld uitbreiden met aanwijzigingen voor de aanpak van eergerelateerd geweld.

Ter versterking van de preventie en de veiligheid van potentiële slachtoffers doet het kabinet ook een beroep op burgers. V&I en SZW zullen initiatieven subsidiëren die bijdragen aan een beter handelen van burgers die in hun omgeving te maken krijgen met eergerelateerd geweld.

In opdracht van de minister van VWS heeft een bijzondere commissie bij de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) voorjaar 2005 advies uitgebracht over mogelijkheden om vrouwelijke genitale verminking effectief te voorkomen en op te sporen, en de bestrijding ervan voort te zetten1. Vervolgens is een plan van aanpak opgesteld. Het ministerie van VWS is voortrekker van het kabinetstandpunt naar aanleiding van het advies van de RVZ. Een brief hierover is op 26 augustus 2005 naar de Tweede Kamer gegaan2.

In wetgeving en beleid is serieuze aandacht voor geweld tegen vrouwen. Er bestaat nu een infrastructuur met regionale Advies- en Steunpunten Huiselijk Geweld. Binnen gemeenten, justitie, politie en gezondheidszorg zijn mensen speciaal belast met het onderwerp. Onder meer door gebrek aan samenhang tussen bestaande registraties en het ontbreken van een landelijk bevolkingsonderzoek zijn de effecten van het beleid nog niet te meten.

Er is aandacht voor het thema in regionale publiekscampagnes, een landelijke publiekscampagne is in overweging Landelijke ondersteuning voor gemeenten en professionals is bij expertisecentra belegd. Een wetsvoorstel huisverbod plegers huiselijk geweld gaat begin 2006 naar de Raad van State en een implementatietraject wordt voorbereid. De Politie monitort huiselijk geweld landelijk (56 000 slachtoffers in 2004) en doet dat opnieuw in 2006. De verwachting is dat het aantal meldingen zal zijn toegenomen door de grotere bekendheid met en aandacht voor het onderwerp.

De samenwerking in de keten is toegenomen en wordt verbeterd. Het streven is allochtone slachtoffers en plegers beter te bereiken, en zo de aanpak te versterken. Tijdens een pilotproject in 2006 in de politieregio’s Zuid-Holland-Zuid en Twente zal bij huiselijk geweld de herkomst van plegers en slachtoffers worden geregistreerd, met als doel het inzicht te vergroten en aanknopingspunten te vinden die bijdragen aan een effectieve aanpak van huiselijk geweld onder minderheden.

2.4 Doelstellingen en indicatoren

De doelstelling is:

Het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en meisjes.

Indicator:

1. Verhoging van de aangiftebereidheid en vermindering van het aantal herhaalde meldingen van huiselijk geweld in de grote steden.

De kabinetsinzet voor de komende jaren richt zich op een verhoging van de aangiftebereidheid en een vermindering van het geweld, in het bijzonder van de herhaling van het geweld. Een effectieve aanpak huiselijk geweld op lokaal niveau zal gestimuleerd worden. Relevante maatregelen hierbij zijn uitbreiding van vrouwenopvang en de politionele aanpak van eerwraak. Het wetsvoorstel huisverbod plegers huiselijk geweld gaat begin 2006 naar de Raad van State. Voor 2007 wordt een landelijke publiekscampagne huiselijk geweld overwogen. Deze zal ook zijn toegesneden op een goed bereik van minderheden. Het kabinet zet in op versterking van de rol van maatschappelijke organisaties bij het voorkomen van geweld.

Eind 2005 heeft de Tweede Kamer Eergerelateerd geweld aangewezen als groot project1. Er is een relatie tussen dit project en een aantal van de hier volgende subdoelstellingen. Het kabinet zal de Kamer periodiek informeren over eerwraak, genitale verminking en huiselijk geweld, voor zo ver dit eergerelateerd is. In de aanwijzing van eergerelateerd geweld, huiselijk geweld (voor zover eergerelateerd) en vrouwelijke genitale verminking legt de Tweede Kamer een verband met bestaand beleid en het zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande informatiestromen. De informatie zal ingaan op de omvang van het eergerelateerde geweld, de maatregelen en de financiën.

Van belang is dat de weerbaarheid van jongeren in eigen kring en in de samenleving als geheel wordt vergroot. Ook is er aparte aandacht voor mannen. Mannen kunnen worden aangesproken op hun kwaliteiten en verantwoordelijkheden als omstander, slachtoffer, dader, familielid, intermediair of professional. Tot slot zal deskundigheidsbevordering de expertise en aandacht van professionals versterken. Waar preventie niet heeft gewerkt zal actieve opsporing en vervolging plaatsvinden.

Subdoelstelling 3 Voorkoming en bestrijding van huiselijk geweld tegen vrouwen

Het realiseren van steun- en adviespunten huiselijk geweld in 35 centrumgemeenten en van een beleidsplan huiselijk geweld in 250 gemeenten voor 2007. (VWS/Justitie)

In het kader van de tijdelijke stimuleringsregeling Advies- en steunpunten huiselijk geweld (ASHG’s) van het ministerie van VWS zijn de 35 centrumgemeenten bezig met het opzetten dan wel uitbreiden van de genoemde steunpunten. Per 1 januari 2006 zijn deze advies- en steunpunten operationeel.

Deze infrastructuur is de nadere uitwerking van één van de maatregelen uit de nota «Privé Geweld – Publieke Zaak» uit 2001. De kwaliteit en effectiviteit van de landelijke infrastructuur zal worden gevolgd via een landelijke monitor.

In dit kader wordt een aantal malen een inventarisatie van de aanpak huiselijk geweld uitgevoerd, te weten in 2003, 2005 en 2007. Deze inventarisatie richt zich op vier speerpunten: samenwerking, deskundigheidsbevordering, doelgroepenbeleid en registratie. En is vooral gericht op openbaar ministerie, politie en gemeenten. In de inventarisatie worden de rapportages over de ASHG’s van de 35 centrumgemeenten meegenomen. De gemeenten rapporteren aantallen meldingen per categorie: pleger, omstander, slachtoffers, professional, aantallen vervolgcontacten, aantallen doorverwijzingen en naar wie wordt doorverwezen, en een aantal kwalitatieve gegevens over deskundigheidsbevordering, specifiek doelgroepenbeleid, de telefonische bereikbaarheid, mogelijkheden voor eerste gesprekken, samenwerkingsafspraken, publiekscampagnes en de wijze van registratie.

Daarnaast zal een voorstudie worden gedaan naar de mogelijkheid en wenselijkheid van een landelijke representatieve monitoring van huiselijk geweld.

In 2006 zal de aandacht voor seksueel en huiselijk geweld in opleidingen en modules deskundigheidsbevordering van professionals worden geïnventariseerd. Op basis daarvan wordt bezien of deze thematiek voldoende aandacht krijgt en hoe verbeteringen aangebracht kunnen worden.

Subdoelstelling 4 Vrouwenhandel

Voorkomen en bestrijden van vrouwenhandel door uitvoering van het Nationaal Actieplan Mensenhandel. (Justitie)

In december 2004 is het Nationaal Actieplan Mensenhandel (NAM) aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit plan geeft aan welke maatregelen er worden getroffen om de aanpak van mensenhandel tegen te gaan. De wetgeving en definitie van mensenhandel is verbreed van vrouwenhandel naar meerdere vormen van uitbuiting, zoals uitbuiting in illegaal werk binnen bedrijven of huishoudens. De aanstelling van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel is gecontinueerd.1 De rapporteur informeert jaarlijks en volgt kritisch het beleid van de rijksoverheid.

Subdoelstelling 5 Vrouwelijke genitale verminking

Voorkomen en bestrijden van vrouwelijke genitale verminking. (VWS)

Het Plan van Aanpak naar aanleiding van het kabinetsstandpunt over vrouwelijke genitale verminking zal worden uitgevoerd en gemonitord. De regering zal de Tweede Kamer jaarlijks rapporteren over de voortgang. Maatregelen daarin zijn het landelijk invoeren van een meldcode, registratie en jaarlijkse rapportages, onderzoek, preventie en informatieverstrekking bij inburgering, laten afleggen van verklaringen. Ook komen er acties in de strafrechtelijke sfeer. Zo wordt de verjaringstermijn verlengd. Er wordt gewerkt aan deskundigheidsbevordering in de jeugdgezondheidszorg en bij andere professionals. Landelijk gebruik van een gespreksprotocol door de jeugdgezondheidszorg maakt het mogelijk dat dreigende genitale verminking gesignaleerd wordt en zodoende voorkomen kan worden.

Bindende afspraken worden gemaakt over de informatieoverdracht in de gezondheidszorg. Een intensieve aanpak vrouwelijke genitale verminking zal plaatsvinden in de concentratiegebieden Amsterdam, Den Haag, Eindhoven, Rotterdam, Tilburg en Utrecht (2005–2008).

Subdoelstelling 6 Weerbaarheid en seksuele ontwikkeling jeugd

In de periode tot 2010 realiseren van structurele aandacht voor seksualiteit en preventie van geweld gericht op jeugd. (VWS/V&I/OCW)

Een goede seksuele ontwikkeling draagt bij aan de gezondheid en het welzijn van mensen. Het bevordert zowel de individuele en sociale verantwoordelijkheid als gelijkwaardige sociale verhoudingen en is daarmee een belangrijke voorwaarde voor een goede ontwikkeling van individuen, groepen en de samenleving als geheel. Een geïntensiveerde aandacht voor seksualiteit draagt daarnaast bij aan de preventie van ongezond seksueel gedrag, onwenselijk sociaal gedrag en (seksueel) geweld.

Teneinde winst te realiseren op het gebied van seksuele gezondheid en het tegengaan van seksueel geweld, richt het kabinet zich in de komende jaren vooral op de jeugd. Recent is onderzoek verschenen over seksuele beleving van jongeren. Inzichten in de beleving van allochtone jongeren zullen de komende periode verder worden vergroot. Een seksespecifieke benadering van seksuele en reproductieve rechten van meisjes en vrouwen blijft nodig.

Seksuele vorming maakt onderdeel uit van de kerndoelen die sinds 1998 worden gehanteerd. In de nieuwe kerndoelen (beoogde ingang 1 augustus 2006) is, naast burgerschap, eveneens aandacht voor seksuele en relationele vorming. Hierbij gaat het niet alleen over kennis hebben van, maar ook over verantwoordelijkheid nemen, situaties positief beïnvloeden en respect uitoefenen. Actuele thema’s als uithuwelijking, groepsverkrachtingen en loverboys krijgen specifieke aandacht in het Project Preventie Seksuele Intimidatie. Veel scholen maken gebruik van dit programma.

V&I heeft een studie laten uitvoeren naar partnerkeuze en relaties, waarbij seksualiteitsbeleving (wensen en grenzen) als centraal thema is gekozen. Op basis hiervan is een site gemaakt waar jongeren antwoorden kunnen vinden op hun vragen. Ook wordt de mogelijkheid geboden om onder begeleiding van een coach in kleine (besloten) groepen (internet chatbox) te discussiëren. De Rutgers Nisso Groep stelt hiervoor de kaders. Deze eigentijdse manier om voorlichting aan jongeren te verzorgen zou uitgebreid moeten worden en als voorlichtingproject op scholen aangeboden kunnen worden. Via de discussiepools van Forum zouden ook de allochtone ouders betrokken kunnen worden, omdat ook nu al in het Plan van Aanpak Emancipatie en Integratie discussies georganiseerd worden rondom thema’s die in de taboesfeer liggen. Forum voert op dit moment een «Masterplan Bespreekbaar maken van homoseksualiteit in etnische kring» uit. De organisatie heeft dit plan ontwikkeld in opdracht van de minister van V&I

Subdoelstelling 7 Preventie geweld tegen vrouwen en meisjes

In periode tot 2010 ondersteunen van minimaal 75 projecten gericht op preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen. (SZW)

Het kabinet zet via de subsidieregeling voor emancipatieprojecten middelen in voor de uitvoering van projecten gericht op preventie en bestrijding van geweld. De doelgroep van de projecten is vrouwen in een kwetsbare positie. Zij worden actief betrokken bij de indiening, de uitvoering en de evaluatie van de projecten.

3. ECONOMISCHE ZELFSTANDIGHEID

3.1 Inleiding

Economische zelfstandigheid is het kerndoel van het emancipatiebeleid. Een eigen inkomen schept ruimte voor persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling en biedt bescherming tegen (uitkerings)afhankelijkheid en armoede. Arbeidsdeelname biedt kansen voor emancipatie en integratie, voor sociale contacten buiten de eigen gemeenschap en familiekring. Ook kan economische zelfstandigheid de weerbaarheid van vrouwen tegen geweld in de relatie versterken en helpen geweld te voorkomen. De arbeidsdeelname van vrouwen is van toenemend belang voor de economie. Alle talent is in de vergrijzende samenleving en de globaliserende economie nodig om ons hoge welvaartsniveau te kunnen behouden en de welvaartstaat te kunnen blijven betalen. Vrouwelijk talent en vrouwelijke kwaliteiten vergroten de prestaties van bedrijven en managementteams en zijn in een moderne diensteneconomie van doorslaggevende betekenis.

3.2 Stand van zaken

De netto arbeidsparticipatie van vrouwen is sinds 2000 gestegen van 52,1% naar 54, 4% in 20041. Als de trend van de laatste jaren doorzet, wordt het streefcijfer van 65% arbeidsparticipatie van vrouwen in 2010 niet gehaald. Wat betreft het aantal vrouwen dat werkt, doet Nederland het in Europees opzicht goed. Alleen in Denemarken en Zweden werken meer vrouwen dan in Nederland.

Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen staat al enige jaren op 41%, bij de mannen is dit 68%2. Het streefpercentage van 60% in 2010 zal waarschijnlijk niet gehaald worden. Het aandeel van vrouwen in het totale inkomen bedraagt 30% in 2003. Van de vrouwen tussen 15 en 65 jaar verdient een kwart modaal (circa 30 000 euro bruto per jaar) of meer, bij de mannen is dit tweederde.

Figuur 3.1: Netto-arbeidsparticipatie, personen van 15–64 jaar, 1987–2004 (in procenten)

kst-30420-2-1.gif

Bij de presentatie van het Meerjarenbeleidsplan in het jaar 2000 is er nog sprake van een economische hoogconjunctuur. De jaren ’90 kennen een sterke economische groei. In die tijd stijgt het percentage vrouwen op de arbeidsmarkt aanzienlijk. In 1987 werkt 35% van de vrouwen twaalf uur of meer, in 2004 is dit percentage 54,4%. De streefcijfers voor het komende decennium zijn gebaseerd op de cijfers uit die perioden. De economische neergang, die kort daarna begon, is hierin niet verdisconteerd. Dit vormt gedeeltelijk een verklaring voor de achtergebleven groei van de arbeidsparticipatie van vrouwen in vergelijking met de streefcijfers uit het jaar 2000.

Een deel van de verklaring ligt daarnaast in de mogelijkheden tot en acceptatie van het werken in deeltijd in Nederland. Het hogere loonniveau in Nederland, bijvoorbeeld vergeleken met de Oost-Europese landen of de Baltische Staten, maakt ook de noodzaak om voltijd te werken minder dwingend in het geval er een werkende partner is. Het is positief dat in Nederland een groot aantal vrouwen werkt maar de keerzijde is dat Nederlandse vrouwen veel minder uren werken. Minder dan mannen, maar ook minder dan vrouwen in andere Europese landen. Dit verklaart het lage percentage economisch zelfstandige vrouwen. De volgende grafiek laat zien dat Nederlandse vrouwen, gemeten in voltijdbanen, aanzienlijk minder werken dan in veel andere landen in de Europese Unie.

Figuur 3.2. Arbeidsdeelname van vrouwen in arbeidsjaren in de EU, in 2004

kst-30420-2-2.gif

Bron: Eurostat

De arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van allochtone vrouwen verschilt van die van autochtone vrouwen. Daarbij verschilt de arbeidsparticipatie ook nog eens per specifieke groep. Vooral Turkse en Marokkaanse vrouwen hebben een veel lagere participatie dan autochtone vrouwen, Surinaamse en Antilliaanse vrouwen en Turkse en Marokkaanse mannen.

Figuur 3.3. Percentage economische zelfstandige vrouwen met kinderen (vier grootste etnische groepen en autochtonen) in 2002

kst-30420-2-3.gif

Bron: SCP Sociale Atlas allochtone vrouwen, verschijnt in 2006

Ten slotte is ook het aandeel van mannen in zorgtaken in en om huis mede bepalend voor de arbeidsparticipatie van hun vrouwen. Meer vrouwen kunnen toetreden tot de arbeidsmarkt als zij de zorg voor kinderen, hulpbehoevende familieleden en huishoudelijke taken kunnen delen. In 2000 bedraagt het aandeel van mannen in zorgtaken thuis 35%.De doelstelling voor 2010 is dat het aandeel van mannen in deze taken 40% is. Het SCP meet dit percentage vijfjaarlijks in tijdbestedingonderzoek. Eind 2006 verschijnt een nieuwe rapportage. Het kabinet zal de uitkomsten van dit onderzoek betrekken bij verdere beleidsontwikkelingen.

Levenslopen in 2005 hebben een ander karakter dan in 1970. In plaats van een kostwinnersamenleving, waarin de levensloop van mannen bestond uit leren-werken-pensioen en die van vrouwen uit leren-zorgen-pensioen, krijgt nu het anderhalfverdienerspatroon vorm. De verkenning Levensloop uit 2001 laat deze verschuivingen zien. Mannen besteden «aan de randen» van hun voltijdse baan meer tijd aan zorg. Er is sprake van een toename van het aantal werkende vrouwen. De gemiddelde arbeidsduur per werkende vrouw wordt echter steeds korter. De internationaal gezien lage gemiddelde arbeidsduur in Nederland van 1340 uur per werknemer per jaar wordt voornamelijk veroorzaakt door de grote mate van (kleine) deeltijdarbeid bij vrouwelijke werknemers.

3.3 Wat is bereikt vanaf 2000

In de periode 2000–2005 is wet- en regelgeving ingevoerd die de combinatie van arbeid en zorg vergemakkelijkt, en daarmee de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen kan verhogen. Zo is de Wet arbeid en zorg ingevoerd waarin voor werknemers het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof, kraamverlof, adoptieverlof, (onbetaald) ouderschapsverlof, zorgverlof en calamiteitenverlof is geregeld. Tevens is de Wet aanpassing arbeidsduur ingegaan. Deze maakt het mogelijk de arbeidstijden te verminderen of juist uit te breiden. De Wet kinderopvang waarborgt de kwaliteit en regelt de financiering van de kinderopvang. In principe zijn werkgevers, werknemers en overheid hiervoor gezamenlijk verantwoordelijk. De Levensloopregeling, die ingaat in 2006, biedt werknemers de mogelijkheid te sparen voor een periode van onbetaald verlof. Ouders die hun wettelijk ouderschapsverlof opnemen en deelnemen aan de levensloopregeling, kunnen fiscaal voordeel krijgen via een extra heffingskorting.

In 2005 is de eerste evaluatie van de Wet arbeid en zorg naar de Tweede Kamer gestuurd.

Uit de evaluatie blijkt dat het gebruik van verlofregelingen nog niet optimaal is. Mannen maken veel minder frequent aanspraak op de wet (bijvoorbeeld voor het aanvragen van ouderschapsverlof) dan vrouwen. In veel gevallen worden vakantiedagen of adv-dagen gebruikt waar ook opname van wettelijk verlof mogelijk is. Het kabinet verklaart dit deels uit het feit dat de wet relatief nieuw is (op het tijdstip van meting bij werknemers is deze net een jaar oud), en verwacht dat het gebruik van de regelingen de komende jaren zal toenemen. De eerste resultaten van de monitor van de wet komen naar verwachting in 2006.

De evaluatie van de Wet aanpassing arbeidsduur is in 2004 in de Tweede Kamer besproken. Uit deze evaluatie blijkt dat de wet goed functioneert. Sinds de invoering van de wet valt een toename te constateren van het aantal aanvragen tot verandering van arbeidsduur. In veel gevallen is een beroep op de wet niet nodig en regelen werkgever en werknemer de aanpassing van de arbeidsduur in onderling overleg. Maar de wet functioneert als stok achter de deur. Jurisprudentie wijst uit dat àls het tot rechtzaken komt, de werknemer meestal in het gelijk wordt gesteld. Wel constateert het kabinet dat ook hier meer bekendheid, vooral bij werknemers en kleine werkgevers, noodzakelijk is.

De nieuwe Wet kinderopvang is sinds het jaar 2005 van kracht. Er lopen verschillende onderzoeken om de werking van de wet te volgen, zoals het onderzoek naar de gebruikers van de kinderopvang. Resultaten van deze onderzoeken komen in 2006 beschikbaar.

Ontwikkelingen die in gang zijn gezet door middel van projecten Dagindeling, vergemakkelijken op vele terreinen een goede combinatie van arbeid en zorg. Voorbeelden zijn dagarrangementen voor 0–12 jarigen, arrangementen gericht op flexibele werktijden, thuiswerken en ondersteunende diensten voor mantelzorgers.

Concluderend zijn er de afgelopen jaren vele maatregelen tot stand gekomen die de combinatie van arbeid en zorg, en daarmee de arbeidsparticipatie van vrouwen, vergemakkelijken. Toch loopt de participatie in arbeidsduur achter bij de ons omringende landen. Er zijn aanvullende maatregelen nodig om het arbeidsvolume in arbeidsjaren van vrouwen te vergroten. Om het arbeidsvolume te verhogen hebben vrouwen die nu werken in kleine deeltijdbanen een stimulans nodig om meer uren te gaan werken. Meer uren werken heeft logischerwijs ook een positieve invloed op de doelstelling van economische zelfstandigheid: naarmate vrouwen meer uren werken, verdienen ze ook meer.

3.4 Doelstelling en indicatoren

De doelstelling is:

Het vergroten van de economische zelfstandigheid van vrouwen.

De volgende indicatoren gelden hierbij:

1. de arbeidsparticipatie van vrouwen is minimaal 65%

2. het percentage economisch zelfstandige vrouwen is minimaal 60%

3. het aandeel van mannen in zorgtaken is minimaal 40%

4. het aandeel van vrouwen in het totale inkomen uit arbeid is ruim 35%.

De inzet van het kabinet in de komende jaren richt zich op de verdere verbetering van de activerende werking van het stelsel voor werk en inkomen op mannen èn vrouwen. Hiervoor worden verschillende studies en onderzoeken uitgevoerd.

De inzet van het kabinet in de komende jaren richt zich op de verdere verbetering van de activerende werking van het stelsel voor werk en inkomen op mannen èn vrouwen. Hiervoor worden verschillende studies en onderzoeken uitgevoerd.

De arbeidsparticipatie van (gehuwde) vrouwen met minderjarige kinderen is tussen 1990 en 2003 verdubbeld van 31% naar 60%1. Een neveneffect van deze onmiskenbaar positieve ontwikkeling is de sterke stijging van het aantal deeltijdbanen in dezelfde periode. Dit betreft ook vaak relatief kleine deeltijdbanen omdat veel Nederlandse vrouwen graag zelf voor hun kinderen zorgen (zie Tabel 3.4.).

Tabel 3.4. Omvang van banen van vrouwen

Omvang banen van vrouwen19902003
Minder dan 12 uur458 000551 000
12–19 uur312 000546 000
20–34 uur690 0001 409 000
Meer dan 35 uur955 000997 000
Totaal werkzame vrouwen2 416 0003 503 000

Bron: Emancipatiemonitor 2004, blz. 74

Ten behoeve van maatregelen voor de langere termijn wordt een scenarioanalyse naar de arbeidsparticipatie van vrouwen uitgevoerd. In deze analyse wordt betrokken de stagnerende groei van de arbeidsparticipatie van vrouwen en de vermindering van het aantal uren dat vrouwen per week werken. Dit heeft negatieve consequenties voor de economische zelfstandigheid van vrouwen.

De ambitie van het kabinet is ondanks deze negatieve trend dat het arbeidsvolume van vrouwen groeit naar minimaal 50%, dit is naar verwachting het Europese gemiddelde in 2010.

In 2004 is het Europees gemiddelde 47%, terwijl het arbeidsvolume van Nederlandse vrouwen op 41,5%1. Een stijging van het arbeidsvolume van vrouwen heeft een positieve invloed op de economische zelfstandigheid en het inkomen van vrouwen uit arbeid.

Op basis van de eerdergenoemde scenarioanalyse zal het kabinet bepalen wanneer het percentage van 50% naar verwachting gerealiseerd kan worden. Arbeidsvolume zal naast arbeidsparticipatie als indicator worden opgenomen in SZW rapportages, waaronder in de SZW-begroting en de rapportages over de Lissabon-doelstellingen.

Ook zal het kabinet de resterende knelpunten in de combineerbaarheid van arbeid en zorg opruimen. Hierbij krijgen zowel belemmeringen voor ouders in relatie tot de school- en lestijden van kinderen aandacht, als belemmeringen in arbeidstijden en openingstijden van publieke voorzieningen voor alle werknemers in relatie tot zorgtaken.

Met het oog op de bevordering van gelijke kansen tussen vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt zullen afspraken over de arbeidsparticipatie van vrouwen uit etnische groepen met een lage arbeidsparticipatie worden geconcretiseerd en uitgevoerd. Ongelijke behandeling en discriminatie op de arbeidsmarkt zal kritisch worden gevolgd en in samenspraak met het bedrijfsleven worden teruggedrongen.

Ten slotte zet het kabinet specifiek in op ondernemerschap en op (allochtone) vrouwen.

Subdoelstelling 8 Sociaal stelsel

In het sociale stelstel worden arbeidsparticipatie en de combinatie van arbeid en zorg zodanig gefaciliteerd dat gelijke kansen ontstaan voor mannen en vrouwen op economische zelfstandigheid en een bestendig levensloopinkomen. (SZW)

Ook een toekomstig stelsel voor werk en inkomen moet in staat zijn om de gevolgen van vergrijzing en ontgroening op te vangen. Er kan meer effectief arbeidsaanbod komen uit een vergrijzende en licht krimpende beroepsbevolking. De aantrekkelijkheid van betaalde arbeid voor vrouwen kan op verschillende manieren worden vergroot. Een levensloopbenadering kan hierbij behulpzaam zijn. Voor de integratie van de levensloopbenadering in een nieuw stelsel gelden de volgende uitgangspunten:

– activering: bevorderen van de arbeidsparticipatie in personen en in uren, voor mannen en vrouwen;

– combinatie van arbeid en zorg: iedere burger is in staat zorgtaken te combineren met economische zelfstandigheid;

– demografisch bewustzijn: voorkomen dat toenemende arbeidsparticipatie een negatief effect heeft op de geboortecijfers, zoals in sommige Europese landen het geval is.

Om de levensloopbenadering te verankeren in het sociale stelsel wordt een scenariostudie arbeidsparticipatie van vrouwen uitgevoerd2. Ook worden diverse achtergrondstudies gedaan, zoals een onderzoek naar de participatiebelemmeringen voor secundaire verdieners, financiële prikkels, een onderzoek naar de effecten van prijs en zorgethos op gebruik van kinderopvang en het tijdbestedingonderzoek. In het kader van het«Groenboek» wordt Europees onderzoek gedaan naar invloed van beleid op het aantal kinderen dat men krijgt.

In het najaar van 2006 komt een Beleidsdoorlichting en verkenning arbeid en zorg: het stelsel van verlofarrangementen en kinderopvang wordt bezien in het licht van de beleidsdoelstelling «bevorderen dat werknemers arbeid en zorg kunnen combineren».

In 2008 start een evaluatieonderzoek van de levensloopregeling. Bij die gelegenheid wordt bezien of de regeling de combinatie van arbeid en zorg in alle levensfasen faciliteert. Het kabinet zal bezien of en, zo ja, hoe de Toeslagenwet activerender kan worden gemaakt. In dat kader zal worden bezien of de uitzonderingsbepalingen voor alleenstaande ouders en voor afhankelijke partners met kinderen meer in lijn gebracht kunnen worden met (de praktijk van) de andere regelgeving.

Subdoelstelling 9 Scholen, kinderopvang en dagarrangementen

In 2007 worden scholen verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van de voor-, tussen- en naschoolse opvang van kinderen van 4 tot 12 jaar. (OCW/SZW)

In het kader van de uitvoering van de motie van Van Aartsen/Bos is door het kabinet een visie op de brede school en dagarrangementen (een sluitend aanbod van school, kinderopvang en vrijetijdsvoorzieningen voor kinderen) opgenomen. De uitwerking van de motie van Van Aartsen/Bos heeft tot doel dat ouders met kinderen op de basisschool vanaf 1 januari 2007 een aanspraak krijgen dat deze scholen tussen 7.30 uur en 18.30 uur de voor- en naschoolse opvang van hun kinderen (laten) organiseren1. Aan deze aanspraak kunnen scholen, na overleg met ouders, op verschillende wijze inhoud geven. De scholen zijn vrij in de wijze waarop zij de voor- en naschoolse opvang organiseren. Dit kan via een samenwerkingsverband met een kinderopvangorganisatie, via een brede school of door een kinderopvangorganisatie de buitenschoolse opvang binnen schoolverband te laten verzorgen.

In het verder reikende perspectief zijn dagarrangementen bedoeld om ontwikkelingskansen van kinderen te verbeteren en een optimale combinatie van arbeid en zorg voor ouders te bewerkstelligen onder andere door een ononderbroken schooldag te scheppen. Er zal maximale samenhang in de voorzieningen en bundeling van financieringsstromen worden gerealiseerd. In de brede school komen de aanpak van onderwijsachterstanden, doorgaande ontwikkelingslijnen van 0 tot 12 jaar en een aantrekkelijk programma voor kinderen van alle leeftijden samen. Het kabinet stimuleert dat scholen, wanneer zij dat willen, zich kunnen ontwikkelen tot brede scholen.

In 2006 reserveert het kabinet € 35 miljoen voor kinderopvang (voor- en naschoolse opvang) door de school en voor de jaren daarna € 27 miljoen2. Vanaf 2006 is per jaar € 130 miljoen extra beschikbaar voor de verhoging van de basistoeslag voor de kinderopvang, vooral voor middeninkomens. Voor de kosten van kinderopvang voor WW’ers wordt vanaf 2007 € 8 miljoen uitgetrokken. Per jaar is € 5 miljoen extra beschikbaar voor kwaliteitsbevordering en aanscherping van toezicht in de kinderopvang.

In 2006 wordt tussenschoolse opvang wettelijk geregeld. Het budget voor de professionalisering van de tussenschoolse opvang wordt verhoogd met € 30 miljoen.

Belemmeringen voor uitvoering van combinatiefuncties tussen opvang, onderwijs en vrije tijd binnen het dagarrangement worden weggenomen1. Ook wordt bekeken welke factoren buitenschoolse opvang als onderdeel van het dagarrangement aantrekkelijk maakt voor ouders en kinderen.

Subdoelstelling 10 Tijd voor arbeid en zorg

Sociale partners en gemeenten zullen afspraken maken over het verminderen van het aantal knelpunten met betrekking tot de combinatie van werk en privé. (SZW)

De van-negen-tot-vijf-samenleving is aan het veranderen in een van-zeven-tot-zeven-samenleving. Dit perspectief verwijst naar meer flexibiliteit in de vormgeving van de combinatie van arbeid en zorg. De ontwikkeling van de brede school en de dagarrangementen maken deel uit van dit perspectief. Tijd voor arbeid en zorg is echter niet alleen een zaak van ouders en kinderen. Het gaat ook om ruimere openingstijden en flexibele werktijden. Met Europese subsidies voor Projecten Dagindeling wordt een betere afstemming van openingstijden gestimuleerd en worden goede voorbeelden van persoonlijke dienstverlening en zorgondernemerschap gerealiseerd. Resultaten worden actief verspreid en waar mogelijk verankerd in wetgeving of praktijk. Het kabinet zal stimuleren dat er afspraken komen tussen sociale partners en gemeenten om bestaande knelpunten te verminderen. Knelpunteninventarisaties en experimenten met tijdbeleid dienen als basis voor deze afspraken.

Verder zal een verkenning worden gedaan naar de mogelijkheid om knelpunten voor ouders op te lossen wat betreft de combinatie van arbeid en zorg gedurende het eerste jaar van kinderen. Hierbij zal onder ander worden ingegaan op de mogelijkheden van flexibilisering van het zwangerschaps/bevallingsverlof.

Subdoelstelling 11 Vrouwen uit etnische minderheden

Afspraken over het vergroten van arbeidsparticipatie van vrouwen uit etnische minderheden worden geconcretiseerd en uitgevoerd. (SZW)

De cijfers maken duidelijk dat er voor bepaalde groepen vrouwen uit etnische minderheden meer belemmeringen zijn voor arbeidsdeelname. De mate van economische zelfstandigheid van Turkse, Marokkaanse, Afghaanse, Irakese en Somalische vrouwen met kinderen is zeer gering. Er is hier vaak sprake van een cumulatie van achterstanden die doorwerkt in de kansen van de kinderen.

Een aparte groep vormen de niet-uitkeringsgerechtigde allochtone vrouwen. Zij profiteren nauwelijks van dienstverlening en opleidingstrajecten. Dit zet een rem op hun emancipatie en integratie. Deze vrouwen zijn vaak afhankelijk van een kostwinner en profiteren onvoldoende van het reguliere arbeidsmarktbeleid, ook wanneer zij een inburgeringtraject hebben gevolgd. De investeringen die eerder gedaan zijn in de inburgeringtrajecten en taalverwervingscursussen worden grotendeels teniet gedaan doordat een groep vrouwen niet deelneemt aan de betaalde arbeid of anderszins maatschappelijk participeert. Mede op basis van het RWI-advies dat in 2006 zal verschijnen over niet-uitkeringsgerechtigden, kan bezien worden welke mogelijkheden er voor de toekomst zijn.

De afgelopen jaren zijn veel initiatieven ondernomen gericht op allochtone vrouwen, onder meer in het kader van de Commissie PaVEM, het Plan van Aanpak Emancipatie Integratie, het Breed Initiatief Maatschappelijke Binding en de projecten Dagindeling.

Voor deze subdoelstelling zal de minister van SZW een Regiegroep arbeidsparticipatie etnische minderheden instellen als opvolger van de Commissie PaVEM1. De beleidsagenda richt zich op het bevorderen van arbeidsparticipatie van allochtone vrouwen en het melden van eventuele wettelijke belemmeringen zodat daarop beleid gevoerd kan worden.

Afspraken die in het kader van PaVEM zijn gemaakt worden verder geconcretiseerd en uitgevoerd. Voorts is er het Landelijk Netwerk Diversiteitmanagement dat via ambassadeurs diversiteit in het MKB bevordert.

Subdoelstelling 12 Gelijke kansen in bedrijven

Met het bedrijfsleven worden projecten uitgevoerd gericht op het verbeteren van gelijke kansen van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt en het verminderen van beloningsverschillen. (SZW)

In de praktijk bestaan nog steeds grote verschillen tussen vrouwen en mannen in deelname aan opleidingen en beroepen. Mannen en vrouwen hebben niet dezelfde kansen om terecht te komen in bepaalde beroepen («segregatie» van de arbeidsmarkt). Ook is er sprake van beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen. Voor allochtone vrouwen en mannen geldt daarnaast dat zij te maken hebben met directe en indirecte vormen van discriminatie bij werving en selectie.

Tussen de (levens)loopbanen van mannen en vrouwen staan «glazen muren». Veel vrouwen werken in de zorg en het onderwijs. Mannen werken in een veel breder scala van sectoren en kunnen ook makkelijker doorstromen naar een functie in een andere sector.

Deze segregatie op de arbeidsmarkt leidt ondermeer tot het verlies van potentieel zowel in de vrouwen- als de mannensectoren. Met het Deltaplan Bèta en Techniek wil het kabinet de instroom en het behoud van meisjes en vrouwen in de technische sectoren op de arbeidsmarkt en in het onderwijs vergroten. De minister van OCW ondersteunt het expertisecentrum Vrouwen en Technisch Onderwijs dat het voortgezet en hoger onderwijs stimuleert om onevenredige deelname aan vakken en opleidingen te doorbreken.

Het ESF/EQUAL project «Glazen Muur» heeft als doel om het potentieel van meisjes en vrouwen voor opleidingen, beroepen en functies met een technisch/bètaprofiel en -imago beter te benutten.

Er is een onverklaard beloningsverschil tussen mannen en vrouwen van 7% in de markt en 3% bij de overheid2. Het streven is om dit verschil verder te laten afnemen. Hiertoe wordt nader onderzoek gedaan en zal het kabinet eind 2005 de werkgroep «Gelijke beloning: dat werkt!» oprichten. De werkgroep heeft tot taak de bekendheid met en de naleving van de wettelijke regels over gelijke beloning te bevorderen bij alle relevante geledingen van de sociale partners (ook individuele werkgevers en werknemers).

Subdoelstelling 13 Vrouwelijke ondernemers

Het stimuleren van vrouwelijke nieuwe ondernemers. (EZ)

Het kabinet zet zich in voor nieuw ondernemerschap. Daartoe is in juni 2005 het Actieplan Nieuw Ondernemerschap gepresenteerd. Dit actieplan heeft tot doel het versterken van «nieuw ondernemerschap» door middel van concrete acties. Deze zijn gericht op het wegnemen van barrières voor nieuwe ondernemers, en ook op het vergroten van de positieve bijdrage die nieuwe ondernemers leveren aan het ondernemerslandschap in Nederland. Aparte aandacht schenkt het plan aan het stimuleren van vrouwelijke nieuwe ondernemers. Voor succesvol vrouwelijk ondernemerschap en vooral vrouwelijk ondernemerschap onder allochtonen zijn netwerken en rolmodellen essentieel. Er zijn nog weinig vrouwelijke allochtone ondernemersnetwerken. Het kabinet wil de bekendheid van en de participatie aan deze netwerken versterken. Bijvoorbeeld door aandacht te geven aan de activiteiten van de «Zwarte Zaken Vrouwen in Nederland» en de Stichting «Rhythm of Reason». De laatste richt zich op jonge allochtone vrouwen die ondernemer zijn of willen worden.

Daarnaast is het van belang dat er ook contacten zijn tussen netwerken van vrouwelijke allochtone ondernemers en netwerken van vrouwelijke ondernemers zoals de Federatie Zakenvrouwen.

Ook voor vrouwelijke ondernemers in het algemeen zijn netwerken en rolmodellen van belang. Het netwerken speelt een grote rol in de handelsmissie van vrouwelijke ondernemers, die in 2006 voor de derde keer plaatsvindt (deze keer naar Spanje). EZ heeft in dat kader ook veel contact met de Federatie Zakenvrouwen, waarmee bijvoorbeeld in 2005 een gezamenlijk congres is georganiseerd over emotie-economie.

4. MAATSCHAPPELIJKE PARTICIPATIE

4.1 Inleiding

Maatschappelijke participatie geeft net als betaald werk de voldoening van meedoen in de samenleving. Deelname aan vrijwilligerswerk in de buurt of op school, gastouder zijn of actief lid van een vereniging; het zijn allemaal manieren om mee te doen in de samenleving. Maatschappelijke participatie kan naast of als opstap naar betaald werk bijdragen aan emancipatie en een invulling zijn van het burgerschap. Betaalde arbeid en economische zelfstandigheid zijn niet voor iedereen bereikbaar. Dit geldt vooral voor een relatief groot aantal autochtone en allochtone vrouwen met een laag opleiding- en taalniveau en gebrekkige kennis van de Nederlandse samenleving. Zij lopen het risico langs de kant te komen staan en in een sociaal isolement te raken.

Maatschappelijke participatie versterkt hun zelfredzaamheid, biedt kansen op ontwikkeling van kennis en competenties, en kan zo sociale uitsluiting helpen voorkomen. Bovendien kan maatschappelijke participatie ervoor zorgen dat de effecten van de inburgerings- en reïntegratietrajecten voor deze groep vrouwen blijvender zijn.

Figuur 4.1. Typering van de vier grootste groepen allochtone vrouwen van 16–64 jaar in 2003

kst-30420-2-4.gif

Bron: Emancipatie in Estafette, SCP1

1 Emancipatie in Estafette van het SCP en Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek (ISEO) uit 2003 maakt een onderscheid in kansarme en kwetsbare vrouwen. Vrouwen in een kansarme positie zijn laag opgeleid, spreken niet of slecht Nederlands, hebben geen werk en zijn niet economisch zelfstandig. Bovendien hebben deze vrouwen weinig contact met autochtonen en hebben ze traditionele opvattingen over emancipatie. Vooral Turkse en Marokkaanse vrouwen hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De participatiegraad van deze vrouwen is erg laag.

Vrouwen in een kwetsbare positie hebben een baan op een laag niveau. Het merendeel verdient minder dan € 1150 netto per maand. Het opleidingsniveau is vmbo. Er is in vergelijking met de kansarme groep meer contact met autochtonen. Vrouwen uit deze groep tonen een voorzichtige interesse in emancipatie-vraagstukken.

4.2 Stand van zaken

Een groot aantal vrouwen uit etnische minderheden heeft een laag opleidingsniveau, gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, weinig contacten buiten de eigen etnische gemeenschap en traditionele opvattingen over de rolverdeling tussen man en vrouw. Hierdoor is hun maatschappelijke en arbeidsparticipatie laag. Sociale uitsluiting en langdurige uitkeringsafhankelijkheid kunnen hiervan de gevolgen zijn. Ook maakt de vaak afhankelijke positie van deze vrouwen dat zij minder weerbaar zijn en zich moeilijk kunnen onttrekken aan huiselijk en seksueel geweld.

Een groot aantal autochtone vrouwen tussen de 15 en 64 jaar verkeert in een vergelijkbare positie. Van deze groep heeft 10% alleen basisonderwijs gevolgd. Zo kent Nederland 250 000 analfabeten (autochtoon) en ruim 1 miljoen functionele analfabeten (allochtoon en autochtoon)1. Functionele analfabeten kunnen onvoldoende lezen, schrijven en rekenen om goed mee te komen in de maatschappij. Analfabetisme is geen«uitstervend verschijnsel» dat alleen onder ouderen voorkomt. Van de jongeren tussen 16 en 24 jaar kan bijvoorbeeld 7% onvoldoende lezen, schrijven en rekenen. Analfabetisme beperkt mensen om actief deel te nemen aan de samenleving.

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 60% van de Marokkaanse jongeren en 70% van de Turkse jongeren van de tweede generatie hun bruid of bruidegom halen uit het land van herkomst van de ouders2. De herhaling van het patroon – steeds weer een nieuwe groep die in een achterstandspositie start – is zorgelijk. Hoewel voor veel vrouwen de situatie in Nederland kansen biedt, is het risico van maatschappelijke uitsluiting groot. De problemen bij deze etnische groepen verdwijnen niet vanzelf, maar reproduceren zich door huwelijksmigratie. Deze omstandigheid heeft zowel gevolgen voor het welzijn en de economische zelfstandigheid van de vrouwen, als ook voor de opvoedingssituatie van hun kinderen en hun kansen in de Nederlandse samenleving. Veel kinderen hebben een taalachterstand die zij ook in het voortgezet onderwijs niet inlopen. Bovendien hebben kinderen vaak moeite met het ontwikkelen van hun identiteit doordat zij dilemma’s ervaren van twee verschillende culturen.

De Sociale Atlas, die het SCP in maart 2006 zal uitbrengen, geeft een gedetailleerd overzicht van de kenmerken en ontwikkeling van de verschillende etnische minderheden.

4.3 Wat is bereikt vanaf 2000

Vanaf 2000 hebben in het migratie- en integratiebeleid ontwikkelingen plaatsgevonden die raken aan het vraagstuk van maatschappelijke participatie. Er is een inburgeringbeleid voor oudkomers ontwikkeld dat vrijwillig is, behalve voor diegenen die uitkeringsgerechtigd zijn. De nieuwe Wet inburgering in het buitenland die begin 2006 zal worden ingevoerd, verplicht mensen die naar Nederland willen komen en die onder de oude wet inburgering (WIN) tot de doelgroep behoorden, om in het land van herkomst een inburgeringtoets af te leggen. Pas na het succesvol afsluiten van de toets in het land van herkomst kan migratie naar Nederland plaatsvinden. Hier wordt het inburgeringprogramma verder doorlopen en aan het eind getoetst.

De commissie Participatie Vrouwen uit Etnische Minderheden (PaVEM) is in 2003 in het leven geroepen. De commissie heeft concrete afspraken gemaakt met de 30 grootste gemeenten over het aanbieden van taaltrainingen en werk. In aanvulling op de commissie PaVEM is het Plan van aanpak Emancipatie en Integratie opgesteld dat gemeenten ondersteunt bij het bereiken van de doelgroep en het bieden van een gepast aanbod.

Dit Plan van aanpak richt zich op de kansarme en kwetsbare vrouwen uit etnische minderheden; dit zijn vrouwen die tot nu toe niet of nauwelijks met beleid zijn bereikt.

De commissie PaVEM, die op 1 juni 2005 is opgeheven, heeft aan het kabinet een advies overhandigd over de taalscholing van 240 000 vrouwen die tot de oudkomers behoren, het zgn. Nationaal Actieplan Taal totaal.

De activiteiten van de commissie gericht op werk lopen tot eind 2007. Voor dit doel is ter uitvoering van de motie Koşer Kaya1 de Regiegroep arbeidsparticipatie etnische minderheden aan het werk2. Afspraken die in het kader van PaVEM zijn gemaakt, worden verder geconcretiseerd en uitgevoerd. De beleidsagenda richt zich op de bevordering van arbeidsparticipatie van allochtone vrouwen en het tegengaan van negatieve beeldvorming van etnische minderheden op de arbeidsmarkt. Het Landelijk Netwerk Diversiteitsmanagement bevordert via ambassadeurs de diversiteit in het midden- en kleinbedrijf.

4.4 Doelstelling en indicatoren

De doelstelling is:

Het voorkomen van sociale uitsluiting van vrouwen in een kwetsbare en kansarme positie.

Indicator:

Het realiseren van de deelname van minimaal 50 000 vrouwen in een kansarme of kwetsbare positie aan maatschappelijke participatie.

De inzet van het kabinet is om een nieuw inburgeringsstelsel te implementeren, waarin vrouwen zonder inkomen of uitkering een prioritaire groep vormen. Daarnaast is er aandacht voor actief beleid om emancipatie en integratie in de grote steden te realiseren. Rolmodellen krijgen ondersteuning bij het vergroten van de bewustwording en het verbeteren van de beeldvorming. De mogelijkheden voor vrijwillige inzet buiten de eigen gemeenschap zullen worden vergroot en eigen initiatieven van zelforganisaties worden gestimuleerd.

Subdoelstelling 14 Inburgering

Het implementeren van een nieuw inburgeringsstelsel, waarin vrouwen zonder inkomen uit arbeid of uitkering een prioritaire groep vormen. (V&I/Gemeenten)

Taal(plus) en Werk waren voor de commissie PaVEM de belangrijkste speerpunten. De Commissie heeft op het terrein van Taal(plus) een Nationaal Actieplan Taal Totaal opgesteld. Doel is «een impuls te geven aan het wegwerken van de taalachterstanden bij allochtone vrouwen als middel naar participatie in de samenleving». De Commissie stelt dat inburgering een belangrijke eerste stap is op weg naar participatie en integratie. Het kabinet bereidt een herziening van het inburgeringsstelsel voor. Door de algemene inburgeringsplicht en het inburgeringsexamen zullen ook allochtone vrouwen die nu een taalachterstand hebben beter Nederlands spreken en een basiskennis hebben van de Nederlandse samenleving. In het nieuwe stelsel is daarnaast speciale aandacht voor de inburgering van vrouwen zonder uitkering en zonder werk, aan wie de gemeente een inburgeringtraject kan aanbieden.

Het Actieplan maakt een begin met het operationaliseren van de ambities van de commissie PaVEM. Het kabinet benadrukt dat het realiseren van de ambities van de Commissie niet alleen in handen van de rijksoverheid ligt. Gemeenten spelen een cruciale rol. Maar daarnaast gaat het ook om werkgevers en niet te vergeten de vrouwen zelf. Al deze partijen kunnen initiatieven ontplooien. Om het tempo verder te verhogen is er meer nodig. Om zoveel mogelijk trajecten voor vrouwen mogelijk te maken zijn daarom extra middelen vrijgemaakt.

Subdoelstelling 15 Emancipatie en integratie in grote steden

Realiseren van een actief beleid in de grote steden gericht op maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden, waarbij voor 2007 200 000 vrouwen worden bereikt en 20 000 vrouwen daadwerkelijk starten met een nieuwe activiteit. (SZW/V&I)

Het Plan van aanpak «Emancipatie en Integratie» beoogt vrouwen en meisjes te bereiken met informatie over het lokale aanbod aan scholing, sociale activering, vrijwilligerswerk, taalcursussen en arbeidsmarkttrajecten. Er zijn diverse instrumenten beschikbaar: o.a. de campagne «Thuis in Nederland? Doe Mee!» waarin vrouwen en meisjes worden opgeroepen om aan activiteiten in de buurt mee te doen. De Toolkit Participatie voor de gemeenten biedt een hulpmiddel om inzicht te krijgen in de positie van vrouwen uit etnische minderheidsgroepen op verschillende terreinen, waaronder economische zelfstandigheid, arbeidsmarktpositie, onderwijsniveau en veiligheid. Deze informatie vormt de basis voor het opstellen van een lokale participatieagenda. Voor de uitvoering van de agenda is een beleidsscan, een financieringsscan en een beleidsprestatiemeter beschikbaar. Er is een pool opgesteld van 45 discussieleiders, die dialogen kunnen faciliteren over diverse taboe onderwerpen, zoals man-vrouwverhoudingen, geweld en eerwraak.

Subdoelstelling 16 Rolmodellen

Ondersteunen van vrouwelijke en mannelijke rolmodellen uit etnische minderheden, die bewustwording en positieve beeldvorming op lokaal niveau gaan stimuleren. (SZW/V&I)

In het kader van de participatieagenda kunnen gemeenten lokale participatieteams instellen. Dit zijn teams van rolmodellen, die tot taak krijgen om vrouwen en meisjes in hun gemeenten te stimuleren tot activiteiten. Het landelijke P-team, opgericht door de Commissie PaVEM, is nu een onafhankelijke stichting. Deze stichting zal tot eind 2006 de gemeenten binnen de G-30 ondersteunen bij het opzetten van lokale P-teams.

In navolging van het landelijke P-team voor vrouwen zal er ook een landelijk P-team voor mannen komen. Er zal gezocht worden naar geëmancipeerde mannen die aanzien hebben binnen de verschillende etnische minderheidsgroepen in Nederland en die actief zijn in het maatschappelijk middenkader. Zij zullen worden aangespoord worden om emancipatoire ideeën binnen hun achterban uit te dragen.

Het actieplan Nieuw Ondernemerschap (2005) wijst ook op het belang van netwerken en rolmodellen voor vrouwelijke allochtone ondernemers. De nieuwe monitor Nieuw Ondernemerschap (2006) besteedt daarom expliciet aandacht aan vrouwelijke ondernemers van allochtone afkomst.

Subdoelstelling 17 Vrijwilligersorganisaties

Afsluiten van een sociaal contract met vrijwilligersorganisaties over de inzet van 50 000 vrouwen in een kwetsbare positie voor 2010. (SZW/VWS)

Het kabinet onderzoekt samen met diverse grote vrijwilligersorganisaties de mogelijkheden om een sociaal contract af te sluiten tussen kabinet en vrijwilligersorganisaties. Dit contract moet leiden tot maatschappelijke participatie in aanvulling op de taalverwerving van kwetsbare en geïsoleerde vrouwen uit etnische minderheden. Doel is om te voorkomen dat vrouwen, na het beëindigen van het taaltraject, weer thuis belanden en zowel het geleerde als het contact binnen een paar maanden kwijtraken. Vrijwillige inzet kan een belangrijke stimulans geven aan de maatschappelijke participatie van de doelgroep, bijvoorbeeld in de vorm van «maatjesprojecten».

Het doel van dit initiatief is om zoveel mogelijk vrouwen uit etnische minderheden te laten participeren in de Nederlandse maatschappij. Ofwel via een taaltraject met daarna een cursus vrijwilligerswerk, ofwel – bij voldoende beheersing van het Nederlands – direct via een cursus vrijwilligerswerk.

De doelstelling sluit aan bij de Beleidsbrief «Vrijwillige inzet»1. Om te bereiken dat de verschillende maatschappelijke sectoren een afspiegeling zijn van de Nederlandse samenleving, moeten «witte» organisaties ook andere culturen opnemen zodat minderheden kunnen meedoen. Daarom krijgen gemeenten, lokale steunpunten en centrales gericht advies over het effectief benaderen en stimuleren van nieuwe groepen waaronder vrouwen uit etnische minderheden. Het bedrijfsleven zal worden gestimuleerd om hun werknemers vrijwilligerswerk te laten verrichten.

Subdoelstelling 18 Stimulering maatschappelijke participatie

Het ondersteunen van minimaal 75 projecten gericht op het stimuleren van de maatschappelijke participatie van vrouwen in een kwetsbare positie in de periode tot 2010. (SZW)

Het kabinet zet via de subsidieregeling voor emancipatieprojecten middelen in voor het stimuleren van meisjes en vrouwen om actief te worden in het maatschappelijk middenveld en om de maatschappelijke participatie te vergroten. De doelgroep van de projecten bestaat uit vrouwen in een kwetsbare positie. Zij worden actief betrokken bij de indiening, de uitvoering en de evaluatie van de projecten.

5. BESLUITVORMING

5.1 Inleiding

Evenredige deelname van vrouwen aan politieke besluitvorming en openbaar bestuur is een belangrijk democratisch en emancipatoir uitgangspunt en is van groot belang voor de kwaliteit van het openbaar bestuur. In de Nederlandse samenleving zijn vrouwen, evenals minderheden, ondervertegenwoordigd op topposities in politieke besluitvorming, management en besturen. Door deze ongelijkheid blijven niet alleen capaciteiten en talenten onbenut, maar loopt ook de kwaliteit en representativiteit van de (democratische) besluitvorming gevaar. Het streven naar diversiteit dient daarom een centraal element in de samenstelling en inrichting van besluitvorming en bestuur te zijn. Ook in het bedrijfsleven kan een grotere diversiteit bijdragen aan verbetering van prestaties. Een divers personeelsbestand vergroot de kennis van de afzetmarkt en de aantrekkelijkheid op de arbeidsmarkt, beïnvloedt de bedrijfscultuur vaak op een positieve manier en zorgt voor betere bedrijfsresultaten. Daarnaast is diversiteit ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor bedrijven, overheidsinstellingen en maatschappelijke organisaties.

5.2 Stand van zaken

Er is een positieve ontwikkeling waar te nemen: het aandeel van vrouwen in besluitvormende posities neemt de afgelopen jaren langzaam toe. Tussen sectoren en tussen soort functies zijn echter grote verschillen. Wat betreft het aandeel van vrouwen in het nationale parlement behoort Nederland met de Scandinavische landen tot de koplopers. Maar het aandeel van vrouwen in gemeenteraden stagneert. Bij Provinciale Staten gaat het aandeel van vrouwen achteruit.

Tabel 5.1. Percentage vrouwen in openbaar bestuur en politieke functies

 19901994199820022003
Europees Parlement (NL)2832313544
Eerste Kamer2427232833
Tweede Kamer2631362939
Provinciale Staten2525313029
Gemeenteraden2222222323
Ministers212925733
Staatssecretarissen2042382950
Wethouders1618181716
Commissaris der Koningin08808
Burgemeesters712151918*

Bron: Voortgangsrapportages vrouwen in politiek en openbaar bestuur 1997–2003, ministerie van BZK en Emancipatiemonitor 2004, SCP en CBS. (* Overzicht ministerie van BZK.)

De afgelopen tien jaar stijgt het aandeel van vrouwen in het management in arbeidsorganisaties met ruim een procent per jaar naar 25%. Daarmee behoort Nederland tot de achterhoede in Europa. Het aandeel van vrouwen in topfuncties bij de 250 grootste bedrijven in Nederland stijgt, maar daalt in de lagen hieronder. Ook hier is geen sprake van vanzelfsprekende groei.

Tabel 5.2. Percentage vrouwen in hoge managementfuncties bedrijfsleven en rijksoverheid

Vrouwen in besluitvorming en bestuurRealisatie in 2003/4 Streven 2005–2006Streven 2010
in topfuncties bedrijfsleven (top250)5%11%20%
in topfuncties non-profit16–29%19–36%35–45%
in topfuncties overheid12%117%25%

Bron: Meerjarenbeleidsplan Emancipatie, Emancipatiemonitor 2004 (TK 27 061, nr. 32).

1 In 2005 is het aandeel van vrouwen in hogere functies bij de overheid 12% in de schalen 15–17 en 14% vanaf schaal 18.

Met 6% vrouwelijke hoogleraren behoort Nederland samen met Ierland tot de hekkensluiters in Europa.

De vertegenwoordiging van vrouwen in de besturen van grote maatschappelijke organisaties is gestegen naar gemiddeld 26% in 2004. Vrouwen zijn minder aanwezig op het terrein van sport en recreatie, en meer in besturen van organisaties op het terrein van internationale solidariteit. In het kleinschalige vrijwilligerswerk is de helft vrouw en is hun aandeel in besturen 41%.

Figuur 5.3. Vrouwen op hogere functies

kst-30420-2-5.gif

Bron: SCP 2002

Vrouwen en mannen uit etnische minderheden zijn in geringe mate betrokken bij de politieke, bestuurlijke en maatschappelijke besluitvorming. Slechts 4% van de raadsleden is allochtoon. Van hen is 21% vrouw1. Dit percentage is eigenlijk conform het gemiddelde, zie tabel 5.1.

5.3 Wat is bereikt vanaf 2000

In de periode 2000–2005 ligt de nadruk op agendasetting, stimuleren en faciliteren. Verschillende ambassadeursnetwerken zijn actief geweest in het bedrijfsleven, waar de top meewerkte om de doorstroming van vrouwen naar hogere functies te stimuleren. Daarnaast is geïnvesteerd in monitoring en benchmarking. In de private sector hebben leidende organisaties steeds meer aandacht voor de belemmeringen die vrouwen kunnen ondervinden op hun carrièrepad. Vooral bij grote bedrijven past het stimuleren van de doorstroming van vrouwen in de context van diversiteitbeleid en, zeer recent, ook van het levensloopbeleid. Er is gerichte aandacht voor vrouwelijke ondernemers uit etnische minderheden. Er is een glazenplafondindex ontwikkeld die bedrijven en instellingen in staat stelt zich te vergelijken met andere organisaties in dezelfde branche, zowel kwantitatief als kwalitatief. De index laat zien hoe dik het «glazen plafond» in het bedrijf is, wat specifieke knelpunten zijn en hoe die kunnen worden opgelost.

Tussen economische sectoren onderling bestaan grote verschillen. Dit betreft zowel aantallen vrouwen als de mate waarin aandacht is voor de positie van vrouwen in werving en selectie, loopbaanbeleid en arbeidsvoorwaarden. In veel technische sectoren werkt een gering aantal vrouwen. In zorg en onderwijs waar juist veel vrouwen werken, zijn mannen in de leidinggevende functies oververtegenwoordigd.

Het ministerie van OCW heeft verschillende initiatieven genomen om de doorstroom van vrouwen naar managementfuncties in het primair en voortgezet onderwijs te bevorderen. Zo is in het primair onderwijs het project Duobanen opgezet en zijn er zogeheten «kweekvijvertrajecten» ontwikkeld. Ook is er een stimuleringsregeling ingesteld om beginnende directeuren te begeleiden en te coachen. In het voortgezet onderwijs is het project «Positie vrouwelijke schoolleiders in het voortgezet onderwijs» gestart. Ook ten behoeve van meer vrouwen in topposities in de cultuursector zijn er initiatieven geweest.

In het ESF-Equalproject «Mixed – naar een betere m/v-balans op het werk» is ervaring opgedaan met een set aan instrumenten die bedrijven en instellingen kunnen inzetten om de doorstroming van vrouwen naar hogere functies te bevorderen. De instrumenten, die in dertig bedrijven zijn uitgetest, hebben betrekking op het mobiliseren van vrouwelijk talent, het beïnvloeden van de organisatiecultuur en het verankeren van de aandacht voor diversiteit m/v in regulier bedrijfsbeleid. Mixed heeft concrete producten en methoden opgeleverd die bedrijven voor deze doelstelling kunnen inzetten, maar heeft daarnaast vooral bijgedragen aan de agendasetting en netwerkvorming.

In de politiek en het openbaar bestuur neemt het aandeel van vrouwen de laatste twintig jaar fors toe. Er is een wijziging in de Grondwet gerealiseerd waardoor volksvertegenwoordigers zich nu tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof mogen laten vervangen.

Op het lokale en provinciale niveau stagneert het aandeel van vrouwelijke raadsleden en worden de streefcijfers niet gehaald. Daarom heeft het kabinet van 2004 tot 2005 een ambassadeursnetwerk besturen ondersteund om de vertegenwoordiging van vrouwen in het bestuurlijke domein te stimuleren. In het politieke domein en openbaar bestuur is meer aandacht nodig voor de positie van vrouwen. Er is geen sprake van een vanzelfsprekende groei.

De positie van vrouwen uit etnische minderheden heeft aandacht nodig omdat zij in aantallen, zowel algemeen op de arbeidsmarkt als in de top en subtop, op achterstand staan en groei in deze posities maar langzaam verloopt.

Er is maar een klein onderdeel van het domein waar de overheid directe invloed op uit kan oefenen. De stimulerende rol van de overheid heeft agenderend gewerkt. Het bedrijfsleven neemt meer en meer de verantwoordelijkheid zelf op. De ontwikkelde instrumenten kunnen daarbij worden gebruikt.

5.4 Doelstelling en indicatoren

De doelstelling is:

Het realiseren van een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in besluitvormende posities.

Indicatoren:

1. Het aandeel van vrouwen in topfuncties bij de rijksoverheid minimaal 25% in 2010.

2. Het aandeel van vrouwen in topfuncties in het bedrijfsleven minimaal 20% in 2010.

3. Het aandeel van vrouwen in topfuncties in de non-profitsector minimaal 35% in 2010.

4. Het aandeel van vrouwen in politieke posities minimaal 45% in 2010.

Het kabinet richt zich de komende jaren op het uitoefenen van directe invloed in die domeinen waarvoor zij ook verantwoordelijk is. In de domeinen waar geen sprake is van directe invloed, richt het kabinet zich op ondersteuning en stimulering van beleid gericht op meer vrouwen naar de top. Het kabinet roept het bedrijfsleven op zijn verantwoordelijkheid te nemen.

De overheid zal zijn benoemingen- en loopbaanbeleid zo inrichten dat het aantal vrouwen in topfuncties bij de overheid toeneemt tot het gewenste percentage van 25% in 2010.

De inzet van het kabinet is verder om te stimuleren dat een groter aantal vrouwen een zetel krijgt in de gemeenteraden. Hiertoe wijst het kabinet politieke partijen op het belang van gemengd samengestelde kandidatenlijsten en het belang van een gemengd samengesteld college. Het kabinet toetst de voorstellen voor bestuurlijke vernieuwing mede op de effecten voor mannen én vrouwen (en diversiteit in het algemeen).

Bedrijven en maatschappelijke organisaties zullen met benchmarking en verspreiding van goede voorbeelden worden gestimuleerd tot het volgen van het goede voorbeeld.

Het kabinet ondersteunt initiatieven van maatschappelijke organisaties om vrouwen zonder bestuurservaring te stimuleren tot deelname aan besturen.

Subdoelstelling 19 Vrouwen in de top van de overheid

In de periode tot 2010 realiseren van de streefcijfers van de rijksoverheid via gerichte benoemingen en loopbaanbeleid. (BZK/Alle Ministeries)

Sinds 2002 is de Rijksoverheid aan het krimpen. Deze krimp treft de managementfuncties in relatief hogere mate. In absolute zin zijn er minder topfuncties aan het ontstaan (Algemene Bestuurs Dienst, zogenaamde ABD-functies). Het streefcijfer van 25% vrouwen in de rijksoverheidstop (salarisschalen 15 tot en met 19) is ambitieus. De aanwas van vrouwen is voldoende, in beleidsfuncties is vaak minimaal de helft vrouwen. Het kandidatenprogramma voor de «high potentials» wordt tegenwoordig voor ongeveer de helft gevormd door vrouwen. De verwachting is dat vrouwen in belangrijke mate via natuurlijk groei op de hogere posities komen. De komende jaren gaat een groot deel van de babyboom generatie met pensioen. Er is voldoende potentieel aan vrouwen om hun posities over te nemen.

Het Bureau ABD zal samen met de departementen bevorderen dat het streefcijfer voor het aandeel van vrouwen in de hoogste functieschalen bij de overheid wordt gerealiseerd. Finale besluiten over benoemingen en loopbaanbeleid worden in belangrijke mate ook genomen op de ministeries, reden waarom het Bureau ABD het percentage van 25% in overleg met de ministeries tot stand wil brengen. Een samenhangende aanpak gericht op meer vrouwen in hogere functies bij de rijksoverheid krijgt verdere uitwerking als onderdeel van het recent van kracht geworden Plan van Aanpak Diversiteit Rijk. In het verlengde van dit plan wordt een integraal instrumentarium voor diversiteitmanagement bij het Rijk beschikbaar gesteld (diagnose van organisatieknelpunten en oplossingsgerichte instrumenten). Ook zal dit een thema zijn in managementtrainingen en bijscholingen. De ontwikkeling en doorgroei van vrouwen zal gevolgd en gemonitord worden. Uitgangspunt in de procedures is dat voor hogere functies (vanaf schaal 15) altijd een geschikte vrouw op de kandidatenlijst geplaatst wordt en er altijd minimaaléén vrouw in de selectiecommissie zit.

Subdoelstelling 20 Vrouwen in de top van arbeidsorganisaties

Ondersteunen van initiatieven van bedrijven, non-profitorganisaties en maatschappelijke actoren tot het realiseren van de streefcijfers. (EZ, SZW)

Bedrijven en instellingen hechten steeds meer belang aan een divers personeelsbestand. Het streven naar doorstroming van vrouwen naar de hogere echelons van de arbeidsmarkt staat veelal in het teken van «diversiteitmanagement». Hiermee staat cultuurverandering op de agenda. In de praktijk komt dit neer op het wegnemen van belemmeringen voor de loopbaankansen van vrouwen en andere groepen (werving en selectie, loopbaanbeleid, beeldvorming, organisatie van het werk).

Het bedrijfsleven zal worden gevraagd het Ambassadeursnetwerk «Glazen Plafond» voort te zetten. Hierover worden afspraken gemaakt met VNO-NCW. Het kabinet ondersteunt en stimuleert waar nodig.

Er is ter ondersteuning van bedrijven en sectoren een ESF/EQUAL-project «Doorstroming, diversiteit en levensloop» ingediend. Het project beoogt kennis en ervaringen met betrekking tot de loopbaankansen van verschillende groepen werknemers te verbinden aan de actuele thema’s diversiteitmanagement en levensloopbeleid. Op basis van bestaande inzichten, ervaringen en instrumenten, doorgaans vanuit één invalshoek (gender, etniciteit, leeftijd), wordt een integrale aanpak ontwikkeld om arbeidsorganisaties door te lichten op de kansen voor verschillende groepen werknemers, de mate waarin de organisaties «levensloopbestendig» zijn, knelpunten en oplossingsrichtingen.

Het Landelijk Centrum Diversiteitmanagement (DIV) ondersteunt vanuit de overheid bedrijven, vooral in het midden- en klein bedrijf, met advies en instrumenten om diversiteitmanagement in te voeren. Dit streven richt zich op een evenwichtige, diverse samenstelling van personeel op alle niveaus binnen de arbeidsorganisatie. Daarmee benutten bedrijven de verschillen in leeftijd, geslacht en etniciteit optimaal.

Bedrijven en instellingen worden via instrumenten als de benchmark gestimuleerd om doelstellingen te formuleren voor de vertegenwoordiging van vrouwen in de hogere echelons (www.glazenplafondindex.nl). Acties en resultaten van diversiteitsmanagement gericht op allochtone vrouwen worden opgenomen in de Emancipatiemonitor.

Subdoelstelling 21 Vrouwen in politiek en openbaar bestuur

Stimuleren van politieke partijen tot het realiseren van de streefcijfers en borgen van de evenredige samenstelling van door het kabinet in te stellen raden en commissies. (BZK, SZW)

Politieke partijen zijn autonoom bij het opstellen van hun kandidatenlijsten. Periodieke voortgangsrapportages vermelden de man/vrouwverhouding onder nationale, regionale en lokale volksvertegenwoordigers en bestuurders. Bij de lokale lijsten is de vertegenwoordiging van vrouwen relatief laag. Er zal in relatie met algemene rekruteringsvraagstukken aandacht worden besteed aan de werving van vrouwen en het faciliteren van de combinatie van raadswerk en andere activiteiten. Er wordt een plan van aanpak ontwikkeld, gericht op deze politieke partijen, met heldere communicatie over doelstellingen, mogelijke maatregelen en «good practices». Daarnaast vindt er een wetenschappelijk onderzoek plaats naar de rekrutering voor de gemeenteraadverkiezingen van 2006. Dit onderzoek besteed ook aandacht worden aan het rekruteren van vrouwen.

Het kabinet zal subdoelstelling 19 en 21 volgen en na verkiezingsjaren hierover rapporteren.

Voorstellen en beleidswijzigingen in het kader van bestuurlijke vernieuwing en mogelijke nieuwe voorstellen voor de wijziging van het kiesstelsel worden vooraf getoetst op hun effecten op diversiteit, indien die effecten verondersteld kunnen worden. Een voorbeeld daarvan is het onderzoek naar de effecten van de invoering van «de gekozen burgemeester» op de man-vrouw verhouding binnen het burgemeesterschap (EER).

In 2006 zal het volgende Ambassadeursnetwerk «Besturen» worden geïnstalleerd. Het kabinet ondersteunt het netwerk.

Het kabinet heeft een rechtstreekse rol bij benoemingen in adviesraden en commissies. In de Kaderwet Adviescolleges is een streven naar evenredige deelname van vrouwen aan adviescolleges opgenomen. Om deze ambitie waar te maken, zullen departementen vooraf benoemingsvoorstellen toetsen. Tevens zal worden bevorderd dat het zoeken naar vrouwen voor deze functies actiepunt wordt in de departementale agenda’s.

Subdoelstelling 22 Stimuleren vrouwen in raden, commissies en besturen

Het ondersteunen van minimaal 75 projecten gericht op het stimuleren van de deelname van vrouwen in raden, commissies en besturen in de periode tot 2010. (SZW)

Het kabinet zet via de subsidieregeling voor emancipatieprojecten middelen in voor het bevorderen van de deelname in besluitvorming en bestuur. De doelgroep van de projecten bestaat uit vrouwen zonder bestuurservaring. Zij worden actief betrokken bij de indiening, de uitvoering en de evaluatie van de projecten.

Voor politieke partijen bestaat de mogelijkheid om op grond van de Wet subsidiëring politieke partijen de subsidie aan te wenden voor werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers.

6. EMANCIPATIE INTERNATIONAAL

6.1 Inleiding

Wereldwijd is er nog veel te verbeteren aan de positie van vrouwen en meisjes. Er is bijvoorbeeld sprake van discriminatie op het gebied van werkgelegenheid en van verschillen in beloning en toegang tot onderwijs en opleiding. Economische zelfstandigheid en ondernemerschap is voor weinig vrouwen weggelegd en hun arbeidsomstandigheden zijn vaak niet optimaal. Specifieke aandacht voor vrouwen in (post-)conflictgebieden is nog nodig.

Belangrijke uitgangspunten voor het Nederlandse internationale emancipatiebeleid zijn het VN-Vrouwenverdrag ter uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het Beijing Platform for Action. Daarnaast zijn de VN Veiligheidsraadresolutie 1325 en het Cairo Program of Action, waar er een relatie is met seksuele en reproductieve rechten, van belang.

Net als in het nationale beleid stuurt Nederland in internationaal verband aan op de wisselwerking tussen nationaal en internationaal emancipatiebeleid volgens twee sporen. Enerzijds richt het beleid zich op coördinatie, vernieuwing, evaluatie en monitoring. Anderzijds wordt gestreefd naar het verankeren van emancipatie in het algemene beleid (gendermainstreaming1 ). Hiermee streeft het kabinet ook een verbreding van het draagvlak voor emancipatiebeleid in binnen- en buitenland na.

Sinds het verschijnen van het Beijing Platform for Action,in 1995 tijdens de vierde VN-Wereldvrouwenconferentie in Beijing, is de wisselwerking tussen nationaal beleid en internationaal beleid aanzienlijk versterkt. De inzichten en ervaringen uit het nationale emancipatiebeleid worden ingebracht in internationaal overleg. Tegelijkertijd wordt bekeken wat de gevolgen van de internationale afspraken en thema’s zijn voor het nationale beleid.

6.2 Stand van zaken

De verantwoordelijkheid om het m/v perspectief, ook internationaal, te integreren in beleid ligt bij alle departementen. Gezien hun specifieke takenpakket heeft een aantal departementen echter een specifieke verantwoordelijkheid op internationaal terrein. Daarbij gaat het om die ministeries die betrokken zijn bij internationale vredeshandhavingstaken, het ministerie van Buitenlandse Zaken als coördinator van het Nederlands buitenlands beleid en verantwoordelijkheid voor specifieke thema’s als mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking, en het ministerie van SZW dat een coördinerende rol speelt bij de monitoring van de uitvoering door Nederland van het VN-Vrouwenverdrag, het Beijing Platform for Action en in o.a. EU-kader de algemene emancipatiethematiek.

Internationale verplichtingen en afspraken vormen het kader voor het internationale emancipatiebeleid. Hieronder volgt een korte opsomming van de belangrijkste kaders.

Verenigde Naties

VN-Vrouwenverdrag

Het VN-Vrouwenverdrag verplicht de lidstaten om (nog) bestaande juridische en maatschappelijke ongelijkheden tussen vrouwen en mannen uit te bannen, zowel door middel van wetgeving als door middel van beleid. Begin 2005 is de vierde internationale implementatierapportage aan het toezichthoudende comité gestuurd. In 2006 zal de Tweede Kamer de derde nationale rapportage VN-Vrouwenverdrag ontvangen.

Beijing Platform for Action

Het Beijing Platform for Action is een belangrijke leidraad voor het Nederlandse emancipatiebeleid. De Algemene vergadering van de VN heeft de implementatie van het Platform for Action in het jaar 2000 geëvalueerd. Dit resulteerde in het algemeen aanvaarde «Outcome Document of the Twenty-third Special Session of the General Assembly». Hierin is uitgesproken dat om de integrale implementatie van het Platform for Action te realiseren, de lidstaten zelf het beleid ter hand moeten nemen. In maart 2005 zijn de internationale afspraken geëvalueerd en is tien jaar Beijing herdacht. Er werd een Verklaring aangenomen waarin Beijing in zijn totaliteit werd herbevestigd.

VN Veiligheidsraadresolutie 1325

Aan de uitvoering van Veiligheidsraadresolutie 1325 wordt hard gewerkt. Dit varieert van diplomatie tot ontwikkeling van instrumentarium voor integratie van gender in postconflict situaties, versterking van de rol van vrouwen in conflictoplossing en steun aan slachtoffers. Voorbeelden zijn de inbreng van «gendermainstreaming» bij overleg met de UNHCR, de ontwikkeling van checklists en de financiering van niet-gouvernementele organisaties die vrouwen op cruciale momenten helpen om betrokken te kunnen zijn bij besluitvorming. Zo kan beter tegemoet worden gekomen aan de specifieke behoeftes van vrouwen en kan hen van de andere kant meer invloed worden gegeven. De resolutie is in 2005 geëvalueerd en als vervolg hierop werd in New York op 10 oktober 2005 een actieplan voor de implementatie van VN-resolutie 1325 gepresenteerd voor alle VN-organisaties die betrokken zijn bij het oplossen van conflicten en de wederopbouw in landen die op weg zijn naar vrede. Het actieplan roept o.a. op tot betere integrale samenwerking en het opstellen van nationale actieplannen.

Cairo International Conference on Population and Development

Nederland is sinds de International Conference on Population and Development (ICPD), Cairo 1994, een voortrekker. In 1994 onderschrijven 179 landen het ICPD-actieplan. Zij erkennen daarmee dat bevolkingskwesties, armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling nauw samenhangen en stellen daarbij vast dat individuele keuzevrijheid van vrouwen de sleutel tot ontwikkeling is.

VN Millenniumtop 2005

Waar het gaat om ontwikkelingssamenwerking, zal in het kader van het emancipatiebeleid door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking (of de coördinerende minister) nadrukkelijk het bereiken van de VN Millennium Doelen 2 en 3 (respectievelijk: in 2015 gaan alle jongens en meisjes naar de basisschool en maken die af; en is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op elk onderwijsniveau weggewerkt) worden bevorderd.

VN-Verdrag inzake de rechten van het Kind

Het Verdrag voor de Rechten van het Kind bevat 54 artikelen die zijn onder te verdelen in drie soorten rechten: provision, protection en participation (verzorging, bescherming en recht op deelname – of in de Nederlandse interpretatie – respect). Elke overheid is verplicht aan deze rechten te voldoen. In 2007 zal Nederland voor de derde maal rapporteren aan het VN-Kinderrechtencomité, waarbij ook moet worden aangegeven wat er met de aanbevelingen en conclusies naar aanleiding van het tweede rapport is gebeurd.

Europese Unie

Verdrag van Amsterdam

Met het Verdrag van Amsterdam uit 1999 is het opheffen van ongelijkheid en het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen een «horizontale» doelstelling van de Europese Unie (artikel 2 en 3). De Europese Raamstrategie Gendermainstreaming heeft vastgelegd dat de lidstaten gelijke kansen voor vrouwen en mannen zullen bevorderen en concrete maatregelen zullen nemen om het emancipatieperspectief op alle terreinen van Europees beleid te integreren. In het kader van het emancipatiebeleid wordt nu vooral gewerkt aan het toegankelijk maken van de wetgeving en jurisprudentie op dit gebied. Zo zijn er verschillende initiatieven genomen om raciale discriminatie op het gebied van werkgelegenheid, opleidingen, onderwijs, sociale bescherming, sociale voordelen en de toegang tot goederen en diensten te verbieden1.

Lissabonstrategie

Op het punt van de genderdimensie zijn er in Europees verband zes hoofdgebieden: werkgelegenheid; verschillen in beloning; toegang tot onderwijs en opleiding tijdens het hele leven; bevordering van nieuwe werkvormen; inrichting van werktijden; het delen van taken en verantwoordelijkheden.

Na afloop van de ministeriële conferentie «Diversity and Participation; the genderperspective» in 2004 constateerde het Nederlandse voorzitterschap dat de volgende aandachtsgebieden van belang zijn in het kader van emancipatie:

• Het nemen van concrete stappen om de conclusies van de voorjaarstop («Spring Summit») 2004 van de Europese Raad te implementeren. Daarvoor is het nodig om (1) strategieën te ontwikkelen om de netto participatie van vrouwen en oudere werknemers te vergroten, om (2) een benadering aangaande gendermainstreaming aan te moedigen om de algemene doelstellingen van Lissabon te realiseren, en om (3) de loonverschillen aan te pakken en meer gezinsvriendelijke banen te creëren om zo meer vrouwen aan het werk te helpen.

• Beter gebruikmaken van de Europese Werkgelegenheidsstrategie en het Europese Sociale Integratieproces, gesteund door het Europese Sociale Fonds (ESF), met inbegrip van het gemeenschapsinitiatief EQUAL, om de doelstellingen van Lissabon te halen en de integratie van vrouwen, vooral vrouwelijke migranten en vrouwen uit etnische minderheden, op de arbeidsmarkt te stimuleren. Daaronder vallen ook maatregelen ter bestrijding van discriminatie op het werk.

De voortgang van de uitvoering van de Lissabon strategie blijft onderwerp van monitoring, ook op de positie van vrouwen.

Actieprogramma gendergelijkheid

Het actieprogramma inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen loopt eind 2005 af. 2006 vormt een overgangsjaar. Voor de periode van 2007–2013 heeft de Europese Commissie een nieuw communautair programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit (PROGRESS). Dit programma gaat lopen van 2007 tot 2013. In PROGRESS worden de huidige gemeenschappelijke actieprogramma’s ondergebracht, evenals budgetlijnen op het terrein van arbeidsvoorwaarden en omstandigheden. PROGRESS is verdeeld in vijf secties:

1. werkgelegenheid;

2. sociale bescherming en integratie;

3. arbeidsomstandigheden;

4. discriminatiebestrijding en verscheidenheid;

5. gelijkheid van mannen en vrouwen.

Gendermainstreaming zal in alle vijf secties worden bevorderd, maar sector vijf ziet expliciet toe op dit onderwerp.

Europees Genderinstituut

Er ligt een concreet voorstel van de Europese Commissie om een Europees Genderinstituut op te richten. Dit instituut zal op Europees niveau fungeren en de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van de communautaire doelstellingen ter bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen helpen. Het Europese Parlement behandelt het voorstel in eerste lezing in maart 2006. Het is de bedoeling dat het instituut op 1 januari 2007 operationeel is.

Voortgangsrapportage Gender Equality

Vanaf 2004 biedt de Europese Commissie, na consultatie van de EU-lidstaten, jaarlijks een voortgangsrapportage Gendermainstreaming aan de Voorjaarstop aan. Luxemburg heeft daarnaast tijdens zijn voorzitterschap in 2005 de balans van tien jaar na Beijing opgemaakt.

De conclusie is dat er binnen de EU op het terrein van gendermainstreaming naar andere beleidsterreinen nog veel te winnen is.

Raad van Europa

Onlangs besloot het Comité van Ministers van de Raad van Europa – op basis van een haalbaarheidsstudie van het Comité van Gelijke Kansen onder Nederlands voorzitterschap van de coördinatie van het emancipatiebeleid – tot het instellen van het Adhoc Comité voor de bestrijding van mensenhandel. Het Adhoc Comité is in september 2003 van start gegaan om een Europees Verdrag voor de bestrijding van mensenhandel op te stellen, in aanvulling op het VN-Verdrag ter bestrijding van georganiseerde misdaad. Leidende principes voor het werk van het Adhoc Comité zijn preventie en mensenrechten (van vrouwen).

Concluderende passage

Het internationale beleid biedt kaders en richtlijnen voor het nationale emancipatiebeleid en mogelijkheden om het internationale beleid als lidstaat mede vorm te geven. Tien jaar na Beijing is de conclusie dat er op de diverse thema’s weliswaar vooruitgang is geboekt, maar dat er nog een wereld te winnen is op het terrein van gendermainstreaming, zowel op VN-niveau als binnen de EU. De volledige herbevestiging van Beijing biedt de mogelijkheid voor de lidstaten om de inzet voor genderequality en gendermainstreaming voort te zetten.

6.3 Hoofddoelstelling

De doelstelling is:

Bijdragen aan het uitbannen van alle vormen van discriminatie van vrouwen in de wereld en het structureel bevorderen van de positie van vrouwen in alle levensdomeinen.

Centrale opgave is de aandacht voor vrouwen te borgen in het internationale en Europese beleid. De twaalf aandachtsvelden uit het Beijing Platform for Action zijn onverkort relevant. De hoofdthema’s in het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie op nationaal niveau zijn ook de hoofdthema’s in de buitenlandagenda. In de eerste plaats veiligheid: de mensenrechten/vrouwenrechten, waaronder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en de bestrijding van schadelijke praktijken die de gezondheid van meisjes en vrouwen nadelig beïnvloeden. In de tweede plaats economische zelfstandigheid: de arbeidsmarktparticipatie als onderdeel van economische empowerment van vrouwen en gendermainstreaming in het economische domein. Ten derde maatschappelijke participatie: de samenwerking met de Mede Financierings Organisaties en de versterking van lokale vrouwenorganisaties via ambassades. Tot slot besluitvorming: het vergroten van de aandacht voor politieke participatie van vrouwen, ook in (post-)conflictsituaties.

Subdoelstelling 23 Gendermainstreaming internationaal

Het realiseren van structurele aandacht voor de verbetering van de positie van vrouwen in alle internationale dossiers. (BZ/SZW)

De bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen moet systematisch worden geïntegreerd in alle internationale beleidsdossiers. Dat houdt onder meer in dat in alle beleidsvoornemens, maar ook waar het monitoring en evaluatie van beleid betreft de (verschillende) consequenties van dat beleid moeten worden genoemd voor mannen en jongens, meisjes en vrouwen, en andere kwetsbare groepen in de samenleving. Het gaat hierbij niet alleen om het feit dat individuen in samenlevingen het recht hebben op gelijke toegang tot informatie, middelen en diensten, maar ook om een optimalisering van de effectiviteit en kwaliteit van de inspanningen op het bewuste beleidsterrein. Nederland zal daarom in zijn brede buitenlandbeleid, zowel bilateraal als multilateraal maar ook in zijn contacten met het maatschappelijk middenveld emancipatiethema’s integreren in beleidsaanpak en beleidsdialoog.

Op de diverse beleidsterreinen zal monitoring en evaluatie van beleid waar nodig leiden tot aanpassingen van dat beleid om de gewenste resultaten te behalen, die geformuleerd zijn op basis van de hoofddoelstelling onder 6.3.

Rapportageverplichtingen richting EU en de VN worden aangegrepen om beleid te toetsen, bij te sturen of voorstellen voor nieuw beleid (rijksbreed) te doen. Hiermee wordt de internationale verplichting tot rapporteren omgebouwd tot het traceren van beleidslacunes en het doen van nieuwe beleidssuggesties voor Nederland.

Subdoelstelling 24 Vrouwen in (post-)conflictgebieden

Het borgen van systematische aandacht voor de effecten van uitzendingen op lokale vrouwen. Ook is er aandacht, indien nodig, voor de samenstelling van de uit te zenden eenheid. (BZ/Defensie)

Aan de basis voor deze subdoelstelling ligt de VN Veiligheidsraadresolutie 1325. In oktober 2000 heeft de VN Veiligheidsraad resolutie 1325 «Vrouwen, Vrede en Veiligheid» aangenomen. De resolutie roept op tot het versterken van de rol van vrouwen bij de planning, voorbereiding, besluitvorming en de uitvoering van vredesmissies en vraagt om grotere aandacht voor de effecten van conflict en vredesoperaties op vrouwen. De resolutie biedt een algemeen kader voor de integratie van genderaspecten in het beleid betreffende internationale vrede en veiligheid.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de coördinatie van het buitenlandbeleid op het terrein van vrede en veiligheid. Uitvoering van dit beleid vindt plaats in nauwe samenwerking met in het bijzonder het ministerie van Defensie, onder andere op het terrein van vredesmissies.

In november 2003 is de Taskforce Vrouwen Veiligheid en Conflict van start gegaan om op nationaal en internationaal niveau de rol van vrouwen in conflictpreventie, conflictoplossing en naoorlogse wederopbouw te vergroten en onder de aandacht te brengen. Deze Taskforce die in 2006 afrondt, heeft het thema «vrouwen, veiligheid en conflict» weer duidelijker op de kaart weten te zetten. Om gender op verschillende manieren binnen en buiten Defensie uit te dragen, is in oktober 2005 het project Genderforce gestart. Dit project, met inspanning van de Defensieleiding, zorgt voor een structurele en duurzame inbedding van het genderbeleid bij Defensie. Bij de omschrijving van het doel van uitzendingen wordt het genderperspectief nadrukkelijk in de beschouwing betrokken. Er is aandacht voor de effecten van een Nederlandse uitzending op vrouwen en mannen in de uit te zenden eenheid en op de lokale vrouwen en mannen. Ook is er aandacht voor het betrekken van vrouwen bij het proces van vredesbevordering en wederopbouw.

Er wordt bescherming geboden aan vrouwen en meisjes tegen oorlogs- en seksueel geweld.

Er is aandacht voor politieke participatie van vrouwen in (post-)conflictsituaties.

In het werkplan van de Taskforce staan verschillende activiteiten die Buitenlandse Zaken ter bevordering van de integratie van emancipatie in vrede- en veiligheidsthema’s al heeft ondernomen, onderneemt of zal ondernemen. Voorbeelden zijn de instelling van de «1325» Award in 2005 en het (mede)organiseren van een werkconferentie over wederopbouw en «gender» in 2006.

Andere niveaus waarop het ministerie van Buitenlandse Zaken de uitvoering van «1325» bevordert zijn via beleidsoverleg met multilaterale organisaties, financiering van verschillende maatschappelijke organisaties en financiering van diverse activiteiten in (post)conflictlanden, zoals «Sudanese Women Empowerment for Peace» in Sudan, waarbij vrouwen(-organisaties) uit het Noorden en Zuiden informele vredesdialogen voeren, met uitstraling naar de formele, bij de conflicten betrokken, partijen.

De thematiek van het opheffen van discriminatie van vrouwen engender mainstreaming als dwarsdoorsnijdend binnen de thema’s vredeshandhaving, veiligheid, wederopbouw en ontwikkeling zullen in de komende periode nadrukkelijker aandacht krijgen.

Subdoelstelling 25 Seksuele en reproductieve rechten

Het bevorderen van structurele naleving van internationale afspraken gericht op het verbeteren van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, in het bijzonder van meisjes en vrouwen. (BZ)

Nederland is al sinds 1994 actief op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). In dat jaar vond de internationale conferentie plaats over Bevolking en Ontwikkeling in Cairo; 179 landen ondertekenden het Cairo-actieprogramma dat zich richt op toegang voor iedereen tot informatie, middelen en diensten op het gebied van reproductieve gezondheid in 2015. Sinds 2003 is SRGR een van de vijf beleidsprioriteiten in het Nederlandse ontwikkelingssamenwerking beleid, ook omdat er een directe relatie is tussen het succes van de millennium ontwikkelingsdoelen en de uitvoering van de Cairo-agenda.

De Nederlandse doelstellingen zijn tweeledig:

1. de politieke en financiële betrokkenheid voor SRGR wereldwijd vergroten;

2. bijdragen aan een betere en snellere uitvoering van de Cairo agenda 1994 op landenniveau.

Nederland richt zich daarbij op een aantal inhoudelijke prioriteiten a) het bevorderen van toegang tot family planning, inclusief beschikbaarheid en betaalbaarheid van voorbehoedsmiddelen, b) het stimuleren van veilig moederschap en terugdringen van moedersterfte; c) het bestrijden van (seksueel) geweld tegen vrouwen; d) het garanderen van veilige abortus. Vrouwenrechten lopen als een rode draad door het beleid. Daarbij is er specifieke aandacht voor de seksuele en reproductieve behoeften van jongeren.

In de komende periode ziet Nederland een aantal specifieke uitdagingen op dit terrein, waaronder:

• het tot stand brengen van een goed functionerende basisgezondheidszorg in partnerlanden op het terrein van ontwikkelingssamenwerking;

• de integratie van inspanningen op het terrein van SRGR en HIV/Aids, met het oog op versterking van effectiviteit en kwaliteit;

• de verbetering van de rechten en positie van meisjes en vrouwen, en het terugdringen van seksueel geweld, waaronder genitale verminking;

• de verbetering van de toegang van jongeren tot seksuele voorlichting, middelen en diensten;

• verbetering van de toegang tot «commodities»(o.a. voorbehoedsmiddelen, condooms en kraampakketten) zodatdeze tijdig, toegankelijk, betaalbaar, van goede kwaliteit en in de gewenste hoeveelheid beschikbaar zijn voor mannen en vrouwen;

• het vergroten van de beschikbaarheid van nauwkeurige gegevens op het gebied van SRGR om adequate beleidsvorming en monitoring en evaluatie te bevorderen.

Subdoelstelling 26: Vrouwen in ontwikkelingsgebieden

Het borgen van structurele aandacht voor de positie van vrouwen in ontwikkelingsgebieden (BZ).

De laatste 25 jaar besteedt Nederland, evenals andere bi- en multilaterale donoren, op allerlei manieren aandacht aan machtsverschillen tussen mannen en vrouwen. Er is specifiek beleid en instrumentarium ontwikkeld en een breed scala aan activiteiten uitgevoerd met als doel beide seksen gelijke rechten, kansen en mogelijkheden te bieden.

Dit is in het Engels «gender equality» en in navolging heeft ontwikkelingssamenwerking lang het begrip «gendergelijkheid» gebruikt. Maar dit anglicisme verhult dat het om machtverschillen gaat en om systematische uitsluiting. Emancipatie en weerbaarheid van vrouwen spreken veel meer en zijn feitelijk ook de doelstellingen van ons buitenlands beleid.

Nederland zet in ontwikkelingssamenwerking via twee strategieën die elkaar aanvullen en versterken:

Gender mainstreaming: het integreren van het m/v perspectief binnen de hoofdstroom van de hulprelatie met ontwikkelingslanden en het meenemen van emancipatiethema’s binnen alle onderdelen van het Buitenlandse Zaken-beleid;

Empowerment: het is van belang dat vrouwen sterker en onafhankelijker kunnen worden: thuis, op het werk en in de samenleving. Het gaat om het recht om keuzes te maken, beslissingen te nemen en de richting van maatschappelijke veranderingen mee te bepalen. Nederland zet daar op in via specifiek beleid en specifieke financieringen.

Verschillende evaluaties laten zien dat emancipatie niet bereikt kan worden via het werken in de hoofdstroom alleen. Het werken met vrouwenrechten organisaties is een voorwaarde om gelijkheid op de agenda te houden en kwaliteit te eisen van ontwikkelingsprogramma’s.

BIJLAGE 1 Overzicht beleidsacties en -voornemens

1 Arbeid, zorg en inkomen

  ABWLNvoortouwoverigen
 Arbeidsparticipatie       
         
 Herintredende vrouwen       
1Tijdelijke regeling kinderopvang herintredende vrouwen via ESF Toelichting implementatie: In de in 2005 in werking getreden Wet kinderopvang zijn herintredende vrouwen zonder uitkering benoemd als specifieke doelgroep. Dat betekent dat als deze vrouwen in een opleidingstraject zitten (na advies CWI), zij recht hebben op financiering van kinderopvang voor het werkgeversdeel door de gemeente. Herintreedsters met uitkering zijn eveneens doelgroep van de Wet kinderopvang.  W  SZW 
         
2Betrekken doel vergroten arbeidsparticipatie vrouwen bij bestrijden armoedeval Toelichting implementatie: De herintredersval is een van de prestatie-indicatoren die SZW in het kader van de operationele doelstelling van een activerende inkomensontwikke- ling jaarlijks in de begroting opneemt. De invoering van de combinatiekorting in 2001 en de navolgende verhogingen, alsmede de invoering van de gerichte combinatiekorting zijn met name gericht op de arbeidsparticipatie van de partners van kostwinners. BW  SZWFIN
         
3In kaart brengen en intensiveren arbeidsvoorzieningenbeleid voor niet-uitkeringsgerechtigde (her)intredende vrouwen Toelichting implementatie: Met het CWI (voormalig Arbeidsvoorziening), zijn voor de periode 2002–2005 afspraken gemaakt over specifiek beleid voor herintreedsters, neergelegd in een convenant. Het gaat enerzijds om het (h)erkennen van herintreedsters bij de intake teneinde specifiek te bemiddelen en in te schrijven op wensberoep. Anderzijds zijn er instrumenten ontwikkeld (w.o. workshops) om herintreedsters inzicht te laten krijgen in mogelijkheden op de arbeidsmarkt.    L SZWArbvo
         
4Verbeteren arbeidsmarktkansen van herintreedsters door onderzoek, voorlichting, pilotprojecten en experimenten in kader EQUAL Toelichting implementatie: In de periode 2001–mei 2005 zijn diverse projecten uitgevoerd voor herintreedsters. Het eindrapport met resultaten is in voorbereiding. Individuele projecten zijn druk bezig met de mainstreaming van resultaten en worden daarbij ondersteund door de Nationaal Thematische Netwerken. Voor de 2e tranche zijn opnieuw voorstellen voor herintreedsters ingediend: de uitvoering van de goedgekeurde projecten is in september 2005 gestart.   L SZW 
         
5Afspraken in Najaarsoverleg over algemene scholingsimpuls met specifieke aandacht voor onder meer herintreedsters Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd. Wel is fiscale scholingsaftrek werkgevers ook van toepassing op herintreedsters.     NSZW, OCWSociale partners
         
6Zichtbaar maken van kennis, vaardigheden en ervaringen die herintreedsters hebben opgedaan buiten formele onderwijssysteem via EVC-trajecten Toelichting implementatie: Kenniscentrum EVC (Erkenning Verworven Competenties) is opgericht om kennis en ervaring mbt EVC te vergaren en te verspreiden. Sectoraal (bv zorg) vindt toepassing plaats, ook voor herintreedsters. Disseminatie en implementatie op brede schaal moet nog gebeuren. Voor 2005 heeft het kenniscentrum EVC de opdracht te komen tot verankering en om active- ring van EVC in een aantal sectoren en een kwaliteitskader te ontwikkelen. De projectdirectie Leren en Werken zal zich de komende twee jaar richten op het vergroten van de toegankelijkheid van EVC voor het individu.A    EZSZW, OCW
 Allochtone vrouwen       
7Vergroten arbeids- en maatschappelijke participatie allochtone vrouwen door onderzoek en beleidsontwikkeling Toelichting implementatie: Dit blijft een prioriteit in het beleid. Vanuit DCE zijn de afgelopen jaren de volgende onderzoeken gedaan: 2003: SCP: Emancipatie in Estafette, 2004/2005: Sociale Atlas allochtone vrouwen (lopend). Op basis van «Emancipatie in Estafette» is het plan van aanpak emancipatie en integratie in gang gezet. Dit loopt tot eind 2006.   L SZWV&I
         
8Bevorderen maatschappelijke participatie en arbeidsparticipatie allochtone vrouwen door instelling commissie Arbeidsdeelname Vrouwen uit Etnische Minderheden Toelichting implementatie: In juli 2003 is door de ministers SZW en V&I de commissie Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroepen (PaVEM) geïnstalleerd op aanbeveling van het kabinet. Doel van de commissie PaVEM is om gemeenten te ondersteunen bij hun pogingen allochtone vrouwen meer te betrekken bij de samenleving. Met 29 grote gemeenten zijn participatie-agenda’s afgesloten. De monitoring van de participatie-agenda’s zal meelopen in de monitoring van het plan van aanpak emancipatie en emancipatie. De commissie PaVEM is gestopt per 1 juli 2005. De Tweede Kamer heeft op 24 juni 2005 een kabinetsreactie ontvangen over de inbedding van de erfenis van PaVEM.    L SZWV&I
         
9Maatregelen voor maatwerk in inburgeringsprogramma’s t.b.v. allochtone vrouwen Toelichting implementatie: De rijksoverheid is verantwoordelijk voor facilitering van gemeenten om maatwerk te kunnen leveren. Zij levert de gemeenten hiervoor de instrumenten. De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van middelen ten behoeve van de doelgroep allochtone vrouwen. Zij weten welke behoeften er zijn. Begin 2006 is uitvoering van het inburgeringsexamen in het buitenland voorzien. In het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving wordt uitgebreid aandacht besteed aan art. 1 van de Grondwet en de consequenties die daaruit voortvloeien onder meer voor de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Ook wordt in het examenonderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving er expliciet op gewezen dat huiselijk geweld, eerwraak en genitale verminking in Nederland niet worden geaccepteerd en dat degene die zich hieraan schuldig maken strafbaar zijn.    L V&ISZW
         
 Investeren in de kwaliteit van arbeid       
10Onderzoek naar oorzaken relatief grote instroom vrouwen in de WAO Toelichting implementatie: De in het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie genoemde onderzoeken zijn afgerond. Het eerste onderzoek, de literatuurstudie naar het verwerkingsvermogen van vrouwen en mannen in relatie tot langdurige ziekte en uitval, is op 8 maart 2001 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het onder- zoek «Geen kwestie van motivatie maar van situatie» is op 26 november 2002 naar de Tweede Kamer gezonden. De minister heeft toen het standpunt ingenomen dat nader wetenschappelijk onderzoek niet zinvol zou zijn. Ook de onderzoekers van dit onderzoek waren dit van mening. De minister gaf aan dat het voorgenomen nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel naar zijn verwachting zal bijdragen aan een verlaging van het hogere arbeidsongeschiktheidsrisico van vrouwen, omdat in het nieuwe stelsel meer nadruk ligt op reïntegratie-inspanningen van werkgever en werknemer. Op 2 oktober 2003 heeft de minister zijn Plan van aanpak Vrouwen en WAO naar de Kamer gezonden. Hierin wordt uitgebreid ingegaan op het hogere arbeidsongeschiktheidsrisico van vrouwen en worden maatregelen geschetst om dit risico te verlagen. Als bijlage bij dit plan is een brochure uitgebracht met tips voor werkgevers om een lager ziekteverzuim en minder arbeidsongeschiktheid te bereiken. Het hogere arbeidsongeschikt- heidsrisico van vrouwen is overigens de afgelopen jaren verkleind: in 2003 hadden vrouwen een 50% hoger WAO-risico dan mannen, tegen een 80% hoger risico in 2001.A    SZW 
11Bedrijven stimuleren om te investeren in kwaliteit van de arbeid (van vrouwen) door verzamelen good practices en sectorgewijze voorlichting hierover Toelichting implementatie: Verzamelen good practices van bedrijven die hebben geïnvesteerd in de kwaliteit van werk van laagopgeleide vrouwen. Onderzoek is afgerond.A    SZW 
         
12Ontwikkelen «checklist» kwaliteit van de arbeid van m.n. lageropgeleide vrouwen voor CWI’s en uitzendbureaus t.b.v. advisering werkgevers Toelichting implementatie: Checklist is ontwikkeld door TNO Arbeid. Er zijn geen verdere vervolgacties geweest.A    SZW 
         
13Haalbaarheidsonderzoek naar opzetten van een adviespunt voor bedrijven inzake verbetering kwaliteit arbeid (vrouwen) in onderste functieniveaus Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd.    NSZW 
         
 Vrouwelijk ondernemerschap       
14Bevorderen ondernemerschap vrouwen door monitoring, organiseren netwerkactiviteiten en vernieuwende initiatieven Toelichting implementatie: – LNV is initiatiefnemer van het ESF-Equal project: Ondernemend netwerken door vrouwen voor een vitaal platteland. (Door)starten met een bedrijf op het platteland is niet gemakkelijk, netwerken zijn niet toegesneden op verbreed en vernieuwend vrouwelijk ondernemerschap op het platteland – In november 2004 heeft de staatssecretaris van EZ een bedrijvenmissie van vrouwelijke ondernemers en topvrouwen uit het zakenleven naar Londen georganiseerd. Naast de traditionele matchmaking was er ook extra aandacht voor netwerken. – Op 14 april 2005 heeft EZ samen met de Federatie Zakenvrouwen een congres georganiseerd over emotie-economie. Het gezamenlijke congres was een rechtstreeks gevolg van de bedrijvenmissie van vrou- welijke ondernemers naar Londen (november 2004). Doelgroep van het congres waren vrouwelijke ondernemers en vrouwen in topposities in het bedrijfsleven.– Het ministerie van Economische Zaken heeft regelmatig contact met de Zwarte Zaken Vrouwen Nederland (ZZVN). De ZZVN is ook lid van de Federatie Zakenvrouwen. Een aantal leden van de ZZVN waren ook mee met de bedrijvenmissie naar Londen. Bovendien zit een aantal leden ook in de adviesraad Nieuw Ondernemerschap. – In de Monitor Etnisch Ondernemerschap (2004) is voor het eerst ook expliciet onderzoek gedaan naar vrouwelijke ondernemers van alloch- tone afkomst. Mede als gevolg van de monitor etnisch ondernemerschap is het Actieplan Nieuw Ondernemerschap opgesteld, waarin ook speciale aandacht is voor vrouwelijke ondernemers van allochtone afkomst. B   EZ, SZWLNV
         
15Kabinetsstandpunt over regelgeving zwangere en pas bevallen (mede)-onderneemsters Toelichting implementatie: Met de Wet einde toegang verzekering WAZ is de publieke regeling voor zwangerschaps- en bevallingsuitkering aan zelfstandige onderneemsters (geregeld in de Wet arbeid en zorg) met ingang van 1 augustus 2004 afgeschaft.A    SZWFIN, EZ
         
 Fiscaal beleid       
16Nieuwe verkenning fiscaal stelsel (inclusief EER) Toelichting implementatie: Het betreft i.c. de Verkenning belasting- en premieheffing die gemaakt is n.a.v. de belastingherziening 2001. De volgende thema’s zijn hierbij uitgewerkt: «arbeidsmarkt en armoedeval», «inkomenspolitiek», «internationalisering» en «grondslagverbreding, -verschuiving en stroomlijning»A    FINSZW
 Beloningsverschillen en segregatie       
17Monitoring beloningsverschillen mannen en vrouwen en ontwikkeling toets sekseneutraliteit functiewaarderingssystemen Toelichting implementatie: De toets sekseneutrale functiewaarderingssysteem is ontwikkeld en verspreid onder functiewaarderingssyssteemhouders. Monitoring geschiedt tweejaarlijks.A  L SZW 
18Kabinetsstandpunt gelijke beloning op basis van adviezen Toelichting implementatie: Er is aan de Stichting van de Arbeid, de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en de Commissie gelijke behandeling advies gevraagd. Zie ook beleidsactie 140.    L SZW 
         
 Economische zelfstandigheid en partnerschap       
19Voorlichtingscampagne gericht op jongeren (1990-generatie) via o.a. internet Toelichting implementatie: In 2002 is in het kader van de Emancipatiesubsidie Themasubsidie Levensloop en de jonge generatie aan 10 projecten subsidie toegekend. Doel van de projecten was jongeren te stimuleren om actief na te denken over mogelijke consequenties voor de rest van hun levensloop van keuzes die zij nu maken (afweging tussen «nu» en «later»). In de helft van de projecten werd er vooral via internet met jongeren gecommuniceerd.A    SZWVWS, BZK
         
 Huwelijksgoederenrecht       
20Wijziging in het basishuwelijksregime (inclusief EER) Toelichting implementatie: In 2001 is een Emancipatie Effect Rapportage (EER) verschenen over voorgenomen wijzigingen in het huwelijksgoederenrecht. Kern van het onderzoek betrof de vraag of de algemene gemeenschap van goederen tussen echtgenoten of partners als basisstelsel gehandhaafd moest blijven. De belangrijkste conclusie is dat de keuze voor handhaving van de gemeenschap van goederen als wettelijk basisstelsel ook vanuit het oogpunt van vrouwenemancipatie goed verdedigbaar is. Dit stelsel doet recht aan de partner die de meeste zorgarbeid verricht en – mede daardoor – minder eigen arbeidsinkomsten inbrengt in de gemeenschap. Het rapport leidde tot de conclusie dat de formulering van het huwelijksvermogensrecht wel sekseneutraal is, maar dat de formele gelijkheid van de partners bij het bestuur van de gemeenschapsgoederen (de bestuursregeling) geen materiële gelijkheid met zich brengt. Met name de partner die voornamelijk zorgarbeid verricht kan geen gelijke aanspraken doen gelden op het gemeenschapseigendom. Bij de inbreng overheerst het betaalde arbeidsperspectief en wordt geen rekening gehouden met het feit dat onbetaalde zorgarbeid bijdraagt aan de verdiencapaciteit van de partners. Deze EER is verdisconteerd in een wetsvoorstel tot aanpassing van de wettelijke gemeenschap van goederen. Dit wetsvoorstel, dat in 2003 is ingediend bij de Tweede Kamer, is thans bij de Tweede Kamer aanhangig.   L JUS 
         
 Zorgverantwoordelijkheid       
         
 Vernieuwing organisatie arbeid en zorg       
21Flexibilisering van arbeids(duur)patronen in relatie tot levensloopperspectief op agenda Najaarsoverleg Toelichting implementatie: In het Najaarsoverleg 2003 en in het Voorjaars- en Najaarsoverleg 2004 is uitgebreid onderhandeld over de vormgeving van de te introduceren levensloopregeling. Dit mondde uit in de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling. Met de levensloopregeling – een individuele spaarregeling – wordt het gemakkelijker om periodes van onbetaald verlof te financieren en daarmee om arbeid en andere verantwoordelijkheden tijdens de loopbaan beter op elkaar af te stemmen. A W  SZWSociale partners
         
22Samen met sociale partners voorstellen ontwikkelen gericht op employability van vrouwen en mannen die in verband met zorgtaken tijdelijk niet of minder werken Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd.    NSZWSociale partners
23Experimenten gericht op vernieuwingen in de organisatie van de arbeid (grote en kleine bedrijven) die mogelijkheden voor combinatie arbeid en zorg vergroten (zo mogelijk ook in kader EQUAL) Toelichting implementatie: In het kader van Dagindeling zijn verschillende experimenten op dit terrein gedaan. Zo is er geëxperimenteerd met telewerken, met flexibele werktij- den, met contracten binnen schooltijd, met nieuwe roostervormen en met duo-banen. Vanuit de resultaten van de samenwerking tussen LNV en SZW rondom dagindeling op het platteland, zijn nieuwe initiatieven ontstaan om geza- menlijk rond sociale infrastructuur te gaan samen werken. A    SZWLNV
         
24Monitoring en evaluatie van Arbeidstijdenwet en Wet aanpassing arbeidsduur op gebruik door mannen en vrouwen Toelichting implementatie: De Arbeidstijdenwet is geëvalueerd in 2001, waarna het kabinet een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer heeft gepresenteerd. De Wet aanpassing arbeidsduur werd geëvalueerd in 2004. De conclusie van het kabinet is dat de wet voldoet en dat er geen aanleiding is tot wetswijziging. De mate waarin vrouwen en mannen hun arbeidsduur aanpassen aan hun wensen (zowel vermindering als vermeerdering van de arbeidsduur) wordt vanaf 2005 in de (CBS-)monitor arbeid en zorg gevolgd.A  L SZW 
         
 Versterking sociale zorginfrastructuur       
25Kabinetsstandpunt langdurend verlof Toelichting implementatie: Het wetsvoorstel voor de introductie van een recht op onbetaald langdurend zorgverlof van 6 x de wekelijkse arbeidsduur per jaar voor de zorg voor een levensbedreigend ziek kind, partner of ouder is op 14 december 2002 aangenomen door de Tweede Kamer. Op 26 april 2005 is het als hamerstuk afgedaan door de EK. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. W L SZW 
         
26Kabinetsvisie op de sociale zorginfrastructuur in het licht van de toenemende arbeidsparticipatie en de vergrijzing Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd.    NVWSSZW, LNV
         
 Beeldvorming en herwaardering van zorg       
27Werkconferentie over de modernisering van het sociaal contract in relatie tot zorg Toelichting implementatie: In 2002 heeft de werkconferentie Anders denken over zekerheid plaatsgevonden. De minister van SZW heeft het gelijknamige rapport van de denktank Leijnse naar de Tweede Kamer gestuurd. In het verlengde van dit rapport is er in 2004 een Themanummer Levensloopbeleid van het economenblad ESB verschenen. Doel van de werkconferentie en de denktank was het agenderen van zorg als modern «sociaal risico» in de maatschappelijke discussie over een nieuwe sociale zekerheid (de hervormingsagenda). Dit punt zal in 2005 bij het vervolg op de SZW-notitie Nieuwe Accenten in Werk en Inkomen verder uitgewerkt worden.A    SZWSCP, NGR
28Onderzoek naar de integratie van onbetaalde arbeid in de sociaal-economische beleidsvoorbereiding Toelichting implementatie: Het ministerie van SZW heeft in 2001 een werkconferentie georganiseerd met buitenlandse wetenschappers over de vraag hoe onbetaalde arbeid in andere landen in de sociaal-economische beleidsvoorbereiding wordt betrokken. SZW heeft in 2002 een afrondende nationale werkconferentie georganiseerd waarin de resultaten van de onderzoeken van SCP, CBS en CPB zijn gepresenteerd. De Minister van SZW heeft de bevindingen zijn maart 2002 aan de Tweede Kamer gezonden. Het SCP heeft een onderzoek uitgevoerd naar de beschikbaarheid van informatie over onbetaalde arbeid. Tevens heeft het SCP een methode ontwikkeld waarmee onbetaalde arbeid geïntegreerd kan worden in de beleidsvoorbereiding. Dit is vastgelegd in het rapport «Onbetaalde arbeid op het spoor» (SCP, januari 2002). Het CBS heeft enkele publicaties rond onbetaalde arbeid uitgebracht. Het CPB heeft de variabele «vrije tijd» in het MIMIC-model nader geanalyseerd. Het CPB neemt onbetaalde arbeid mee in de voorgenomen revisie van het MIMIC-model. SZW heeft in 2002 op basis van het SCP-stappenplan in de SZW-toets de consequenties van beleidsvoornemens op de verdeling van onbetaalde arbeid opgenomen als standaard aandachtspunt. A    SZWSCP, CBS
         
29Projecten gericht op het vergroten van de zorgverantwoordelijkheid van mannen in kader EQUAL Toelichting implementatie: De projecten Mannen in de Hoofdrol zijn beëindigd. Op 24 september 2004 is het onderzoeksrapport «Werkende Vaders, Zorgende Mannen», naar de Tweede Kamer gestuurd. Op 8 maart 2005 is de evaluatie van de campagne «Wie Doet Wat» naar de Tweede Kamer gestuurd. A    SZW 
         
30Meerjarige publiekscampagne werk en privé met onder andere aandacht voor mannen en zorg Toelichting implementatie: Op basis van de Wet arbeid en zorg is een communicatiecampagne gestart. Deze bestond uit spotjes, advertenties, website, radiospots, brochures en was gericht op mannen en vrouwen. Op basis van die campagne is er geen verdere implementatie geweest. Uit trackingonderzoek is gebleken, dat de campagne niet veel effect heeft gehad. Dat heeft o.a. ermee te maken dat het een campagne was die heel erg op gedragsverandering was gericht en slechts twee jaar heeft gelopen. Specifieke gegevens over effecten bij mannen zijn niet voorhanden. In het trackingonderzoek toendertijd is geen onderscheid gemaakt tussen geslacht. Uit de campagne is het tijdschrift Toptijd voortgevloeid, met de bijbehorende site www.toptijd.nu. Dit magazine wordt al drie jaar eenmaal per jaar uitgegeven.A    SZW 
         
31Slotmanifestatie Zorg & Arbeid Debat over de verdeling en organisatie van de zorg in de 21e eeuw Toelichting implementatie: In 2001 heeft VWS in samenwerking met De Rode Hoed in Amsterdam een publieksdebat georganiseerd. A    VWSSZW
         
 Combinatie arbeid en zorg       
         
 Alleenstaande ouders in de bijstand       
32Bevorderen uitstroom van alleenstaande ouders uit de bijstand door maatwerk en sluitende aanpak, voldoende kinderopvang en verlof en gematigde arbeidsverplichting Toelichting implementatie: Met de invoering van de Wet Werk & Bijstand hebben gemeenten voldoende ruimte om het noodzakelijke maatwerk bij alleenstaande ouders toe te passen. In de Wet kinderopvang is ook rekening gehouden met de specifieke positie van alleenstaande ouders die uit de bijstand komen.  W  SZWgemeenten
         
33Kabinetsvoornemen tot verruiming mogelijkheid om in bijstand scholing te volgen Toelichting implementatie: De Wet Werk & Bijstand biedt gemeenten een verruimde mogelijkheid om arbeidsmarktrelevante scholing te volgen in de bijstand.   W  SZWgemeenten
 Alimentatie en het combineren van arbeid en zorg       
34Onderzoek naar invloed alimentatie op participatiebeslissing van alleenstaande ouders in de bijstand Toelichting implementatie: Het eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid is in 2001 verschenen. De resultaten van dat onderzoek en de gedachtewisseling hierover in de Tweede Kamer hebben geleid tot het instellen van het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) alimentatiebeleid. Hieruit is een wetsvoorstel voortgevloeid dat momenteel in behandeling is bij de Tweede Kamer.   L SZW 
         
 Kinderopvang       
35Uitbreiding capaciteit en versterking toezicht op kwaliteit kinderopvang Toelichting implementatie: Met de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (Rkb) is de capaciteit van de kinderopvang tussen 1998 (93 800 plaatsen) en 2003 (ruim 185 000 plaatsen) verdubbeld. Eind april 2004 is aanbod verder gegroeid naar 206 700 plaatsen. GGD NL heeft binnen het project versterking toezicht kwaliteit kinderopvang toetsingskaders ontwikkeld t.b.v. het toezicht op grond van de Wet kinderopvang en de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (Staatscourant 2004, 222). Tevens zijn GGD-inspecteurs intensief geschoold m.b.t. de toepassing van deze toetsingskaders.A WL SZW 
         
36Voorbereiding Wet basisvoorziening kinderopvang Toelichting implementatie: De Wet kinderopvang van 9 juli 2004 (Staatsblad 455) is per 30 oktober 2004 in werking getreden; ouders die voor 1 december 2004 een aanvraag hebben ingediend, hebben in januari 2005 de tegemoetkoming in de kosten van de Belastingdienst ontvangen.A W  SZWFIN
         
37Opzetten Netwerkbureau ter oplossing knelpunten personeelsvoorziening en accommodatie kinderopvang in relatie tot capaciteitsuitbreiding Toelichting implementatie: Het Netwerkbureau uitbreiding kinderopvang heeft in de jaren 2000 t/m 2003 knelpunten die optraden bij de capaciteitsuitbreiding kinderopvang in nauwe samenspraak met betrokkenen in het kinderopvangveld helpen oplossenA    SZW 
         
38CAO-onderzoek naar afspraken kinderopvang om prestaties sectoren in overleg met sociale partners te vergelijken Toelichting implementatie: Jaarlijks vindt er onderzoek naar CAO’s plaats wat betreft het aantal gemaakte afspraken over kinderopvang. Zie ook beleidsactie 35.   L SZW 
         
39Betere toegankelijkheid kinderopvang voor lage inkomens door betere vormgeving buitengewone lastenaftrek en ouderbijdrage Toelichting implementatie: De Wet kinderopvang regelt een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk voor de kosten van het kinderopvanggebruik. Dit betekent dat kinderopvang voor laagbetaalden met deze wet financieel toegankelijk is. Met de Wet kinderopvang is de buitengewone lasten aftrek vervallenA W  SZWFIN
         
40Onderzoek knelpunten tussenschoolse opvang ter voorbereiding Wbk Toelichting implementatie: In 2001 heeft Regioplan in opdracht van het Ministerie van VWS het onderzoek «Professionalisering van het overblijven op de basisschool» uitgevoerd. Uit dit onderzoek kwam onder andere dat de verantwoordelijkheid voor de tussenschoolse opvang niet helder belegd was (zie verder beleidsactie 41). Het onderzoek is mede de basis geweest voor de beleidsbrief over tussenschoolse opvang van de staatssecretaris van VWS. Uit het onderzoek bleek ook dat één van de knelpunten het gebrek aan deskundigheid van de overblijfmedewerkers was. Sinds 2002 zijn er subsidieregelingen voor de scholing van overblijfmedewerkers verschenen. Uit onderzoek door Research voor Beleid uit oktober 2004 blijkt dat deze regelingen succesvol zijn. Inmiddels zijn ruim 14 000 overblijfmedewerkers (veelal vrouwen) via de regelingen geschoold en is de kwaliteit van de tussenschoolse opvang op scholen verbeterd, zo blijkt uit het onderzoek.A    SZWOCW
41Kabinetsstandpunt over opname tussenschoolse opvang in Wbk Toelichting implementatie: De tussenschoolse opvang is niet in de Wet kinderopvang opgenomen. Veel scholen zijn al betrokken bij het verzorgen van de opvang tussen de middag. Mede daarom is besloten om de beleidsverantwoordelijkheid voor de tussenschoolse opvang naar de Minister van OCW over te hevelen en de uitvoeringsverantwoordelijkheid per 1-8-2006 bij de schoolbesturen te beleggen) Hiertoe is een wetswijziging in voorbereiding. Verder vindt er ook een wetswijziging plaats in de WPO (Wet Primair Onderwijs).A    OCWSZW
         
 Verlofregelingen       
42Fiscale stimuleringsmaatregel ouderschapsverlof Toelichting implementatie: De stimuleringsmaatregel betaald ouderschapsverlof werd van kracht per 1 januari 2001. Met de introductie van de levensloopregeling (naar verwachting per 1 januari 2006), een algemene fiscaal ondersteunde financieringsregeling voor langer durend onbetaald verlof, zal de fiscale stimuleringsregeling betaald ouderschapsverlof vervallen, daar de levensloopregeling deze vervangt. Zie ook beleidsactie 21. A WL SZWFIN
         
 Sociale stelsel in levensloopperspectief       
43Onderzoek naar de invloed van de inrichting van de sociale zekerheid en pensioenstelsel op de arbeidsparticipatie van (lager opgeleide) vrouwen en de verdeling van arbeid en zorg tussen mannen en vrouwen Toelichting implementatie: De vraag in hoeverre het voor het lager opgeleide herintreedsters loont om weer te gaan werken (of eerder in de levensloop om te blijven werken als er een kind op komst is) is onderzocht in het onderzoek «Ik ga niet betalen om te werken» (Nyfer, 2001). Naast de armoedeval wordt nu ook de zgn. herintredersval bij het inkomensbeleid betrokken. De genoemde vraag is in de volle breedte geanalyseerd in het deel Sociaal Stelsel en Werken van de Verkenning Levensloop (2002). Hierin worden verschillende beleidsopties geanalyseerd, waaronder nieuwe financieringsbronnen voor perioden van onbetaald verlof. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de Levensloopregeling. Zie ook beleidsactie 44.A    SZW 
         
44Nota over «levensloopbewust beleid» Toelichting implementatie: In 2002 is de Verkenning Levensloop door het kabinet naar de Tweede Kamer gestuurd. Mede op grond van de motie Schimmel/Bussemaker is deze verkenning verbreed en bevat naast het terrein Sociaal Stelsel en Werken de terreinen Onderwijs, Wonen en Zorg en Gezondheid. Zie ook beleidsactie 43.A    SZW 

2 Dagindeling

  ABWLNvoortouwoverigen
 Tijd       
         
 Betere afstemming tijden       
45Commissie Dagarrangementen voor ouders en kinderen: betere afstemming en versnelling beleid inzake aanbieden opvang, onderwijs en vrije tijd Toelichting implementatie: De Commissie Dagarrangementen heeft in 2002 een eindadvies uitgebracht. Voor gemeenten is een leidraad voor vormgeving van samenwerking opgesteld. Daarnaast zijn in 2002 deelonderzoeken, onder andere op de thema’s combinatiefuncties, exploitatie en samenwerking, uitgevoerd.   L OCWSZW, EZ, VWS, BZK
46Monitor Tijdinfrastructuur: inzicht in tijdknelpunten in de samenleving Toelichting implementatie: In 2001 heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau een voorstudie verricht naar de openingstijden in Nederland en de afstemming ervan (dan wel het gebrek daaraan) op onder meer de arbeidstijden. De resultaten van deze studie zijn een opmaat geweest voor een Monitor Tijdinfrastructuur. Ook zijn ze meegenomen in de verkenning Visie op tijden van eind 2002, waarin de verschillende overheden en sociale partners de eerste contouren van een «tijdbeleid» schetsen. Op dit moment wordt door het SCP gewerkt aan het tijdbestedingonder- zoek waarin problemen bij de combinatie van arbeid en zorg in beeld gebracht worden. In aanvulling hierop wordt een aanvullend onderzoek tijdbesteding allochtonen uitgevoerd.    L SZWEZ, MKB
         
47Plan van aanpak Afstemming tijden Toelichting implementatie: Resultaten van een studie van het SCP naar tijden (en afstemming daarvan) zijn benut voor de verkenning Visie op tijden van eind 2002, waarin de verschillende overheden en sociale partners de eerste contouren van een «tijdbeleid» schetsen. Voor de vertaling van inzichten naar beleid is het platform tijden van de samenleving ingesteld waar werkgeversorganisaties, vakbonden, wetenschappers en departementen in participeren. Daarnaast is gewerkt aan knelpunten in tijd in locale tijdinitiatieven. Goede voorbeelden en methodieken zijn uitgewisseld op de Tijdconferentie waar 400 belangstellenden aan hebben deelgenomen in april 2005.   L SZWEZ, sociale partners
         
48Flexibilisering en verruiming openingstijden kinderopvang Toelichting implementatie: Met de Wet kinderopvang maken ouders de keuze van welke kindercentrum of gastouderbureau zij gebruik willen maken. Ouders krijgen via het instrument vraagfinanciering de middelen voor kinderopvang zelf in handen. Op deze wijze kunnen ouders zelf de prijs/kwaliteit verhouding bepalen en zullen kinderopvangondernemers beter op de wensen van ouders, waaronder wensen over flexibilisering en openingstijden, inspelen.   L SZW 
         
49Werk-privé balans en arbeidstijdenmanagement: «good practices» bundelen en verspreiden Toelichting implementatie: Flexibele werktijden en levensloopbewust personeelsbeleid zijn een centraal thema in de projecten Dagindeling in de 2e (2002–2004) en 3e (2004–2006) ronde. Resultaten van de 2e ronde worden actief verspreid en geïmplementeerd, m.n. richting werkgevers. Flexibele werktijden zijn verder aan de orde geweest in verschillende pilots van het ESF-Equalproject Mixed (m.n. die rond werk/leven en deeltijddiagnose). Het vormt een structureel onderdeel van het deeltijddiagnose-instrument dat na afsluiting beschikbaar is gekomen. Voor verschillende leden van de drie ambassadeursnetwerken – die SZW en EZ hebben gefinancierd en die zijn ondersteund door Opportunity – zijn meer flexibele werktijden aandachtspunt geweest. Via kanalen als de ambassadeursnetwerken en Mixed, maar ook via het netwerk van Opportunity, zijn good practices verzameld en verspreid. Deze activiteiten hebben bijgedragen aan de agendasetting van het thema in bedrijven en instellingen.    L SZWEZ, sociale partners, Opportunity in Bedrijf
50Bevorderen cultuurverandering in bedrijven inzake verbetering werk-privé balans Toelichting implementatie: Binnen het thema Flexibele werktijden en levensloopbewust personeelsbeleid (projecten Dagindeling 2e (2002–2004) en 3e (2004–2006) ronde) staat cultuurverandering centraal. Resultaten van de 2e ronde die zich specifiek richten op cultuurverandering (in bv technische sectoren) worden actief verspreid en geïmplementeerd, m.n. richting werkgevers. Cultuurverandering op bedrijfsniveau vormde een van de deelsporen in het ESF-Equalproject Mixed. Dit betekent dat er verschillende instrumenten gericht op cultuurverandering zijn ontwikkeld en zijn uitgetest in pilotbedrijven. De bevindingen zijn vervat in «Mixed management – handboek voor diversiteit m/v». Verandering in organisatiecultuur zijn ook een belangrijk aandachtspunt voor de achtereenvolgende ambassadeursnetwerken en voor bedrijven die lid zijn van Opportunity in Bedrijf. Bedrijven hebben o.a. geëxperimenteerd met diversiteittrainingen voor het middenmanagement en met werk/leven-projecten.    L SZWEZ, sociale partners, Opportunity in Bedrijf
         
51Uitwerken bereikbaarheidsscenario, afstemmen beleid andere betrokken ministeries, leidraad implementatie Toelichting implementatie: In 2000 is door staatssecretaris Verstand het rapport «Bereikbaarheidsscenario: verkenning van een extra optie voor taakcombineerders» mede namens de bewindspersonen van EZ, VROM, en van Verkeer en Waterstaat aangeboden aan de Tweede Kamer. De uitkomsten van het rapport zijn betrokken bij projecten Dagindeling op het gebied zoals telewerken, flexibilisering en spreiding van werktijden en bij het opstellen van bestem- mingsplannen.   L SZWEZ, V&W, VROM
         
52Ontwikkelen pilots bereikbaarheidsscenario, telewerken Toelichting implementatie: Met telewerken is geëxperimenteerd bij uitzendbureaus, uitgevers, nutsbedrijven en in het midden- en kleinbedrijf. Uit een project voor Turkse en Marokkaanse vrouwen is gebleken dat telewerken een goede opstap is voor werken buitenshuis. Om de effecten van telewerken op de bereikbaarheid te berekenen is door TNO een rekenmodel ontwikkeld. De resultaten van het rekenmodel zijn opgenomen in het Domotion rapport «Telewerken en bereikbaarheid: Effecten van telewerken op de bereikbaarheid van de regio Amsterdam». Details over het gebruik van de het rekenmodel zijn opgenomen in een handleiding. A    SZWEZ, V&W, VROM
         
53Bereikbaarheidsscenario inbrengen in overleg met sociale partners Toelichting implementatie: Dit onderwerp is niet als apart onderwerp op de agenda geplaatst in overleg met sociale partners.    NSZWsociale partners
         
54Plan van aanpak toepassing bereikbaarheidsscenario Toelichting implementatie: Door de Stimuleringsmaatregel Dagindeling heeft de ontwikkeling van het bereikbaarheidsscenario nog wel gestalte gekregen in een aantal experimenten rond telewerken.    NSZWsociale partners, EZ, V&W, FIN, VROM, SZW
         
 Ruimte       
         
 Ruimtelijke ordening in een nieuwe samenleving       
55Behoeften taakcombineerders betrekken bij uitwerking 5e nota RO, onder meer door Emancipatie Effect Toets Toelichting implementatie: Er is een Emancipatie-effecttoets op de 5e nota Ruimtelijke Ordening uitgevoerd. Dit heeft onder andere geleid tot bundelingsbeleid in Nota Ruimte (§ 2.3.2). Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten waardoor arbeid, zorgtaken en ontspanning beter te combineren zijn. De uitvoering is lokaal maatwerk. B   VROMSZW
56Ontwikkelen ruimtelijke, fysieke en economische randvoorwaarden t.b.v. zorgknooppunten op basis van breed onderzoek Toelichting implementatie: Er heeft geen breed onderzoek plaatsgevonden naar ruimtelijke, fysieke en economische randvoorwaarden t.b.v. zorgknooppunten. Deze aspecten zijn aan bod geweest bij projecten in het land, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het combineren van voorzieningen in landelijk gebied. De zorgknooppunten zijn meegenomen in beleidsontwikkeling. B   VROMSZW, EZ, VWS, V&W, OCW
         
57Uitwerken partneringmodel t.b.v. integreren «dagindelingsfuncties» in zorgknooppunten Toelichting implementatie: Het model is ontwikkeld door Technische Universiteit Delft en heeft als uitgangspunt dat belanghebbenden in een vroeg stadium worden bijeengebracht: waardevragers (gebruikers), waardegevers (producenten, aanbieders) en regievoerders (regisseurs, de overheid). Op 27 maart 2002 vond een Partnering Conferentie over de voorzieningen op de Zuidas plaats. In juli 2002 verscheen het rapport «Partnering Model, voor de ontwikkeling van voorzieningen in nieuwe stedelijke gebieden» met daarin een beschrijving van het model en de resultaten van de conferentie. Ook was vanaf december 2002 een informatieve website toegankelijk (www.partneringmodel.nl). Een aantal gemeenten heeft subsidie gekregen voor toepassing van instrumenten die in dit kader ontwikkeld zijn. Accent lag hierbij op implementatie.A    SZWVROM
         
58Uitwerking financierings-/exploitatiemodel (PPS-constructie) t.b.v. samenwerking publieke en private partners in zorgknooppunten Toelichting implementatie: In diverse projecten (stimuleringsmaatregel Dagindeling en ESF3 Dagindeling) die zich hebben gericht op het verbeteren van het voorzie- ningenniveau en heet realiseren van multifunctionele accommodaties is ervaring opgedaan met publiek private samenwerking.    NSZWEZ, FIN, VWS, OCW, VROM
         
59Meervoudige functies t.b.v. dagindeling en zorgknooppunten opnemen in bestemmingsplannen, inclusief nieuwe bestemming zorgknooppunt Toelichting implementatie: In diverse initiatieven en projecten die vanuit Dagindeling geïnitieerd zijn is gewerkt aan modern planologisch denken. Ontwikkeling van zorgknooppunten en multifunctioneel gebruik van gebouwen is hierbij aan bod gekomen. Hiervoor zijn ook concrete producten ontwikkeld, zoals checklists dagindeling voor planologen die bij het toetsen van bestemmingsplannen gebruikt kunnen worden.A    IPO, VNGVROM
         
60Dagindelingaspecten toetssteen bestemmingsplannen Toelichting implementatie: Resultaat van de stimuleringsmaatregel Dagindeling is dat bij diverse provincies en gemeenten wensen en belangen van taakcombineerders steeds meer betrokken worden bij ruimtelijke planvorming (Zuid-Holland, Alkmaar, Amsterdam, Rotterdam, Enschede, Heerhugowaard). Er zijn checklists dagindeling ontwikkeld die gebruikt kunnen worden bij de beoordeling van ruimtelijke plannen. Volgens de sturingsfilosofie van VROM worden er geen bestemmingsplannen meer getoetst. De provincies en gemeenten moeten dit oppakken. AB   VROMVNG, IPO
         
61Nieuwe Kaart van Nederland t.b.v. functies taakcombinatie Toelichting implementatie: De opzet van de Nieuwe Kaart van Nederland is te grofmazig om bouw- plannen op emancipatie effecten zoals taakcombinaties te kunnen beoordelen.    NVROMSZW
62Modellen ontwikkelen voor multifunctionele gebouwen en ontwikkelingen bundelen in een beleid, o.a. door publicatie met stimulerende voorbeelden Toelichting implementatie: Er zijn verschillende publicaties uitgegeven. Deze zijn: Leidraad voor multifunctionele accommodaties (januari 2002): Het realiseren van een multifunctionele accommodatie is een langdurig proces dat een gestructureerde en transparante aanpak vergt. De gemeente speelt hierin een sleutelrol. Vanwege haar positie als overkoepelende lokale overheid moet zij de regie voeren over het complexe proces waarbij meerdere partijen betrokken zijn. In de Leidraad zijn de verschillende fasen beschreven van het proces om te komen tot multifunctionele accommodaties. Businessplan multifunctionele accommodaties (december 2003): Wie nadenkt over een brede school in een multifunctionele accommodatie moet ooit beslissen of zo’n gebouw haalbaar en betaalbaar is. Dit boekwerk geeft stap voor stap aan welke vragen de beslisser daarvoor moet beantwoorden. Dagarrangementen in de Brede school (januari 2005): In deze publicatie, zijn 5 experimenten dagarrangementen van 5 brede scholen beschreven. Een dagarrangement is een samenhangend en doorlopend aanbod van onderwijs, opvang en vrijetijdsvoorzieningen in dit geval voor kinderen van 0–12 jaar. In dit boek staan handreikingen voor de invulling van het dagarrangement waardoor iets nieuws gecreëerd kan worden door te putten uit een bestaand aanbod. De Vensterschool deelt (maart 2005): Een impressie van 8 jaar ervaring met de Vensterschool Groningen op CD-Rom. De Vensterschool deelt heeft de kennis over de ontwikkeling en instandhouding van brede scholen bijeen gebracht op een interactieve CD-Rom. A    OCWVWS, VROM, SZW
         
63Multifunctionele gebouwen/ruimtes betrekken bij uitwerken 5e nota RO en Architectuurnota Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 55. A    VROMVWS, SZW, OCW
         
64In kabinetsstandpunt grondbeleid aandacht voor opnemen stichtingskosten kinderopvang en zorgknooppunten in grondexploitatie nieuwe wijken Toelichting implementatie: Er is besloten om de kosten van kinderopvang e.d. niet mee te nemen in de grondexploitatie. Het betreft geen kosten die met verwerving of bouwrijp maken te maken hebben. Wel kan voor dit soort gebruik een sociale grondprijs gehanteerd worden (maar dat is aan de gemeente).     NVROMSZW, VWS
         
65Kosten voorzieningen dagindeling (waaronder verwerving en beheer flexibel te benutten ruimtes) in oudere wijken opnemen in exploitatie renovatie Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 55.    NIPO, VNGVROM, VWS, SZW
         
66Aanpassen woningvoorraad t.b.v taakcombinatie, kleinschalig onderne- merschap, «brede» woning. (eigen opdrachtgeverschap stimuleren) Toelichting implementatie: In de afgelopen jaren heeft het stimuleren van eigen opdrachtgeverschap een grote vlucht genomen. Onder meer via de woningbouwafspraken: daar is vastgelegd dat gemeenten voor bouwen in eigen opdrachtgeverschap subsidie krijgen. B   VROM 
         
67Dagindeling opnemen in collegeprogramma’s gemeenten en provincies Toelichting implementatie: Bij verschillende provincies en gemeenten zijn in het collegewerkprogramma of uitwerking daarvan beleidsvoornemens dagindeling opgenomen (Gemeenten zoals Alkmaar, Amersfoort, Deventer, Groningen. Provincies zoals Zuid-Holland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Drenthe, Overijssel, Groningen).A    SZWVNG, IPO
         
68Helpdesk t.b.v. ondersteuning lokale en provinciale autoriteiten bij modern planologisch denken Toelichting implementatie: Ondersteuning gemeenten/provincies bij (virtueel kenniscentrum) «modern planologiesch denken»: door VROM opgepakt in ruimteforum/kenniswijzer (op www.vrom.nl/ruimteforum en kenniswijzerminvrom.nl)   L VROM, SZWIPO, VNG
69Virtueel kenniscentrum modern planologisch denken Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 68.   L VROMSZW, IPO, VNG
         
70Opstellen aantal toekomstscenario’s t.b.v. dagindeling Toelichting implementatie: In het project Tijden van de stad Groningen (Dagindeling ESF-3) zijn toekomstscenario’s voor de stad ontwikkeld. In de toekomstscenario’s wordt een beter bereikbaarheid en beschikbaarheid geschetst van voorzieningen, o.a. voor taakcombineerders. A    SZWVROM
         
71Vernieuwende (voorbeeld)ontwerpen moderne ruimtelijke ordening Toelichting implementatie: Vernieuwende (voorbeeld)ontwerpen, waar dagindeling nadrukkelijk uitgangspunt is, zijn gebundeld in een boekje. Deze ontwerpen zijn ontwikkeld in diverse projecten door het land heen. Ook in een reizende tentoonstelling die te zien is geweest op hogescholen, Ministerie VROM en op conferenties zijn deze voorbeelden gepresenteerd.A    VROM 
         
72Visiepool voor ervaringsuitwisseling betrokken beroepsgroepen modern planologisch denken Toelichting implementatie: De visiepool ervaringsuitwisseling betrokken beroepsgroepen is opgepakt door VROM in «Hoogstadberaad» en rijksontwerpersoverleg.   L VROMSZW, V&W, beroepsgroepen
         
73Doen ontwikkelen lesmodulen en instrumenten t.b.v. modern planologisch denken t.b.v (hogere) beroepsopleidingen en beroepsgroepen Toelichting implementatie: Vernieuwde voorbeelden in de ruimtelijke ordening waar dagindeling nadrukkelijk uitgangspunt geweest is, zijn gepresenteerd in een reizende tentoonstelling. In aanvulling hierop zijn workshops over dit thema georganiseerd bij o.a. de provincies Zuid-Holland en Gelderland, verder in Capelle a/d IJssel en op de Hogeschool Breda. Bij de provincie Zuid-Holland is in het kader van het project Ruimtelijke voorwaarden voor taakcombineerders een lesmodule ontwikkeld en cursussen gegeven aan ambtenaren ruimtelijke ordening van gemeenten en provincie.    NVROMSZW, OCW
         
 Toegang       
         
 Voorzieningen toegankelijk en bereikbaar maken       
74Ontwerpen van samenhangende regeling toegankelijkheid voorzieningen dagindeling Toelichting implementatie: Dit voornemen is op lokaal niveau in projecten opgepakt.    NSZWVROM, VWS, OCW, BZK, EZ, FIN
         
75Speciale aandacht voor allochtone taakcombineerders Toelichting implementatie: Bij de Stimuleringsregeling Dagindeling lag in ongeveer 20 experimenten de nadruk op zwarte, migranten- en vluchtelingenbevolkingsgroepen. Dat heeft geleid tot grotere bekendheid en toegankelijkheid van kinderopvang, contracten voor mantelzorgers bij een thuiszorgorganisatie, methodes voor toeleiding naar de arbeidsmarkt met veel aandacht voor de arbeid/zorg-knelpunten, telewerken voor Turkse en Marokkaanse vrouwen en allochtone moeders als contactouder in de school. Bij experimenten voor kleinschalig zorgondernemerschap is extra aandacht besteed aan zelfstandig etnisch ondernemerschap. Met uiteenlopende doelgroepen zijn expertmeetings gehouden over «Effecten van Cultuur», «Diversiteit in Dagindeling», «Kinderopvang in de sport» en «Tijd». Daarnaast zijn een aantal publicaties beschikbaar gekomen zoals Bouwen aan samenwerking (een inventarisatie van 15 voorbeelden van multifunctionele schoolgebouwen) en Internationale good practices in Europa en de VS. Resultaten van projecten en goede voorbeelden worden voor het voetlicht gebracht in het blad Wereldtijd. E-quality speelt een rol in het vertalen van resultaten van andere projecten naar hun achterban.A    SZWV&I
76Expertmeeting dagindeling in multicultureel perspectief, gevolgd door conferentie Toelichting implementatie: Met uiteenlopende doelgroepen zijn expertmeetings gehouden over «Effecten van Cultuur», «Diversiteit in Dagindeling», «Kinderopvang in de sport» en «Tijd».A    SZW 
         
77Indien noodzakelijk extra impuls taakcombinatie onder allochtonen Toelichting implementatie: Voor indiening van projectaanvragen in de subsidierondes van Dagindeling is taakcombinatie onder allochtonen als specifiek aandachtsgebied benoemd.A    SZWVWS, EZ, V&I
         
78Vaststellen minimaal noodzakelijk voorzieningenniveau landelijk gebied Toelichting implementatie: Publicatie Taakcombineerders in landelijk gebied is in 2002 uitgegeven door het Verwey-Jonker Instituut. Met subsidie van het ministerie van SZW heeft het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) onderzoek gedaan naar de behoefte aan en beschikbaarheid van voorzieningen ten behoeve van het combineren van arbeid en zorg in het landelijk gebied en de kloof tussen het minimaal noodzakelijke en het huidige voorzieningenniveau. A    LNVSZW, VWS
         
79Vaststellen gebieden met hoogste urgentie voorzieningenniveau Toelichting implementatie: Met subsidie van het ministerie van SZW heeft het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn onderzoek gedaan naar de behoefte aan en beschikbaarheid van voorzieningen ten tbv het combineren van arbeid en zorg in het landelijk gebied en de kloof tussen het minimaal noodzakelijke en huidige voorzieningenniveau.    NLNVSZW, VWS
         
80Stimuleringsprogramma Combinatie arbeid en zorg in landelijk gebied Toelichting implementatie: Met het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit is een stimuleringsmaatregel voor landelijk gebied ontwikkeld. Deze krijgt in 2005 een nadere invulling. De tijdelijke Stimuleringsimpuls Sociale Infrastructuur beoogt nieuwe, inspirerende initiatieven ten aan zien van de organisatie en financiering van sociale diensten en voorzieningen te stimuleren en kennis daarover toegankelijk te maken.    L LNVSZW, V&W, VWS, VNG, IPO, LTO, NAJK
         
 Persoonlijke diensten       
         
 Persoonlijke dienstverlening en zorgondernemerschap       
81Verkenning persoonlijke dienstverlening als nieuwe bedrijfstak Toelichting implementatie: Naar aanleiding van het in het MJBP genoemde onderzoek Persoonlijke Dienstverlening heeft het kabinet een traject van Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit aan dit onderwerp gewijd. Zie ook beleidsactie 83.   L SZWEZ, FIN
         
82Ontwikkelen randvoorwaarden om persoonlijke dienstverlening tot volwaardige bedrijfstak te maken Toelichting implementatie: Dit actiepunt is in twee MDW-trajecten en de daaropvolgende kabinetsstandpunten uitgewerkt. Zie ook beleidsactie 83.   L EZ/SZWVWS, FIN, EZ, Soc. partners, brancheorg.
         
83MDW-traject particuliere dienstverlening Toelichting implementatie: In 2001 is het MDW-rapport Vijf vliegen in één klap; naar één markt voor persoonlijke diensten uitgekomen. In 2003 het MDW-rapport Vraag en aanbod in de persoonlijke dienstverlening; marktontwikkelingen, belemmeringen en oplossingen uitgekomen. Aansluitend op beide MDW-rapporten is een kabinetsstandpunt uitgekomen. In 2004 is het SEOR-onderzoek De markt voor persoonlijke dienstverlening naar de Tweede Kamer gestuurd. Het dossier is in 2004 gekoppeld aan de voorgenomen afschaffing van de Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren. Op 18 mei 2005 is de kabinetssreactie Markt voor persoonlijke dienstverliening, tezamen met een CPB-analyse naar de Tweede Kamers gestuurd.   L EZSZW, FIN
84Ontwikkelen en stimuleren modellen voor zorgondernemerschap Toelichting implementatie: Binnen Dagindeling is het thema zorgondernemerschap twee keer expliciet onderwerp van projecten (geweest), nl in de 1e en (nog lopende) 3e ronde. In de 1e ronde is een franchisemodel voor de kinderopvang «omgebouwd» voor toepassing in de thuiszorg. Dit model van Thuiszorg Amsterdam is inmiddels operationeel en vindt navolging in andere delen van het land. In de 3e ronde wordt gewerkt aan andere modellen voor zorgondernemerschap. Succesvolle modellen zullen na afloop worden verspreid en waar mogelijk worden geïmplementeerd.   L SZWVWS, EZ, MKB, brancheorg.
         
85In kader van EQUAL-programma starten van pilots kleinschalig zorgondernemerschap Toelichting implementatie: Binnen de pijler ondernemerschap van EQUAL zijn vormen van zorgondernemerschap ontwikkeld. De nadruk lag hierbij op het stimuleren van ondernemerschap voor achterstandsgroepen, de sector waarin het ondernemerschap werd ontwikkeld was een afgeleide. Een aantal projecten in de 1e ronde richtte zich wel op zorggerelateerde diensten.A    SZW 
         
86Stimuleren franchisemodel bij kleinschalig zorgondernemerschap Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 84.   L SZW, VWSMKB, FIN brancheorg., EZ
         
87Oplossen knelpunten en indien nodig aanpassen wet- en regelgeving inzake ontwikkeling persoonlijke dienstverlening/zorgondernemerschap Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 83.    L SZW, EZVWS, FIN
         
 Dagindelingsbeleid op basis resultaten stimuleringsmaatregel       
88Nota tussenstand experimenten dagindeling en Congres Dagindeling Halverwege Toelichting implementatie: De nota is in januari 2002 verschenen. Het congres vond plaats in het Kurhaus en werd bezocht door ruim 600 mensen en kreeg veel publiciteit.A    SZW 
         
89Interbestuurlijke, Interdepartementale Werkgroep Verankeringdagindeling in bestaand en nieuw beleid Toelichting implementatie: Er zijn binnen SZW aanzienlijke inspanningen geleverd om de resultaten van Dagindeling te verankeren in bestaand en nieuw beleid. Een deel van de resultaten is verwerkt in de nieuwe Wet kinderopvang. Daarnaast is er de interdepartementale Operatie Jong waar het thema «dagarrangemen- ten en combinatiefuncties» van Dagindeling een belangrijke positie inneemt. Ook met betrekking tot bijvoorbeeld persoonlijke dienstverlening (EZ), openingstijden van winkels en voorzieningen (EZ) en mantelzorg (VWS) vindt dergelijk overleg plaats. Een algemene interdepartementale werkgroep is niet gerealiseerd. B   SZWV&W, FIN, VWS, EZ, OCW, VROM, LNV, BZK, VNG, IPO
         
90Start ESF-programma Local Social Capital Toelichting implementatie: In het kader van de Communautaire Raamstrategie voor Gelijkheid tussen Mannen en Vrouwen 2001–2005 van de Europese Unie werd in 2002 en 2003 het transnationale project «Daily Routine Arrangements, from local practice to national policy» uitgevoerd. De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid coördineerde dit Europese project. Met organisaties in Italië, Frankrijk en Finland werden lokaal en nationaal beleid en praktijk met betrekking tot het combineren van werk en privé onderzocht. Het project duurde 18 maanden. Activiteiten waren: vergelijking van beleid en praktijk; studiereizen naar de deelnemende landen; een publicatie over beleid en good practices en een Europese slotconferentie in januari 2004.   L SZW 
91Monitor experimenten dagindeling Toelichting implementatie: Regioplan heeft de resultaten van de experimenten en projecten steeds gemonitord Belangrijkste resultaten: Van de 140 experimenten zijn er negen voortijdig gestopt. Op grond van de voor dit onderzoek geconstrueerde globale succesmaat kunnen 40 van de 140 experimenten zeer succesvol worden genoemd en 52 succesvol. De overige 48 zijn minder succesvol. De experimenten zijn verspreid over Nederland uitgevoerd, relatief vaker in de Randstad dan in de rest van Nederland. Verreweg de meeste experimenten zijn gericht op taakcombineerders, maar in ongeveer de helft van de experimenten zijn (ook) beleidsmakers en professionals als doelgroep aangemerkt. Ruim driekwart van de experimenten heeft gedurende de looptijd belangstelling gehad van politici en beleidsmakers. Ook in diverse media kregen de experimenten aandacht. Slechts bij 15% van de experimenten gaven projectleiders aan nooit media-aandacht te hebben gehad.A    SZW 
         
92Beschrijving «good practices» (experimenten dagindeling) Toelichting implementatie: De good practices uit de experimenten Dagindeling zijn in maart 2003: Oplossingen Dagindeling. Pamflettenreeks. SZW/DCE/PBD en in april 2005: Dagindeling in Actie. Resultaten en producten van 27 projecten Dagindeling ESF-3 beschreven.A    SZW 
         
93Expertmeetings, startconferentie experimenten vierde tranche en Dagindeling Ideeëndag Toelichting implementatie: De afgelopen vijf jaar zijn er drie keer per jaar focusgroepbijeenkomsten geweest waar de projecten ervaringen konden uitwisselen en experts presentaties gaven. Daarnaast waren er de conferenties Dagindeling Halverwege, Dagindeling op Tournee – aan het eind van de Stimuleringsmaatregel – waarbij miniconferenties op locatie werden gehouden (naast een centrale bijeenkomst). In april 2005 werd de Tijdconferentie gehouden, als ijkpunt van de Dagindeling-ESF-3 projecten.A    SZW 
         
94Evaluatie/eindadvies Stimuleringsmaatregel Dagindeling Toelichting implementatie: De Stimuleringsmaatregel heeft veel mensen op de been gebracht; er zijn interessante producten ontwikkeld; de combinatie van arbeid en zorg staat op verschillende politieke en beleidsagenda’s. Er is veel succes bereikt met mainstreaming en veel van de projecten worden zonder subsidie voortgezet. Van de andere kant zijn veel resultaten onvoldoende zichtbaar gemaakt zodat anderen ze niet kunnen overnemen en het mainstreamproces nog verre van voltooid is. Er moet nog meer inspanning worden geleverd om de resultaten structurele praktijken te laten worden. Hoewel sommigen wellicht meer hadden verwacht van de Stimuleringsmaatregel, kan geconcludeerd worden dat deze op veel manieren heeft bijgedragen aan verbetering van de mogelijkheden om arbeid & zorg te combineren.A    SZW 
         
95Voorstellen voor onderzoeksprogramma dagindeling, o.a. naar behoeften dagindelingsarrangementen en zorginfrastructuur Toelichting implementatie: Er is onderzoek gedaan naar tijden in de gezondheidszorg (NIVEL); voorzieningen in het landelijk gebied (NIZW); persoonlijke dienstverlening (Regioplan; SEOR), tijdsordening (SCP); internationale good practices (NIZW).A    SZWSCP, CBS
         
96Meerjarige communicatiecampagne Dagindeling Toelichting implementatie: De communicatie campagne heeft ondermeer gestalte gekregen in de tv-spotjes met «de Agenda», 3x met de uitgave Toptijd. Deze had een bereik van 900 000 lezers.   L SZW 

3 Macht en besluitvorming

  ABWLNvoortouwoverigen
 Politiek en Openbaar Bestuur       
         
 Kieslijsten en kiesstelsel       
97Leidraad (o.a. op internet) voor werving en selectie vrouwelijke en allochtone kandidaten bij iedere verkiezing Toelichting implementatie: Ten aanzien van kieslijsten en het kiesstelsel is een leidraad voor rekrutering van politici gepubliceerd op de internetsite www.vernieuwingsimpuls.nl. In deze leidraad wordt door middel van een stappenplan een handreiking gegeven voor het rekruteren voor politieke functies in gemeenten. Speciale aandacht in deze handreiking gaat uit naar het rekruteren van vrouwelijke en allochtone politici om zo tot meer diversiteit van de politici en een betere representativiteit van de bevolking te komen. Daarbij wordt in het bijzonder ook aandacht besteed aan de scholing en vorming voor politieke functies. Een diverse samenstelling naar sekse, leeftijd en etniciteit is belangrijk. De samenstelling en de diversiteit van de kandidatenlijsten voor verkiezingen is een verantwoordelijkheid van de politieke partijen zelf. Met de partijen wordt periodiek gesproken over deze en andere kwesties. A    BZKSZW
         
98Bij uitwerking nieuw kiesstelsel kijken naar kansen voor vrouwen en minderheden om een zetel te verwerven (emancipatie-effectrapportage) Toelichting implementatie: Nu het kabinet heeft besloten het wetsvoorstel Nieuw kiesstelsel in te trekken is de vraag naar een emancipatie-effectrapportage niet meer aan de orde. In het kader van het onderzoek naar een nieuw kiesstelsel zal prof. Pippa Norris (USA) een bijdrage schrijven over de relatie tussen kiesstelsels en de positie van vrouwen en minderheden ten behoeve van een congres dat in de tweede helft van 2005 wordt georganiseerd. Het IPP heeft in opdracht van het Ministerie BZK projecten ontwikkeld rondom de beoogde vernieuwing van het kiesstelsel in deze kabinetsperiode. In discussies en artikelen is erop gewezen wat de gevolgen voor de participatie van vrouwen en van minderheden zou kunnen zijn als het kiesstelsel richting districtssysteem zal veranderen.     NBZKSZW
         
 Politiek en zorg       
99Voorzieningen voor combineren arbeid en zorg voor lokale en provinciale politici Toelichting implementatie: Recent is een grondwetswijziging tot stand gebracht inzake de verkiezing van de leden Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de provinciale staten en de gemeenteraden in verband met de tijdelijke vervanging van hun leden wegens zwangerschap, bevalling of ziekte. Deze wijziging maakt een vervangingsregeling voor volksvertegenwoordigers mogelijk. De uitvoeringswetgeving is nu in voorbereiding. Aan de voorgestelde vervangingsregeling ligt als motief ten grondslag het opheffen van een belemmering voor vrouwen om vanwege het ontbreken van een adequate vervangingsregeling bij zwangerschap en bevalling volwaardig gebruik te maken van het passieve kiesrecht. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de positie van vrouwen in het openbaar bestuur. De tijdelijke vervanging betekent dat men na afloop van de vervangingstermijn weer van rechtswege lid wordt van het vertegenwoordigend lichaam. Men is op deze wijze niet afhankelijk van vrijwillige afspraken. Een tweede motief betreft het gezondheidsaspect. Door de introductie van de mogelijkheid om zich tijdelijk te laten vervangen bij zwangerschap en bevalling, evenals in geval van ziekte, wordt voorkomen dat volksvertegenwoordigers zich gedwongen zouden voelen ten koste van hun gezondheid of van de gezondheid van hun toekomstig kind door te blijven werken. Ook na tijdelijke vervanging wegens ziekte wordt men van rechtswege weer lid van het vertegenwoordigende lichaam. Op deze wijze toont men respect voor de persoon die het ambt uitoefent.  W  BZKSZW
         
100Evaluatie voorzieningen en evt. aanvullende maatregelen treffen Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 99.  W  BZK 
101Voorstel grondwetswijziging zwangerschap- en bevallingsverlof politici Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 99. A    BZKSZW
         
 Diversiteit in de politiek       
102Overleg met de partijvoorzitters Toelichting implementatie: De minister van BZK overlegt periodiek met de partijvoorzitters over verschillende zaken m.b.t. het openbaar bestuur. De vertegenwoordiging van vrouwen (en later ook allochtonen) en wat partijen daarvoor doen heeft in dat overleg op de agenda gestaan.    L BZKpolitieke partijen
         
103Overlegplatform scholingsinstituten politieke partijen Toelichting implementatie: Er is in 2001 een overlegplatform van de scholingsinstituten gevormd rondom diversiteit. Er zijn verschillende acties ingezet o.a. het ontwikkelen van een diversiteitsaudit politiek. Het IPP heeft tot 2004 het netwerk Veelzijdigheid in de Politiek (VIP) gefaciliteerd, een netwerk bestaande uit vrouwen van emancipatiebureaus, scholingsinstituten van politieke partijen en vrouwen organisaties. Tijdens bijeenkomsten van het VIP informeerden de aanwezigen elkaar over trainingen voor lokale en bestuurlijke participatie en over activiteiten rondom verkiezingen.   L politieke partijenBZK IPP
         
104Kweekvijver allochtone vrouwen: volgsysteem en nieuwe initiatieven Toelichting implementatie: In het project «Kweekvijver» van het Multicultureel Instituut voor Politieke Participatie (MIPP) zijn cursussen gegeven aan allochtone vrouwen met een (lokale) politieke ambitie. Er is een volgsysteem ontwikkeld waarmee de politieke loopbaan van de gewezen cursistes kan worden gemonitord. Uit de eerste meting bleek dat de Kweekvijver een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de politieke participatie van de deelnemers. De oplei- ding heeft een groep gemotiveerde allochtone vrouwen bereikt die voorheen nog niet bij de politiek betrokken was. De Kweekvijver heeft tevens bijgedragen aan de voorbereiding van de vrouwen op een politieke functie en het daadwerkelijk verwerven ervan. Door de subsidietaakstelling aan de rijksoverheid en de herijking van de uitgaven tijdens kabinet Balkenende I en II, zijn de subsidies afgeschaft voor activiteiten die niet langer overeenstemmen met de beleidsprioritei- ten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In dat kader is de subsidie aan het Multicultureel Instituut voor Politieke Participatie beëindigd. A    BZKpolitieke partijen, VNG, IPP
         
105Kweekvijvers jong talent en grijs élan Toelichting implementatie: Niet uitgevoerd.     Npolitieke partijenBZK, SZW, VNG, IPP, e-bureaus, univ. Hogescholen, Toplink
         
 Politieke cultuur       
106Vernieuwingsimpuls dualisme en lokale democratie Toelichting implementatie: Er zijn lokale experimenten gefinancierd in het kader van de vernieuwingsimpuls. Diversiteit en verandering van de lokale politieke cultuur zijn aandachtspunten. A    BZKSZW, VNG, IPP
         
107Monitoren politieke vernieuwingen op participatie vrouwen Toelichting implementatie: Dit wordt meegenomen in de evaluatie van de vernieuwingsimpuls. Zie ook beleidsactie 106. Daarbij zijn diversiteit en verandering van de lokale politieke cultuur aandachtspunten.   L BZKSZW, VNG, IPP
         
108Overlegplatform scholingsinstituten: ontwikkelen en implementeren instrumenten Toelichting implementatie: Er is in 2001 een overlegplatform van de scholingsinstituten gevormd rondom diversiteit. Er zijn verschillende acties ingezet o.a. het ontwikkelen van een diversiteitsaudit politiek.A    politieke partijenBZK, SZW, IPP
109Voorlichting over instrumenten aan maatschappelijke bewegingen Toelichting implementatie: Het (autonome) IPP heeft verschillende publicaties en instrumenten ontwikkeld gericht op diversiteit en politieke vernieuwing. Zie ook beleidsactie 103.A    IPPBZK, SZW, IPP
         
 Europese en internationale politiek       
110Campagnes rond verkiezingen en bijeenkomsten Toelichting implementatie: De aandacht voor de positie van de vrouw maakte onderdeel uit van campagnes voor Euroverkiezingen (campagnes van de politieke partijen). Resultaat is dat het percentage vrouwen in het Europarlement thans 44% bedraagt. Er wordt steeds weer aandacht gevraagd voor participatie van vrouwen in Europese politiek. Bij de installatie van de nieuwe Europese Commissie werd ook bijzondere aandacht besteed aan de vertegenwoordiging van vrouwen. Thans zijn 7 van de 25 Commissarissen vrouwelijk (28%) – een kleine toename ten opzichte van de Commissie Prodi.    L BZKSZW, BUZA, politieke partijen
         
111Kweekvijvers Toelichting implementatie: Het IPP heeft in Slowakije en Turkije een meerjarenproject uitgevoerd dat beoogt de politieke participatie van vrouwen te bevorderen. Zie ook beleidsactie 104.A    BZK, BUZASZW, politieke partijen
         
 Lokale politiek       
112Uitstroom vrouwen monitoren en maatregelen ontwikkelen Toelichting implementatie: • Er is een onderzoek uitgevoerd (opdracht BZK en DCE) naar de omvang van en verklaring voor vervroegde uitstroom uit gemeenteraden en provinciale staten. Vrouwen blijken inderdaad meer tussentijds uit te stromen en iets meer negatieve cultuuraspecten te ervaren. Belangrijker blijkt echter de tijdsdruk en combinatieproblemen, zowel voor voortijdig afhakende vrouwen als mannen. In de leeftijdscategorie tot 45 jaar is dit een doorslaggevend argument. De resultaten van deze monitoring zijn opgenomen in twee rapporten, uitgebracht door de SGBO. • Tevens is er onderzoek gedaan naar de aantrekkelijkheid van statenof raadswerk voor vrouwen. Het onderzoek naar de uitstroommotieven van lokale politici was gericht op het verkrijgen van nader inzicht. Daartoe werd in enquêtes aan gestopte raadsleden – mannen en vrouwen – gevraagd wat de belangrijkste redenen zijn geweest voor hun vertrek. Uit deze onderzoeken blijkt dat de combinatie van arbeid en zorg voor lokale politici als mogelijk uitstroommotief wordt genoemd.• Verder wordt er door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties periodiek een voortgangsrapportage opgesteld, getiteld «Vrouwen in politiek en openbaar bestuur». In deze rapportage wordt onder andere aandacht besteed aan de streefcijfers van het aantal vrouwen in de politiek en het openbaar bestuur. Tevens bevat deze rapportageverslag cijfermateriaal, waarin de ontwikkeling van het aandeel vrouwen in politiek en openbaar bestuur op allerlei terreinen wordt weergegeven.   L BZKSZW
         
113Overlegplatform scholingsinstituten: werven plaatselijk politiek talent Toelichting implementatie: Er is in 2001 een overlegplatform van de scholingsinstituten gevormd rondom diversiteit. Er zijn verschillende acties ingezet o.a. het ontwikkelen van een diversiteitsaudit politiek. Ook zijn er praktijken m.b.t. lokale werving van (potentiële) kandidaten in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen 2002 uitgewisseld.    L politieke partijenBZK, SZW, IPP, landelijk platform lokale pol. partijen
114Ontwikkelen programma’s diversiteit in lokale (politieke) middenveld Toelichting implementatie: • Het (autonome) IPP heeft verschillende publicaties en instrumenten ontwikkeld gericht op diversiteit, politieke vernieuwing en ondersteuning van vrijwilligersorganisaties. Ontwikkelen programma’s diversiteit in lokale (politieke) middenveld: het IPP heeft in samenwerking met de gemeente Amsterdam en haar stadsdeelraden een vierjarig project uitgevoerd om de politieke en bestuurlijke participatie van migranten te bevorderen. Het project liep van 1 oktober 2000 tot 1 oktober 2004. Producten: cursussen politieke, resp. bestuurlijke participatie voor beginners en gevorderden, nieuwsbrieven, discussie bijeenkomsten en helpdesk. Ruim de helft van de deelnemers waren vrouw. In het boek «De wereld in huis, allochtonen in Amsterdamse raden en besturen» wordt verslag gedaan van het project. • Voor de gemeente Utrecht heeft het IPP in 2004 een onderzoek gedaan naar de politieke participatie van migranten en naar de behoefte om in de gemeente cursussen te organiseren om die participatie te bevorderen. • Met ondersteuning van het Ministerie van Justitie voert het IPP momen- teel in vier steden het project Vinden en Binden uit, met trainingen voor politieke partijen om hun fracties divers samen te stellen, met cursussen politieke participatie voor migranten op verschillende niveaus. Ook hierbij wordt scherp gelet op deelname van allochtone vrouwen. • Het IPP heeft het boekje «Vinden en Vasthouden» uitgegeven. Het is bedoeld voor politieke partijen die voor de lokale verkiezingen hun lijsten gaan samenstellen en daarbij rekening wensen te houden met de vertegenwoordiging van bepaalde groepen op hun lijst. Gedacht wordt hier met name aan vrouwen en allochtonen. Het boekje is overigens ook geschreven voor organisaties die in hun besturen een goede vertegenwoordiging wensen.A    IPPBZK, SZW, pol. partijen
         
115Aanbieden diversiteitsprogramma’s en scholing vrouwen aan lokale (politieke) middenveld Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 114. A    IPP, e-bureausBZK, SZW
         
 Hogere openbare bestuursfuncties       
116Pilot «Vrouwen in hogere openbare bestuursfuncties» in EQUAL project Toelichting implementatie: Er hebben verschillende overheidsorganisaties als pilot deelgenomen aan het ESF-Equalproject Mixed: het ministerie van Buitenlandse Zaken, de Belastingdienst en de gemeenten Rotterdam en Amsterdam. A    BZK, SZWdep., provincies, waterschappen, gemeenten, IPO, VNG, Toplink
         
 Bedrijfsleven       
         
 Hogere functies in profit- en non-profitsector       
117Benchmark ontwikkelen en daarmee ontwikkelingen monitoren Toelichting implementatie: Er is een benchmark ontwikkeld (www.glazenplafondindex.nl) waarmee bedrijven en instellingen hun kwantitatieve prestaties kunnen vergelijken met die van anderen in hun sector. De benchmark wordt uitgebreid met een kwalitatieve dimensie (arbeidsvoorwaarden, combinatie arbeid en zorg, werving, selectie, loopbaanbeleid, cultuuraspecten). A    EZSZW, SCP/CBS, OIB, bedrijfsleven
         
118Uitwisselingsprogramma’s overheid–bedrijfsleven Toelichting implementatie: Zowel in het kader van de achtereenvolgende ambassadeursnetwerken als in het kader van het ESF-Equalprogramma Mixed is er sprake geweest van de uitwisseling tussen zowel overheid als bedrijfsleven van kennis en ervaringen met beleid gericht op de doorstroming van vrouwen naar hogere functies. A    BZK, EZSZW, Toplink, OIB, bedrijfsleven
         
119Zichtbaar maken meerwaarde diversiteit (economisch en procesmatig) Toelichting implementatie: In het kader van de achtereenvolgende ambassadeursnetwerken glazen plafond zijn case studies en onderzoeken ondernomen om deze meerwaarde zichtbaar te maken (bv. onderzoek VU in opdracht van TPG, onderzoek RUG in opdracht van NAM). Grootschalig systematisch wetenschappelijk onderzoek heeft (nog) niet plaatsgevonden. A    SZW 
120Verder ontwikkelen instrumenten overheid en expertise-organisatie Toelichting implementatie: Het ontwikkelen, uittesten en verspreiden van instrumenten gericht op de doorstroming van vrouwen vormde de kern van het ESF-Equalproject Mixed dat DCE van 2002 tot 2005 i.s.m. expertorganisaties heeft uitgevoerd.A    SZWOIB, Toplink
         
121Overleg sociale partners Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd.    NSZW, EZBZK
         
122Communicatieplan Toelichting implementatie: Tijdens de looptijd van Mixed is een communicatieplan uitgevoerd, gericht op de 500 grootste bedrijven en instellingen in Nederland, waarbij aandacht is gevraagd voor de thematiek van doorstroming van vrouwen en diversiteit op hogere niveaus en voor het instrumentarium waarmee dat streven kan worden ondersteund.A    SZW 
         
123Campagne deeltijd in hogere functies Toelichting implementatie: In 2002 is binnen SZW overlegd over een campagne rondom het wettelijk recht op aanpassing arbeidsduur. Hierbij zou ook aandacht worden besteed aan deeltijdarbeid in hogere functies. Ook is in het Equalproject MIXED in een pilot uitgevoerd om deeltijdarbeid in hogere functies te stimuleren en is een digitaal deeltijddiagnose-instrument ontwikkeld voor bedrijven en hun werknemers.A    SZWEZ
         
124Voortrekkersnetwerk (ambassadeursnetwerk) Toelichting implementatie: De afgelopen drie jaar hebben SZW/DCE en EZ «ambassadeursnetwerken Glazen plafond» gefinancierd. De doelstelling ervan is om het thema van doorstroming van vrouwen naar hogere functies op de agenda te zetten in bedrijven en instellingen. Een gezelschap van 15–20 prominenten uit het bedrijfsleven en uit arbeidsorganisaties in overheid en non-profit pakt het thema aan in het eigen bedrijf en daarbuiten. Elk lid formuleert tenminste drie persoonlijke actiepunten die binnen een jaar gerealiseerd dienen te zijn en die gericht zijn op het eigen bedrijf, op de eigen branche of sector, of op agenda-setting in het algemeen. Daarnaast zoeken de netwerken in meerdere of mindere mate gezamenlijk de publiciteit met hun activiteiten.    L SZW, EZBedrijfsleven
         
 Middenkader       
125Benchmark verfijnen: ook gericht op middenkader Toelichting implementatie: In de glazen plafondindex wordt het verschil gemeten tussen het aandeel vrouwen in een arbeidsorganisatie als geheel, het aandeel vrouwen in de middenfuncties en het aandeel vrouwen in hogere functies. Dat maakt zichtbaar waar de doorstroom van vrouwen stokt; dat is vaak al in het middenkader. Als dat zo is, worden tips gegeven om dit potentieel in het middenkader beter te benutten voor de doorstroom naar hogere functies. A    SZWEZ, SCP/CBS, OIB
         
126Ondersteuning projecten doorstroom middenkader Toelichting implementatie: Het ESF-Equalproject Mixed had in zijn geheel betrekking op de doorstroming van vrouwen naar hogere functies. Het middenkader vormt hierbij het belangrijkste potentieelA    SZW, EZEqual, OIB
         
127Ondersteuning projecten doorstroom allochtone vrouwen Toelichting implementatie: Verschillende onderdelen van het ESF-Equalproject Mixed waren gericht op de doorstroomkansen van allochtone vrouwen. In verschillende Mixedpilots waren allochtone vrouwen in het bijzonder vertegenwoordigd. Eén van de Mixedpilots was exclusief bedoeld voor allochtone vrouwen. A    SZW, EZEqual, OIB
128Task Force mannen en vrouwen in beroep Toelichting implementatie: In 2004–2005 is het project Vrouw/man in beroep uitgevoerd, in een samenwerkingverband van SZW/DCE met diverse departementen (EZ, Defensie, BuZa, OCW) en expertorganisaties. Er is een boekje gemaakt met goede praktijkvoorbeelden om meer meisjes en vrouwen in bèta/techniek te krijgen («Een barst in het glas»), er is een essaybundel in voorbereiding over de (economische) meerwaarde van het doorbreken van de schotten tussen «mannen- en vrouwenberoepen». Als vervolg op dit project heeft DCE/SZW samen met OCW en expertorganisaties (VHTO, VanDoorneHuiskes, Stichting Toekomst der Techniek en Equivalent) een Equalaanvraag tweede tranche ingediend: de Glazen Muur. EZ is bij het project betrokken via een klankbordgroep. In juli 2005 is door het Agentschap SZW besloten dat de aanvraag wordt gehonoreerd. De uitvoering van het project loopt van juli 2005 tot en met december 2007. Budget: € 2,5 miljoen. Er zal transnationaal worden samengewerkt met vergelijkbare projecten in Duitsland en Noord-Ierland.   L EZ, SZWSZW, OCW, Def, BUIZA, VWS, ea
         
 Instrumenten ontwikkelen       
129Selectie- en zelfselectiemechanismen in bedrijfscultuur zichtbaar maken bij doorstroom naar hogere functies Toelichting implementatie: In het ESF-Equalproject Mixed zijn instrumenten ontwikkeld die verschillende factoren beïnvloeden die relevant zijn voor de doorstroming van vrouwen. Selectie- en zelfselectiemechanismen vormen één van die factoren. Hiervoor is met name aandacht geweest in de cultuurdiagnoses, in de management-developmenttrajecten, in de mentoringprogramma’s en in de toolkit gelijke kansen via Investors in People. Een en ander is in het bijzonder gedocumenteerd in de Mixedpublicaties «Sleutels voor succes – Hoe organisaties de deur naar de top voor vrouwen kunnen openen». Daarnaast komt dit aan de orde in «Mixed management – Handboek diversiteit m/v» en in de toolkit gelijke kansen. Sleutels voor succes en Mixed management hebben een brede verspreiding gehad onder HR-managers.A    SZW 
         
130Opzetten betere coaching voor leidinggevenden in bedrijven Toelichting implementatie: Coaching en mentoring vanuit een gender- en/of diversiteitsperspectief waren het onderwerp van de Mixedinstrumenten «coaching en mentoring», «coaching in de cultuur» en «coaching voor allochtone vrouwen». Naast coachingsactiviteiten voor (allochtone) vrouwelijke werknemers zijn in dat kader ook activiteiten uitgevoerd die leidinggevenden in hun organisaties bewust moesten maken van dat perspectief. De bevindingen zijn gedocumenteerd in Mixed management. Ook is over dit thema in het kader van Mixed een internationale expertmeeting georganiseerd. Dit heeft geleid tot de publicatie «Coaching and mentoring – A tool for equal opportunities». Hiernaast zijn er verschillende ambassadeursbedrijven die het instrument «cross mentoring» inzetten voor organisatieverandering ten gunste van gelijke kansen. D.w.z. dat niet alleen oudere leidinggevenden optreden als mentor van talentvolle vrouwen, maar dat er sprake is van een wederzijdse leerrelatie.A    SZWOIB, bedrijfsleven
         
131Diversiteitsmanagement in functie-eisen voor hogere managers Toelichting implementatie: Verschillende bedrijven die deelnamen aan hetzij Mixed, hetzij de ambassadeursnetwerken experimenteren hiermee. In de uitwisseling van good practices speelt dit thema een rol. De sturende rol van de overheid op dit punt is zeer beperkt.   L SZWbedrijfleven
         
132Diversiteitsmanagement in opleiding managers Toelichting implementatie: Sommige instituten beginnen hier aandacht aan te besteden. «Mixed management» is ook onder opleidingsinstituten verspreid. Schouten en Nelissen heeft grotere aantallen afgenomen, met het doel het te gebruiken bij trainingen voor managers.   L OCWopleidingsinstituten
         
133Diversiteitsmanagement in (evt. tijdelijke bijzondere) leerstoelen Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd.    NSZWUniversiteit, hogescholen
 Overheid als werkgever       
134Streefcijfers en actieplannen in iedere overheidsinstelling, jaarlijks overleg departementen Toelichting implementatie: De inzet van de rijksoverheid en van lagere overheden is onderwerp geweest van het onderzoek «Genderbewust personeelsbeleid bij de overheid» (2003). De cijfers van de departementen zijn openbaar gemaakt op de site van SZW. Of de streefcijfers gehaald zullen worden, verschilt per departement. De helft van de departementen en lagere overheden blijkt aandacht te besteden aan de doorstroom van vrouwen naar hogere functies, maar van inbedding in het reguliere personeelsbeleid is zelden sprake. Om het beleid een extra stimulans te geven, zal een benchmark glazen plafond voor de overheid worden ontwikkeld. Daarnaast zal BZK in het kader van diversiteitsbeleid aandacht besteden aan de positie van vrouwen bij de rijksoverheid. In het Equalproject MIXED hebben acht overheidsorganisaties deelgenomen aan verschillende pilots (twee depar- tementen, drie gemeentes en drie andere overheidsinstellingen). Verschil- lende DG’s en SG’s hebben deelgenomen aan een van de ambassadeursnetwerken en hebben in dat kader acties uitgevoerd gericht op hun eigen departement.A  L BZKdep., provincies, waterschappen, gemeenten, IPO, VNG
         
135Diversiteitsmanagement in functie-eisen hogere managers Toelichting implementatie: Indirect worden deze eisen steeds meer meegenomen door het benadrukken van de competentie omgevingsgericht leiderschap. In het kader van de nadere uitwerking van het Plan van Aanpak diversiteit in 2006 zal dit punt verder worden opgepakt.   L BZK, SZWalle departementen
         
136Diversiteitsmanagement in opleiding hogere managers Toelichting implementatie: Bij Bureau Algemene Bestuursdienst wordt bezien hoe diversiteitsmana- gement kan worden opgenomen in het Kandidatenprogramma, een opleiding voor jonge (aspirant-)directeuren in de rijksoverheid.    L BZKOCW, departementen
         
137Ondersteunen projecten VNG en IPO op terrein doorstroming vrouwen naar de ambtelijke top Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd.    NBZKVNG, IPO
         
138In het kader van de verkenning van samenwerking bureau ABD met andere overheden aandacht voor het aandeel vrouwen in hogere functies Toelichting implementatie: Er is een rijksbreed Plan van aanpak Diversiteit. Door het wegvallen van de Wet Samen is gekozen om prioriteit te geven aan etnische diversiteit. In 2006 zal een meer integraal Plan van Aanpak Rijk en Diversiteit tot stand komen, waarin ook concrete activiteiten ten aanzien van andere diversi- teitsgroepen zullen worden beschreven, zoals vrouwen in hogere functies. Het Bureau ABD werkt (in)formeel samen met andere overheidsorganisa- ties zoals de VNG om haar mogelijkheden voor «genderbewuste» werving en selectie zoveel mogelijk te verruimen. In de afgelopen vijf jaar is het netwerk van Bureau ABD alleen maar toegenomen. Het streven is om jaarlijks voor 10 à 15% van de functies mensen (mannen en vrouwen) van buiten de rijksoverheid aan te trekken. A    BZKVNG, IPO

4 Mensenrechten

  ABWLNvoortouwoverigen
 Gelijke rechten en non-discriminatie       
         
 Verdieping van instrumenten       
139Beschermingsniveau artikel 13 EG-verdrag ook toepassen voor bestaande richtlijnen op grond van geslacht; uitwerking richtlijnen artikel 13 en artikel 141 Europese Commissie Toelichting implementatie: De herziene Tweede Richtlijn (2002/73/EG): wetsvoorstel is voor advies aan de Raad van State gestuurd; het betreft een zuivere implementatie van de richtlijn. Voor de richtlijn 2004/113/EG (goederen en diensten) wordt er een implementatievoorstel gemaakt. BZK heeft hierbij het voortouw.   L SZWBZK, JUS, VWS
140Uitvoering plan van aanpak gelijke beloning Toelichting implementatie: Er is advies gevraagd aan de Stichting van de Arbeid, de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en de Commissie gelijke behandeling. Onderwerpen waarover advies is gevraagd zijn: – de wijze waarop werkgevers gestimuleerd kunnen worden om gebruik te maken van de inmiddels ontwikkelde instrumenten op het terrein van gelijke beloning; – de wijze waarop gelijke beloning meegenomen kan worden in de onderhandelingen tussen CAO-partijen – op welke wijze een Equal Pay Force kan worden ingericht en met welke bevoegdheden.   L SZW 
         
141Opstarten en vestigen informatiepunt en communicatieplan gelijke behandeling Toelichting implementatie: Een dergelijk informatiepunt zal nog slechts een beperkte meerwaarde hebben. Via websites van de overheid en van maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld het EmancipatieWeb, «emancipatie.nl»), wordt de desbetreffende informatie inmiddels aan burgers aangeboden. Via subsidies zijn in de afgelopen twee aanzienlijke bedragen uitgegeven aan de verdere bekendmaking van het VN-Vrouwenverdrag. Gelet op bovenstaande overwegingen ziet het kabinet af van oprichting en inrichting van een dergelijk informatiepunt.    NSZWJUS, BZK, VWS
         
142Experimenten gericht op het bestrijden van discriminatie en het bevorderen van gelijke behandeling op de arbeidsmarkt in het kader van EQUAL Toelichting implementatie: Er is voor de tweede tranche van Equal geen subsidiegeld gegeven; de eerste tranche is zo goed als afgerond. Zo is er subsidie gegeven aan het project Companies Care: project over gedragscodes en aan het COC voor het project Enabling safety for gay and lesbian teachers. A    SZWBZK, JUS, VWS
         
 Implementatie VN-Vrouwenverdrag       
143Ratificatie klachtrecht van vrouwen bij VN vrouwenverdrag Toelichting implementatie: In augustus 2002 is voor Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba het facultatief protocol bij het VN-Vrouwenverdrag in werking getreden. Het protocol voorziet in een individueel klachtrecht voor vrouwen, die menen dat hun rechten geschonden zijn. Nadat zij de nationale rechtsmiddelen hebben uitgeput kunnen zij een klacht indienen bij het Comité bij het VN-Vrouwenverdrag.  W  SZWRijksbreed
         
144Ondertekening en ratificatie protocol nr. 12 bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Toelichting implementatie: – Protocol nr. 12 EVRM is op 28/07/2004 voor het Koninkrijk geratificeerd. – Protocol VN-Vrouwenverdrag is op 22/05/2004 voor het Koninkrijk geratificeerd.A    BZJUS, BZK, SZW
         
145Uitbreiding van discriminatiegronden bij ILO-verdrag 111 Toelichting implementatie: Het uitbreiden van discriminatiegronden bij dit Verdrag bleek niet haalbaar.    NSZW 
         
146Tweede nationale rapportage in het kader van het VN-Vrouwenverdrag over gendersensitiviteit van het mensenrechtenbeleid, het vreemdelingenbeleid, het nieuwkomersbeleid, het integratiebeleid en het terugkeerbeleid Toelichting implementatie: In 2003 is het algemene deel en het thematische deel van de 2e nationale rapportage VN-Vrouwenverdrag uitgebracht. De thematische rapportage is opgesteld door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken en handelt over het VN-Vrouwenverdrag in relatie tot de positie van vreemdelingenvrouwen in het Nederlandse vreemdelingenbeleid en vreemdelingenrecht. De kabinetsreactie op beide rapportages is in december 2005 naar de Tweede Kamer gestuurd. De 4e internationale rapportage is in januari 2005 naar het comité (Cedaw) gestuurd. A    SZWBZ, JUS, V&I
 Ongezien onderscheid       
147Vijfde verdiepend onderzoek in het kader van het VN-Vrouwenverdrag over ongezien onderscheid in de organisatie van de betaalde arbeid en zorg Toelichting implementatie: In 2004 is het rapport Naar Ander Recht en Beleid. De betekenis van artikel 5a VN-Vrouwen-verdrag voor het uitbannen van structurele genderdiscri- minatie, aangeboden aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Bij de ratificatie in 1991 van het VN-Vrouwenverdrag heeft de regering besloten verdiepende onderzoeken te laten uitvoeren naar de betekenis van dit verdrag voor ons land. Dit rapport is het vijfde in de reeks. A    SZWVWS
         
 Maatschappelijke baten geëmancipeerde samenleving       
148Multidisciplinair onderzoek economische en sociale baten van een geëmancipeerde samenleving Toelichting implementatie: Het CPB is gevraagd de macro economische baten van een stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen tot 65% in 2010 te analyseren. In deze analyse is gekeken welke factoren een optimale, bij preferenties van individuen aansluitend niveau van arbeidsparticipatie in de weg staan. De CPB-notitie «Arbeidsparticipatie van vrouwen» is op 5 oktober 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden.A    SZW 
         
 Voorkomen en bestrijden geweld       
         
 Voorkomen en bestrijden geweld tegen vrouwen       
149Kabinetsreactie verdiepend onderzoek voorkomen en bestrijden geweld tegen vrouwen Toelichting implementatie: Het vierde verdiepend onderzoek naar de betekenis van het VN-Vrouwen- verdrag in de Nederlandse rechtsorde, Het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, heeft de bestrijding en uitbanning van geweld tegen vrouwen een nieuwe impuls gegeven. Het «geweld achter de voor- deur» heeft hernieuwde aandacht gekregen, vooral door het project Huiselijk geweld van het ministerie van Justitie. Tezamen met de aandacht voor mensenhandel (mede door de benoeming van de Nationaal Rappor- teur Mensenhandel) en voor de versterking van de rol van vrouwen en van genderdeskundigheid in conflictsituaties en de oplossing daarvan (in navolging van de Verenigde Naties en de Raad van Europa) heeft dit geleid tot een grotere nadruk op de veiligheid van vrouwen, binnen- zowel als buitenshuis. De beleidsprioriteit omvat twee onderdelen: de bestrijding en uitbanning van geweld tegen vrouwen, en de uitwisseling tussen het Nederlandse en het internationale emancipatiebeleid. A    SZWJUS, VWS, BZK, BZ, OCW
         
150Plan van aanpak voorkomen en bestrijden geweld tegen vrouwen en meisjes Toelichting implementatie: • In reactie op het onderzoek Het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen alsook op het advies Geweld tegen vrouwen van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) is de nota Een veilig land waar vrouwen willen wonen (SoZa-03-004) naar de Tweede Kamer gestuurd. De nota behelst het beleidskader van het onderwerp, de uitgangspunten, de recente activiteiten van de overheid, de algemene beleidsconclusies, en (in termen van functies) de wijze waarop verdere verbetering van het beleid vanuit de coördinatie van het emancipatiebeleid zal worden geïnitieerd. • In reactie op motie 28 600-XV, nr. 100, van Kamerlid Hirsi Ali c.s. over de ontwikkeling van een plan van aanpak «huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen» heeft de Minister van SZW de Kamer in december 2003 een notitie gestuurd.A    SZWVWS, BZK, BZ, OCW
151Subsidiemogelijkheid voor projecten beeldvorming en geweld tegen vrouwen Toelichting implementatie: In het kader van de subsidieregeling emancipatie-ondersteuning 1998 is in 2001 als actueel thema «Beeldvorming en voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en meisjes» ingesteld. Met dit actuele thema werd beoogd dat «good practices» (structureel) werden ingebed en geïmplementeerd. Samenwerking tussen organisaties c.q. voorzieningen diende centraal te staan. Er zijn naar aanleiding van dit actuele thema zeven projecten gehonoreerd voor een bedrag van € 278 322,33. In 2004 zijn 17 subsidieaanvragen gehonoreerd voor een bedrag van € 2,22 mln. In 2005 worden 12 projectaanvragen gesubsidieerd voor een bedrag van € 1,2 mln.A    SZW 
         
 Huiselijk geweld       
152Interdepartementale stuurgroep voor de coördinatie van het beleid ter voorkoming en bestrijding van huiselijk geweld die maatregelen zal voorbereiden op het terrein van verhoging maximale celstraf, aanpak daders, informatieverschaffing door politie en openbaar ministerie en hulp aan slachtoffers, relatie stalking, hinderlijk belagen door ex-partners en geweld in huiselijke sfeer Toelichting implementatie: In april 2002 is de kabinetsnota «Privé Geweld – Publieke Zaak» aan de Tweede Kamer gestuurd. De nota bevat ruim 50 concrete maatregelen en voornemens om de aanpak van huiselijk geweld structureel te verbeteren. Die maatregelen en voornemens worden thans gerealiseerd. Daartoe is een interdepartementaal programma gestart, waaraan ook de VNG en enkele tientallen landelijke organisaties en instanties meewerken. Het programma loopt tot eind 2007. De Tweede Kamer wordt op de hoogte gehouden met voortgangsberichten. Het laatste voortgangsbericht is aan de Kamer gestuurd op 6 december 2004. In 2005 zal opnieuw de stand van zaken bij de aanpak van huiselijk geweld in het land worden geïnventariseerd.A  L JUSVWS, BZK, SZW, BZ, OCW
         
153Landelijk onderzoek naar huiselijk geweld onder de allochtone bevolking Toelichting implementatie: In oktober 2002 verscheen het onderzoeksrapport «Huiselijk geweld onder Surinamers, Antillianen en Arubanen, Marokkanen en Turken in Nederland». Het toonde aan dat huiselijk geweld op een verontrustende schaal voor komt in minderheidsgroeperingen, maar veel minder dan in autoch- tone bevolkingsgroepen. Organisaties van minderheden spraken een vermoeden uit dat de onderrapportage samenhangt met het feit dat huiselijk geweld een moeilijk bespreekbaar onderwerp is, ook in allochtone kring. Op uitnodiging van de minister voor V&I en de minister van Justitie hebben minderhedenorganisaties in 2003 en 2004 onder leiding van TransAct het platform «Praten doet geen Pijn» opgericht, en gezamenlijk een plan van aanpak ontwikkeld om huiselijk geweld beter bespreekbaar te maken in de eigen achterban. De beproefde methodieken zijn beschreven in een handboek voor beroepsgroepen die te maken hebben met preventie van huiselijk geweld. Toepassing van deze methodieken stelt hen beter in staat om maatwerk te leveren aan allochtone doelgroepen.A  L JUS 
         
 Genitale verminking       
154Initiatieven en integratie van het beleid ter voorkoming en bestrijding van genitale verminking Toelichting implementatie: De speciaal ingestelde Commissie Bestrijding Vrouwelijke Genitale Verminking heeft haar Beleidsadvies Bestrijding vrouwelijke genitale verminking op 23 maart jl. aan de minister van VWS aangeboden. Deze heeft het advies naar de Tweede Kamer gestuurd (bron). Het kabinetsstandpunt is op 26 augustus naar de Tweede Kamer gestuurd.   L VWSJUS, SZW, BZ
155Ondersteunen werk VN Speciaal Rapporteur inzake geweld tegen vrouwen en VN Speciaal Rapporteur inzake traditionele gebruiken Toelichting implementatie: – Nederland ondersteunt de speciale rapporteur voor geweld tegen vrouwen dmv een krachtige lobby voor de jaarlijks door Canada inge- diende resolutie in de mensenrechtencommissie over geweld tegen vrouwen, die het mandaat van de rapporteur verlengt en bepaalt. – Nederland ondersteunt de speciale rapporteur inzake traditionele gebruiken door de resolutie te steunen die wordt ingediend door de «sub-commission on the promotion and protection of human rights». De resolutie is onlangs weer als een besluit aangenomen door de mensenrechtencommissie en de Ecosoc, waarmee het mandaat van deze rapporteur is verlengd met drie jaar. – Nederland steunt het werk van de speciale rapporteurs door middel van financiering van het bureau van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens, die als taak heeft de speciale rapporteurs te ondersteunen. Dit gebeurt door middel van staf en logistieke ondersteuning. Nederland financiert de OHCHR jaarlijks met 3 miljoen Euro (ongeoormerkt).    L BZSZW, JUS
         
 Vrouwenhandel       
156Uitvoering Verklaring van Den Haag: uitbrengen jaarlijkse rapportage door nationaal rapporteur mensenhandel, stimuleren aanstelling rapporteurs in andere landen en uitwisseling van rapportages en aanstelling Europees rapporteur vrouwenhandel Toelichting implementatie: Inmiddels heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel drie rapportages uitgebracht (2002, 2003 en 2004). Mede naar aanleiding van de aanbevelingen in de derde rapportage (2004) heeft het kabinet eind 2004 een Natio- naal Actieplan Mensenhandel gepresenteerd. Bij elke gelegenheid die zich voordoet stimuleert Nederland de aanstelling van rapporteurs mensenhandel in andere landen. Nederland ziet een netwerk van rapporteurs in Europa overigens als voorwaarde voor de aanstelling van een Europees rapporteur.   L JUSSZW, BZK, BZ, VWS, andere lidstaten int. gremia
         
157Voorbereiding en ratificatie Internationaal Verdrag inzake Bestrijding Georganiseerde Misdaad, waaronder protocol voor bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen Toelichting implementatie: Het Verdrag van de VN tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad is op 26 mei 2004 geratificeerd en op 25 juni 2004 voor Nederland in werking getreden. De ratificatie en de inwerkingtreding voor Nederland van het Protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van dit verdrag zullen in de loop van 2005 plaatsvinden. De mede ter uitvoering van deze instrumenten totstandgekomen wet uitvoe- ring van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel is op 1 januari 2005 in werking getreden.   L JUSSZW
         
158Deelname in werkgroep Commissie Gelijke Kansen van Raad van Europa ter verkenning risico’s van gebruikmaking ict voor internationale vrouwenhandel Toelichting implementatie: Dit heeft in 2003 geresulteerd in een eindrapport. A    SZWandere lidstaten RvE
         
159Stimuleren van samenwerking tussen Commissie Gelijke Kansen van de Raad van Europa, de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Europese Samenwerking (OVSE) en de Internationale Organisatie voor Migratie om te komen tot een regionaal actieplan van de Taskforce mensenhandel onder het stabiliteitspact voor Zuid-Oost Europa Toelichting implementatie: Dit is verwerkt in het Actieplan OVSE 2003.A    SZWBZ, genoemde int. org.
 Internationaal beleid       
         
 Internationale ontwikkelingen       
160Inzichten, ervaringen en «good practices» uit het nationale emancipatiebeleid inbrengen in internationale gremia zoals de VN, de EU, de ILO, de OESO en de Raad van Europa en vice versa internationale afspraken omzetten in nationaal beleid Toelichting implementatie: Waar mogelijk worden good practices ingebracht in internationale gremia, zoals High Level group gendermainstreaming, ministeriele conferenties, internationale vergadering ed. Is een lopende activiteit. Internationale richtlijnen, verordeningen e.d. zijn vaak aanleiding tot nationaal beleid.   L SZWBZ en overige departementen
         
161Gecoördineerd vervolg voor toetsing van de uitvoering van de afspraken die gemaakt zijn door de VN commissie voor milieu, mensenrechten, bevolking en ontwikkeling, emancipatiebeleid en sociale ontwikkeling en integratie van vrouwenrechten in het beleid van de relevante VN Commissies. Toelichting implementatie: De Permanente Vertegenwoordiging in Genève en New York geven opvolging aan afspraken gemaakt in VN-commissies, door bijvoorbeeld toetsing benoeming speciale rapporteurs en werkgroepen alsmede door toetsing van hun respectievelijke werkzaamheden.    L  BZ, VROM, V&W, VWS, SZW
         
162Integratie van vrouwenrechten in het beleid van internationale organen Toelichting implementatie: Rechten van vrouwen worden consequent door Nederland zoveel mogelijk geïntegreerd in resoluties over diverse thema’s (bijv. racisme, MR-activis- ten, martelingen, etc.), als in landenresoluties en in beleidsdialoog met VN-organisaties en Europese Commissie.    L BZRijksbreed
         
163Bevorderen van verdergaande samenwerking tussen de VN Commissie voor de Positieverbetering van Vrouwen (CSW) en de VN-Mensenrechten Commissie (CHR) Toelichting implementatie: Sterkere samenwerking vindt plaats tussen CSW en CHR door het afleggen van een statement van de voorzitter van de MRC tijdens de CSW (nieuw). Omgekeerd wordt in de mensenrechtencommissie een agendapunt over de situatie van vrouwen behandeld. Er zijn o.a. resoluties over geweld tegen vrouwen en vrouwenhandel.    L SZWBZ
         
164Uitvoering vijfjarig werkprogramma VN-commissie voor de Positieverbetering van Vrouwen (CSW) t.b.v. versnelde uitvoering Platform voor Actie Toelichting implementatie: Het werkplan 2001–2006 wordt uitgevoerd. De activiteiten die daarbij horen moeten leiden tot een versnelde uitvoering van het Beijing Platform for Action.   L SZWBZ, lidstaten VN
         
165Onderhandeling 46e zitting VN Commissie voor de Positieverbetering van Vrouwen over de rol vrouwen bij armoedebestrijding en het genderperspectief bij bescherming van het milieu en bij de beperking van gevolgen van natuurrampen Toelichting implementatie: De onderhandelingen zijn afgerond. Deze hebben geleid tot conclusie teksten. A    SZWBZ, lidstaten VN
 Vrede en veiligheid       
166Onderzoek versterking van de rol van vrouwen en genderdeskundigheid in conflictpreventie, -oplossing en post-conflictsituaties (humanitaire vredesmissies, internationale gerechtshoven, waaronder het toekomstig Internationaal Strafhof, onderzoekscommissies en verdragscomités) Toelichting implementatie: Instituut Clingendael heeft van september 2001 tot medio 2002 onderzoek gedaan naar de rol van vrouwen in conflictpreventie, conflictoplossing en naoorlogse wederopbouw. Het rapport is op 5 juli 2002 aan de Tweede Kamer gestuurd. In de aanbie- dingsbrief is de oprichting van een Taskforce Vrouwen, Veiligheid en Conflict aangekondigd. Deze is op 12 november 2003 geïnstalleerd. De Taskforce stuurt jaarlijks (gedurende 3 jaar) een werkplan; die van 2004 en het werkplan van 2005 zijn reeds naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarnaast is op 26 maart 2003 in een brief aan de Tweede Kamer de notitie «Stand van zaken mbt de uitvoering van de aanbevelingen van Veiligheids- raadresolutie 1325 Vrouwen Vrede en veiligheid» door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie aangeboden. B   SZWBZ, Def
         
167Actieve bijdrage aan voorbereidingen forum Gelijke Kansen Commissie Raad van Europa over de rol van vrouwen in pre- en postconflictsituaties Toelichting implementatie: Nederland is voorzitter geweest van het forum. In januari 2002 is er een ministeriële conferentie van de Raad van Europa in Macedonië geweest. Dit heeft geleid tot conclusies. Deze conclusies zijn tijdens het Nederlandse voorzitterschap EU als input gebruikt bij de conferentie Vrouwen, Veiligheid en Conflict.A    SZWRvE lidstaten
         
 Besluitvorming       
168Instellen internationale subcommissie «Water en Gender» en organiseren van informele ministeriële conferentie Toelichting implementatie: Een internationale subcommissie is niet gerealiseerd. Wel is als uitwerking van een onderdeel van het Beijing Platform for Action in 2000 een interna- tionale conferentie van deskundigen belegd over «Duurzame verandering en water in internationaal gender perspectief». Aan deze conferentie is door in totaal 90 internationale deskundigen deelgenomen, uit Afrikaanse, Aziatische en Europese landen en uit verschillende relevante sectoren. De conclusies en aanbevelingen van deze conferentie zijn ingebracht in het Tweede Wereld Water Forum en in de Ministeriële Conferentie over water in Den Haag, maart 2000. Ook zijn ze gebruikt bij de voorbereiding van de Bijzondere Zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in juni 2000 in New York, waarin het Platform for Action werd geëvalueerd. Verder is er aandacht voor het onderwerp geweest tijdens de World Summit on Sustainable Development in Johannesburg in 2002 (Millennium Development Goals) en is tijdens het Derde Wereld Water Forum in Japan in 2003 een themadag georganiseerd inzake water and gender. Nederland heeft daaraan een actieve bijdrage geleverd. A    SZWV&W, BZ
         
 Seksuele en reproductieve rechten       
169Conferentie «Van tienermoeder tot carrièrepil» en onderzoek gericht op aanbevelingen voor vervolgbeleid seksuele en reproductieve rechten Toelichting implementatie: Het ministerie van VWS heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de achtergronden van tienerzwangerschappen. Op basis van dit onderzoek zullen aanpassingen in beleid plaatsvinden, bijvoorbeeld in de voorlichting op scholen. Ook de seksuele voorlichting voor bijvoorbeeld allochtonen heeft aandacht gekregen in verschillende lespakketten en speciale projecten (bv. www.allochtonenanticonceptie.nl).   L SZWVWS
170Uitwerking in VN en Europees onderhandelingskader op grond van advies AIV, al dan niet in juridisch bindende instrumenten, van de seksuele, reproductieve en gezondheidsrechten van vrouwen en meisjes, inclusief het verband uitbannen discriminatie op grond van seksuele voorkeur Toelichting implementatie: Nederland is een actief pleitbezorger van SRGR in het algemeen en van vrouwen en jongeren in het bijzonder. Dit weerspiegelt zich in toespraken/interventies in o.a. de Commission on Population and Development, Commission on the Status of Women en indiening/ondersteuning van relevante resoluties in de Algemene vergadering van de VN en de VN-mensenrechtencommissie. Nederland is tevens de grootste donor van UNFPA (het VN-fonds dat zich met deze thema’s bezighoudt) en zal zich de komende jaren actief blijven inzetten voor verbreding en verdieping van het internationale draagvlak hiervoor. In 2004 zijn op initiatief van Nederland nieuwe EU-raadsconclusies aangenomen, waarmee ook de nieuwe lidstaten zich actief committeren tot inspanningen voor SRGR. Waar zich in internationaal verband de gelegenheid voordoet (zoals in hiervoor genoemde fora), vraagt Nederland in het kader van discriminatiebestrijding ook aandacht voor discriminatie op grond van seksuele voorkeur. Zo heeft Nederland de Braziliaanse pogingen om een resolutie over mensenrechten en seksuele geaardheid in te dienen van harte ondersteund en actief gelobbyd. De resolutie bleek echter niet haalbaar. Nederland zal zich de komende jaren blijven inzetten binnen de Mensen- rechtencommissie om het thema seksuele geaardheid op de agenda te plaatsen.    L BZ, SZWJUS, VWS
         
 Maatschappelijk verantwoord ondernemen       
171Maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van EQUAL Toelichting implementatie: De regeling EQUAL kent vier pijlers. Elke pijler bestaat uit twee thema’s. De twee thema’s onder de pijler «Ondernemerschap» zijn: • Scheppen van mogelijkheden om een bedrijf te starten • Versterken van de sociale economie Projecten gaan over onderwerpen als: stimulering van ondernemerschap met name voor groepen met een achterstand op de arbeidsmarkt, stimu- leren van maatschappelijk verantwoord ondernemen door ondersteuning van lokale samenwerkingsverbanden en bedrijven in hun maatschappijgerichte activiteiten, versterken van de tertiaire sector zoals vrijwilligerswerk, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en milieu en verbetering van de kwaliteit van arbeidsplaatsen. Zie ook beleidsactie 172.   L SZWEZ
Europese ontwikkelingen en Equal       
172Onderhandeling en uitvoering communautair actieprogramma ter ondersteuning van een integrale strategie voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen Toelichting implementatie: Het Communautair Initiatief EQUAL is opgezet om arbeidsmarktgerela- teerde discriminatie en ongelijkheid te voorkomen en te bestrijden. Vernieuwende initiatieven kunnen worden medegefinancierd door de inzet van EQUAL-middelen op de vier pijlers van de Europese werkgelegen- heidsstrategie: Inzetbaarheid, Ondernemerschap, Aanpassingsvermogen en Gelijke kansen voor vrouwen en mannen. Daarnaast is het thema Asielzoekers toegevoegd. Projecten werken samen met minimaal één transnationale Europese partner aan een innovatieve aanpak. Uiteindelijk doel van EQUAL is om de getoetste vernieuwingen in te bedden in regulier beleid, mainstreaming. EQUAL bestaat uit twee tranches. De eerste tranche is in mei 2005 afgelopen; de tweede tranche projecten starten vanaf 1 juli 2005. Najaar 2005 zullen de eindresultaten van de eerste tranche gepubliceerd worden, in de vorm van vijf eindrapportages en een samenvatting met overstijgende lessen en aanbevelingen. Deze zullen ook aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De bevordering van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen (gendermainstreaming) is een integraal onderdeel van de thematische terreinen uit alle vier pijlers en het thema Asielzoekers. Uit de interim evaluatie 2004 is gebleken dat gendermainstreaming bij een deel van de projecten nog onvoldoende leeft en concreet vorm krijgt. Om de kennis over en het draagvlak voor gendermainstreaming te vergroten, worden projectaanvragers in de tweede tranche, Nationaal Thematisch Netwerken en begeleidend consultants van het Agentschap SZW geïnformeerd over gendermainstreaming en getraind in het bekijken van projecten vanuit deze invalshoek.   L SZWEU-lidstaten
         
173Uitvoering van de vier pijlers (inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpassingsvermogen, gelijke kansen voor vrouwen en mannen) van het EQUAL programma volgens de twee sporen van het emancipatiebeleid Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 172.   L SZWEZ, VWS, OCW, BZ

5 Kennissamenleving

  ABWLNvoortouwoverigen
 Kennissamenleving       
         
 Telewerken en teleleren       
174Extra impulsen voor telewerken en teleleren o.m. binnen EQUAL Toelichting implementatie: Binnen het programma Dagindeling ESF-3 is een aantal projecten (in de 2e (2002–2004) en 3e (2004–2006) ronde) gericht op implementatie van tele- werken, zowel binnen grootbedrijf als MKB. Hierbij komen kosten en baten en cultuuraspecten richting management van telewerken aan de orde. Resultaten van de 2e ronde worden actief verspreid en geïmplementeerd, m.n. richting werkgevers.   L SZW 
         
 Gendereffecten in ict-experimenten (Kenniswijk)       
175Afspraken over monitoring van en onderzoek naar genderdimensies in recent gestarte en nieuw op te zetten ict-experimenten en iniatieven, waaronder aandacht voor bereikbaarheidsscenario’s in Kenniswijk Toelichting implementatie: Niet gerealiseerd.    NSZW 
 Nationaal netwerk kennissamenleving       
176Oprichting van een nationaal netwerk met een structuur van kenniskringen rond emancipatie Toelichting implementatie: In 2003 is een pilot Interactieve beleidsvorming uitgevoerd, dat tot doel had aanbevelingen van burgers en maatschappelijke organisaties te krijgen voor vernieuwing van het beleid. In januari werd de website «www.mannenwordenerbetervan.nl» geopend; hierop is tien weken gediscussieerd over vernieuwing van het emancipatiebeleid. Daarnaast zijn ook drie discussiebijeenkomsten georganiseerd. De discus- sie werd geconcentreerd rond drie thema’s, «Keuzevrijheid», «Participatie», en «Rechten en Veiligheid». Ruim 55 000 mensen hebben de website bezocht. Samen hebben zij ongeveer 1600 discussiebijdragen geplaatst en ruim 8100 stemmen uitgebracht op meningspeilingen. In juni zijn de aanbevelingen vastgesteld en aangeboden aan de coördinerend minister emancipatiebeleid. Onder alle deelnemers zal een boekje verspreid worden met daarin een terugblik op het hele project, een bloemlezing van het debat, de aanbevelingen en een weergave van de reactie van de minister op de aanbevelingen.     NSZWVWS, EZ, OCW,ea
         
 Positieversterking vrouwengroepen       
177Het verbeteren van de digitale infrastructuur en de ict-professionaliteit binnen vrouwenorganisaties d.m.v. een extra Informatiseringsimpuls Toelichting implementatie: Van 1998 tot en met 2003 liep de subsidieregeling emancipatie-ondersteu- ning 1998. In het kader van deze regeling werden elk jaar naar aanleiding van de actualiteit middelen beschikbaar gesteld voor een twee- tot drietal actuele thema’s. In 2001 was één van de actuele thema’s «Verbeteren digitale infrastructuur en ict-professionaliteit van vrouwenorganisaties». De activiteiten dienden gericht te zijn op het verbeteren van de digitale toegang tot emancipatierelevante informatie en/of het bevorderen van informatie-uitwisseling tussen vrouwenorganisaties met behulp van nieuwe media; (zoveel mogelijk) aansluiting bij bestaande initiatieven.A    SZWvrouwenorganisaties
         
178Het stimuleren van samenwerkingsexperimenten in stedelijke gebieden en op het platteland, gericht op de inzet van ict voor de verbetering van de persoonlijke en sociale leefsituaties kansarme vrouwen. Toelichting implementatie: ESF-Equal project vrouwelijk ondernemerschap, waarin ook uitgebreid gebruik wordt gemaakt van ICT ter verbetering van de sociale leefsituatie van vrouwen in een achterstandspositie. Zie ook beleidsactie 14.    L SZW, LNVVWS
         
 Vrouwen en ict       
         
 Emancipatiebewustwording/ict-vaardigheden laagopgeleide jongeren       
179Het stimuleren van meningsvorming en bewustwording over emancipatiegerelateerde onderwerpen bij met name laagopgeleide meisjes en jongens, d.m.v. een ict-project Toelichting implementatie: In 2003 is onder de oude subsidieregeling emancipatie-ondersteuning 1998 het project Rechtinbeeld uitgevoerd. Het betreft een interactie website www.rechtinbeeld.nl. Deze site vertoonde filmpjes over thema’s als loverboys en partnerkeuze gevolgd door een chatbox en informatie over hulpverleningsmogelijkheden. De site was gericht op het informeren van meisjes en vrouwen tussen de 13 en 30 jaar, maar bleek onder grote groepen jongeren tot veel discussie te leiden. De site is gelinkt aan de grote online jongerencommunities www.Leerlingen.com en www.Marokko.nl.A    SZWBZK, VWS
         
 Beleidsinformatie en ict       
180Het ondersteunen van initiatieven die met behulp van ict voor emancipa- tiedoelen relevante beleidsinformatie, nationaal en internationaal versneld en verbeterd toegankelijk maken. Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 177. A    SZWBZK, JUS
181Het verkennen van de risico’s van het gebruik van ict voor vrouwenhandel en andere schendingen van de mensenrechten, door actieve participatie aan een speciaal hiertoe opgerichte werkgroep. Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 158. A    SZWBZK, JUS
         
 Sekseverschillen in computeronderwijs       
182Maatregelen en acties in het kader van het plan van aanpak sekseverschil- len in computeronderwijs in het primair en voortgezet onderwijs. Toelichting implementatie: In 1999 en 2002 heeft het SCO-Kohnstamm Instituut in opdracht van OCW onderzocht of de inzet van ict in de klas leidt tot (verdere) verschillen tussen leerlingen. Beide onderzoeken leverden echter geen aanwijzingen op die deze aanname bevestigden. Er is derhalve geen aanleiding om nadere beleidsactiviteiten te ontplooien op dit terrein. Met de ontwikkeling van de relatie tussen ministerie en scholen wordt er voor uitvoering een toenemende verantwoordelijkheid bij de scholen neergelegd. Het thema emancipatie en «gender mainstreaming» wordt daarmee de verantwoordelijkheid van de scholen. Om de verantwoordelijkheid voor dit onderwerp bij het onderwijsveld zelf neer te leggen is aan stichting Kennisnet gevraagd om een diversiteitsplein in te richten, waar docenten terecht kunnen voor informatie en tools over hoe om te gaan met verschillen tussen leerlingen. Dit plein is sinds 1 oktober 2002 online.A    OCW 
         
 Versterken positie vrouwen in ict       
183In het project Vrouwen/mannenbalans bij ict, worden maatregelen uitgewerkt die de participatie van meisjes/vrouwen in ict-opleidingen en -bedrijven gaan vergroten. Toelichting implementatie: • Voor het deelproject Opleidingen zijn er zowel in mbo als hbo enkele trajecten ontwikkeld en uitgevoerd met bijzondere zorg voor deelname van vrouwen, en er zijn vele soorten verspreidingsactiviteiten uitgevoerd (artikelen, internet/kennisbank Axis, conferenties). Tegenslagen vormden de ICT-crisis en faillissement bij een opleider. Ervaringen werken o.a. door in ESF-Equal-projecten.• In het kader van de taskforce Risseeuw, een taskforce die oplossingen zocht voor de grote tekorten aan ICT-personeel op de arbeidsmarkt, is in 2000 een tiental projecten gehonoreerd welke gericht waren op een sterke samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. • Toegespitst op specifieke groepen (allochtonen, hoogopgeleide asielzoe- kers en vrouwen) werden vanaf mbo-niveau tot aan WO-niveau diverse opleidingsen scholingstrajecten ontwikkeld. Eén daarvan was gericht op vrouwen die d.m.v. bijscholing opgeleid werden voor de IT-markt. Uitvoerende partij was de Vrouwenvakschool in Utrecht, «peetvader» was het bedrijf Ordina en later Pink Roccade.A    EZOCW
         
184In het kader van EQUAL op te zetten transnationale vernieuwings-projecten binnen EU-verband. Toelichting implementatie: Zie beleidsactie 172.    L SZWOCW, EZ

A afgehandeld

B opgenomen in beleidsontwikkeling

W opgenomen in wet of regeling

L lopend

N niet gerealiseerd

6 Overzicht bronnen behorende bij beleidsacties envoornemens

1 Arbeid, zorg en inkomen

1 Tijdelijke regeling kinderopvang herintredende vrouwen via ESF

– Wet Kinderopvang (28 447)

2 Betrekken doel vergroten arbeidsparticipatie vrouwen bij bestrijden armoedeval

– Motie Omtzigt over armoedeval (29 764/29 765, nr. 26)

– SZW, Overzicht armoedeval, dd 26 oktober 2005

3 In kaart brengen en intensiveren arbeidsvoorzieningenbeleid voor niet-uitkeringsgerechtigde (her)intredende vrouwen

– Brief Herintredende vrouwen (27 853, nr. 17)

4 Verbeteren arbeidsmarktkansen van herintreedsters door onderzoek, voorlichting, pilotprojecten en experimenten in kader EQUAL

– Voortgangsbrief ESF3 – EQUAL (26 642, nr. 72 en nr. 75)

6 Zichtbaar maken van kennis, vaardigheden en ervaringen die herintreedsters hebben opgedaan buiten formele onderwijssysteem via EVC-trajecten

– Zie ook www.kenniscentrumevc.nl

7 Vergroten arbeids- en maatschappelijke participatie allochtone vrouwen door onderzoek en beleidsontwikkeling

SCP, Emancipatie in estafette. De positie van vrouwen uit etnische minderheden, M. Gijsberts, A. Merens, S. Groeneveld, W. van der Laan Bouma-Doff, T. Marx, A. van Putten, Onderzoeksrapport 2004–1.

– Plan van aanpak emancipatie en integratie (29 203, nr. 3)

– Stand van zaken plan van aanpak Emancipatie en integratie (29 203 nr. 16)

– Samenvatting plan van aanpak emancipatie en integratie (29 203, nr. 23)

8 Bevorderen maatschappelijke participatie en arbeidsparticipatie allochtone vrouwen door instelling commissie Arbeidsdeelname Vrouwen uit Etnische Minderheden

– Projectplan commissie PaVEM (29 203, nr. 26)

– Kabinetsreactie op het eindrapport van de commissie PaVEM (29 203, nr. 26)

9 Maatregelen voor maatwerk in inburgeringsprogramma’s t.b.v. allochtone vrouwen

– Herziening inburgeringsstelsel (29 543/30 300 VI, nr. 13)

10 Onderzoek naar oorzaken relatief grote instroom vrouwen in de WAO

– Meerjarenbeleidsplan Emancipatie (27 061, nr. 12)

– «Geen kwestie van motivatie maar van situatie», (SZW 02-814)

– Plan van aanpak vrouwen en WAO (28 333, nr. 3)

11 Bedrijven stimuleren om te investeren in kwaliteit van de arbeid (van vrouwen) door verzamelen good practices en sectorgewijze voorlichting hierover

– Onderzoek TNO Arbeid «Investeren in de kwaliteit van de arbeid van laagopgeleide vrouwen», A. Smit, M. G. Feyter 2001.

14 Bevorderen ondernemerschap vrouwen door monitoring, organiseren netwerkactiviteiten en vernieuwende initiatieven

– Monitor Etnisch Ondernemerschap (29 800 XIII, nr. 45)

– Het Actieplan «Nieuw ondernemerschap» (29 800-XIII, nr. 84)

– Voortgang Actieplan Nieuw Ondernemerschap (30 300 XIII, nr. 11)

15 Kabinetsstandpunt over regelgeving zwangere en pas bevallen (mede)-onderneemsters

– Wet einde toegang verzekering WAZ (29 497)

– Wet arbeid en Zorg (27 207, A)

16 Nieuwe verkenning fiscaal stelsel (inclusief EER)

– Verkenning belasting- en premieheffing (27 400 XV, nr. 27)

17 Monitoring beloningsverschillen mannen en vrouwen en ontwikkeling toets sekseneutraliteit functiewaarderingssystemen

– Vierde Voortgangsrapportage gelijke beloning (27 099, nr. 11);

19 Voorlichtingscampagne gericht op jongeren (1990-generatie) via o.a. internet

– Subsidieregeling emancipatie-ondersteuning, actueel subsidiethema Levensloopbaan en de jonge generatie,DCE/2002/8152 (7 februari 2002).

20 Wijziging in het basishuwelijksregime (inclusief EER)

– R. Holtmaat, Emancipatie Effectrapportage wijziging basisstelsel huwelijksvermogensrecht, 2001

– Wetsvoorstel tot aanpassing van de wettelijke gemeenschap van goederen (28 867)

21 Flexibilisering van arbeids(duur)patronen in relatie tot levensloopperspectief op agenda Najaarsoverleg

– Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (29 760 A)

23 Experimenten gericht op vernieuwingen in de organisatie van de arbeid (grote en kleine bedrijven) die mogelijkheden voor combinatie arbeid en zorg vergroten (zo mogelijk ook in kader EQUAL)

– zie ook www.emancipatieweb.nl/dagindeling/home

24 Monitoring en evaluatie van Arbeidstijdenwet en Wet aanpassing arbeidsduur op gebruik door mannen en vrouwen

– Evaluatie Arbeidstijdenwet (27 865, nr. 1)

– Arbeidstijdenwet (29 503, nr. 1)

25 Kabinetsstandpunt langdurend verlof

– Langdurend zorgverlof, Kamerstukken I, vergaderjaar 2004–2005, 28 467, A

28 Onderzoek naar de integratie van onbetaalde arbeid in de sociaal-economische beleidsvoorbereiding

– SCP, Onbetaalde arbeid (SZW 02-200)

29 Projecten gericht op het vergroten van de zorgverantwoordelijkheid van mannen in kader EQUAL

– Evaluatie Mannen in de Hoofdrol (29 769, nr. 8)

– Werkende Vaders, Zorgende Mannen, Rapport working fathers, caring men (29 769 nr. 2)

30 Meerjarige publiekscampagne werk en privé met onder andere aandacht voor mannen en zorg

– zie ook www.toptijd.nu

32 Bevorderen uitstroom van alleenstaande ouders uit de bijstand door maatwerk en sluitende aanpak, voldoende kinderopvang en verlof en gematigde arbeidsverplichting

– Wet werk en bijstand (28 870)

– Wet kinderopvang (28 447)

33 Kabinetsvoornemen tot verruiming mogelijkheid om in bijstand scholing te volgen

– Wet werk en bijstand (28 870)

34 Onderzoek naar invloed alimentatie op participatiebeslissing van alleenstaande ouders in de bijstand

– Alleenstaande ouders, het combinatiescenario en kinderalimentatie, Bureau Jehoel Gijsbers, 2001

– Het kind centraal verantwoordelijkheid blijft, Eindrapport van de werkgroep alimentatiebeleid, Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO), 2002

– Wetsvoorstel alimentatiebeleid (29 480)

35 Uitbreiding capaciteit en versterking toezicht op kwaliteit kinderopvang

In 2003 is kinderopvang overgeheveld van het ministerie van VWS naar het ministerie van SZW.

– Wet kinderopvang (28 447, nr. 107)

– S. van der Kemp, M. Kloosterman, Het aanbod van kinderopvang per 2004, 2005.

– J. J. van der Wel, M. Gemmeke (Regioplan), Werkgevers bijdrage kinderopvang, eindrapport, 2005.

– Price WaterhouseCoopers, Financiële positie kinderopvang organisaties per 31 december 2003, april 2005

– SZW, Afspraken over kinderopvang in CAO’s, november 2004

– Monitor uitbreiding kinderopvang, 2003

36 Voorbereiding Wet basisvoorziening kinderopvang

– Wet kinderopvang van 9 juli 2004 (Staatsblad 455) is per 30 oktober 2004 in werking getreden (28 447)

38 CAO-onderzoek naar afspraken kinderopvang om prestaties sectoren in overleg met sociale partners te vergelijken

– onderzoeken kinderopvang (28 447, nr. 107)

39 Betere toegankelijkheid kinderopvang voor lage inkomens door betere vormgeving buitengewone lastenaftrek en ouderbijdrage

– Wet kinderopvang (28 447)

40 Onderzoek knelpunten tussenschoolse opvang ter voorbereiding Wbk

– «Professionalisering van het overblijven op de basisschool», Kamerstuk 2001–2002, 26 587, nr. 19.

– onderzoek door Research voor Beleid («Evaluatie van de subsidieregelingen scholing overblijfkrachten 2002 en 2003» (oktober 2004)

41 Kabinetsstandpunt over opname tussenschoolse opvang in Wbk

– Zie ook brief aan Tweede Kamer PO/OO/2004/48 937 en Algemeen Overleg d.d. 18 november 2004 (29 800-VIII, nr. 17)

42 Fiscale stimuleringsmaatregel ouderschapsverlof

– Ouderschapsverlof, kamerstukken I, vergaderjaar 2000–2001, 27 431

– Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (29 760)

43 Onderzoek naar de invloed van de inrichting van de sociale zekerheid en pensioenstelsel op de arbeidsparticipatie van (lager opgeleide) vrouwen en de verdeling van arbeid en zorg tussen mannen en vrouwen

Ik ga niet betalen om te werken, Nyfer, 2001.

– Verkenning Levensloop (28 000 XV, nr 36)

44 Nota over «levensloopbewust beleid»

– Verkenning Levensloop (28 000 XV, nr 36)

2 Dagindeling

45 Commissie Dagarrangementen voor ouders en kinderen: betere afstemming en versnelling beleid inzake aanbieden opvang, onderwijs en vrije tijd

– Eindadvies Commissie Dagarrangementen (SZW 02-212)

46 Monitor Tijdinfrastructuur: inzicht in tijdknelpunten in de samenleving

– K. Breedveld, A. van den Broek, J. de Haan, J. de Hart, F. Huysmans, D. Niggebrugge, «Trends in de tijd: een schets van recente ontwikkelingen in tijdsbesteding en tijdsordening», SCP, 2001

– K. Breedveld, M. Cloïn, A. van den Broek, Ruimte voor tijd, SCP, 2002 (zie ook SZW 02-474)

47 Plan van aanpak Afstemming tijden

– K. Breedveld, M. Cloïn, A. van den Broek, Ruimte voor tijd, SCP, 2002 (zie ook SZW 02-474)

48 Flexibilisering en verruiming openingstijden kinderopvang

– Wet kinderopvang (28 447)

50 Bevorderen cultuurverandering in bedrijven inzake verbetering werk-privé balans

– Mixed management – handboek voor diversiteit m/v

51 Uitwerken bereikbaarheidsscenario, afstemmen beleid andere betrokken ministeries, leidraad implementatie

– Bereikbaarheidsscenario: verkenning van een extra optie voor taakcombineerders, 2000 (SZW 00-630)

52 Ontwikkelen pilots bereikbaarheidsscenario, telewerken

– Domotion, TNO, «Telewerken en bereikbaarheid: effecten van telewerken op de bereikbaarheid van de regio Amsterdam», 2004.

55 Behoeften taakcombineerders betrekken bij uitwerking 5e nota RO, onder meer door Emancipatie Effect Toets

– Emancipatie effectrapportage op de Vijfde nota ruimtelijke ordening, 2001

57 Uitwerken partneringmodel t.b.v. integreren «dagindelingsfuncties» in zorgknooppunten

– Partnering Model, voor de ontwikkeling van voorzieningen in nieuwe stedelijke gebieden, 2002

– Zie ook www.partneringmodel.nl

62 Modellen ontwikkelen voor multifunctionele gebouwen en ontwikkelingen bundelen in een beleid, o.a. door publicatie met stimulerende voorbeelden

Leidraad voor multifunctionele accommodaties,januari 2002

Businessplan multifunctionele accommodaties,december 2003

Dagarrangementen in de Brede school, januari 2005

De Vensterschool deelt, maart 2005

63 Multifunctionele gebouwen/ruimtes betrekken bij uitwerken 5e nota RO en Architectuurnota

– De PKB Vijfde nota ruimtelijke ordening, (27 578, nr. 7).

– Architectuurnota «Ontwerpen aan Nederland, architectuurbeleid 2001–2004)», (27 450, nr. 12)

68 Helpdesk t.b.v. ondersteuning lokale en provinciale autoriteiten bij modern planologisch denken

– Zie ook www.vrom.nl/ruiteforum

70 Opstellen aantal toekomstscenario’s t.b.v. dagindeling

– SCP, Toekomstscenario’s dagindeling

– het Ruimtelijk Planbureau, «1000 dingen op een dag, een tijdsbeeld uitgedrukt in ruimte», 2004.

75 Speciale aandacht voor allochtone taakcombineerders

Wereldtijd, Multicultureel magazine voor Dagindeling

Bouwen aan samenwerking

Internationale good practices in Europa en de VS

– Zie ook www.E-Quality.nl

78 Vaststellen minimaal noodzakelijk voorzieningenniveau landelijk gebied

– Verweij-Jonker instituut, Taakcombineerders in landelijk gebied, 2002

– NIZW, Rust, ruimte en hectiek, januari 2003.

83 MDW-traject particuliere dienstverlening

– MDW, Vijf vliegen in één klap; naar één markt voor persoonlijke diensten, 2001 (24 036, nr. 244)

– Kabinetsstandpunt Persoonlijke dienstverlening (29 544, nr. 22)

– CPB, Beleidsvariant huishoudelijke dienstverlening, 2005/17, 29 april 2005 (29 544, nr. 22, bijlage)

88 Nota tussenstand experimenten dagindeling en Congres Dagindeling Halverwege

– Dagindeling Halverwege; tussenstand experimenten, 2002 (SZW 02-48)

– Kabinetsstandpunt Dagindeling halverwege, 2002 (SZW 02-212)

89 Interbestuurlijke-, Interdepartementale Werkgroep Verankeringdagindeling in bestaand en nieuw beleid

– Wet kinderopvang (28 447)

90 Start ESF-programma Local Social Capital

– SZW, Internationale good practices in Europa en de VS

91 Monitor experimenten dagindeling

Monitor Dagindeling. Eindrapport. Door M. Vos, J. Mur en G. Homburg. Amsterdam, Regioplan Beleidsonderzoek, 2003

92 Beschrijving «good practices» (experimenten dagindeling)

Oplossingen Dagindeling, pamflettenreeks, 2003

Dagindeling in Actie. Resultaten en producten van 27 projecten Dagindeling ESF-3, 2005

94 Evaluatie/eindadvies Stimuleringsmaatregel Dagindeling

Beter voor de dag. Evaluatie van de Stimuleringsmaatregel Dagindeling, SCP, 2003.

Ruimte voor Ritme, Eindadvies Stuurgroep Dagindeling, 2003

95 Voorstellen voor onderzoeksprogramma dagindeling, o.a. naar behoeften dagindelingsarrangementen en zorginfrastructuur

– Nivel, Tijden in de gezondheidszorg 2001.

– SEOR, regelingen in het buitenland met betrekking tot de markt voor persoonlijke dienstverlening, 2004

– SCP, Naar andere tijden? Tijdsbesteding en tijdsordening in Nederland, 1975–1995, 2002

96 Meerjarige communicatiecampagne Dagindeling

Wereldtijd, Multicultureel magazine voor Dagindeling

Toptijd (www.toptijd.nu)

3 Macht en besluitvorming

97 Leidraad (o.a. op internet) voor werving en selectie vrouwelijke en allochtone kandidaten bij iedere verkiezing

– BZK, VNG, Leidraad voor rekrutering van politici

– zie ook www.vernieuwingsimpuls.nl

98 Bij uitwerking nieuw kiesstelsel kijken naar kansen voor vrouwen en minderheden om een zetel te verwerven (emancipatie-effectrapportage)

– wetsvoorstel Nieuw kiesstelsel (29 986)

99 Voorzieningen voor combineren arbeid en zorg voor lokale en provinciale politici

– de tijdelijke vervanging van hun leden wegens zwangerschap, bevalling of ziekte (Wet van 20 januari 2005, Stb. 2005, 52), (28 727)

109 Voorlichting over instrumenten aan maatschappelijke bewegingen

– Zie ook www.publiek-politiek.nl

112 Uitstroom vrouwen monitoren en maatregelen ontwikkelen

– «Afscheid van de staten. Een terugblik op het lidmaatschap van provinciale staten» en «Afscheid van de raad. Een terugblik op het raadslidmaatschap», juni 2002.

– BZK, voortgangsrapportage «Vrouwen in politiek en openbaar bestuur», 2004

114 Ontwikkelen programma’s diversiteit in lokale (politieke) middenveld

– IPP, «De wereld in huis, allochtonen in Amsterdamse raden en besturen», 2004

– IPP, «Vinden en vasthouden», 2004

– Zie ook www.publiek-politiek.nl

117 Benchmark ontwikkelen en daarmee ontwikkelingen monitoren

– Zie ook www.glazenplafondindex.nl

129 Selectie- en zelfselectiemechanismen in bedrijfscultuur zichtbaar maken bij doorstroom naar hogere functies

– Mixed, «Sleutels voor succes – Hoe organisaties de deur naar de top voor vrouwen kunnen openen»

– Mixed management – Handboek diversiteit m/v

– Toolkit gelijke kansen.

130 Opzetten betere coaching voor leidinggevenden in bedrijven

– Mixed, Coaching and mentoring – a tool for Equal opportunities

132 Diversiteitsmanagement in opleiding managers

– Mixed management – Handboek diversiteit m/v

134 Streefcijfers en actieplannen in iedere overheidsinstelling, jaarlijks overleg departementen

– Genderbewust personeelsbeleid bij de overheid, SZW, 2003 (SZW 04–613)

4 Mensenrechten

139 Beschermingsniveau artikel 13 EG-verdrag ook toepassen voor bestaande richtlijnen op grond van geslacht; uitwerking richtlijnen artikel 13 en artikel 141 Europese Commissie

– Tweede herziene richtlijn (2002/73/EG) (30 237)

– Richtlijn houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (2004/113/EG) (21 109)

141 Opstarten en vestigen informatiepunt en communicatieplan gelijke behandeling

– zie ook www.emancipatieweb.nl en www.emancipatie.nl

143 Ratificatie klachtrecht van vrouwen bij VN-vrouwenverdrag

– Facultatief protocol bij het VN-Vrouwenverdrag (28 253, nr 252a/A en 252/1)

144 Ondertekening en ratificatie protocol nr. 12 bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

– Protocol nr 12 EVRM (28 100 (R1705))

146 Tweede nationale rapportage in het kader van het VN-Vrouwenverdrag over gendersensitiviteit van het mensenrechtenbeleid, het vreemdelingenbeleid, het nieuwkomersbeleid, het integratiebeleid en het terugkeerbeleid

– VN-Vrouwenverdrag in relatie tot de positie van vreemdelingenvrouwen in het Nederlandse vreemdelingenrecht en vreemdelingenbeleid. (Evaluerende) rapportage van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, Den Haag, 2002 (Just 03-524)

– Kabinetsreactie tweede nationale rapportage VN-Vrouwenverdrag (SZW 04-002)

– Fourth report of the Netherlands to the UN, januari 2005 (SZW 05-184)

147 Vijfde verdiepend onderzoek in het kader van het VN-Vrouwenverdrag over ongezien onderscheid in de organisatie van de betaalde arbeid en zorg

– R. Holtmaat, Naar Ander Recht en Beleid. De betekenis van artikel 5a VN-Vrouwen-verdrag voor het uitbannen van structurele genderdiscriminatie (SZW 04-566)

149 Kabinetsreactie verdiepend onderzoek voorkomen en bestrijden geweld tegen vrouwen

– Het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen. Een verdiepend onderzoek naar het Nederlandse beleid in het licht van de verplichtingen die voortvloeien uit het Vrouwenverdrag, I. Boerefijn, M. M. van Liet-Senders, T. Loenen, SZW/Elsevier bedrijfsinformatie, Den Haag, 2000.

Het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwenvan het Studieen Informatiecentrum Mensenrechten (SIM, 2000)

– Advies Geweld tegen vrouwen van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)

– Nota Een veilig land waar vrouwen willen wonen (SZW 03-004)

150 Plan van aanpak voorkomen en bestrijden geweld tegen vrouwen en meisjes

– Plan van aanpak «huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen» (29 200 XV, nr. 37)

152 Interdepartementale stuurgroep voor de coördinatie van het beleid ter voorkoming en bestrijding van huiselijk geweld die maatregelen zal voorbereiden op het terrein van verhoging maximale celstraf, aanpak daders, informatieverschaffing door politie en openbaar ministerie en hulp aan slachtoffers, relatie stalking, hinderlijk belagen door ex-partners en geweld in huiselijke sfeer

– kabinetsnota «Privé Geweld – Publieke Zaak» (28 345, nr. 2)

– Huiselijk geweld voortgangsbericht 2004 (28 345, nr. 26)

– Nationaal Actieplan tegen geweld (28 684, nr. 65)

153 Landelijk onderzoek naar huiselijk geweld onder de allochtone bevolking

– T. van Dijk cs, Huiselijk geweld onder Surinamers, Antillianen en Arubanen, Marokkanen en Turken in Nederland, Intomart-Hilversum, in opdracht van het Ministerie van Justitie, 2002 (Just 02–959)

154 Initiatieven en integratie van het beleid ter voorkoming en bestrijding van genitale verminking

– Aanpak vrouwelijke genitale verminking (29 200 XVI, nr. 231);

– Termijn toezending advies RVZ over effectieve bestrijding van vrouwelijke genitale verminking (VWS-05–316);

– Kabinetsstandpunt over het RVZ-advies over effectieve bestrijding van vrouwelijke genitale verminking (22 894, 29 800 XVI, nr. 66)

156 Uitvoering Verklaring van Den Haag: uitbrengen jaarlijkse rapportage door nationaal rapporteur mensenhandel, stimuleren aanstelling rapporteurs in andere landen en uitwisseling van rapportages en aanstelling Europees rapporteur vrouwenhandel

– brief d.d. 1 juni 2005 over Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad; New York, 15 november 2000 (Trb. 2001, 69, en Trb. 2004, 35) (30 157, R 1792);

– brief d.d. 11 augustus 2005 inzake Nationaal Actieplan Mensenhandel (28 638, nr. 16);

– Eerste en rapportage Nationaal Rapporteur Mensenhandel (Just 02-497)

– Tweede rapportage Nationaal Rapporteur Mensenhandel (Just 03-67)

– Brief van de minister van Justitie van 15 oktober 2002 inzake het kabinetsstandpunt over de eerste rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (28 638, nr. 1)

157 Voorbereiding en ratificatie Internationaal Verdrag inzake Bestrijding Georganiseerde Misdaad, waaronder protocol voor bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen

– Bestrijding mensenhandel en mensensmokkel (29 291)

164 Uitvoering vijfjarig werkprogramma VN-commissie voor de Positieverbetering van Vrouwen (CSW) t.b.v. versnelde uitvoering Platform voor Actie

– Zie ook Beleidsbrief Emancipatiebeleid 2002 (28 009, nr. 1, p. 58)

– Beijing Platform for Action (www.un.org/esa/progareas/women.html)

– The Netherlands ten years after Beijing, 2005 (SZW 04-586)

166 Onderzoek versterking van de rol van vrouwen en genderdeskundigheid in conflict-preventie, -oplossing en post-conflictsituaties (humanitaire vredesmissies, internationale gerechtshoven, waaronder het toekomstig Internationaal Strafhof, onderzoekscommissies en verdragscomités)

– «Womens roles in conflict prevention, conflict resolution and post conflict reconstruction», Clingendael, November 2002

– Werkplan Taskforce Vrouwen, Veiligheid en Conflict 2004, 24 juni 2004, (SZW 04-482)

– Werkplan Taskforce Vrouwen, Veiligheid en Conflict 2005, 9 december 2004, (SZW 04-881)

– Stand van zaken mbt uitvoering van de aanbevelingen van de Veiligheidsraad Resolutie 1325 Vrouwen Vrede en Veiligheid door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie (Def 03-45).

167 Actieve bijdrage aan voorbereidingen forum Gelijke Kansen Commissie Raad van Europa over de rol van vrouwen in pre- en postconflictsituaties

– Zie ook www.emancipatieweb.nl/eu_emancipation

168 Instellen internationale subcommissie «Water en Gender» en organiseren van informele ministeriële conferentie

– Zie ook www.iiav.nl/eng/ic/water/index_dossier.html

169 Conferentie «Van tienermoeder tot carrièrepil» en onderzoek gericht op aanbevelingen voor vervolgbeleid seksuele en reproductieve rechten

– Zie ook www.allochtonenanticonceptie.nl

171 Maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van EQUAL

– Zie ook www.agentschap.szw.nl

172 Onderhandeling en uitvoering communautair actieprogramma ter ondersteuning van een integrale strategie voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen

– Voortgangsbrief ESF-EQUAL (26 642, nr. 71)

– Voortgangsbrief ESF-EQUAL (26 642, nr. 75)

5 Kennissamenleving

176 Oprichting van een nationaal netwerk met een structuur van kenniskringen rond emancipatie

– Zie ook www.mannenwordenerbetervan.nl

– Interactief Beleidstraject (27 061, nr. 25)

179 Het stimuleren van meningsvorming en bewustwording over emancipatiegerelateerde onderwerpen bij met name laagopgeleide meisjes en jongens, d.m.v. een ict-project

– zie ook www.rechtinbeeld.nl, www.leerlingen.com, www.marokko.nl

182 Maatregelen en acties in het kader van het plan van aanpak sekseverschillen in computeronderwijs in het primair en voortgezet onderwijs.

– Nieuwe media, nieuwe verschillen; een review-studie over sekseverschillen en ict in het primair en voortgezet onderwijs

– ICT en diversiteit; ict-gebruik door leerlingen en docenten in het basis- en voortgezet onderwijs

– Zie ook www.kennisnet.nl

BIJLAGE 2 Overzicht instellingen/organisaties brainstormbijeenkomsten d.d. 31 mei 2005 en /5/05 en 30 juni 2005

Bureau Maatrix, integratie- en participatiebevordering

Choice for Youth and Sexuality

Christelijke Nationale Vakbond

Commissie Gelijke Behandeling

Communicatiebureau BC&O

Emancipatiebureau Enzovoort

Emancipatiebureau Importante

Emancipatiebureau Scala

E-Quality. Kenniscentrum voor emancipatie in de multiculturele samenleving

Expertisecentrum Leeftijd

Federatie Opvang/Stichting tegen Vrouwenhandel

FNV Bondgenoten

FORUM, Instituut voor multiculturele ontwikkeling

GAIA, netwerk voor vrouwen uit de aardwetenschappen

Gemeente Venlo

GGD Den Haag

Humanistisch Overleg Mensenrechten

IIAV (Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging)

Instituut Publiek en Politiek

IOT (Inspraakorgaan Turken)

Katholieke Universiteit Nijmegen

Kenniscentrum EVC (Elders Verworven Competenties)

Kenniscentrum Grote Steden

Landelijk Bureau tegen Leeftijdsdiscriminatie

Landelijk Overleg Minderheden

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties

Ministerie van Buitenlandse Zaken

Ministerie van Defensie

Ministerie van Economische Zaken

Ministerie van Financiën

Ministerie van Justitie

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

MV International Management and Consultancy

Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO)

Nederlandse Gezinsraad

Nederlandse Vrouwenraad

Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (NIROV)

Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW)

Novib

Operatie Jong

Opportunity in bedrijf

Pharos, kenniscentrum vluchtelingen en gezondheid

Provincie Zuid-Holland

Rutgers Nisso Groep

SER

Sociaal en Cultureel Planbureau

Stuurgroep Dagindeling

Taskforce Vrouwen, Veiligheid en Conflict

TIYE International

TNO Arbeid

TNO Preventie en Gezondheid

Transact

Vensterschool Groningen

VNO-NCW

VON

Ym de Boer Advies


XNoot
1

Bronnen indien niet vermeld CBS of Emancipatiemonitor 2004.

XNoot
2

Voortgangsrapportage vrouwen in politiek en bestuur 1997–2003, Emancipatiemonitor 2004, SCP.

XNoot
1

Research voor Beleid. Betreft voltijdplaatsen.

XNoot
2

De cijfers zijn afkomstig uit de nog te verschijnen Sociale Atlas Allochtone vrouwen van het SCP en hebben betrekking op vrouwen tussen de 25 en 39 jaar. Het gaat om banen van 12 uur of meer.

XNoot
1

De netto arbeidsparticipatie in voltijdsequivalenten (fte) wordt hier kortweg aangeduid met «arbeidsvolume».

XNoot
1

Eindrapportage Emancipatietaakstellingen Departementen, Kamerstukken II, 2001–2002, SZW 02–500.

XNoot
2

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Budgettering vanuit een man/vrouw perspectief: een verslag van drie pilots, december 2003.

XNoot
1

De Graaf, Meijer, Poelman, Vanwesenbeek, Seks onder je 25e (2005), Rutgers Nisso Groep/Soa Aids Nederland, Utrecht.

XNoot
2

Stichting tegen vrouwenhandel, Jaarverslag 2004, Amersfoort.

XNoot
3

M. Goderie, ter Woerds, S, Meten van geweld achter de voordeur. Verslag van de pilots lokale Vrouwenveiligheidsindex (2005), Verwey-Jonker Instituut, Utrecht.

XNoot
4

Privé Geweld – Publieke Zaak. Een nota over de gezamenlijke aanpak van huiselijk geweld. april 2002, Den Haag.

XNoot
5

Deze indicatoren zijn: 1. het aantal, dat werkgerelateerde gevallen van seksuele intimidatie op de werkplek rapporteert, als percentage van de totale beroepsbevolking; 2. het aantal publieke en particuliere ondernemingen dat preventief beleid heeft geformuleerd, als percentage van het totale aantal ondernemingen; 3. het aantal publieke en particuliere ondernemingen dat procedures heeft opgesteld voor sancties tegen overtreders van werkgerelateerde seksuele intimidatie op de werkplek, als percentage van het totale aantal werkgevers.

XNoot
1

Commissie Bestrijding Vrouwelijke Genitale Verminking, Bestrijding vrouwelijke genitale verminking. Beleidsadvies (2005), Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, Zoetermeer.

XNoot
2

Brief n.a.v. onderzoek RVZ naar genitale verminking, Kamerstukken II, vergaderjaar 2004–2005, 22 894 met bijlage 29 800 XVI, nr. 66.

XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 388, nr. 1.

XNoot
1

De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en het Bureau voor de Nationaal Rapporteur Mensenhandel worden gefinancierd door de ministeries van Justitie, SZW/DCE, BZ en VWS.

XNoot
1

Netto: Het percentage vrouwen van 15 en 65 jaar dat betaalde arbeid verricht. Het CBS hanteert hierbij een ondergrens van 12 uur werk per week. Als in dit hoofdstuk over «arbeidsparticipatie» wordt gesproken, wordt netto arbeidsparticipatie in personen bedoeld.

XNoot
2

Inkomen uit arbeid van ten minste 70% van het Wettelijke Minimum Loon, circa 770 euro per maand voor een alleenstaande.

XNoot
1

Emancipatiemonitor 2004, blz. 69.

XNoot
1

Zie figuur 3.2 (bron: Eurostat).

XNoot
2

SEO-onderzoek.

XNoot
1

Brief Tweede Kamer 25 november 2005 OCW PO/ZP/2005/52794.

XNoot
2

Motie Van Aartsen/Bos, Kamerstukken II, vergaderjaar 2005–2006, 30 300, nr 14.

XNoot
1

Operatie Jong.

XNoot
1

Zie ook eindrapport PaVEM; Jaarnota Integratiebeleid 2005; Breed Initiatief Maatschappelijke Binding (kamerstuk 120505).

XNoot
2

SZW/AI rapportage Arbeidsinspectie. Rapport «De arbeidsmarktpositie van werknemers in 2002»/Gegevens Ministerie van BZK.

XNoot
1

Alfabetisering van autochtone Nederlanders Aanbieding actieplan, Ministerie van OCW, d.d. 19 december 2001.

XNoot
2

«Liefde op maat» van Leen Sterckx en Carolien Bouw. Uitgeverij Het Spinhuis, ISBN 9055892505.

XNoot
1

Motie Koşer Kaya cs, 12 april 2005, Kamerstukken II, vergaderjaar 2004–2005, 29 203, nr. 21.

XNoot
2

Zie ook eindrapport PaVEM; Jaarnota Integratiebeleid 2005; Sociale Atlas SCP (in druk); Breed Initiatief Maatschappelijke Binding (kamerstuk 120505).

XNoot
1

Voortgangsrapportage plan van aanpak Emancipatie & Integratie d.d. 15 november 2005, Kamerstukken II, vergaderjaar 2005– 2006, 29 203, nr. 27.

XNoot
1

SCP, Sociale Atlas Allohtone Vrouwen verschijnt in 2006.

XNoot
1

Het begrip gendermainstreaming komt van de Raad van Europa. De definitie is: het (re)organiseren, verbeteren, ontwikkelen en evalueren van beleidsprocessen op zo’n manier dat het perspectief van gendergelijkheid wordt geïntegreerd in al het beleid, door de actoren die normaal dat beleid maken.

XNoot
1

Te denken valt aan de richtlijn die regels bevat om in arbeid en beroep discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid tegen te gaan; en aan de richtlijn die de lidstaten de naleving van het beginsel van gelijke behandeling ongeacht ras of etnische afstamming ter hand te nemen. Daarnaast is er een richtlijn aangenomen die de bescherming tegen discriminatie op grond van geslacht verruimt tot goederen en diensten. Deze dient voor 21 december 2007 te zijn geïmplementeerd door middel van een aanpassing op de Algemene Wet gelijke behandeling.

Naar boven