30 420
Emancipatiebeleid

nr. 127
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 november 2008

In mijn brief van 15 februari jongstleden (Kamerstuknr. 2007–2008, 30 420, nr. 61) heb ik aan uw Kamer uiteengezet op welke onderdelen en op welke wijze ik het emancipatiebeleid zou gaan monitoren. Het betreft onderdelen waarop ik samenwerk met andere departementen en/of zelf het voortouw heb genomen. Met deze brief wil ik u graag informeren over de voortgang op de betreffende onderdelen. Ik zal tevens ingaan op de stand van zaken met betrekking tot het «Plan van de Man». Met de Mid-term review van de Emancipatienota in 2010 wordt u over de volle breedte van het emancipatiebeleid van het kabinet geïnformeerd.

Algemeen

De uitgangspunten van seksegelijkheid en gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn juridisch verankerd in internationale verdragen en Europese en nationale wetgeving, onder meer in het VN-Vrouwenverdrag, het Verdrag van Amsterdam en gelijke behandelingswetgeving. In het beleidsprogramma 2008–2011 heeft het kabinet afgesproken een nieuwe impuls te geven aan het emancipatiebeleid en aan het homo-emancipatiebeleid. De emancipatie in Nederland is immers niet af. Voor de vernieuwing van het emancipatiebeleid en het lesbisch- en homo-emancipatiebeleid is in deze kabinetsperiode in principe een extra bedrag oplopend tot € 10 miljoen in 2011 beschikbaar. Vanaf 2010 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Het vernieuwde emancipatiebeleid wordt inmiddels volop uitgevoerd op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau.

Voortgang per onderdeel

Ik heb sinds ons overleg over de Emancipatienota in november 2007 de volgende acties ondernomen:

Taskforce DeeltijdPlus (TDP)

Op 1 april jl. is de onafhankelijke TDP ingesteld in opdracht van de staatssecretaris van SZW (opdrachtgever), met mijn betrokkenheid. In het werkplan is opgenomen wat de TDP de komende 2 jaar gaat doen om een cultuuromslag te bewerkstelligen, zodanig dat met name vrouwen in kleine deeltijdbanen gestimuleerd worden om meer uren te gaan werken.

Het betreft onder meer de volgende activiteiten:

– Gestart is met een behoefteonderzoek onder werknemers en werkgevers, waarbij wordt geïnventariseerd in hoeverre de wederzijdse wensen ten aanzien van het vergroten van kleine deeltijdbanen in diverse sectoren op elkaar zijn afgestemd. De resultaten worden in september 2009 verwacht.

– In februari 2009 start een mediacampagne (tijdschriften, abri’s, etc);

– De argumenten voor en tegen deeltijd vanuit de positie van de werkgever, de vrouwelijke deeltijder en de maatschappij zijn in kaart gebracht en systematisch geordend op zogenaamde argumentenkaarten. Op basis hiervan wordt een brochure gemaakt, die breed verspreid zal gaan worden.

– Samen met het NIBUD wordt een webwijzer «Vrouw, werk en geld» ontwikkeld, gericht op huishoudens waarin een vrouw meer of weer wil gaan werken, met aandacht voor de gevolgen ten aanzien van de financiële positie bij een scheiding, uitval van het inkomen van een partner, de pensioensituatie bij één inkomen, etc. De webwijzer zal in januari 2009 gereed zijn.

– Met behulp van pilots zal de TDP inspirerende en herkenbare voorbeelden geven van manieren waarop werkgevers en werknemers, die kleine deeltijdbanen willen vergroten, te werk kunnen gaan. Er zullen instrumenten worden aangereikt om dit doel gemakkelijker te bereiken.

– De TDP gaat een werkconferentie, een internationaal wetenschappelijke conferentie en een slotconferentie organiseren.

Bestuurlijke afspraken met koplopers over flexibele openingstijden en dienstverlening

Veel Nederlanders werken tussen 9 en 5 en voor veel voorzieningen geldt daarom eveneens dat deze open zijn van 9 tot 5. Voor werkende mensen kan dit de combinatie van werk en zorg bemoeilijken. Flexibele werktijden, handige openingstijden (van zorginstellingen, private dienstverleners, kinderopvang, e.d.) en digitale dienstverlening kunnen het voor vrouwen en mannen makkelijker maken om werk en zorgtaken te combineren. Gemeenten en provincies hebben daarbij een regierol. In juni 2007 ondertekenden de provincies Zeeland en Drenthe en de gemeenten Deventer, Heerhugowaard, Enschede en Zoetermeer met mij een koploperovereenkomst. In mei 2008 hebben de staatssecretaris van BZK en ik convenanten tijdbeleid ondertekend met een nieuwe groep van 8 gemeenten, die zich komende tijd gaan inzetten voor het verruimen van openingstijden in de publieke en private dienstverlening. Zij gaan hiervoor onder andere wensen van inwoners in beeld brengen en het gesprek aan met relevante partijen om ambities in afstemming van werk- en openingstijden te realiseren. Er zijn nu in totaal 14 koploperovereenkomsten ondertekend. De verwachting is dat in 2009, 2010 en 2011 met nog 11 gemeenten een overeenkomst wordt gesloten. De streefwaarde van 25 koploperovereenkomsten is dan bereikt.

Vermindering segregatie m/v in onderwijs en arbeidsmarkt

Na het Nota-overleg eind 2007 en de aankondiging op «Girlsday 2008» (d.d. 24 april 2008) dat 3 miljoen euro extra zou worden ingezet voor dit thema, is het Platform Bèta Techniek (PBT) gestart met de uitvoering van twee plannen.

Eén plan is erop gericht om meer meisjes te bewegen om te kiezen voor een N-profiel (het Natuur- en Techniekprofiel en het Natuur- en Gezondheidprofiel in het voortgezet onderwijs) of voor een opleiding in een technische richting. 125 havo/vwo-scholen (meer dan een kwart van alle havo/vwo-scholen in Nederland) formuleren streefcijfers voor meisjes en maken werk van het realiseren van hun ambitie. Deze scholen worden ondersteund met adviezen en ondersteuning bij de profielkeuze en loopbaanoriëntatie.

Het tweede plan is erop gericht de doorstroom van meisjes uit het vmbo (met name ook vanuit vmbo-t) te stimuleren naar een technische opleiding of een zogenaamde snijvlakopleiding, dat wil zeggen een opleiding die een technische discipline combineert met bijvoorbeeld een medische of zorgdiscipline. Het streven is dat ca. 105 (1/3 van alle) vmbo-scholen en 40 roc’s (meer dan 50%) zullen meedoen. Zij worden begeleid bij het uitvoeren van activiteiten, o.a. door de inschakeling van de ambitiescholen, scholen die al deelnemen aan het programma van het PBT. Ook ouders, decanen, technocentra, bedrijven en vervolgonderwijs worden hierbij betrokken. Uit Technomonitor 2008 (onderzoek van ResearchNed in opdracht van het Platform Bèta Techniek) blijkt dat de aandacht voor meisjes en bètavakken resultaat oplevert. Zo is er bij meisjes een stijging van 7 procentpunt op het havo (van 20% naar 27%) bij de keuze voor een N-profiel en een stijging van 5 procentpunt op het vwo (van 39% naar 44%) te zien in de jaren 2001 tot 2007. Deze stijging is hoger dan die bij jongens. Het aandeel meisjes dat het N-profiel kiest t.o.v. dat van jongens is gestegen van 36% naar 39% op het havo en 45% naar 47% op het vwo. Een soortgelijke ontwikkeling zien we in het mbo en het vmbo.

Charter «Talent naar de Top»

Naar aanleiding van de bijeenkomst TopBrainstorm van 30 oktober 2007 en de daar ondertekende intentieverklaring door de staatssecretaris van EZ, de voorzitters van de SER, VNO-NCW en het FNV, het Ambassadeursnetwerk en TopBrainstorm en mijzelf is in 2008 het charter «Talent naar de Top» ontwikkeld.

Het charter is een nieuwe stap in het streven naar meer vrouwen in topposities; voor het eerst is een instrument ontwikkeld dat na vrijwillige ondertekening niet meer vrijblijvend is. Door ondertekening committeren bedrijven zich aan het ontwikkelen of continueren van een duidelijke strategie voor toestroom, doorstroom en behoud van meer vrouwelijk talent in topfuncties.

De ondertekenaar:

– stelt organisatiespecifieke kwantitatieve doelen vast;

– verricht binnen 6 maanden na ondertekening een nulmeting;

– rapporteert jaarlijks aan de op 13 november ingestelde Monitoring Commissie over de voortgang;

– geeft uitleg bij het niet behalen van doelstellingen over de oorzaken en wijze waarop de doelstelling alsnog behaald gaat worden.

– De Monitoring Commissie zal jaarlijks een rapportage uitbrengen. Door middel van naming en praisingzullen de resultaten van de verschillende ondertekenaars via diverse media worden bekendgemaakt.

Op 28 mei 2008 is het charter door de eerste 47 organisaties ondertekend. Grote bedrijven zoals KPN, IBM, ING en de Nederlandse Spoorwegen, maar ook overheidinstellingen zoals de gemeente Amsterdam, hebben het charter ondertekend. De minister van BZK heeft het charter voor de Rijksoverheid ondertekend. Begin 2009 zal de tweede lichting ondertekenaars het charter ondertekenen. De staatssecretaris van EZ en ik zullen het charter de komende drie jaar ondersteunen.

Participatie van vrouwen uit etnische minderheidsgroepen

Op 8 maart 2007 heb ik, samen met de minister van SZW, de minister voor WWI en de staatssecretaris van VWS met zes gemeenten een convenant afgesloten ten behoeve van het project «Duizend en één Kracht; vrouwen en vrijwillige inzet». Met dit project wordt de instroom van 50 000 vrouwen uit etnische minderheidsgroepen in vrijwilligerswerk beoogd. Vrijwilligerswerk biedt mogelijkheden tot zelfontplooiing en participatie en kan ook een opstap zijn naar een betaalde baan. Zes gemeenten (de G4, Breda en Nijmegen) zijn als pilots aan de slag gegaan met Duizend en één Kracht. De pilots lopen nog tot 2010, maar hebben nu al ervaringen voortgebracht die toepasbaar zijn voor andere gemeenten.

Inmiddels heb ik met nog 19 andere gemeenten bestuurlijke afspraken gemaakt over Duizend en één Kracht. Hiermee is het streven om met 25 gemeenten afspraken te maken, behaald. In de koploperovereenkomsten die met deze gemeenten zijn afgesloten, staat de versterking van de keten van inburgering, maatschappelijke participatie (vrijwilligerswerk) en betaalde arbeid centraal. Met ondersteuning van het kabinet werken deze gemeenten aan een integraal aanbod om meer vrouwen te laten participeren.

Uit de pilots is gebleken dat er veel tijd gaat zitten in het goed ontwikkelen van de vereiste samenwerkingsstructuur voor Duizend en één Kracht. Dit fundament is nodig om een structureel en integraal aanbod voor de participatie van vrouwen te creëren. Op basis van deze ervaring is de inschatting dat het beoogde aantal van 50 000 vrouwen die het kabinet wil bereiken waarschijnlijk pas na 2011 gehaald zal worden. Over de voortgang van de aanpak Duizend en één Kracht wordt u in de brief «Emancipatie van vrouwen en mannen uit etnische minderheidsgroepen» nader geïnformeerd.

Landelijke uitrol van effectief gebleken emancipatie-initiatieven van maatschappelijke instellingen

Van 1 januari 2004 tot 1 september 2007 was de subsidieregeling Emancipatieprojecten van kracht, met als doel het emancipatieproces in de Nederlandse samenleving te versterken. De regeling was in het bijzonder gericht op ondersteuning van groepen kwetsbare vrouwen. De regeling leverde 163 projecten op, waarvan er, na een evaluatie door bureau Ecorys, 18 als best practice zijn geselecteerd. Voor de landelijke verankering van deze ondersteuning van «best practices» heb ik voor de periode 2009–2011 in totaal 5 miljoen euro beschikbaar gesteld (zie Kamerstuk 30 420, nr. 119, 09-05-2008 en Evaluatie projecten subsidieregeling Emancipatieprojecten, bijlage bij het betreffende Kamerstuk).

De verankering wordt vormgegeven door de ontwikkeling van communicatiemateriaal en 18 digitale portretten van de projecten (vanaf 1 december 2008 te bekijken op www.emancipatieweb.nl). In januari 2009 wordt een kennisatelier georganiseerd voor mogelijke afnemers (gemeenten en provincies). Na een inventarisatie van hun wensen en mogelijkheden (afronding 1 april 2009) kan, uiteraard mits er voldoende interesse voor deze projecten bestaat, begonnen worden met de daadwerkelijke uitrol van de 18 projecten.

Onderzoek seksualisering

In mijn brief van 7 juli (Kamerstuk 2007–2008, 30 420, nr. 123) heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de onderzoeken die plaatsvinden naar het thema seksualisering. Er vindt een onderzoek plaats naar de effecten van de seksualisering op jongeren en op de maatschappij. Dit onderzoek beoogt inzicht te geven in de relatie tussen seksualisering, zelfbeeld, opvattingen en gedrag. Het onderzoek beoogt ook antwoord te geven op de vraag welke groep(en) jongeren het meeste risico lopen op grensoverschrijdend gedrag, welke risicofactoren daarbij een rol spelen, hoe dit door jongeren en ouders wordt beleefd en welke ondersteuningsbehoeften zij hebben. Een tussenrapportage is op 9 juni 2008 opgeleverd. Eind van het jaar verwacht ik de eindrapportage. Op basis daarvan kom ik begin 2009 met een beleidsreactie waarin de benodigde beleidsmaatregelen zijn opgenomen.

Weerbaarheid

In de hierboven genoemde brief heb ik tevens mijn voornemen aangekondigd om verder te verkennen op welke wijze seksuele weerbaarheid van jongeren meer beleidsprioriteit van verantwoordelijke partijen op lokaal en/of landelijk niveau kan krijgen. Daartoe is een inventarisatie uitgevoerd van bestaande initiatieven en projecten die de seksuele weerbaarheid van jongeren vergroten. Veelbelovende en succesvolle initiatieven zullen in een (bestaande) digitale databank opgenomen worden en het overzicht van succesfactoren en randvoorwaarden wordt breder bekendgemaakt via bestaande websites.

De inventarisatie resulteert daarnaast in een aantal aanbevelingen, waaronder:

• een betere aansluiting op specifieke achtergrondkenmerken (sekse, etniciteit en religie) van de doelgroep;

• een groter aanbod voor jongens, homojongeren en jongeren met een verstandelijke en lichamelijke beperking;

• meer aandacht voor gedragsverandering;

• meer oog voor nieuwe media bij het effectief bereiken van jongeren en

• meer aandacht voor evaluaties, bereik en gebruik, effectonderzoek en implementatie.

Ik zal zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande initiatieven en ontwikkelingen van onder andere de staatssecretaris van VWS, de minister voor J en G en de minister voor WWI. Zo biedt het programma «seksuele gezondheid van de jeugd», dat ZonMw in opdracht van de staatssecretaris van VWS uitvoert, naast de implementatie van bestaande (gezondheidsbevorderende) interventies, ruimte om nieuwe interventies te ontwikkelen. Het gaat daarbij onder andere om weerbaarheid, met speciale aandacht voor laagopgeleide en allochtone jongeren. Een belangrijk doel van het programma is om te komen tot een breed palet aan beschikbare interventies voor de jeugd, waarmee zij gedurende de seksuele ontwikkeling passende informatie en vaardigheidstrainingen krijgt. Hiermee ontstaat een zogenaamde leerlijn voor seksuele vorming.

Ook de leefstijlcampagne seksualiteit, uitgevoerd door ZonMw in opdracht van de staatssecretaris van VWS, biedt mogelijkheden om de discussie over wensen en grenzen met de jongeren te voeren. In deze campagne is als nieuw onderdeel seksuele weerbaarheid opgenomen, gericht op het weerbaar en competent maken van jongeren en het voorkomen van problemen zoals dwang en ongewenste zwangerschap.

Mediawijsheid

De overheid rekent het tot haar taak kinderen en jongeren te beschermen tegen een overdaad aan seks en geweld op televisie. De invloed van media kan moeilijk worden ingeschat. In mijn brief van 18 april 2008 heb ik u, samen met de minister voor Jeugd en Gezin, geïnformeerd over het mediawijsheidexpertisecentrum (Kamerstuk 2007–2008, 31 434 , nr. 1). Het mediawijsheidexpertisecentrum gaat kinderen, (groot)ouders, opvoeders en leerkrachten helpen actief en verstandig gebruik te maken van media. In 2008 is het centrum gestart met onder meer online dienstverlening via de site www.mediawijsheidkaart.nl. In 2009 moet de organisatie echt staan en wordt de service uitgebreid met fysieke loketten bij «Beeld en Geluid» en de bibliotheken. Er komt een publiekscampagne mediawijsheid en de samenwerking tussen partijen die actief zijn met mediawijsheid wordt bevorderd. Media, zowel publiek als commercieel, worden gestimuleerd maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. In de vorm van zelfregulering kunnen bestaande gedragscodes worden verbeterd en nieuwe geïnitieerd.

Deskundigheidsbevordering professionals in het herkennen signalen van seksuele intimidatie en geweld

In de Emancipatienota heb ik aangekondigd dat ik zal verkennen hoe de deskundigheidsbevordering van leraren kan worden vergroot om signalen van seksuele intimidatie of (seksueel) geweld tijdig te herkennen en daarmee adequaat om te gaan. Op basis van de resultaten van het eerder genoemde onderzoek naar de effecten van seksualisering zal ik bezien hoe de deskundigheid van leraren kan worden vergroot. Op dit moment is het al zo geregeld dat een school bij een vermoeden van seksueel misbruik wettelijk verplicht is contact op te nemen met de vertrouwensinspecteur van de inspectie van het onderwijs. Jaarlijks rapporteert de Inspectie in haar Onderwijsverslag over het aantal meldingen van zowel seksueel misbruik als van seksuele intimidatie.

Tevens heb ik in de Emancipatienota een werkconferentie aangekondigd om de deskundigheidsbevordering van professionals op diverse geweldsvormen, waaronder ook seksueel geweld, te bevorderen. Aanleiding hierover was het signaal dat mij heeft bereikt dat professionals in de zorg, welzijn en het onderwijs kampen met handelingsverlegenheid bij signalen van geweld.

De werkconferentie heeft op 8 oktober 2008 plaatsgevonden. Een belangrijk resultaat van de conferentie is dat de opleidingen, werkgeversorganisaties, beroepsverenigingen en kennisinstituten bereid zijn gevonden om met elkaar in gesprek te gaan over hoe de aandacht voor geweld structureel verankerd kan worden in de beroepsopleidingen.

Daarnaast verwijs ik u naar de brief van de ministeries van VWS, Justitie en voor J en G en die de Tweede Kamer op 9 september jl. heeft ontvangen over het kabinetsvoornemen om een verplichte meldcode voor huiselijk geweld, kindermishandeling, vrouwelijke genitale verminking en eergerelateerd geweld in te voeren. Een vervolgbrief over de verdere uitwerking is daarin aangekondigd.

Plan van de Man

In mijn brief van 14 augustus jl. (Kamerstuknr. 2007–2008, 30 420, nr. 124) heb ik mijn beleidsreactie op het Plan van de Man gegeven. In de voortgangsrapportage van volgend jaar zal ik terugkomen op de geboekte resultaten. Ik noem hier een aantal activiteiten waar ik nu de voorbereidingen voor aan het treffen ben.

• In maart 2009 organiseren de minister van Jeugd en Gezin, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik samen met de sociale partners een grote conferentie over gezinsvriendelijk beleid binnen bedrijven en instellingen. Gezinsvriendelijk beleid geldt hierbij nadrukkelijk ook voor de werkende vaders met gezinsverantwoordelijkheid. Wanneer zij meer gebruik maken van flexibele werktijden en verlofregelingen creëren zij meer kansen voor hun partners en voor alle vrouwen op de arbeidsmarkt om hun talenten beter te benutten. In dit verband heb ik ook de mogelijkheid van een (tijdelijk) 2x4-model genoemd.

• Op Vaderdag 2009 wordt de «Uit het Keurslijf»-prijs voor het eerst uitgereikt aan een persoon of organisatie, die een voortrekkersrol speelt in de emancipatie van de man.

• Bij het bevorderen van de emancipatie van vrouwen uit etnische minderheidsgroepen is het van belang om oog te hebben voor de rol van mannen uit etnische minderheidsgroepen. In het afgelopen jaar heb ik een analyse laten uitvoeren naar een geschikte manier om de emancipatie van mannen uit etnische minderheidsgroepen te bevorderen. In de brief «Emancipatie van vrouwen en mannen uit etnische minderheidsgroepen» wordt u nader hierover geïnformeerd.

Ondersteuning innovatieve programma’s van vrouwennetwerken

In de Emancipatienota heb ik aangekondigd een aantal innovatieve programma’s van vrouwennetwerken te ondersteunen. Voor 1 september jl. konden hiervoor aanvragen worden ingediend. Alle aanvragen in de eerste ronde zijn afgewezen. Projectvoorstellen moeten voldoen aan de eisen zoals opgenomen in de «Subsidieregeling Emancipatie 2008–2011». Na de tweede subsidieronde zal ik bezien of er aanleiding is de wijze van ondersteuning bij te stellen of op een andere manier voort te zetten.

Ondersteuning kennisinfrastructuur emancipatie

Met mijn brief van 30 juni 2008 (Kamerstuk 30 420, nr. 121) heb ik u over mijn voornemen geïnformeerd om de efficiencykorting voor E-Quality en IIAV te beperken tot 10% in 2010. In een schriftelijk overleg met uw Kamer heb ik dit voornemen nogmaals uitgelegd en bevestigd. Op 14 oktober jl. is het verslag hiervan vastgesteld en later door uw Kamer voor kennisgeving aangenomen. Daarmee is het voornemen definitief geworden. Naast de beperkte efficiencykorting krijgen de instituten meer ruimte om te investeren in verdere groei en kwaliteit. Hiervoor wordt vanaf begin 2010 15% van de subsidie gereserveerd. De instituten dienen op dit deel van de subsidie co-financiering of sponsoring te verwerven en vooral activiteiten te ondernemen die een grotere naamsbekendheid en groter bereik op de markt en bij het publiek nastreven. Doel is de instituten minder afhankelijk te maken van subsidie en hen de kans te geven zich te ontwikkelen tot meer marktgerichte en minder kwetsbare organisaties. Beide instituten zijn uitgenodigd aan de slag te gaan met deze uitgangspunten en dit te verwerken in een plan. Deze plannen, inclusief het werkplan 2009 en inclusief de begroting 2009, zijn inmiddels ontvangen en worden beoordeeld. Ik zal vóór 1 december aanstaande de beschikking over 2009 afgeven en de instituten informeren over de afronding van het afgelopen jaar doorlopen proces.

Samenwerkings- en ondersteuningsafspraken met departementen over emancipatiebeleid

Zoals ik in mijn brief over de verantwoordelijkheidsverdeling heb uiteengezet (Kamerstuknr. 2007–2008, 30 420 nr. 61) ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het beleid en het bereiken van de doelstellingen op de verschillende terreinen ondubbelzinnig bij de vakdeparte- menten. Zij zijn daarop ook aanspreekbaar en zullen hierover ook zelf rapporteren aan uw Kamer. Ik zie het niettemin als mijn taak om de departementen te ondersteunen bij de verankering van het emancipatieproces op de vier inhoudelijke prioritaire thema’s in de Emancipatienota, te weten arbeidsparticipatie, vrouwen en meisjes uit etnische minderheidsgroepen, veiligheid en internationaal emancipatiebeleid. Hiervoor wordt extra inzet gepleegd en is actieve samenwerking vereist. Ik verwijs u hiervoor naar de inhoud van deze brief. Ik heb hierover inmiddels met alle departementen afspraken gemaakt.

De departementen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan structurele ondersteuning op het gebied van deskundigheidsbevordering. Er bestaat wel behoefte aan eenmalige of tijdelijke ondersteuning c.q. samenwerking waar het gaat om het integreren van gender in opleidingen en diversiteitsbeleid en voorlichting c.q. uitwisseling over emancipatie-instrumenten met goede voorbeelden. De Interdepartementale Commissie Emancipatie (ICE) speelt hierin een faciliterende rol.

Ik ga ervan uit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

Naar boven