Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630413 nr. 24

30 413
Regels betreffende pensioenen (Pensioenwet)

nr. 24
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 25 juli 2006

1. Algemene inleiding

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van het nader verslag van de Tweede Kamer naar aanleiding van het wetsvoorstel Pensioenwet. De regering is graag bereid in te gaan op de nadere vragen en opmerkingen van de Kamer. Op een aantal punten heeft de regering naar aanleiding daarvan het wetsvoorstel aangepast. Deze wijzigingen zijn opgenomen in de derde nota van wijziging. Allereerst heeft de regering enkele wijzigingen doorgevoerd om de uitvoering van cdc-regelingen te vergemakkelijken. Ten tweede heeft de regering de termijn waarop verzekeraars de polis met terugwerkende kracht premievrij mogen maken verlengd tot 5 maanden, dit om hen meer tijd te gunnen om problemen bij betalingsachterstanden op te lossen. Ten derde laat de regering de verplichting vallen om in de startbrief al een opgave te doen van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken. Bovendien kunnen de deelnemers op verzoek een indicatie ontvangen van de omvang van de periodieke uitkering die met het opgebouwde kapitaal in geval van kapitaal- en premieovereenkomsten ingekocht kan worden. Ten vierde zullen pensioenuitvoerders worden verplicht om gewezen deelnemers en gepensioneerden te informeren over wijzigingen in het toeslagbeleid. Ten vijfde wordt het verantwoordingsorgaan wettelijk verankerd, alsmede de bescherming van de leden daarvan. Verder heeft de regering naar aanleiding van vragen enkele artikelen verhelderd. Het gaat onder meer om het artikel met betrekking tot de kostendekkende premie en de artikelen die betrekking hebben op de solvabiliteitseisen van fondsen die bijdragen ontvangen van buitenlandse ondernemingen. Met de derde nota van wijziging gaat de regering ook in op het verzoek van de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties om de afspraken uit het tweede medezeggenschapsconvenant wettelijk te verankeren, zoals reeds was aangekondigd in de brief van 31 mei 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 21).

De indeling van de nota naar aanleiding van het nader verslag volgt in grote lijnen die van het verslag. Waar mogelijk zijn de antwoorden per thema geclusterd. In bijlage 1 is naar aanleiding van het verzoek van de leden van de fractie van het CDA de reactie te vinden van de regering op enkele punten uit de position papers van de KPS en het AG, voor zover die nog niet in de nota naar aanleiding van het verslag aan de orde zijn geweest.

Doel Pensioenwet

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering of de Pensioenwet nog andere doelen heeft dan het nastreven van inkomensbescherming voor momenten dat iemand niet langer kan werken, omdat hij/zij oud, arbeidsongeschikt of nabestaande is.

De regering hecht eraan te benadrukken dat het doel van de Pensioenwet geenszins is om inkomensbescherming te bieden. Voor zover de overheid een verantwoordelijkheid heeft voor inkomensbescherming wordt die waargemaakt via het stelsel van sociale zekerheid. Aanvullende pensioenen zijn echter een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden en een verantwoordelijkheid van sociale partners. Dat neemt niet weg dat de overheid een belangrijke rol heeft, namelijk het waarborgen van de afspraken die sociale partners op het terrein van pensioenen maken. Bovendien faciliteert de overheid het opbouwen van aanvullende pensioenen via de fiscale wetgeving. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetvoorstel uiteen is gezet, gaat het dan om het waarborgen van financiële zekerheid (bijvoorbeeld door de plicht om de pensioenaanspraken buiten de onderneming te brengen en de prudentiële eisen uit hoofde van het financieel toetsingskader), individuele zekerheid (bijvoorbeeld door materievoorschriften ten aanzien van gelijke behandeling, deeltijders, slapers en het recht op waardeoverdracht) en tot slot uitvoeringszekerheid (bijvoorbeeld door de voorschriften over medezeggenschap en het toezicht op de uitvoering). Het doel van de Pensioenwet is om de waarborgen voor financiële zekerheid, individuele zekerheid en uitvoeringszekerheid op een duidelijke wijze wettelijk te verankeren (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 2–3).

Overgangsregime

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het verstandig acht om ten behoeve van een zorgvuldig overleg over de inwerkingtreding en het overgangsrecht te opteren voor een gefaseerde invoering.

De regering wijst erop dat de inwerkingtreding en het overgangsrecht niet in onderhavig wetsvoorstel wordt geregeld, maar in de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet (IPW) die naar verwachting voor 1 augustus bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. De regering heeft de hoofdlijnen van de IPW toegelicht in de brief van 31 mei jl. Beoogd wordt dat de bepalingen van de Pensioenwet waarvoor geldt dat de uitvoeringspraktijk zich erop in moet kunnen stellen, pas na een overgangstermijn van een jaar in werking treden. Daarmee is feitelijk sprake van de door de leden van de VVD-fractie gewenste gefaseerde invoering. Het belangrijkste deel van de wet dat wel op de (beoogde) datum van 1 januari 2007 in werking zal treden is het financieel toetsingskader (ftk).

Doorsneepremie

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af wat de effecten zijn van de pensioenkosten op de loonkosten van oudere werknemers. Zij merken daarbij terecht op dat in bedrijfstakpensioenregelingen waar gewerkt wordt met een doorsneepremie de pensioenkosten in wezen gelijkelijk verdeeld worden over alle werknemers, ongeacht hun leeftijd. De leeftijd heeft in het geval van een doorsneepremie dus geen consequenties voor de pensioenkosten – en daarmee de loonkosten – van een individuele werknemer. In regelingen zonder een doorsneepremie is de actuariële benodigde premie voor een individuele werknemer wel afhankelijk van de leeftijd. Naarmate een werknemer ouder is, loopt de actuariële premie op. Dat brengt met zich mee dat in regelingen waarin wordt uitgegaan van een actuariële premie de loonkosten voor een oudere werknemer ten gevolge van de pensioenlasten hoger zijn dan voor een jongere werknemer.

Het al dan niet hanteren van een doorsneepremie heeft overigens geen effect op de totale loonkosten van de bij de regeling aangesloten werknemers.

Verder vragen de leden van de fractie van de PvdA zich af wat de effecten zijn voor (kleinere) werkgevers die niet in een collectieve bedrijfstakregeling zitten. Daarbij zij als eerste opgemerkt dat het werken met een doorsneepremie niet is voorbehouden aan al dan niet verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen. Ook in een pensioenregeling die op ondernemingsniveau tot stand komt of in rechtstreeks verzekerde regeling kan gekozen worden voor een doorsneepremie of een andere vorm van intergenerationele solidariteit. Het is uiteraard aan de sociale partners die de pensioenovereenkomst afsluiten of zij daarvoor kiezen. Dat geldt voor zowel grote als kleine werkgevers waarop geen bedrijfstakpensioenregeling van toepassing is. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA kan worden gezegd dat de regering op dit vlak geen nadere maatregelen heeft overwogen.

Alternatief model

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af wat er de reden van is dat het kabinet overweegt het uitvoeringsmodel voor pensioenregelingen aan te passen. Zoals ook is aangegeven in de brief inzake het alternatief uitvoeringsmodel aan de Tweede Kamer d.d. 4 juli 2006, vormde de totstandkoming van de Europese richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (richtlijn 2003/41/EG) voor het kabinet de directe aanleiding om te bezien of de verplichtstelling ook op lange termijn houdbaar zou zijn.

Van belang is daarbij dat de Europese Commissie de richtlijn ziet als een eerste stap op weg naar een Europese interne markt voor bedrijfspensioenvoorzieningen, zoals ook in overweging 6 van de richtlijn is verwoord. In een situatie waarin verdere stappen zijn gezet en waarin deze interne markt is gerealiseerd, zijn naar verwachting de huidige regels omtrent de taakafbakening – en daarbinnen met name de zogenoemde domeinafbakening – niet meer houdbaar. Dit zou vervolgens direct consequenties hebben voor de verplichtstelling. De huidige taakafbakening is immers eind jaren negentig in het leven geroepen om te komen tot een houdbare verplichtstelling.

Deze analyse heeft het kabinet op 29 oktober 2004 onder de titel een «Verkenning naar een alternatief uitvoeringsmodel» naar de Stichting van de Arbeid gestuurd. In deze Verkenning werd ingegaan op de mogelijke ontwikkelingen die zich op lange termijn op het terrein van de pensioenen zouden kunnen voordoen. In de Verkenning is tevens een mogelijk ander uitvoeringsmodel gepresenteerd, waarmee zou kunnen worden ingespeeld op de beschreven ontwikkelingen. In dat alternatieve uitvoeringsmodel is sprake van een verplichte uitbesteding door pensioenfondsen van het vermogensbeheer en de administratie. Daarmee ontstaat een opdrachtgever-/opdrachtnemer relatie tussen het pensioenfonds en een pensioenuitvoeringsbedrijf.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af wat de gevolgen zouden zijn van een opdrachtgever-/opdrachtnemer model voor de collectieve en solidaire kenmerken van de pensioenregeling. Binnen een dergelijk model kunnen deze kenmerken naar de mening van de regering gewoon in stand blijven. De praktijk, waarin het overgrote deel van de bedrijfstakpensioenfondsen al vrijwillig voor dit model heeft gekozen, wijst dit ook uit. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat voor de regering voortdurend voorop staat dat de wezenskenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel – te weten collectiviteit en solidariteit – behouden kunnen worden. De verplichtstelling is daar onlosmakelijk mee verbonden.

In haar reactie op deze Verkenning heeft de Stichting van de Arbeid aangegeven dat nut en noodzaak van het verkende alternatieve uitvoeringsmodel onvoldoende waren aangetoond. Daarnaast gaf de Stichting van de Arbeid te kennen geen enkel bezwaar te hebben tegen het splitsen van bestuur en uitvoering. Wel heeft de Stichting van de Arbeid bezwaren geuit tegen het verplicht voorschrijven van een dergelijk model voor alle pensioenfondsen.

Mede in het licht hiervan wil de regering zich eerst zorgvuldig beraden op eventueel te nemen stappen met betrekking tot het uitvoeringsmodel. Daarbij worden ook verschillende mogelijke denkrichtingen geopperd. Het loslaten van de productafbakening voor pensioenfondsen is daar – in tegenstelling tot de suggestie die de leden van de fractie van de PvdA in hun vraag doen – niet een van. Andere modellen dan het model zoals in de Verkenning is gepresenteerd zijn daarbij echter niet ontwikkeld.

Bij de uitwerking van een eventueel nieuw model dient voorop te staan dat het model voldoet aan alle Europese (mededingings)regels. Dat is ook noodzakelijk om de verplichtstelling te kunnen behouden voor de toekomst, hetgeen een vast uitgangspunt is voor de regering. Verder dient te worden bezien op welke wijze de potentie die Nederland heeft om binnen Europa een vooraanstaande rol te spelen als «pensioen-kennisland», kan worden benut. Het moge duidelijk zijn dat het hier om complexe materie gaat, waarbij de drie genoemde aspecten tegelijkertijd tot hun recht moeten komen. Gezien de samenhang en de complexiteit van een en ander vereist een zorgvuldige besluitvorming dat hiervoor de nodige tijd wordt genomen. Bij dit geheel zal ook de analyse die de regering in de nota naar aanleiding van het verslag heeft genoemd – en waar de leden van de CDA-fractie naar hebben verwezen – moeten worden betrokken.

Tot slot zij opgemerkt dat de regering op dit moment geen enkele aanleiding ziet om een wijziging van het uitvoeringsmodel voor pensioenregelingen nu al in het wetsvoorstel Pensioenwet op te nemen.

Portability-richtlijn

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of de regering de Kamer schriftelijk zal informeren over de einduitkomst van de onderhandelingen over de portability-richtlijn, alvorens de regering instemt met een eventuele richtlijn. Op deze manier zou de Kamer de gelegenheid gegeven worden zich hierover uit te spreken voordat instemming kan plaatsvinden in de Europese Raad, aldus de leden van de CDA-fractie.

De regering zal handelen zoals gebruikelijk bij de totstandkoming van Europese richtlijnen. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden van de voortgang van de onderhandelingen via de algemene overleggen voor elke Sociale Raad en de verslagen van elke Sociale Raad. Tijdens deze overleggen en naar aanleiding van de verslagen kan uw Kamer zijn opvatting kenbaar maken. Wanneer deze richtlijn in de Sociale Raad op de agenda staat voor akkoord, dan kan uw Kamer daarover in het Algemeen Overleg voorafgaand aan die Raad zijn opvatting kenbaar maken.

2. Definities en reikwijdte van de pensioenwet

Toetredingsleeftijd 21 jaar

De leden van de PvdA-fractie vragen om een reactie op het voorstel van deze leden om geen leeftijdsgrens te hanteren voor toetreding tot pensioenregelingen. Bedrijfstakken waar veel sprake is van kleine dienstverbanden of frequente wisseling van werkkring kunnen, zo stellen deze leden, hier in de CAO via ¾ dwingend recht vanaf zien en terugvallen op de leeftijdsgrens van 21 jaar. De regering constateert dat de leden van de PvdA langs een andere weg hetzelfde willen bereiken als de regering: op uiterlijk de leeftijd van 21 jaar moet met pensioenopbouw kunnen worden begonnen. In het voorstel van deze leden is er immers geen toetredingsleeftijd, tenzij een sector via ¾ dwingend recht een toetredingsleeftijd kiest die dan vervolgens niet hoger mag zijn dan 21 jaar. In het voorstel van de regering zijn sectoren vrij om geen toetredingsleeftijd te kiezen of een toetredingsleeftijd beneden 21 jaar. Dit biedt precies dezelfde mogelijkheden als het voorstel van de leden van de PvdA. Voordeel van het voorstel van de regering is dat de toetredingsleeftijd in de pensioenovereenkomst afgesproken worden en in het pensioenreglement wordt vastgelegd. Afwijken via toepassing van¾ dwingend recht in de CAO ligt niet voor de hand. Allereerst kennen CAO’s een veel kortere looptijd dan pensioenregelingen. Bovendien vallen niet alle bedrijven en werknemers onder een CAO. De regering ziet dan ook geen meerwaarde in van het voorstel van de leden van PvdA-fractie.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de regering niet op de hoogte is van de omvang van de witte vlek voor de groep 21–25 jaar. In dat licht vragen de leden van de ChristenUnie-fractie naar de meerwaarde van een verplichte toetreding op 21-jarige leeftijd. Weliswaar is niet precies bekend hoeveel jongeren in de leeftijd van 21 tot 25 jaar niet kunnen deelnemen aan een pensioenregeling, wel is bekend dat per 31 december 2005 561 pensioenfondsen, goed voor éénderde van alle actieve deelnemers in pensioenfondsen, een toetredingsleeftijd kenden van 21 tot en met 25 jaar. Dit gegeven maakt het aannemelijk dat een aanzienlijk deel van de groep 21- tot 25-jarige werknemers die nu geen pensioen opbouwen, bij een wettelijk verplichte maximale toetredingsleeftijd van 21 jaar wel aanvullend pensioen kunnen gaan opbouwen

Witte vlek bij aanvullende pensioenen

De leden van de CDA fractie zijn zeer benieuwd of de ambitie van de regering wat betreft de omvang van de witte vlek van van deelname uitgezonderde werknemers in 2006 wordt gehaald. De regering heeft – gelet op het belang van een aanvullende pensioenopbouw voor iedereen – begrip voor de nieuwsgierigheid van de leden van de CDA-fractie, maar kan die nieuwsgierigheid nog niet bevredigen. Het onderzoek is thans in voorbereiding, heeft betrekking op de stand van zaken per eind 2006 en zal in september 2007 worden gepubliceerd.

De leden van de CDA fractie zijn verheugd dat het CBS werkt aan een pensioenaansprakenstatistiek en willen graag geïnformeerd worden over de op te nemen categorieën (ouderdoms-, nabestaanden, arbeidsongeschiktheidspensioen) en de grenzen waarboven iets als pensioen wordt geclassificeerd. Zij vinden bijvoorbeeld dat een wezenpensioen, dat gelijk is aan 2% van de pensioengrondslag in de horeca (bij een inkomen van € 30 000 krijgt een wees dan na aftrek van franchise minder dan € 35 per maand) niet als volwaardig pensioen kan worden gezien. De pensioenaansprakenstatistiek van het CBS richt zich op de oudedagsvoorziening na het 65-ste levensjaar en omvat derhalve het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen. De statistiek bestaat uit drie pijlers: de AOW-aanspraken (eerste pijler), de arbeidsgerelateerde pensioenen (tweede pijler) en de individueel opgebouwde pensioenen (derde pijler). De aanspraken worden per pijler bepaald. De bestemming van het gespaarde bedrag (oudedagsvoorziening) bepaalt of een aanspraak als pensioen wordt geclassificeerd. Het is aan sociale partners om te beoordelen wat als volwaardig pensioen kan worden beschouwd.

Met de leden van de PvdA-fractie vindt de regering het belangrijk dat alle werknemers een pensioen op kunnen bouwen. De meest recente gegevens over de omvang van de witte vlek dateren uit 2001 (Witte vlekken op pensioengebied, quick scan 2001, SER, 2002), toen een enquête onder werkgevers uitwees dat 84% van de werkgevers een pensioenvoorziening had. Een pensioenregeling ontbrak vooral bij werkgevers met een klein aantal werknemers, met een net opgestart bedrijf en in de bedrijfstak zakelijke dienstverlening en de bedrijfstak cultuur, recreatie en overige dienstverlening. De Pensioen & Verzekeringskamer (nu De Nederlandsche Bank, verder te noemen: DNB) heeft deze gegevens destijds geanalyseerd en daaruit bleek onder meer het volgende:

• Een toetredingsleeftijd kwam in 2001 voor bij 80% van de regelingen (45% van de actieve deelnemers).

• Wat betreft wachttijden gold in 2001 dat in meer dan 90% van de regelingen (en voor 96% van de actieve deelnemers) er geen sprake was van wachttijden.

• 94% van de actieve deelnemers nam deel aan een regeling die in 2001 geen uitsluitingsgronden kende.

• De meest voorkomende uitsluitingsgrond was tijdelijke arbeid, vooral in de bedrijfstak vervoer, opslag en communicatie. In 2001 kende een kwart van de regelingen deze uitsluitingsgrond (4,5% van de actieve deelnemers).

Het onderzoek in 2001 maakte het niet mogelijk de witte vlek in kaart te brengen voor werknemers. Daarvoor moet worden teruggevallen op gegevens uit 1996.

• Toen bouwde 2% van de werknemers tussen de 25 en 65 jaar geen aanvullend pensioen op omdat hun werkgever geen pensioenvoorziening kende.

• Ongeveer 7% van de werknemers tussen 25 en 65 jaar bouwde geen aanvullend pensioen op omdat zij werden uitgesloten van deelname aan de regeling van hun werkgever. Deze witte vlek kon destijds als volgt worden getypeerd (uit: Witte vlekken op pensioengebied,Research voor Beleid, 1997):

– 65% van de witte vlek bestond uit vrouwen;

– 56% van de witte vlek had een flexibel contract;

– 43% is korter dan 2 jaar in dienst;

– 38% is tussen de 25 en 29 jaar oud;

– 30% verdiende minder dan 35 000 gulden.

De witte vlek, zoals die uit de onderzoeken over de jaren 1986, 1996 en 2001 bekend is, bestaat per definitie uit werknemers ouder dan 25 jaar. Over de omvang van de witte vlek onder jongeren zijn geen kwantitatieve gegevens bekend.

De leden van de PvdA-fractie stelden nog nadere vragen over kenmerken van werknemers, die geen aanvullend pensioen opbouwen. De regering zal in september 2007 nader uitsluitsel kunnen geven op basis van een nieuw uit te voeren onderzoek naar de omvang van de witte vlek per eind 2006, waarin met name ook de positie van vrouwen, mensen met een tijdelijk contract en met een inkomen onder € 25 000 in kaart zal worden gebracht.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de gevolgen voor de loonkosten voor personen met een inkomen onder de € 25 000 die geen pensioen opbouwen, indien een pensioenregeling verplicht wordt gesteld. De gevolgen voor de loonkosten zijn grotendeels afhankelijk van de geldende franchise. Bij een inkomen onder de franchisegrens wordt, ook bij verplichtstelling van een pensioenregeling, geen aanvullend pensioen opgebouwd. Voor zover het inkomen boven de franchise uit komt hangen de gevolgen voor de loonkosten voornamelijk af van de pensioenpremie die door de werkgever betaald wordt. Voor 2006 bedraagt de geraamde gemiddelde werkgeverspremie in het bedrijfsleven 11,3% van het pensioengevend loon. De gemiddelde franchise bedraagt circa € 16 500 (bron: CPB, CEP 2006). Voor een werknemer met een brutoloon van € 25 000 die nu geen pensioen opbouwt betekent dit dat verplichtstelling van een pensioenregeling leidt tot een stijging van de loonkosten met circa € 950 per jaar (ongeveer 3% van de loonkosten). Voor een werknemer met een inkomen van € 15 000 die nu niet deelneemt in een pensioenregeling heeft verplichtstelling geen gevolgen voor de loonkosten, omdat het inkomen onder de franchisegrens ligt.

Voorts herhalen de leden van de PvdA de vraag hoe groot het koopkrachtverlies is na pensionering van mensen met laagbetaalde en/of kleine banen die nu geen pensioen opbouwen. Onder verwijzing naar de beantwoording van deze vraag in de nota naar aanleiding van het verslag merkt de regering op dat een laag loon zonder pensioenopbouw niet altijd betekent een daling van het individuele inkomen op 65 jarige leeftijd of een pensioenresultaat dat lager is dan 70%.

In reactie op vragen van de leden van de PvdA-fractie stelt de regering dat het opruimen van de witte vlekken op pensioengebied in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van sociale partners. Zij hebben dat ook in een aanbeveling van de Stichting van de Arbeid verwoord (Moderne en betaalbare pensioenen voor alle werknemers, Geactualiseerde agenda met aanbevelingen voor het decentrale pensioenoverleg voor de komende jaren, 17 mei 2001, Publicatienr. 05/01). In de brief van december 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 28 294, nr. 2) is de inspanningsverplichting van sociale partners door de regering onderstreept door een kwantitatieve doelstelling te formuleren: zicht op halvering van dat deel van de witte vlek dat wordt bepaald door uitsluiting van werknemers tussen 25 en 65 jaar van deelname aan de pensioenregeling van de werkgever. Zoals aangegeven in het nader rapport bi j het advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 4) ziet de regering af van het opnemen van een wettelijke mogelijkheid tot het opleggen van een verplichting tot algemene werking. De regering wil op het moment dat in de loop van 2007 beoordeeld kan worden wat de omvang en de kenmerken van de witte vlek zijn alle mogelijkheden voor een beleidsreactie open laten. Overigens is de regering er van overtuigd dat de witte vlek voor 25- tot 65-jarige werknemers relatief in omvang is afgenomen gelet op de inspanningen van sociale partners de afgelopen jaren en onverlet de economisch moeilijke jaren die achter ons liggen.

Wacht-en drempeltijden

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering nogmaals aan te geven welke wettelijke grenzen er zijn aan wachttijden en drempeltijden en of de regering overweegt deze wacht-en drempeltijden aan een maximum te binden of zelfs helemaal te verbieden? De leden van de CDA-fractie achten wacht-en drempeltijden zeker in combinatie met dekking op risicobasis buitengewoon ongewenst.

Er bestaat geen rechtstreeks wettelijk verbod om in de pensioenovereenkomst een wacht- of drempeltijd af te spreken. Ook in dit wetvoorstel wordt hiertoe geen voorstel gedaan. Wel staat het hanteren van wacht- en drempelperiodes onder druk vanwege de EU-richtlijn 1999/70/EG inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Deze richtlijn verbiedt in beginsel het maken van onderscheid tussen werknemers met een tijdelijk contract en werknemers met een contract voor onbepaalde tijd. Het hanteren van wacht- en drempeltijden zal relatief vaak werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst treffen, en is daarmee mogelijk in strijd met artikel 7:649 BW, het artikel in het Burgerlijk Wetboek dat dient ter implementatie van EU-richtlijn 1999/70/EG. Onderscheid tussen werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd (en het hanteren van een wacht- of drempeltijd) is op grond van de richtlijn en van dit artikel wel toegestaan, als het objectief gerechtvaardigd kan worden. Daarbij moet in ieder geval aan de volgende drie criteria worden voldaan:

1. het doel moet legitiem zijn;

2. het middel moet geschikt zijn om het doel te bereiken, en;

3. het middel moet noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.

Uit jurisprudentie van het Europese Hof bij andere antidiscriminatiewetgeving waarbij onderscheid objectief gerechtvaardigd bleek, is bekend dat financieel-economische overwegingen op zichzelf niet voldoende zijn voor een objectieve rechtvaardiging. In zijn algemeenheid kan de regering geen uitspraak doen over de mogelijkheid wacht- en drempeltijden te blijven hanteren, omdat een rechter de specifieke situatie betrekt bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van objectief gerechtvaardigd onderscheid. Het is niet exact aan te geven of en voor welke duur artikel 7:649 BW juridisch nog ruimte biedt voor het hanteren van wacht- en drempeltijden om administratieve lasten te beheersen. De regering heeft ook geen behoefte een uitspraak te doen over wat een acceptabele wacht- of drempeltijd is of wacht- en drempeltijden wettelijk te maximeren of te verbieden. Het is, samen met de mogelijkheid kleine pensioenen af te kopen, één van de weinige middelen die partijen ter beschikking staat om administratieve lasten van kleine pensioenaanspraken van gewezen deelnemers te beperken. De regering acht daarbij de beschermende werking van artikel 7:649 BW afdoende: een wettelijke bepaling over maximering van de duur van wacht- en drempeltijden of een verbod is in dit verband dan ook niet nodig.

Overigens is uit de praktijk bekend dat bij wacht- en drempeltijden de risicodekking veelal wel al gegeven wordt gedurende de wacht- of drempeltijd. De werknemer is in dat geval voor het arbeidsongeschiktheids- en/of overlijdensrisico gedekt.

De leden van de VVD-fractie vragen welke voorzieningen de minister denkt te kunnen treffen om de feitelijke pensioenmogelijkheden voor zelfstandigen te kunnen vergroten.

Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven is de regering van mening dat de bestaande mogelijkheden, te weten lijfrenteproducten bij verzekeraars, de mogelijkheid van verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) en de mogelijkheid voor bepaalde zelfstandigen van vrijwillige aansluiting bij bedrijfstakpensioenfondsen, zelfstandigen op voldoende wijze in staat stellen om een pensioenvoorziening te treffen. De regering heeft dan ook geen voornemens om nieuwe voorzieningen te creëren.

Emeritaatfondsen

De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie hebben enkele vragen gesteld over de emeritaatfondsen. De van de CDA-fractie vragen of de huidige emeritaatovereenkomst een pensioenovereenkomst is in de zin van de Pensioenwet. De leden van de CDA-fractie vragen uitleg van de gevolgen indien de predikantenfondsen niet onder de Pensioenwet of de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) vallen. Zij vragen welke derde mogelijkheid er is naast deze in de nota naar aanleiding van het verslag genoemde mogelijkheden.

De vraag van de leden van de CDA-fractie of de huidige emeritaatovereenkomst een pensioenovereenkomst is in de zin van de Pensioenwet is niet op voorhand te beantwoorden. Er zijn namelijk verschillende emeritaatfondsen, die van elkaar verschillen in uitwerking en financiering. Zoals in de toelichting op dit wetsvoorstel is aangegeven is het financiële toezichtkader met dit wetsvoorstel, de WVB en het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht (WFT) ingrijpend vernieuwd en verhelderd. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of er sprake is van uitoefening van het verzekeringsbedrijf. Luidt het antwoord ontkennend, dan valt het betreffende emeritaatfonds onder de WFT noch onder de Pensioenwet. Luidt het antwoord bevestigend, dan valt het betreffende emeritaatfonds onder de WFT, tenzij er sprake is van een pensioenovereenkomst tussen werkgevers en werknemers. De vraag of de Pensioenwet van toepassing is, is niet afhankelijk van de wijze van financiering, maar van de vraag of er sprake is van een pensioentoezegging in de zin van de Pensioenwet. De beantwoording van deze vraag gebeurt door de toezichthouder. Nieuw ten opzichte van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) is dat de Pensioenwet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de mogelijkheid toekent om categorieën van personen aan te wijzen, niet zijnde werknemers, die werken in een arbeidsverhouding waarbij tegen beloning persoonlijke arbeid wordt verricht, die voor de toepassing van de wet aan werknemers worden gelijkgesteld. Tot slot bestaat nog de mogelijkheid van de WVB.

De leden van de ChristenUnie vragen in hoeverre emeritaatfondsen vrij zijn in hun keuze niet te willen vallen onder de Pensioenwet.

Op het moment dat er sprake is van een pensioenovereenkomst in de zin van Pensioenwet bestaat er geen vrijheid om wel of niet te vallen onder de Pensioenwet. Die vrijheid bestaat voor geen enkele werkgever.

Ten aanzien van de vraag van de leden van de CDA-fractie wat de gevolgen zijn als deze fondsen niet onder de Pensioenwet vallen merkt de regering het volgende op.

Als blijkt dat een emeritaatfonds het verzekeringsbedrijf uitoefent, en niet onder de Pensioenwet valt, dan gelden de voorschriften van de WFT en zijn de bepalingen van de PW uiteraard niet van toepassing. Dat betekent onder andere dat de voorschriften ten aanzien van gelijke behandeling (man/vrouw, deeltijd/voltijd, slapers/gepensioneerden) niet van toepassing zijn. Verder geldt in die situatie niet het fiscale regime dat van toepassing is op tweede pijler pensioenen, maar zal het lijfrenteregime gelden. Er is geen reden om aan te nemen dat de huidige fiscale behandeling zal veranderen als gevolg van het oordeel van de toezichthouder of een emeritaatfonds al dan niet als een pensioenfonds dan wel verzekeraar wordt aangemerkt. Indien de Pensioenwet van toepassing is zijn uiteraard ook de vereisten ten aanzien van de financiering van toepassing. Daar waar sprake is van onderdekking zal het betreffende fonds in overleg met DNB een herstelplan op moeten stellen. DNB kan daarbij maatwerk leveren, waarbij rekening gehouden zal worden met de specifieke omstandigheden van een pensioenfonds.

De leden van de CDA-fractie vraag of er recent overleg heeft plaatsgevonden met de verschillende predikantenfondsen. Ook de leden van de ChristenUnie vragen naar de stand van zaken. Zoals ook is aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag vindt de regering het wenselijk dat ook de predikanten als zij dat willen onder de bescherming van de pensioenwetgeving kunnen vallen. Daarom wordt momenteel in overleg met de verschillende fondsen en DNB gekeken op welke wijze dat het beste vormgegeven kan worden. Ten behoeve van dit overleg heeft DNB alle bekende fondsen benaderd. Het kabinet zal de Kamer tijdens het wetgevingsoverleg informeren over de stand van zaken.

Zelfstandigen

De leden van de PvdA-fractie hebben een reactie gevraagd op het pensioenfonds voor zzp-ers van de FNV dat in oprichting is.

Uit navraag heeft de regering begrepen dat de FNV momenteel diverse mogelijkheden onderzoekt om de pensioenpositie van ZZP-ers te verbeteren. Op dit moment is geen sprake van een oprichting van een pensioenfonds voor ZZP-ers door de FNV. Wel wordt de haalbaarheid hiervan onderzocht, waarbij wordt bezien of dat binnen de huidige regelgeving mogelijk is.

Positie directeur-grootaandeelhouder

De leden van de PvdA-fractie hebben in dit nader verslag een aantal vragen gesteld over de positie van de directeur-grootaandeelhouder in de Pensioenwet. Deze leden hebben nogmaals gewezen op de gebrekkige bescherming van de directeur-grootaandeelhouder bij faillissement en de partner van de directeur-grootaandeelhouder. Zoals de regering reeds in de nota naar aanleiding van het verslag heeft onderbouwd, brengt de Pensioenwet geen verandering voor de consequenties van faillissement ten opzichte van de PSW. Zeker gezien het feit dat de directeur-grootaandeelhouder buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel wordt geplaatst, is er geen aanleiding om het wetsvoorstel op dit terrein aan te passen.

De leden van de PvdA-fractie hebben voorts nogmaals gevraagd waarom een directeur-grootaandeelhouder niet de mogelijkheid behoudt om mee te lopen met het pensioen van het bedrijf. Deze consequentie is naar de mening van de regering een logisch gevolg van het feit dat de directeur-grootaandeelhouder maatschappelijk gezien meer een ondernemer dan een werknemer is. Ook andere ondernemers, waarvan de onderneming niet de rechtsvorm van een vennootschap heeft, kunnen niet deelnemen aan een arbeidsvoorwaardelijke collectieve pensioenregeling van hun werknemers. Er is immers geen sprake van een arbeidsrelatie tussen de werkgever en de werknemer. De regering ziet niet in waarom voor één specifieke groep ondernemers een uitzondering gemaakt zou moeten worden, mede omdat juist voor directeur-grootaandeelhouders goede alternatieven voor hun pensioenopbouw beschikbaar blijven.

De leden van de PvdA-fractie hebben vervolgens gevraagd naar een onderbouwing van het ontbreken van de mogelijkheid van overdracht van een pensioen in eigen beheer naar een pensioenregeling. In dat verband hebben zij tevens gevraagd of het niet juist tot meer onduidelijkheid leidt wanneer een voormalig directeur-grootaandeelhouder het in eigen beheer gehouden pensioen in de nieuwe regeling bij zijn werkgever kan inbrengen en zo zijn pensioen bij één uitvoerder kan samenbrengen. Zoals hierboven al aangegeven wordt in dit wetsvoorstel aangesloten bij de maatschappelijke norm dat een directeur-grootaandeelhouder meer een ondernemer dan een werknemer is. Gegeven dit uitgangspunt zou het niet logisch zijn dat ondernemingsvermogen ingebracht kan worden in een arbeidsvoorwaardelijke collectieve pensioenregeling. Het feit dat op dit vermogen een fiscale claim ligt, doet daar niets aan af.

De leden van de PvdA-fractie hebben om een reactie gevraagd over het standpunt van de regering dat de partners van de directeur-grootaandeelhouder in het kader van het bijzonder nabestaandenpensioen geen bescherming nodig hebben. De veronderstelling van deze leden dat de partner van de directeur-grootaandeelhouder met de overgang van de PSW naar de Pensioenwet geen bescherming meer zou hebben is onjuist. In de IPW is voorzien in een zodanige aanpassing van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en de regelgeving ten aanzien van het bijzonder nabestaandenpensioen dat de rechtsbescherming van de partner van de directeur-grootaandeelhouder materieel gelijk blijft aan de huidige situatie.

In navolging van de KPS hebben de leden van de PvdA-fractie gevraagd of de door hen geciteerde passage uit de memorie van toelichting nog stand houdt. De regering kan zich voorstellen dat deze passage voor misverstanden kan zorgen door de zinsnede «Het is niet meer mogelijk ....». Zowel onder de PSW als op grond van dit wetsvoorstel geldt immers dat een aandeelhouder die slechts beperkte zeggenschap heeft (minder dan 10% van de aandelen) wordt aangemerkt als «gewoon» werknemer. Dit wetsvoorstel brengt in die situatie geen verandering. Dat betekent dat het niet alleen op grond van dit wetsvoorstel, maar ook reeds onder de PSW voor deze categorie niet mogelijk is om het in het kader van de pensioenovereenkomst gereserveerde geld op de balans van de onderneming te zetten. In die zin brengt dit wetsvoorstel geen veranderingen met zich mee.

Het criterium om op grond van dit wetsvoorstel niet meer als werknemer, maar als directeur-grootaandeelhouder, aangemerkt te worden, is 10%-aandelenbezit (conform de PSW). De regering acht het vanuit het oogpunt van helderheid noodzakelijk om aan dit criterium vast te houden. Dat is eveneens door sociale partners, met name MKB Nederland, onderschreven. De door de leden van de PvdA-fractie voorgestelde introductie van een aparte groep «minderheidsdirecteur-grootaandeelhouders», waarvoor een afzonderlijke «opting-in» mogelijkheid in de Pensioenwet zou moeten worden geïntroduceerd, acht de regering dan ook onwenselijk.

Territoriale werking

De leden van de fracties van de PvdA en de VVD vragen of de regering de Wet verplichte deelname bedrijfstakpensioenfondsen 2000 (Wet Bpf 2000) en de Pensioenwet in het kader van het Europees verdrag over verbintenissen uit overeenkomsten (EVO-verdrag) als wetgeving met een dwingendrechtelijk karakter beschouwt?

De vraag of er sprake is van dwingend recht is met name van belang omdat de werknemer de bescherming die hij geniet op grond van dwingende bepalingen door rechtskeuze niet kan verliezen (zie artikel 6 van het EVO-verdrag). De regering gaat er vanuit dat de Pensioenwet en de Wet Bpf 2000 evenals de PSW dwingendrechtelijk van karakter zijn (zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3, blz. 15; Kamerstukken 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 197) aangezien het niet mogelijk is van deze wettelijke bepalingen, bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, af te wijken.

Naar aanleiding van een artikel in het Pensioen Magazine van mei 2006 over de territoriale werking van de Pensioenwet vragen de leden van de fractie van de PvdA om in te gaan op de afzonderlijke voorstellen die in dat artikel worden gedaan.

Het eerste voorstel in het artikel heeft betrekking op het werklandprincipe uit het Europese Verdrag voor verbintenissen uit Overeenkomst (EVO). In de wet zou moeten worden bepaald dat dit principe gevolgd wordt. De regering wijst erop dat wat in het EVO is geregeld, niet in nationale wetgeving vastgelegd hoeft te worden. Het EVO bevat een regeling met betrekking tot het conflictrecht bij overeenkomsten – onder andere met betrekking tot pensioenovereenkomsten – ingeval de overeenkomst internationale aanknopingspunten heeft. Het geeft met andere woorden regels over de vraag welk recht van welk land van toepassing is als een overeenkomst internationale aanknopingspunten heeft. In dit conflictrecht van het EVO is ten aanzien van arbeidsovereenkomsten met internationale aanknopingspunten geregeld dat het werklandbeginsel uitgangspunt is. Het is niet nodig in nationale wetgeving over te schrijven wat in een Verdrag reeds geregeld wordt, aangezien het Verdrag van hogere orde is.

Het tweede voorstel betreft een aanvullend artikel met betrekking tot de verplichtingen die buitenlandse verzekeraars of pensioeninstellingen hebben.

Nederlandse wetgeving kan in beginsel niets regelen over verzekeraars en pensioeninstellingen die in het buitenland gevestigd zijn. Wel is in artikel 188 van het wetsvoorstel bepaald dat de toezichthouder een pensioeninstelling uit een andere lidstaat die een Nederlandse regeling gaat uitvoeren informeert over de toepasselijke sociale en arbeidswetgeving en over de artikelen 35 tot en met 43 en 47 van de wet. In de artikelen 187 en 188 is bepaald welke bevoegdheden de toezichthouder heeft indien de pensioeninstelling zich niet houdt aan de betreffende Nederlandse wetgeving. De regering is van oordeel dat de voorgestelde bepaling in het Pensioen Magazine overbodig is.

Het derde voorstel van de auteur houdt in dat niet alleen de toezichthouder een taak heeft ten aanzien van de pensioeninstelling uit een andere lidstaat, maar dat ook de werkgever er voor zal moeten zorgen dat de pensioeninstelling het Nederlandse sociaal en arbeidsrecht naleeft.

De regering acht deze extra zorgplicht niet noodzakelijk omdat in de wet al bepaald is dat de pensioeninstelling uit een andere lidstaat het Nederlandse sociaal en arbeidsrecht moet naleven. Op grond van de richtlijn 2003/41/EG is deze bepaling voldoende.

Het volgende voorstel heeft betrekking op burgerrechtelijke geschillen met buitenlandse pensioeninstellingen en verzekeraars. Zoals in paragraaf 2.4.5 van het algemeen deel van de toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht, regelt de EEX-Verordening welke rechter bevoegd is bij een conflict over een overeenkomst met internationale aanknopingspunten. Het is dan ook niet nodig hierover in de Pensioenwet aanvullende bepalingen op te nemen.

Het laatste voorstel van de auteur betreft de verplichtingen van pensioenfondsen die buitenlandse pensioenregelingen uitvoeren. Het regering acht de voorgestelde bepaling overbodig, omdat dit naar het oordeel van de regering al voldoende geregeld is. Zo is immers in artikel 182 van de Pensioenwet al is bepaald dat bij de uitvoering van een pensioenregeling uit een andere lidstaat de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving niet van toepassing is en wordt in artikel 198 geregeld dat een dergelijk fonds ontheffing kan krijgen van bepaalde verplichtingen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of er signalen zijn dat de pensioenuitvoering van Nederlandse pensioenregelingen mede ten gevolge van de kwaliteitseisen die wij aan deze regelingen stellen, naar het buitenland zou worden overgedragen.

Er zijn de regering geen signalen bekend dat om deze reden sprake is van een vertrek van pensioenfondsen naar het buitenland. Wel kan op het gebied van het vermogensbeheer en de administratie sprake zijn van een zekere grensoverschrijdende mobiliteit. Concreet gaat het hierbij vaak om het benutten van de voordelen die asset pooling bieden. Bij asset pooling worden ten behoeve van het vermogensbeheer de vermogens van verschillende pensioenfondsen samengevoegd, zonder dat sprake is van één pensioenfonds. Pensioenfondsen beleggen dan niet direct in de onderliggende waarden, maar in de gezamenlijke beleggingspool. Zodoende kunnen schaalvoordelen met betrekking tot de te maken kosten worden gerealiseerd. Verder kan bij asset pooling door de omvang van het totale belegde vermogen ook een betere diversificatie van de beleggingsportefeuille worden bereikt.

Daarbij dient echter te worden opgemerkt dat zolang het eigenlijke pensioenfonds in Nederland gevestigd blijft, dit fonds gewoon dient te voldoen aan de eisen zoals die gesteld worden, inclusief het financiële toetsingskader. De vraag van de leden van de fractie van de PvdA of de wettelijk gestelde eisen uit het wetsvoorstel voor de Pensioenwet aanleiding zijn voor deze mobiliteit kan dan ook ontkennend worden beantwoord.

Wat betreft het vermogensbeheer lijken met name ondernemingspensioenfondsen die regelingen voor internationals uitvoeren, te zoeken naar mogelijkheden om het vermogensbeheer te bundelen. Vanuit efficiency overwegingen is dat ook een voor de hand liggende overweging. Het brengt echter tegelijkertijd de vraag met zich mee wat de vestigingsplaats moet zijn van dat gebundelde vermogensbeheer.

De regering besteedt al nadrukkelijk aandacht aan het vestigingsklimaat voor financiële instellingen – waaronder pensioeninstellingen en vermogensbeheerders. Recent zijn op dat terrein betekenisvolle stappen gezet. Zo is per 1 januari 2006 de kapitaalsbelasting (die werd geheven over het bijeenbrengen van kapitaal) afgeschaft. Bovendien is in maart van dit jaar het Besluit met betrekking tot fondsen voor gemene rekening herzien. Beide maatregelen vergroten in aanzienlijke mate de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor financiële instellingen. Nederland heeft met andere woorden een goede uitgangspositie om het vermogensbeheer juist te behouden.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts wat de verwachtingen zijn over het (in)standhouden van de conserverende aanslag in het kader van het vrije verkeer van werknemers binnen de EU. In antwoord op deze vraag kan worden opgemerkt dat het huidige systeem naar de mening van de regering niet in strijd is met het vrije verkeer van werknemers binnen de EU. In dit verband is van belang dat, naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen (het Hof van Justitie) in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant van 11 maart 2004, de Nederlandse wetgeving inzake de systematiek van de conserverende aanslag bij grensoverschrijding op een aantal punten is aangepast. Zo wordt met ingang van 11 maart 2004 bij iedere vorm van grensoverschrijding naar een andere lidstaat van de Europese Unie automatisch en onvoorwaardelijk uitstel van betaling verleend voor de conserverende aanslag. Voorheen werd dit uitstel alleen verleend op verzoek en na het stellen van voldoende zekerheid. Daarnaast zijn enkele aanvullende maatregelen genomen. Zo kan kwijtschelding van de in de conserverende aanslag begrepen belasting worden verleend voorzover het pensioenkapitaal op het moment van niet-reguliere afwikkeling ten opzichte van het moment van grensoverschrijding in waarde is gedaald. Naar de mening van de regering zijn met genoemde aanpassingen de mogelijk belemmerende aspecten weggenomen die de systematiek van de conserverende aanslag bij grensoverschrijding met zich droeg. Door deze aanpassingen zijn namelijk een belastingplichtige die gebruik maakt van de in het EG-verdrag gewaarborgde vrijheden en een belastingplichtige die dit niet wenst te doen materieel in een gelijke positie gebracht. In dit verband wil de regering nog wijzen op de conclusie van de advocaat-generaal (A-G) bij het Hof van Justitie J. Kokott van 30 maart 2006 in de zaak «N», betreffende een conserverende aanslag bij emigratie uit Nederland over winst uit aanmerkelijk belang. De A-G concludeert dat het Nederlandse systeem van conserverende aanslagen zoals dat geldt vanaf 11 maart 2004 niet in strijd is met de verdragsvrijheden. Omdat voor pensioenaanspraken een vergelijkbare systematiek geldt, kan deze conclusie naar de mening van de regering worden doorgetrokken naar de conserverende aanslag bij pensioenen. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het huidige systeem naar verwachting verenigbaar is met het Gemeenschapsrecht en daarmee met het vrije verkeer van werknemers binnen de EU.

3. De pensioenovereenkomst

Collectieve beschikbare premieregelingen

De leden van de fracties van CDA, PvdA en VVD hebben opnieuw aandacht gevraagd voor de positie van collectief beschikbare premieregelingen (verder te noemen: cdc-regelingen) in relatie tot dit wetsvoorstel. Zoals de regering eerder heeft aangegeven, blijft in dit wetsvoorstel het uitgangspunt volledig gehandhaafd dat de inhoud van een pensioenregeling als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden door sociale partners wordt bepaald. Tegelijkertijd is het van groot belang dat duidelijk is welke verwachtingen werknemers aan hun pensioenregeling kunnen ontlenen, nádat deze door sociale partners is afgesproken en reglementair is vastgelegd. Voorkomen moet immers worden dat zij op de pensioendatum met een veel lager pensioen worden geconfronteerd dan zij op basis van de voorgespiegelde inhoud van hun pensioenregeling mochten verwachten. Het voorschrift dat de pensioenovereenkomst moet worden gekarakteriseerd en dat daarbij op grond van de inhoud van de pensioenregeling een keuze moet worden gemaakt uit een uitkerings-, kapitaal- of premieovereenkomst is daarbij van cruciaal belang. De regering is dan ook verheugd dat de leden van de PvdA-fractie eveneens van oordeel zijn dat deelnemers het recht hebben om te weten wat hun rechten zijn en dat daarom vóóraf duidelijk moet zijn binnen welke van de drie karakters een pensioenregeling valt.

De vraag van de leden van de CDA-fractie welke van de drie karakters voor pensioenovereenkomsten in een specifieke pensioenregeling aan de orde is, is relatief eenvoudig te beantwoorden. Dat is in geval van cdc-regelingen niet anders dan in geval van andersoortige pensioenregelingen. Steeds dient de vraag te worden beantwoord of in de pensioenovereenkomst een toegezegde premie van een bepaalde hoogte (premieovereenkomst), een kapitaal van een bepaalde hoogte op de pensioendatum (kapitaalovereenkomst) of een uitkering van een bepaalde hoogte op de pensioendatum (uitkeringsovereenkomst) aan de deelnemers wordt gegarandeerd. Elke toevoeging aan deze huidige drie zuivere categorieën pensioenovereenkomsten zal per definitie een mengvorm van deze categorieën zijn, waardoor het huidige heldere onderscheid in risico’s voor de deelnemers in een pensioenregeling vertroebeld zou worden. Daarmee zou het oogmerk van dit wetsvoorstel om duidelijkheid over de inhoud van de pensioenovereenkomst aan de deelnemers te verschaffen teniet worden gedaan.

Als op grond van een cdc-regeling in de pensioenovereenkomst een pensioenuitkering van een bepaalde hoogte wordt toegezegd (eind- of middelloonregeling), zoals in de huidige praktijk veel voorkomt, dan is sprake van een uitkeringsoverkomst. De hoogte van de premie dient op deze overeenkomst afgestemd te worden op grond van de financiële vereisten die in dit wetsvoorstel zijn vastgelegd. Uiteraard kan een werkgever met zijn werknemers ook een premie- of kapitaalovereenkomst sluiten, maar dan zal ondubbelzinnig duidelijk moeten zijn dat géén nominale pensioenuitkering op de pensioendatum wordt gegarandeerd. Welke benaming in de praktijk aan de aan een pensioenovereenkomst ten grondslag liggende pensioenregeling wordt gegeven, bijvoorbeeld een cdc-regeling, is daarbij voor de Pensioenwet niet relevant. Het gaat in dit wetsvoorstel om de inhoud van de pensioenregeling/-overeenkomst en niet om de verpakking daarvan.

De leden van de PvdA-fractie hebben in dit verband gevraagd of het mogelijk is dat de inhoud van een pensioenregeling en de communicatie hierover niet volledig op elkaar aansluiten waardoor de regeling niet aan alle vereisten van één van de karakters voldoet. In beginsel zal de communicatie over een pensioenregeling moeten aansluiten bij de inhoud daarvan. Het zal de deelnemers altijd duidelijk moeten zijn welk karakter hun pensioenovereenkomst heeft, gegeven de feitelijke inhoud van de pensioenregeling die daaraan ten grondslag ligt. Indien de inhoud van de pensioenovereenkomst en de communicatie daarover onvoldoende met elkaar sporen, dan zullen deze elementen door de pensioenuitvoerder met elkaar in overeenstemming gebracht moeten worden. Indien dat in onvoldoende mate gebeurt, dan zal vervolgens de Autoriteit Financiële Markten (AFM) de pensioenuitvoerder erop wijzen dat de communicatie niet in overeenstemming met de pensioenovereenkomst is. Als de pensioenuitvoerder de informatieverstrekking dan nog niet aanpast, kan de DNB aan de pensioenovereenkomst een ander karakter toekennen, en zullen het pensioenreglement en de financiering aangepast moeten worden conform het karakter van deze pensioenovereenkomst.

Voorts hebben de leden van de PvdA-fractie gevraagd of de mogelijkheid tot het korten van de aanspraken binnen één jaar gevolgen heeft voor de opname van de cdc-regeling in de winsten verliesrekening. Voor zover de regering dit kan overzien, heeft dit geen gevolgen.

Naar aanleiding van de door een aantal leden van uw Kamer en het veld genoemde problemen stelt de regering enkele wijzigingen voor die de uitvoering van cdc-regelingen vergemakkelijken. De regering deelt de mening van de leden van de VVD-fractie dat het niet altijd wenselijk zal zijn dat pas na een jaar tot korting van verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten overgegaan kan worden. Deze bepaling, die ertoe strekte te benadrukken dat korten van rechten altijd een laatste redmiddel is, klemt bij fondsen die cdc-regelingen uitvoeren omdat korting van rechten vaak nog het enig overgebleven sturingsmiddel zal zijn. Het is voor deze fondsen dan niet mogelijk om binnen een jaar uit een situatie van onderdekking te geraken. De regering kiest ervoor om door middel van wijziging van artikel 122 de verplichte wachttijd te laten vervallen en te vervangen door de eis dat korten pas mogelijk is als alle overige sturingsmiddelen reeds maximaal ingezet zijn, met als kanttekening dat dit niet zo ver moet gaan dat ook het strategische beleggingsbeleid zou worden doorkruist. Zo blijft het uitgangspunt gehandhaafd dat korting van verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten een laatste redmiddel dient te zijn. Een belangrijke waarborg daarvoor is overigens ook het adviesrecht van de deelnemersraad in geval van vermindering van verworven aanspraken.

De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast gevraagd hoe gegeven de aard van cdc-regelingen met het huidige toestemmingsvereiste omgegaan zou moeten worden en of niet uit de aard van de regeling volgt dat voorafgaande toestemming van DNB achterwege kan blijven. De leden van de PvdA-fractie hebben in dat verband gevraagd naar de meerwaarde van het goedkeuringsvereiste vóóraf.

De regering is het met deze leden eens dat de meerwaarde van een goedkeuringsvereiste vooraf, zoals opgenomen in artikel 122, vijfde lid van dit wetsvoorstel, gering is. Korting van verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten zal, indien dit wordt overwogen, immers onderdeel uitmaken van een door DNB goed te keuren herstelplan. Bij nader inzien kan deze eis naar de mening van de regering dan ook vervallen. Het is voldoende als een fonds de toezichthouder tegelijkertijd met de deelnemers en andere betrokkenen informeert, een maand voordat de korting daadwerkelijk plaatsvindt. De tekst van artikel 122 van dit wetsvoorstel zal hiertoe worden aangepast.

Met bovengenoemde aanpassingen van artikel 122 is naar de mening van regering sprake van een robuuste wettelijke inbedding van cdc-regelingen, omdat hiermee de belangrijkste door de uitvoeringspraktijk gesignaleerde belemmeringen voor de totstandkoming en instandhouding van cdc-regelingen zijn weggenomen. Dit in antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie of de regering nu de noodzaak van de wettelijke inbedding van cdc-regelingen inziet.

De leden van de CDA-fractie hebben aangegeven dat de regering stelt dat primair de toezichthouder moet bepalen of er sprake is van een premie-, een kapitaal-, of een uitkeringsovereenkomst. Hieraan verbinden zij het oordeel dat uit het huidige wetsvoorstel onvoldoende duidelijk wordt wat een cdc-regeling is. Er wordt hier een causaal verband gesuggereerd dat niet aanwezig is. Zoals ook in de nota naar aanleiding van het verslag door de regering is aangegeven, toetst de toezichthouder of een pensioenuitvoerder zich aan de wettelijke regels ten aanzien van de pensioenovereenkomst, zoals neergelegd in dit wetsvoorstel, heeft gehouden. Het gaat hier dus om toezicht achteraf, waarbij DNB een oordeel kan uitspreken over de juiste karakterisering van een pensioenovereenkomst door een pensioenuitvoerder op grond van dit wetsvoorstel. Dit toezicht op een juiste wetstoepassing vloeit voort uit de algemene toezichtsfunctie van DNB op pensioenuitvoerders en niet uit het feit dat de regelgeving ten aanzien van de karakterisering van de pensioenovereenkomst onduidelijk zou zijn. De regering ziet dan ook geen noodzaak om bepaalde specifieke cdc-regelingen te beschrijven. Dat zou ook geen meerwaarde hebben, omdat voor de classificatie waarnaar de leden van de CDA-fractie hebben gevraagd uiteindelijk alleen bepalend is wat in de pensioenovereenkomst aan de deelnemers is toegezegd: een premie, een kapitaal of een uitkering. De regering is tot slot de mening toegedaan dat het niet mogelijk is om de grote variëteit aan regelingen die thans in het spraakgebruik het etiket«cdc-regeling» onder één gemeenschappelijke noemer te vatten. Daarvoor zijn de toezeggingen aan de deelnemers te verschillend.

Verder hebben de leden van de CDA-fractie gevraagd of zij goed hebben begrepen dat wanneer de beleggingsresultaten achterblijven bij de verwachtingen, DNB kan besluiten om een cdc-regeling, die aangemerkt was als uitkeringsovereenkomst van de één op de andere dag te herdefiniëren als beschikbare premieregeling. Deze conclusie is onjuist. Het feit dat de beleggingsresultaten in een cdc-regeling tegenvallen en mogelijk zelfs tot korting van verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten overgegaan moet worden, betekent niet dat het karakter van de pensioenovereenkomsten verandert. Een uitkeringsovereenkomst blijft dus een uitkeringsovereenkomst, met alle financiële verplichtingen van dien. Consequentie kan wel zijn dat na afloop van een periode, waarin de premie op een constant niveau was vastgelegd, in een volgende periode een hogere premie moet worden afgesproken om nog steeds kostendekkend te zijn. Indien dit onwenselijk zou worden gevonden, zal de inhoud van de pensioenregeling zodanig moeten worden aangepast dat niet langer sprake is van een uitkeringsovereenkomst. Dit zal dan uiteraard ook aan de deelnemers in deze pensioenregeling moeten worden gecommuniceerd.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd of de regering kan ingaan op het verschil in fiscale ruimte voor een maximale opbouw indien een cdc-regeling wordt aangemerkt als uitkeringsovereenkomst en als een beschikbare premieregeling.

Het fiscale kader voor aanvullende pensioenregelingen is zo ingericht dat gemiddeld genomen – dat wil zeggen uitgaande van een gemiddelde loopbaanontwikkeling en over de gehele loopbaan gerekend – de fiscale ruimte voor een (als uitkeringsovereenkomst in de zin van dit wetsvoorstel aan te merken) eindloon- of middelloonregeling grosso modo even groot is als voor een beschikbare premieregeling. Voor beschikbare premieregelingen zijn uniform toepasbare beschikbare premiestaffels gepubliceerd, die zodanig zijn vastgesteld dat deze – uitgaande van een aantal vaste uitgangspunten – tot hetzelfde eindresultaat leiden als in een eindloon- of middelloonregeling zou zijn bereikt. Bij de bepaling van de rekengrondslagen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de rekengrondslagen van pensioenfondsen en verzekeraars. Dat betekent onder andere dat de premie stijgt naar mate de werknemer ouder is. Omdat bij eind- en middelloonregelingen vaak met een doorsneepremie wordt gewerkt, zal de premie in de laatstgenoemde regelingen aan het begin van de loopbaan vaak hoger zijn dan fiscaal maximaal is toegestaan voor beschikbare premieregelingen. Aan het einde van de loopbaan geldt precies het omgekeerde. Wanneer de totale opbouwperiode van een pensioen in ogenschouw wordt genomen, zal de fiscale ruimte voor eindloon- en middelloonregelingen enerzijds en beschikbare premieregelingen anderzijds echter grosso modo gelijk zijn. Dat geldt ook voor de werknemers van het bedrijf uit het voorbeeld dat door de leden van de CDA-fractie naar voren is gebracht.

Aangezien van een herdefiniëring van de pensioenovereenkomst, puur op grond van slechte beleggingsresultaten, geen sprake kan zijn, is van de door de leden van de CDA-fractie veronderstelde gedwongen verlaging van stortingen vanwege fiscale bovenmatigheid ook geen sprake.

Wijziging van de pensioenovereenkomst

De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat de regering in reactie op een vraag over de mogelijkheden tot wijzigingen van de pensioenovereenkomst stelt, dat bij verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen de pensioenovereenkomst door het collectief van werkgevers wordt vastgesteld en dus niet door een individuele werkgever gewijzigd kan worden. Betekent dit dat in andere gevallen de werkgever wel de pensioenovereenkomst mag wijzigen? Zo ja, wat zijn de gevolgen van deze mogelijkheid tot wijzigen?

De regering wijst erop dat in de nota naar aanleiding van het verslag beschreven is dat zowel bij verplichtgestelde- als bij niet-verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen de pensioenovereenkomst niet door een individuele werkgever eenzijdig gewijzigd zou kunnen worden op grond van de mogelijkheid op basis van artikel 18. Het gaat daarbij immers altijd om collectief tot stand gekomen pensioenregelingen. Bij – al dan niet verplichtgestelde – bedrijfstakpensioenfondsen zouden werkgevers wel op collectief niveau, op grond van artikel 18, een eenzijdig wijzigingsbeding met de werknemersorganisaties kunnen overeenkomen. Ook in alle andere gevallen mag een werkgever zo’n eenzijdig wijzigingsbeding met de werknemers afspreken.

De gevolgen van zo’n eenzijdig wijzigingsbeding zijn, dat de werkgever, conform wat hij heeft afgesproken, in geval van een zwaarwegend belang, de pensioenregeling eenzijdig mag aanpassen. In dat geval heeft de werknemer of hebben de werknemers vooraf ingestemd met zo’n mogelijkheid tot eenzijdig wijzigen.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de verhouding tussen artikel 613 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Pensioenwet ten aanzien van het eenzijdig wijzigen van de arbeidsovereenkomst en de pensioenovereenkomst. In antwoord op deze vraag merkt de regering op dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, blz. 34, 108 en 109) is ingegaan op de verhouding tussen de genoemde bepaling in het Burgerlijk Wetboek en artikel 18 van het wetsvoorstel. De in artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek gehanteerde formulering «een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken» is overgenomen in artikel 18 van het wetsvoorstel.

Wijziging toeslagbeleid

De regering constateert met genoegen dat de leden van de VVD-fractie de lijn van de regering steunen ten aanzien van de mogelijkheid om het toeslagbeleid te wijzigen. Deze leden vragen of het niet gewenst is dit punt expliciet in de Pensioenwet vast te leggen.

De regering is van mening dat daartoe geen noodzaak bestaat, omdat dit reeds volgt uit de systematiek van de wet. Artikel 19 bepaalt dat opgebouwde pensioenaanspraken in beginsel niet gewijzigd kunnen worden. Artikel 1 bepaalt echter uitdrukkelijk dat de overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening geen onderdeel vormt van de pensioenaanspraken. Wijzigingen ten aanzien van het toeslagbeleid vallen derhalve niet onder artikel 19.

c-polis

De leden van de fracties van het CDA en de PvdA vragen zich af hoe het vervallen van de mogelijkheid om zogenoemde C-polissen af te sluiten uitwerkt, indien een kapitaalovereenkomst of een premieovereenkomst op de pensioendatum expireert en wordt omgezet in een direct ingaande periodieke uitkering. Wie wordt er verzekeringnemer voor de direct ingaande pensioenverzekering? De ex-werknemer? En is dat nog mogelijk met het vervallen van de C-polis? De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat DNB in een dergelijke situatie het aangaan van een nieuwe verzekeringsovereenkomst ziet, tenzij het expirerende kapitaal verplicht wordt omgezet bij dezelfde pensioenuitvoerder in een direct ingaande periodieke uitkering.

In antwoord op deze vragen merkt de regering het volgende op. De mogelijkheid voor een deelnemer of gewezen deelnemer bij een premie- of kapitaalovereenkomst om op pensioendatum een periodieke pensioenuitkering in te kopen bij een andere pensioenuitvoerder dan bij wie het pensioen is opgebouwd, het zogeheten shoppen, is geregeld in artikel 74. De mogelijkheid te shoppen bestaat alleen als de pensioenovereenkomst daarin voorziet. In geval van shoppen zal de deelnemer of gewezen deelnemer (die pensioengerechtigde wordt) verzekeringnemer worden bij de nieuwe pensioenuitvoerder. Het is niet logisch de werkgever als verzekeringnemer te laten optreden bij shoppen. Er is geen sprake meer van pensioenopbouw. Bovendien is het denkbaar dat de werkgever niet meer bestaat wanneer shoppen aan de orde is bij een gewezen deelnemer. Artikel 22 – dat de werkgeververplicht een pensioenovereenkomst onder te brengen bij een pensioenuitvoerder waardoor hij verzekeringnemer wordt – staat ook niet in de weg de deelnemer of gewezen deelnemer in het kader van shoppen verzekeringnemer te laten zijn. Immers, artikel 22 verplicht een werkgever een pensioenovereenkomst onder te brengen «uiterlijk wanneer een werknemer pensioenaanspraken verwerft». En bij shoppen is geen sprake meer van het verwerven van pensioenaanspraken.

Arbeidsongeschiktheidspensioen

De leden van de CDA-fractie hebben aangegeven behoefte te hebben aan een nadere toelichting op de uitleg van de regering over het arbeidsongeschiktheidspensioen. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de Pensioenwet de mogelijkheid moet bieden de hoogte van invaliditeitspensioen/arbeidsongeschiktheidspensioen af te stemmen op de hoogte van de WGA-uitkering. Zij verzoeken de regering dit alsnog bij wet vast te leggen.

Kern is dat niet de pensioenwetgeving ten aanzien van arbeidsongeschiktheid is veranderd, maar dat de arbeidsongeschiktheidswetgeving is veranderd. De WAO-hiaatverzekering heeft een ander karakter dan zogenoemde WGA-hiaatverzekeringen. De WAO-hiaatverzekering dekte het verlies aan inkomen als gevolg van een verlaging van de grondslag waarover de uitkering werd berekend. In de WGA-hiaatverzekeringen wordt het verlies aan inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid én als gevolg van het niet kunnen realiseren van de restverdiencapaciteit integraal gedekt. Aangezien een arbeidsongeschiktheidspensioen alleen betrekking kan hebben op het arbeidsongeschiktheidsrisico en gelet op het integrale karakter van een WGA-hiaatverzekering is het dus niet vanzelfsprekend dat een WGA-hiaatverzekering als arbeidsongeschiktheidspensioen kan worden aangemerkt. DNB beoordeelt of producten, uitgevoerd door pensioenfondsen, aan de vereisten van de pensioenwetgeving voldoen. Is dat niet het geval, dan mag de verzekering niet door pensioenfondsen worden uitgevoerd. Andere aanbieders op de verzekeringsmarkt kunnen WGA-hiaatverzekeringen wel aanbieden. Een bevestiging dat bestaande WAO-hiaatverzekeringen en nieuwe WGA hiaatverzekeringen gewoon onder de pensioenwet blijven vallen is niet te geven zonder de specifieke kenmerken van de WGA-hiaatverzekeringen te kennen.

Het bepalen van de aard van de toezegging van een arbeidsongeschiktheidspensioen is geheel aan sociale partners. Zo kunnen zij in de toezegging bepalingen opnemen tot korting van het pensioen met andere inkomsten van de pensioengerechtigde. De mate en reikwijdte van anticumulatie is geheel aan sociale partners. De regering is van mening dat tegen deze achtergrond het arbeidsongeschiktheidspensioen op eenzelfde wijze inhoud kan worden gegeven onder de WIA/WGA als onder de WAO. Dat zal ook leiden tot dezelfde hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen. De regering wil niet overgaan tot uitbreiding van de reikwijdte van de Pensioenwet naar andere risico’s dan die voor ouderdom, arbeidsongeschiktheid en overlijden. Want dat is wat de leden van de PvdA-fractie vragen als zij vinden dat de hoogte van het invaliditeitspensioen/arbeidsongeschiktheidspensioen moet kunnen worden afgestemd op de hoogte van de WGA-uitkering. Zoals eerder aangegeven valt het WGA-risico niet één-op-één samen met het arbeidsongeschiktheidsrisico.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader in te gaan op de definitie van arbeidsongeschiktheidspensioen en het omgaan met anticumulatie. Een arbeidsongeschiktheidspensioen ziet uitsluitend op een dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico. De toezegging mag niet variëren met andere aspecten in de omstandigheden van de werknemer dan de mate waarin het arbeidsongeschiktheidsrisico zich bij die werknemer manifesteert. Dat kan betekenen dat als de werkgever ook wenst te voorzien in een betekenisvol arbeidsongeschiktheidspensioen voor arbeidsongeschikte werknemers, die er na verloop van tijd niet of nauwelijks in slagen hun restverdiencapaciteit te realiseren, een hoge toezegging moet doen. Maar die toezegging valt dan ook toe aan arbeidsongeschikte werknemers, die wel slagen in het realiseren van hun verdiencapaciteit. Voor die gevallen kunnen sociale partners besluiten tot anticumulatie. In zijn uiterste toepassing kan dat een ontmoediging betekenen voor werknemers om hun restverdiencapaciteit in arbeid te realiseren. Sociale partners zijn volledig vrij in het bepalen welke inkomenscomponenten worden betrokken bij het definitief vaststellen van een arbeidsongeschiktheidspensioen in individuele gevallen. De regering vertrouwt er op dat sociale partners in de vormgeving en uitwerking van het arbeidsongeschiktheidspensioen met dit effect rekening zullen houden.

De leden van de CDA-fractie vragen vervolgens een voorbeeld te geven van hoe een en ander uitwerkt voor iemand die € 40 000 verdiende, 50% arbeidsgeschikt is, een arbeidsongeschiktheidspensioen krijgt van € 18 000, inkomen uit werk heeft van € 6 000 en een WGA-uitkering heeft van € 5 000 per jaar.

In dit voorbeeld ontbreekt informatie over de pensioentoezegging. Aangenomen wordt dat de pensioentoezegging luidt: 90% van het laatstverdiende loon naar rato van de mate van arbeidsongeschiktheid of wel 0.9 x 0.5 x € 40 000 = € 18 000. Daarnaast blijkt uit het voorbeeld dat belanghebbende zijn restverdiencapaciteit voor 30% benut en dus recht heeft op een vervolguitkering van € 5 000. Om het effect van anticumulatie te illustreren is het goed om ook een collega van betrokkene in het voorbeeld te betrekken, die € 20 000 verdient (hij benut dus zijn gehele restverdiencapaciteit) en voor de overige kenmerken precies gelijk is. In onderstaande tabel is voor beide gedeeltelijk arbeidsgeschikten aangegeven hoe hun inkomen er na afloop van de loongerelateerde fase uitziet.

 Werknemer A realiseert 30% restverdiencapaciteitWerknemer B realiseert 100% restverdiencapaciteit
WGA loonaanvulling  
loonaanvulling € 14 000
arbeidsongeschiktheidspensioen € 18 000
inkomen uit arbeid € 20 000
totaal inkomen € 52 000
WGA-vervolguitkering  
vervolguitkering€  5 000 
arbeidsongeschiktheidspensioen€ 18 000 
inkomen uit arbeid€  6 000 
totaal inkomen€ 29 000 

Loonaanvulling: 0.7 x (laatst verdiende loon minus restverdiencapaciteit); arbeidsongeschiktheidspensioen: 0.9 x arbeidsongeschiktheidspercentage x laatstverdiende loon; vervolguitkering: 0.35 (uitkeringspercentage behorend bij arbeidsongeschiktheidspercentage) x minimum loon.

Werknemer B krijgt een hoger inkomen dan toen hij nog niet arbeidsongeschikt was. Dat is niet reëel, maar wordt bepaald door de wens van sociale partners om werknemer A voor een grote inkomensachteruitgang in verband met arbeidsongeschiktheid te behoeden. De anticumulatie kan op diverse wijzen vorm worden gegeven. Zo zou kunnen worden afgesproken dat het inkomen boven 90% van het laatstverdiende loon in mindering wordt gebracht op het arbeidsongeschiktheidspensioen. Werknemer B ontvangt dan een arbeidsongeschiktheidspensioen van € 2 000 en komt dan uit op een inkomen van € 36 000. De regering gaat er wel vanuit dat sociale partners bij de vormgeving van het arbeidsongeschiktheidspensioen ook de principes «activering naar betaald werk» en «werken moet lonen» zullen eerbiedigen.

Doorsneepremie bij kapitaalovereenkomsten

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de wijze waarop bij een kapitaalovereenkomst een doorsneepremie wordt gehanteerd. Voor een groot deel is er sprake van individueel geadministreerd kapitaal, maar de premie moet zowel leeftijdsals sekseneutraal zijn.

Dat een deelnemer een individuele aanspraak op een kapitaal op pensioendatum opbouwt, staat niet in de weg dat partijen betrokken bij de pensioenovereenkomst er voor kiezen te werken met een doorsneepremie. In dat geval wordt het totaal van de individueel berekende kosten van de groep verzekerden uitgedrukt in een percentage van de totale loonsom of van de som van alle pensioengrondslagen. Automatisch wordt dan een zelfde premie gehanteerd voor mannen en vrouwen en verschillende leeftijdsgroepen.

Als niet wordt gekozen voor een doorsneepremie maar voor individuele premieheffing, zijn bepaalde verschillen in de hoogte van de premie tussen mannen en vrouwen en leeftijdsgroepen toegestaan. Op grond van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen moet bij uitkerings- en kapitaalovereenkomsten de werknemerspremie voor mannen en vrouwen gelijk zijn. De werkgeverspremie mag wel verschillen voorzover dat verschil het gevolg is van actuariële berekeningselementen. De met het kapitaal in te kopen periodieke uitkeringen moeten op grond van die wet immers weer wel gelijk zijn voor mannen en vrouwen. De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid verplicht tot gelijke uitkeringen voor verschillende leeftijdsgroepen, maar staat verschillen in premieheffing expliciet toe voorzover deze terug te voeren zijn op actuariële berekeningen. Deelnemers met een verschillende leeftijd moeten dus wel dezelfde aanspraak op kapitaal opbouwen.

4. Onderbrenging bij pensioenuitvoerder

4.1 Positie verzekeraars

Verantwoordelijkheid verzekeraars

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en de VVD stellen vragen over de verantwoordelijkheid van de verzekeraar voor het pensioenreglement in relatie tot de mogelijkheid dat als gevolg van wetgeving of jurisprudentie aanpassing noodzakelijk is, soms met terugwerkende kracht. Mag de pensioenuitvoerder het pensioenreglement eenzijdig aanpassen aan wetgeving of jurisprudentie, ook als dat daardoor niet meer in overeenstemming is met de pensioenovereenkomst? Hoe moet deze mogelijkheid gezien worden in relatie tot artikel 33, dat bepaalt dat het pensioenreglement wordt vastgesteld in overeenstemming met de pensioenovereenkomst.

Wat betekent het eenzijdig wijzigen van het pensioenreglement voor de geldigheid van de pensioenovereenkomst en de overeenstemming tussen pensioenovereenkomst en pensioenreglement? Is de pensioenuitvoerder ook verantwoordelijk voor het wijzigen van de pensioenovereenkomst? Kan een voorbehoud teneinde aansprakelijkheid met terugwerkende kracht te voorkomen in het pensioenreglement worden opgenomen? Wie is verantwoordelijk voor de kosten in geval van terugwerkende kracht ingeval een werkgever en een pensioenfonds beide bestaan, wie wanneer de werkgever failliet is, maar het pensioenfonds nog functioneert, en wie als de werkgever niet meer bestaat of insolvent is en de regeling is ondergebracht bij een verzekeraar. Komt het wijzigen van aanspraken met terugwerkende kracht niet frequenter voor dan de regering suggereert.

De vragen van de leden van de fractie van het CDA, van de PvdA en van de VVD over de verantwoordelijkheid van een verzekeraar ingeval van wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht, met name in relatie tot kosten, hebben naar de mening van de regering een sterk hypothetisch gehalte.

Wetgeving heeft zelden terugwerkende kracht. In aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, is aangegeven dat aan belastende regelingen, behoudens uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht mogen worden toegekend. Mocht terugwerkende kracht in een uitzonderlijk geval wél aan de orde zijn, dan is er in dat geval kennelijk aanleiding voor de wetgever om andere belangen te laten prevaleren dan de belangen van de verzekeraars. In situaties waarin wetgeving met terugwerkende kracht wordt gewijzigd, is die wetgeving met andere woorden altijd voorzien van een op maat gesneden oplossing voor het vraagstuk van reeds verstreken periodes.

Ook jurisprudentie heeft zelden terugwerkende kracht. Voorzover gerechtelijke uitspraken wel terugwerkende kracht kennen, leidt dat in de praktijk tot wetgeving. Bij dergelijke wetgeving is één van de cruciale te regelen zaken juist de datum waarop de nieuwe in de jurisprudentie gevormde regel in de praktijk doorgevoerd moet worden.

Wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht zal dus vrijwel altijd leiden tot specifieke regelgeving. Daarbij zal zeker aandacht zijn voor die gevallen waarbij geen beroep meer gedaan kan worden op de werkgever voor het in rekening brengen van de extra kosten.

Hoe door pensioenfondsen en verzekeraars omgegaan moet worden met extra kosten in geval van wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht, kan op voorhand dus niet gezegd worden. Wel kan in zijn algemeenheid worden opgemerkt dat pensioenfondsen meer mogelijkheden hebben kosten op te vangen dan verzekeraars.

Pensioenfondsen kunnen, als de werkgever nog bestaat, de kosten via de premie verhalen. Als de werkgever niet meer bestaat, dient het pensioenfonds deze lasten te financieren uit de aanwezige middelen. Pensioenfondsen zijn naar hun aard immers collectieve en solidaire instellingen waar dat van verwacht mag worden.

Verzekeraars hebben in beginsel niet de mogelijkheid om, als de werkgever nog bestaat, op eigen initiatief de premie te verhogen. Wel kan een verzekeraar beroep doen op artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek en zich tot de rechter wenden om, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden, de uitvoeringsovereenkomst te laten wijzigen. Tevens kan de verzekeraar, zoals de regering in de nota naar aanleiding van het verslag gesuggereerd heeft, in de uitvoeringsovereenkomst bepalen dat in het geval van wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht de verzekeraar de extra kosten daarvan achteraf in rekening mag brengen bij de werkgever, ook nadat het contract premievrij is geworden. Het is partijen betrokken bij de pensioenovereenkomst, of de verzekeraar, overigens niet toegestaan de verzekeraar het eenzijdige recht te geven op andere onderdelen van het pensioenreglement dan die waar de wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht betrekking op hebben, ter compensatie van die wetgeving of jurisprudentie, het pensioenreglement te wijzigen. Dat zou in strijd zijn met de plicht het pensioenreglement in overeenstemming met de pensioenovereenkomst op te stellen (voorzover de pensioenovereenkomst niet strijdig is met wetgeving, zie verderop). Voorzover opbouw van aanspraken met terugwerkende kracht zou moeten worden herzien, zou dat bovendien strijdig zijn met artikel 19 Pensioenwet dat regelt dat een wijziging van de pensioenovereenkomst geen terugwerkende kracht kan hebben.

Hoe dan ook ziet de regering geen aanleiding op voorhand in het wetsvoorstel voor de Pensioenwet te regelen dat verzekeraars altijd gevrijwaard zijn voor het risico op extra kosten bij wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht. Een dergelijke algemene vrijwaring zou immers, indien de werkgever niet meer bestaat, betekenen dat de wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht, volledig ten laste komt van de deelnemers. Immers, bij wetgeving of jurisprudentie met terugwerkende kracht zijn er in beginsel drie partijen te onderscheiden waar de kosten neer kunnen slaan: de werkgever, de deelnemer c.s., en de verzekeraar (of het pensioenfonds). Als de werkgever niet meer bestaat, en de verzekeraar wordt gevrijwaard, dan komen de lasten dus bij deelnemers terecht. Door op voorhand verzekeraars te vrijwaren zouden deze in zekere zin «immuun» gemaakt worden voor de betreffende wetgeving en jurisprudentie met terugwerkend kracht. Dat is onwenselijk. Per geval van terugwerkende kracht (als gevolg van wetgeving of jurisprudentie) zal de regering samen met het parlement regelen hoe om te gaan met extra kosten die daar eventueel uit voortvloeien.

In relatie tot de vraag of een pensioenuitvoerder eenzijdig het pensioenreglement mag wijzigen wijst de regering erop dat dwingend recht, ook als dit volgt uit een wetswijziging of jurisprudentie met terugwerkende kracht, automatisch doorwerkt in een pensioenovereenkomst en een pensioenreglement. Voor aanspraak- of pensioengerechtigden is dit dwingend recht immers rechtstreeks inroepbaar, ook als de pensioenovereenkomst of het pensioenreglement niet met het dwingend recht in overeenstemming is gebracht. Partijen betrokken bij de pensioenovereenkomst (sociale partners) en bij het pensioenreglement (pensioenuitvoerders) zijn uiteraard wel gehouden deze in overeenstemming te brengen met de wetgeving en jurisprudentie. Omdat de pensioenuitvoerders op grond van de Pensioenwet een eigen verantwoordelijkheid hebben voor de juridische correctheid van het pensioenreglement, zullen zij, indien sociale partners de pensioenovereenkomst niet aanpassen aan de gewijzigde wetgeving of jurisprudentie, het pensioenreglement zelfstandig moeten wijzigen. Daarbij is geen sprake van een eenzijdige wijziging van het pensioenreglement maar van een wijziging door dwingende wetgeving. Van strijdigheid met artikel 33 is dan ook geen sprake, temeer daar de wetswijziging of jurisprudentie automatisch doorwerkt in de pensioenovereenkomst. De pensioenovereenkomst zal evenwel door partijen die bij het totstandkomen betrokken waren zelfstandig aangepast moeten worden, de pensioenuitvoerder kan daar geen rol in spelen.

Evident verzuim

De leden van de PvdA-fractie wijzen op het belang van toetsbare criteria voor het vaststellen van mogelijk «evident» verzuim bij het niet aanleveren van gegevens door werkgevers. Deze leden wijzen er op dat te allen tijde voorkomen moet worden dat door een conflict tussen werkgever en verzekeraar uiteindelijk de werknemer naar de rechter moet stappen om zijn aanspraken veilig te stellen en eventuele schade te verhalen en vragen de regering om een reactie.

De regering wijst erop dat nooit voorkomen kan worden dat een werknemer naar de rechter moet stappen als blijkt dat hij bij de pensioenuitvoerder geen pensioen heeft opgebouwd. Wie hij daarvoor moet aanspreken hangt af van de specifieke situaties. Indien een werkgever heeft nagelaten een werknemer aan te melden, verzaakt hij de onderbrengingsplicht van artikel 22 van de Pensioenwet en zal de werknemer uitsluitend de werkgever kunnen aanspreken. Maar het is ook mogelijk dat er bij de pensioenuitvoerder in het gegevensverkeer fouten zijn gemaakt. Mogelijk moet de werknemer beide partijen aanklagen. Aangezien in de praktijk een veelheid aan specifieke omstandigheden mogelijk is, kunnen hierover geen nadere regels gesteld worden en is het aan de rechter te bepalen wie aansprakelijk is.

Inning achterstallige premie door verzekeraars

De leden van de fracties van CDA en VVD vragen de regering om de verzekeraars meer tijd te gunnen om te handelen in geval van een premieachterstand, voordat de deelnemers ingelicht moeten worden.

De regering is van mening dat de periode waarover de verzekeraar de polis met terugwerkende kracht premievrij kan maken in het belang van de deelnemer zo kort mogelijk dient te zijn. De regering is bij nader inzien echter gevoelig voor het argument dat een periode van drie maanden de verzekeraar dwingt om al snel aan te kondigen dat hij de polis premievrij zal maken, ook als dat achteraf niet nodig was geweest. Daar zijn deelnemers niet bij gebaat. De regering is van mening dat een verlenging van de periode voor verzekeraars om problemen bij betalingsachterstand op te lossen met twee maanden mogelijk is zonder de belangen van werknemers al te zeer te schaden. Weliswaar kan het daardoor voor komen dat deelnemers – ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel – twee maanden langer geen pensioen opbouwen (terwijl de werkgever mogelijk wel premies inhoudt), de risicodekking voor de deelnemers in deze periode loopt gewoon door (tot het moment dat de verzekering daadwerkelijk premievrij gemaakt wordt). Bovendien kan de werknemer de gemiste pensioenopbouw later inhalen. De regering zal de verlenging van deze periode van 3 naar 5 maanden in de derde nota van wijziging regelen door een wijziging van artikel 28.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de informatievoorziening in dit verband niet via de Ondernemingsraad (OR) mag lopen. De regering vindt dat deelnemers zo snel mogelijk op de hoogte gesteld moeten worden van een betalingsachterstand die consequenties kan hebben voor hun pensioenopbouw en risicodekking. Na ontvangst van de mededeling van een verzekeraar hebben deelnemers nog maar een maand om zich zelf elders te verzekeren. Zou die mededeling niet naar individuele deelnemers, maar naar de ondernemingsraad mogen worden verzonden, dan gaat dat ten koste van de tijd die de deelnemer heeft om zich adequaat elders te verzekeren. De positie van de deelnemer zou daardoor aanzienlijk verzwakken. Los daarvan beschikken niet allen bedrijven over een OR.

Consequentie premieachterstand werkgever voor deelnemer

De leden van de CDA-fractie vragen de regering een reactie op het idee om verzekerden het recht te geven hun verzekeringen op individuele basis op risicobasis tegen eenzelfde premie voort te zetten, indien de werkgever in gebreke blijft. Voorts vragen zij de regering dieper in te gaan op de suggestie om de risicodekkingen ten minste drie maanden na aanzegging in stand te laten.

Voordat de regering zal ingaan op de vragen van de leden van de CDA-fractie hecht de regering eraan te benadrukken dat de positie van de werknemer met het huidige wetsvoorstel wordt verbeterd. Voorheen kon het voor komen dat werknemers niet of pas na geruime tijd werden geïnformeerd dat de dekking is gestopt. Dit wetsvoorstel regelt dat de de verzekeraar inspanningen moet plegen om de betalingsachterstand te laten inhalen en na ommekomst van vijf maanden een mededeling moet doen aan de (gewezen) deelnemers dat de verzekeraar het recht heeft de dekking na een maand te staken. De eventuele risicodekking van het nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidspensioen van werknemers loopt in deze zes maanden gewoon door. Werknemers hebben één maand de tijd om zich elders te verzekeren. Het risico van onverzekerbaarheid is daarbij niet geheel uitgesloten. Echter, dat is onder de Pensioenwet niet anders dan onder de PSW.

Het voorstel van de leden van de CDA-fractie om verzekerden het recht te geven hun verzekeringen individueel op risicobasis tegen eenzelfde premie voort te zetten, kent enkele bezwaren. Allereerst wordt de problematiek zo afgewenteld op de verzekeraars. Zelfs in geval de werknemer ook het deel van de voormalige werkgever gaat betalen, is het waarschijnlijk dat de verzekeraar per saldo verlies zal maken. Het is immers aannemelijk dat vooral de slechte risico’s gebruik zullen maken van het recht om de dekking tegen dezelfde prijs voort te zetten. De gezonde deelnemers zullen er in slagen zich elders te verzekeren. De verzekeraar blijft dan achter met verliesgevende contracten. Dit druist in tegen het privaatrechtelijk karakter van de verzekering en ontneemt de verzekeraar de mogelijkheid om bij acceptatie een risico-inschatting te maken. Anders dan bij de zorgverzekeraars, die ook te maken hebben met een acceptatieplicht, zouden verzekeraars in dit geval niet gecompenseerd worden. Daarmee zou de plicht een ieder te moeten accepteren die de risicoverzekeringen wil voortzetten, naar alle waarschijnlijkheid in strijd zijn met de Europese verzekeringsrichtlijnen. De regering is er ook niet voor om de risicodekking tenminste drie maanden na aanzegging in stand te laten. In het voorstel van de regering dragen verzekeraars al (maximaal) zes maanden het risico, zonder dat daar premie-inkomsten tegenover staan.

Toegang verzekeraars tot GBA

De leden van de PvdA-fractie vragen of de toegang van verzekeraars niet in de Wet gemeentelijke basisadministratie geregeld zou moeten worden en of Europese richtlijnen voor bescherming van persoonsgegevens toegang van verzekeraars tot het GBA niet belemmeren.

In antwoord op deze vragen van de leden van de PvdA-fractie merkt de regering op dat de Wet GBA hier al in voorziet en dat een dergelijke belemmering zich naar haar oordeel niet voordoet. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven is een consultatieversie van dit wetsvoorstel onder meer toegezonden aan het College Bescherming Persoonsgegevens(CBP) met het verzoek om commentaar daarop. Het CBP heeft in zijn advies aangegeven dat het advies zich richt op de gevolgen voor het verwerken van persoonsgegevens in overeenstemming met richtlijn 95/46/EG en de daarop gebaseerde Wet bescherming persoonsgegevens. Het CBP heeft in zijn commentaar opgemerkt dat het wenselijk is om in de toelichting op te nemen op grond van welke bepaling uit de Wet GBA deze gegevens moeten dan wel kunnen worden verstrekt aan de pensioenuitvoerder. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 46 van het wetsvoorstel is vervolgens aangegeven dat artikel 99 van de Wet GBA voorziet in de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegevens te verstrekken aan pensioenuitvoerders. Dit is uitgewerkt in artikel 68b van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de daarbij behorende bijlage 5a.

4.2 Positie pensioenfondsen

Geen premie, geen recht

De regering is verheugd dat de leden van de fractie van de PvdA de mening delen dat een beroep op «geen premie, geen recht op pensioen» aan strikte voorwaarden gebonden moet zijn. De leden vragen de regering te reageren op de constatering van de VB dat het bewijstechnisch lastig is om aan te tonen dat sprake is van «evidente gevallen van boze opzet». De regering heeft in de memorie van toelichting bij de Pensioenwet uiteengezet dat een pensioenfonds niet standaard een claim op een uitkering kan afwijzen op grond van het feit dat geen premie is betaald (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, blz. 63). Het is aan pensioenfondsen zelf om in geval van een claim waar geen premie tegenover staat af te wegen of er voldoende reden is om van het uitgangspunt (wel uitkering verstrekken) af te wijken. Daarbij heeft de regering als voorbeeld de situatie van boze opzet genoemd, maar er zijn meerdere situaties denkbaar. Wat in elk geval niet mag is een generieke bepaling dat er geen recht bestaat als de premie niet is betaald.

De regering deelt de mening van de leden van de PvdA-fractie dat pensioenfondsen in principe sterk genoeg zijn om het betalen van premie door werkgevers af te dwingen. In geval van een niet-verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds en een ondernemingspensioenfonds is de werkgever verplicht zijn werknemers aan te melden op grond van de onderbrengingsplicht. De plicht tot premiebetaling kan afgedwongen worden op grond van de uitvoeringsovereenkomst en is opgenomen in artikel 23 van het wetsvoorstel. In geval van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds is de werkgever gehouden tot aanmelding op grond van de verplichtstelling. Daarboven beschikt een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds over de mogelijkheid om zelf op grond van artikel 21 van de Wet Bpf 2000 door middel van een dwangbevel premies in te vorderen.

EDM-gegevens voor pensioenfondsen

De leden van de CDA-fractie memoreren aan het algemeen overleg over WALVIS op 28 juni 2006, waarin de staatssecretaris van Financiën heeft toegezegd dat bedrijfstakpensioenfondsen toegang zullen krijgen tot de eerste dagmeldingen (EDM) en zo kunnen nagaan of werkgevers alle deelnemers aanmelden. Wanneer zullen alle fondsen effectief toegang hebben tot de EDM-administratie, zo vragen deze leden.

De staatssecretaris van Financiën heeft als streefdatum 1 januari 2007 heeft genoemd. Dat zou betekenen dat met ingang van de beoogde datum van inwerkingtreding van de Pensioenwet bedrijfstakpensioenfondsen kunnen beschikken over de EDM-gegevens. Dit zal overigens ook gelden voor de overige pensioenuitvoerders (ondernemingspensioenfondsen en verzekeraars).

4.3 Pensioenuitvoerders algemeen

Verantwoordelijkheid juiste adressering

De leden van de fractie van het CDA zijn enigszins verward over wie ervoor verantwoordelijk is dat de pensioenuitvoerder het juiste adres van de deelnemer bezit: is dat de pensioenuitvoerder (antwoord op pagina 40 Nota naar aanleiding van het verslag) of de deelnemer zelf (pagina 42 Nota naar aanleiding van het verslag)? De leden van de CDA fractie vragen de regering of de laatste uitleg betekent dat bij verhuizing een burger ook zijn pensioenfonds moet aanschrijven met een verhuisbericht.

Op grond van artikel 46, lid 1 mag een pensioenuitvoerder bij informatieverstrekking uitgaan van het laatst hem bekende adres van de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner. Als dat adres onjuist blijkt te zijn is de pensioenuitvoerder op grond van artikel 46, lid 2 gehouden navraag te doen bij de gemeentelijke basisadministratie. Dat laat onverlet dat partijen in het pensioenreglement kunnen vastleggen dat de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde de plicht heeft zelf een adreswijziging door te geven. Een dergelijke in het pensioenreglement opgenomen verplichting ontslaat pensioenuitvoerders evenwel niet om, indien een deelnemer c.s. verzuimd heeft het adres door te geven, zelf het adres via het GBA te achterhalen.

De leden van de fractie van de VVD wijzen erop dat pensioenuitvoerders op verschillende niveaus – en tegen verschillende kosten – toegang kunnen krijgen tot GBA-gegevens. Hangt het voldoen aan de inspanningsplicht samen met het soort abonnement dat is afgesloten met het GBA? Voelt de Minister voor het verplichtstellen van alle uitvoerders zich te abonneren op hetzelfde bepaalde informatieniveau van het GBA?

De vraag wanneer een pensioenuitvoerder exact voldaan heeft aan de inspanningsverplichting op grond van artikel 46, is niet iets wat naar de mening van de regering op het niveau van wetgeving of daarbij horende lagere regelgeving uitgewerkt zou moeten worden. Het is eventueel aan de toezichthouder en in laatste instantie de rechter te bepalen of en wanneer een pensioenuitvoerder zich voldoende heeft ingespannen.

De leden van de PvdA vragen een reactie op het gegeven dat de kwaliteit en betrouwbaarheid van de gegevens in de GBA regelmatig te wensen over laten.

De regering onderkent dat niet uit te sluiten valt dat, om wat voor reden dan ook, gegevens van het GBA niet correct zijn. De plicht gegevens op te vragen als blijkt dat een adres niet juist is, moet evenwel gezien worden als sluitstuk om ervoor te zorgen dat informatie deelnemers c.s. bereikt. Meestal zullen partijen in het pensioenreglement (laten) vastleggen dat deelnemers c.s. de plicht hebben de juiste adresgegevens door te geven. Als dit om wat voor reden niet is gebeurd, geldt de plicht voor de pensioenuitvoerder het GBA te raadplegen.

Melding en aanspraken in geval van arbeidsongeschiktheid

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te preciseren wie wanneer verantwoordelijk is voor het arbeidsongeschiktheidspensioen en de premievrije voortzetting wanneer de pensioenovereenkomst een aanspraak bevat die niet kan worden nagekomen.

De regering is van mening dat in de uitvoeringsovereenkomst en/of het pensioenreglement bepaald kan worden wie verantwoordelijk is voor het melden van arbeidsongeschiktheid. Als de deelnemer de verantwoordelijkheid heeft zich zelf te melden bij de pensioenuitvoerder om in aanmerking te komen voor voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, kan de pensioenuitvoerder, indien een deelnemer nalaat zich te melden, later niet verantwoordelijk gesteld worden voor het ontbreken van pensioenopbouw. De deelnemer is zelf verantwoordelijk voor aanmelding. Los van deze verantwoordelijkheidsverdeling wijst de regering erop dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) thans reeds pensioenfondsen en verzekeraars informeert indien sprake is van arbeidsongeschiktheid. Partijen betrokken bij de – uitvoering van de– pensioenovereenkomst zouden dus gemakkelijk kunnen afspreken dat een pensioenuitvoerder een deelnemer die arbeidsongeschikt wordt erop wijzen dat deze zich zelf moet aanmelden bij de pensioenuitvoerder.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is om het gegeven dat iemand arbeidsongeschikt wordt via de WALVIS-administratie rechtstreeks door te geven aan de pensioenfondsen om zo administratieve lasten voor pensioenfondsen te besparen – de doelstelling van WALVIS, zo betogen deze leden – en mensen hun pensioenopbouw te geven.

De leden van de PvdA-fractie pleiten voor het wettelijk vastleggen van de plicht van de werkgever bij het melden van arbeidsongeschiktheid bij de pensioenuitvoerder en vragen de regering om een reactie.

Het gegeven dat iemand arbeidsongeschikt wordt, gaf het UWV al voor de komst van de WALVIS-administratie door aan pensioenfondsen en verzekeraars. Dit blijft zo.

De regering is van mening dat additioneel in de pensioenovereenkomst bepaald kan worden of de werkgever of de werknemer verantwoordelijk is voor het melden van arbeidsongeschiktheid. Voorts zal op grond van dit wetsvoorstel bij beëindiging van de deelneming de deelnemer er op moeten worden gewezen dat indien de beëindiging het gevolg is van arbeidsongeschiktheid, hij zich zelf moet melden bij de pensioenuitvoerder voor voortzetting van de verwerving.

Burgerservicenummer

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd naar de mogelijkheid om met behulp van het burger servicenummer (BSN) deelnemers toegang te geven tot hun pensioengegevens en de verplichting tot deelname daaraan vast te leggen in de wet. De leden van de ChristenUnie-fractie concluderen dat de regering geen technische problemen verwacht bij het opzetten van een «web based informatiesysteem».

Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de pensioensector te bepalen op welke wijze de communicatie met de deelnemers wordt vormgegeven. Er zijn pensioenuitvoerders die de toegang tot de individuele pensioengegevens al elektronisch mogelijk maken. Voor het koppelen van de administratieve bestanden van alle pensioenuitvoerders is de bereidheid van de gehele pensioensector vereist, zowel ten aanzien van het doen van investeringen in automatisering als in onderhoud. De regering zal op dit punt niet met dwingende wetgeving komen.

Mocht de pensioensector willen overgaan tot een web based informatiesysteem op basis van het BSN, dan zal daarvoor in de Pensioenwet een wettelijke basis worden gegeven. Nu is dat nog niet mogelijk, omdat precies aangegeven moet worden welke instelling in dat geval gebruik zal gaan maken van het BSN.

Maximum termijn opeisen rechten

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reageren op de suggestie van de Nederlandse Vereniging van Assurantiemedewerkers om een maximum termijn in de wet op te nemen waarbinnen mensen hun rechten kunnen opeisen bij de pensioenfondsen. In antwoord op de vraag van de CDA-fractie merkt de regering op dat het wetsvoorstel in artikel 53 een maximumtermijn van tien jaar bevat die betrekking heeft op het claimen van een uitkering door de pensioengerechtigde.

Tevens vragen de leden van de CDA-fractie naar de situatie waarin een pensioenovereenkomst niet voorziet in een maximum termijn, welke rechten iemand heeft die zes maanden na het ontstaan van een aanspraak nog steeds geen uitkering heeft ontvangen. In het wetsvoorstel wordt het begrip pensioenaanspraak gebruikt voor een nog niet ingegaan pensioen en de term pensioenrecht voor een wél ingegaan pensioen. Iemand kan dus op grond van het wetsvoorstel pas een uitkering claimen wanneer er sprake is van een pensioenrécht. De regering begrijpt uit de vraag van de CDA-fractie dat men zich afvraagt, waarop een deelnemer recht heeft wanneer de pensioenuitvoerder niet of te laat uitkeert. Voor die situatie is in het wetsvoorstel geen aparte bepaling opgenomen omdat Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek voorziet in een vergoeding van de wettelijke rente in geval van vertraging van de voldoening van een geldsom.

4.4 Waardeoverdracht en afkoop

Waardeoverdracht

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of het in geval van waardeoverdracht mogelijk blijft dat de nieuwe werkgever fors moet bijbetalen en of die bijbetaling begrensd is.

Het is inderdaad mogelijk dat een werkgever moet bijbetalen in geval van waardeoverdracht. Dat kan zich voordoen als de pensioenuitvoerder andere tarieven hanteert dan het standaardtarief dat wettelijk wordt voorgeschreven. Die betaling wordt niet begrensd. Overigens kan de werkgever ook geld terug ontvangen. Daarnaast zij erop gewezen dat bijbetaling of terugstorting alleen speelt ingeval van onderbrenging bij een verzekeraar. Als is ondergebracht bij een pensioenfonds is het de pensioenuitvoerder die het voor- of nadeel heeft. Indirect komt een voor- of nadeel vanzelfsprekend terug in de premiestelling.

De leden van de CDA-fractie vragen verder hoe omgegaan zal worden met waardeoverdracht tussen beroepspensioenfondsen waar de toeslagen veelal zijn afgefinancierd enerzijds en bedrijfstakpensioenfondsen anderzijds.

Het probleem in dit geval is dat de toeslagen weliswaar afgefinancierd kunnen zijn, maar dat het nog steeds voorwaardelijke aanspraken betreft. In het geval bepaald zou worden dat voorwaardelijke aanspraken deel uit moeten maken van de waardeoverdracht zou op het moment van de waardeoverdracht feitelijk een onvoorwaardelijk recht op toeslag bestaan, terwijl dat recht op toeslag op pensioendatum niet onvoorwaardelijk is. Dat zou uittreden uit een beroepspensioenfonds wel erg aantrekkelijk maken. De regering acht dat niet verdedigbaar.

Als aan de andere kant bepaald zou worden dat in geval van inkomende waardeoverdracht de nieuwe deelnemer niet dezelfde rechten op indexatie heeft als de andere deelnemers, wordt het uitgangspunt van solidariteit aangetast. Juist die solidariteit is een essentieel kenmerk van een pensioenfonds. Om diezelfde reden is in de wet bepaald dat bij toeslagverlening gewezen deelnemers gelijk behandeld moeten worden met gepensioneerden. Het zou vreemd zijn als gepensioneerden onderling vervolgens verschillend behandeld worden in geval van toeslagverlening.

Verder vragen de leden van de fractie van het CDA op welke wijze de overdragende uitvoerder in geval van internationale waardeoverdracht de bedoelde sekseneutraliteit kan realiseren. In dat geval zal de overdragende partij bij de nieuwe pensioenuitvoerder moeten nagaan of deze sekseneutrale of sekseafhankelijke tarieven hanteert. Afhankelijk van dat antwoord zal de overdragende pensioenuitvoerder de waardeoverdracht eventueel moeten aanpassen. Dat is overigens niet anders dan bij waardeoverdracht binnen Nederland (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 70, lid 4 van het wetsvoorstel). Ook vragen deze leden of in geval van internationale waardeoverdracht een pensioenuitvoerder waardeoverdracht, waaraan door de overdragende uitvoerder voorwaarden worden gesteld, mag weigeren. De regering wijst erop dat een pensioenuitvoerder de waardeoverdracht zelfs moet weigeren indien die voorwaarden strijdig zijn met de Pensioenwet.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat op dit moment bij internationale waardeoverdracht de DNB toetst of een buitenlandse pensioenregeling voldoet aan de Nederlandse regels voor afkoop en dat de regering voorstelt de verantwoordelijkheid voor deze verplichte toets bij pensioenfondsen te leggen. De leden van de PvdA-fractie vragen wat de reden is van het huidig systeem af te stappen en vragen voorts een reactie op de constatering van de VB dat deze wijziging leidt tot knelpunten in de uitvoering.

Op grond van de PSW zijn voor de mogelijkheid tot internationale waardeoverdracht met name de door de DNB geformuleerde Beleidsregels ontheffingen PSW relevant (zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3. blz. 102). Er is voor gekozen deze uitgangspunten zoveel mogelijk in het wetsvoorstel op te nemen omdat dat meer duidelijkheid biedt en de DNB nog maar in een beperkt aantal situaties bij internationale waardeoverdracht betrokken hoeft te worden. Het is in de geschiedenis van de PSW herhaaldelijk voorgekomen dat in de praktijk ontwikkelde beleidsregels na verloop van tijd zijn opgenomen in de wet. Deze wijziging betekent inderdaad dat pensioenuitvoerders op dit punt meer verantwoordelijkheid krijgen in geval van een verzoek tot een internationale waardeoverdracht omdat zij zelf moeten beoordelen of aan de in de wet genoemde voorwaarden wordt voldaan. De Vereniging voor Bedrijfstakpensioenfondsen heeft nu gemeld daarbij uitvoeringstechnische knelpunten te voorzien, maar daarbij niet aangegeven welke problemen men voorziet. Het is voor de regering daarom moeilijk daarop een inhoudelijke reactie te geven.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom in het wetsvoorstel de gevallen van waardeoverdracht in vele artikelen worden uitgeschreven en waarom niet voor een aanpassing van de huidige artikelen.

De regering heeft uit oogpunt van helderheid en transparantie ervoor gekozen de verschillende mogelijkheden van waardeoverdracht uit te schrijven in het wetsvoorstel. De artikelen in de PSW hebben in het verleden tot onduidelijkheden en vragen geleid, die hiermee worden voorkomen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat in de situatie waarin sprake is van collectieve beëindiging van een pensioenregeling en waarbij werknemers bij verschillende werkgevers in dienst treden, er geen recht op waardeoverdracht bestaat.

De regering wijst erop dat artikel 69 wel degelijk een grondslag biedt voor een mogelijke waardeoverdracht in de situatie waarbij werknemers collectief worden ontslagen en vervolgens individueel waarde willen overdragen naar verschillende nieuwe werkgevers. Dit volgt rechtstreeks uit de aanhef van lid 2 van artikel 69, waarin staat «Indien in de in artikel 65 bedoelde situatie geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, omdat er geen sprake is van individuele beëindiging, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht indien: ...». Wel wordt in dit geval als nadere voorwaarde gesteld dat het gelijktijdig verzoeken van verschillende individuele deelnemers om waardeoverdracht niet mag leiden tot het beschadigen van de belangen van de achterblijvende deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Bij «groepsgewijze» waardeoverdracht (dus de bij elkaar opgetelde individuele verzoeken om waardeoverdracht die ertoe leiden dat er een groep ontstaat die – onafhankelijk van elkaar – een verzoek tot waardeoverdracht doet) moet dit de toezichthouder worden gemeld en kan deze de overdracht verbieden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de impliciete instemming van individuele deelnemers die vereist is bij collectieve waardeoverdracht de verzoeken tot waardeoverdracht niet kan frustreren.

Het is niet zo dat de weigering van een of enkele deelnemers de hele waardeoverdracht kan frustreren. In dat geval wordt uitsluitend de waardeoverdracht met betrekking tot de pensioenaanspraken van die deelnemers geblokkeerd.

Afkoop en kosten

De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoeveel een jongere krijgt wanneer het pensioenfonds besluit om de pensioenaanspraak eenzijdig af te kopen als voor deze jongere € 500 pensioenpremie is betaald en hij daarmee een pensioenaanspraak heeft gekregen van € 200? Mag het pensioenfonds bij de afkoop ook kosten in rekening brengen?

Bij beëindiging van de deelneming in een pensioenregeling wordt een opgave verstrekt van de opgebouwde pensioenaanspraak. Dit geeft aan waar op pensioendatum aanspraak op kan worden gemaakt. Het bedrag dat aan premie is betaald is in een uitkerings- en een kapitaalovereenkomst irrelevant en bij een premieovereenkomst maar ten dele van invloed op de afkoopwaarde. Indien uit die opgave blijkt dat het jaarlijks te verwachten pensioen minder bedraagt dan de in de wet genoemde afkoopgrens (in het wetsvoorstel gesteld op € 400 per jaar) dan kan de pensioenuitvoerder na twee jaar besluiten deze aanspraak af te kopen. De aanspraak moet daartoe contant worden gemaakt en hiervoor worden de actuariële tarieven van de pensioenuitvoerder gebruikt, met dien verstande dat voor pensioen dat is opgebouwd vanaf 1 januari 2005 sprake moet zijn van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Daarbij moet worden voldaan aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid. Aangezien over de afkoop eenzijdig door de pensioenuitvoerder kan worden beslist en deze dient ter voorkoming van administratieve lasten is het niet logisch dat hiervoor kosten in rekening zouden kunnen worden gebracht. Het is zelfs zo dat de pensioenuitvoerder rente moet vergoeden over de periode die ligt tussen het besluit om af te kopen en het daadwerkelijk betalen van die afkoopwaarde.

Afkoop en levensloop

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd naar de mogelijkheid wettelijk te regelen dat afkoop van zogenoemde kleine pensioenen zonder heffing kan plaatsvinden indien de afkoop ten behoeve van de levensloopregeling plaatsvindt.

Onder de huidige fiscale systematiek is het al mogelijk om de afkoopwaarde zonder extra belastingheffing naar de levensloopregeling over te hevelen, waardoor het fiscale voordeel behouden blijft. De heffing die het pensioenfonds inhoudt op de afkoopsom wordt in die situatie namelijk volledig (en als gevolg van het progressieve tarief vaak zelfs meer dan volledig) gecompenseerd door de vermindering van de door de werkgever in te houden heffing op het reguliere loon. De regering zal dit met een voorbeeld illustreren.

Voorbeeld

Bruto-afkoopsom klein pensioen: 400

Inhouding op afkoopsom (bij tarief van 40%): 160

Netto te ontvangen: 240

Storting in levensloopregeling uit regulier loon: 400

Afname heffing op het reguliere loon (bij tarief van 40%): 160

Afname netto-loon: 240

De netto-afkoopsom is in dit geval gelijk aan de afname van het reguliere nettoloon, zodat de storting van 400 in de levensloopregeling per saldo zowel fiscaal als qua effect op het netto-inkomen geruisloos verloopt. Onder de huidige regeling kan derhalve reeds worden bewerkstelligd dat, zoals de leden van de PvdA-fractie ook beogen, per saldo nog geen belastingheffing plaatsvindt, maar de heffing wordt uitgesteld tot het moment waarop het levenslooptegoed wordt opgenomen.

Voorts hebben de leden van de PvdA-fractie gevraagd het mogelijk te maken dat het levenslooptegoed gebruikt kan worden voor periodieke uitkeringen na 65 jaar.

In de huidige regeling is bepaald dat op de dag vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen (het moment dat het eerste komt) de voorziening op grond van de levensloopregeling in de belastingheffing wordt betrokken. Zoals in de toelichting op die bepaling (Kamerstukken II 2003/04, 29 760, nr. 3, blz. 38) is aangegeven, kan de doelstelling van de levensloopregeling – namelijk het opbouwen van een voorziening ten behoeve van verlof dat wordt opgenomen gedurende de werkzame periode in het leven – na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet meer door de werknemer worden gerealiseerd. Het uitbetalen van de spaartegoeden op de levenslooprekening of ingevolge de levensloopverzekering op één van bovengenoemde momenten is vanuit deze optiek logisch. Zoals in de genoemde toelichting is aangegeven wordt met deze bepaling tevens voorkomen dat de werknemer zijn tegoeden, door deze op te nemen na het bereiken van de 65-jarige leeftijd, tegen een lager tarief kan genieten. Naar het oordeel van de regering geldt het bovenstaande nog onverkort. De regering ziet dan ook geen aanleiding om aan het hiervoor genoemde verzoek tegemoet te komen.

5. De pensioenuitvoerder

5.1 Informatie en voorlichting

Beperking informatievoorschriften

De regering is blij dat de leden van de PvdA-fractie het voorstel om de basisvereisten voor voorlichting en communicatie bij wet vast te leggen steunen. De regering heeft in de nota naar aanleiding van het verslag en bij brief dd. 31 mei jl. aangegeven de jaarlijkse informatieverstrekking te beperken tot een opgave van de verworven pensioenaanspraken, een opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken en informatie over de toeslagverlening. Om de deelnemer niet met informatie te overstelpen heeft de regering de plicht geschrapt om jaarlijks informatie te verstrekken over de omstandigheden die van belang zijn voor het functioneren van de pensioenuitvoerder. Bij amvb wordt geregeld dat de pensioenuitvoerder deze informatie op verzoek dient te verstrekken. Bij de start en beëindiging van de deelneming is een pensioenuitvoerder wel verplicht deze informatie te verstrekken, omdat dit van belang kan zijn met oog op waardeoverdracht.

Geen individuele informatie in startbrief

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering waarom niet tegemoet is gekomen aan de wens van een aantal pensioenfondsen om in de startbrief geen individuele pensioenopgave verplicht te stellen in verband met de daarmee gepaard gaande administratieve lasten en passendheid in hun huidige administratieve processen. De leden stellen dat hetzelfde doel bereikt kan worden door in de wet, net als in de PSW, op te nemen dat deelnemers het recht hebben op een tussentijdse pensioenopgave op te vragen. Voor diegenen die geen behoefte hebben aan een opgave bij indiensttreding volgt maximaal een jaar later zijn reguliere pensioenopgave.

Naar aanleiding van de vragen van de CDA-fractie heeft de regering besloten de verplichting om reeds in de startbrief een op de persoonlijke situatie afgestemde indicatie te geven van het reglementair te bereiken pensioen, te laten vervallen. Dit wordt door een aanpassing van artikel 20 gerealiseerd. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het bezwaar dat een op de individuele situatie toegesneden startbrief pensioenuitvoerders opzadelt met hoge uitvoeringskosten. Zoals hiervoor is aangegeven ontvangen deelnemers aan uitkerings- of kapitaalovereenkomst bovendien toch al een indicatie van het reglementair te bereiken binnen één jaar na verzending van de startbrief bij het eerste jaaroverzicht. Deelnemers aan kapitaal- en premieovereenkomsten krijgen bovendien het recht een verzoek in te dienen voor een indicatie van de mogelijk in te kopen periodieke pensioenuitkering met het mogelijk te bereiken kapitaal. Overigens zal in de algemene maatregel van bestuur nog wel worden bepaald dat in de startbrief de ingangsdatum van de pensioenovereenkomst met de betreffende werknemer moet worden opgenomen.

Informatieverstrekking over het reglementair te bereiken pensioen bij kapitaal- en premieovereenkomsten

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en D66 verzoeken de regering aan te geven waarom bij kapitaalsovereenkomsten en premieovereenkomsten niet wordt voorgeschreven dat een indicatie van de periodieke pensioenuitkering wordt berekend. Zonder een dergelijke indicatie zijn volgens deze leden deelnemers niet in staat keuzes te maken ten aanzien van eventuele aanvullende regelingen. De leden van de fractie van D66 begrijpen dat voorkomen moet worden dat het geven van een indicatie van de te verwachten uitkering bij kapitaal- en premieovereenkomsten teveel de indruk zou wekken van een overeengekomen uitkering, maar vragen de regering te reageren op de stelling van de Consumentbond in dit kader dat ook bij uitkeringsovereenkomsten slechts sprake is van een indicatie. De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en D66 vragen de deelnemers te beschermen tegen onjuiste of onzorgvuldige indicaties van periodieke uitkeringen bij premie- en kapitaalsovereenkomsten.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de leden van de fracties van het CDA, de PvdA en D66 heeft de regering nog eens goed overwogen hoe om te gaan met de informatieverstrekking bij kapitaal- en premieovereenkomsten. Ook met het geven van een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal bij premieovereenkomsten en het geven van een opgave van het reglementair te bereiken kapitaal bij kapitaalovereenkomsten is het voor deelnemers aan dergelijke pensioenovereenkomsten nog steeds lastig goed te kunnen inschatten of het pensioen van voldoende niveau is. De regering heeft daarom bij nota van wijziging voor deelnemers aan dergelijke regelingen het recht gecreëerd, om bij de pensioenuitvoerder een verzoek in te dienen voor een indicatie van de mogelijk met dat kapitaal in te kopen periodieke uitkering. De regering gaat er niet toe over om pensioenuitvoerders te verplichten een dergelijke indicatie op te nemen in de jaarlijkse informatieverstrekking. De reden is dat de indicatie van jaar tot jaar enorm kan fluctueren en tegelijkertijd geen enkele zekerheid geeft. De informatiewaarde is daardoor vele malen minder groot dan bijvoorbeeld de opgave van het reglementair te bereiken kapitaal bij een kapitaalovereenkomst. Bovendien zou dat de nodige uitvoeringskosten met zich meebrengen. De regering is het met de leden van de fracties van het CDA, de PvdA en D66 eens dat daarbij voorkomen moet worden dat pensioenuitvoerders onjuiste of onzorgvuldige indicaties geven. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur wordt vastgelegd op basis van welke veronderstellingen pensioenuitvoerders een dergelijke indicatie moet berekenen. Uitgangspunt daarbij zal zijn dat de berekening plaatsvindt op basis van dezelfde tarieven die de pensioenuitvoerder op het moment van het verzoek hanteert voor deelnemers die met pensioen gaan en waarvoor van het kapitaal een periodieke uitkering wordt ingekocht.

Aanvullend zal worden geregeld dat de gepresenteerde periodieke uitkering gecorrigeerd wordt voor de prijsinflatie. Immers, een deelnemer wil de uitkering kunnen vergelijken met het inkomen dat hij nu heeft. Daartoe wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald met welke disconteringsvoet gewerkt moet worden.

Bij het geven van die indicatie dient de deelnemer er expliciet op te worden gewezen dat het om een indicatie gaat waar geen rechten aan kunnen worden ontleend. Immers, voorkomen moet worden dat de informatieverstrekking niet meer in lijn is met het karakter van de regeling. Bovendien zal de pensioenuitvoerder de deelnemer bij het toezenden van een dergelijke indicatie moeten wijzen op de onzekerheden die gepaard gaan met een dergelijke indicatie. Dat betreft bijvoorbeeld de onzekerheid of de sterftecijfers die later op pensioendatum gebruikt worden bij het omzetten van het kapitaal in een periodieke uitkering, afwijken van de bij de indicatie gebruikte sterftecijfers. Ook kan later bij de feitelijke inkoop blijken dat de voorbije inflatie is afgeweken van de bij de berekeningen veronderstelde inflatie. Duidelijk moet zijn dat, indien als gevolg van dergelijke onzekerheden bij de indicatie de feitelijk ingekochte periodieke uitkering later blijkt af te wijken van de indicatie van de periodieke uitkering, het risico daarop bij de deelnemer ligt.

Nu het recht op het indienen van een verzoek tot het verkrijgen van een indicatie voor een periodieke uitkering is gecreëerd, wil de regering de indicatie van het reglementair pensioen in de jaaropgave beperken tot datgene wat partijen «hard» met elkaar zijn overeengekomen. Dat wil zeggen dat bij uitkeringsovereenkomsten een indicatie wordt gegeven van de periodieke uitkering die zeker wordt verkregen indien verondersteld wordt dat de deelname doorloopt tot aan pensioendatum. Bij kapitaalovereenkomsten wordt een indicatie gegeven van de periodieke uitkering die zeker bereikt wordt als verondersteld wordt dat de deelname doorloopt tot pensioendatum. Bij premieovereenkomsten evenwel zal, in afwijking van wat nog geregeld is in het wetsvoorstel, géén indicatie van het te bereiken kapitaal hoeven te worden gegeven in de jaaropgave. Een dergelijke indicatie is immers met grote onzekerheden behept in verband met afhankelijkheid van beleggingen en hoort dan ook in feite niet thuis in het geven van informatie over de aanspraak. Bovendien is de regering van mening dat louter het informeren over de omvang van het mogelijk te bereiken kapitaal op pensioendatum de deelnemer weinig zegt. De deelnemer krijgt wel het recht om een verzoek in te dienen voor een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal. De in het wetsvoorstel aangekondigde regels bij het berekenen van zo’n indicatie, blijven van kracht. Dat houdt in dat gebruik gemaakt moet worden van de drie scenario’s die de AFM heeft ontwikkeld in het kader van de financiële bijsluiter. Door het voorschrijven van de scenario’s wordt voorkomen dat een deelnemer te gunstige prognoses voorgelegd krijgt. Bovendien wordt het deelnemers, door te werken met drie scenario’s (een midden, een ongunstig en een gunstig scenario) duidelijk dat een zuivere premieovereenkomst tot onzekere uitkomsten leidt. Als een deelnemer verzoekt om een indicatie van het mogelijk te bereiken periodieke uitkering met de premieovereenkomst, zal de pensioenuitvoerder het kapitaal ook op deze wijze dienen te berekenen.

Elektronische verstrekking

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering te bevestigen dat elektronische informatieverstrekking aan deelnemers (art. 45a) steeds mogelijk is door te verwijzen naar een website mits deze informatie voor de deelnemer bereikbaar is en door hem op papier afgedrukt kan worden en mits hij altijd om een papieren versie kan vragen. Voorts vragen de leden van de fracties van het CDA en de VVD of de regering kan aangeven waarom schriftelijke toestemming vereist is en waarom papier hier meer zekerheid zou bieden, en of de regering bereid is goed beveiligde elektronische toestemming toe te staan?

De definitie van het begrip elektronisch in de Pensioenwet biedt voldoende ruimte voor de door de leden van de fractie van het CDA genoemde mogelijkheid te verwijzen naar een website, mits deze informatie voor de deelnemer bereikbaar is en door hem op papier afgedrukt kan worden. Elektronisch is immers omschreven als: door middel van een elektronische informatiedrager die de ontvanger in staat stelt de verstrekte informatie duurzaam te bewaren. De deelnemer dient dan wel via een brief of een e-mail geïnformeerd te worden over hoe de informatie op de website kan worden gevonden en hoe deze elektronisch kan worden binnengehaald of op papier kan worden afgedrukt.

De regering vindt het onwenselijk pensioenuitvoerders de mogelijkheid te bieden om de vraag aan een deelnemer, of deze schriftelijk of elektronisch geïnformeerd wil worden, elektronisch te stellen. Allereerst zijn er nog steeds mensen die niet beschikken over internet. Bovendien is het mogelijk dat het e-mailadres waar de pensioenuitvoerder over beschikt, niet meer juist is of niet meer in gebruik door de deelnemer. Het is daarom van belang dat de deelnemer zélf de pensioenuitvoerder van het juiste e-mailadres op de hoogte stelt. Om elke miscommunicatie te voorkomen, houdt de regering vast aan de plicht in eerste instantie schriftelijk te vragen hoe de deelnemer geïnformeerd wil worden.

Correcte betaling binnen een maand

De leden van de fracties van CDA en PvdA stellen opnieuw voor in de Pensioenwet een bepaling op te nemen die tijdige en correcte uitbetaling van pensioengelden binnen een maand na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd regelt. Bij overeenkomst zouden partijen van deze termijn mogen afwijken. Deze leden wijzen erop dat vanuit het veld signalen komen dat dergelijke problemen regelmatig voorkomen.

De regering zijn geen signalen bekend dat er zich ten aanzien van de uitbetaling van pensioenuitkeringen grote problemen voordoen. Ook de Ombudsman Pensioenen heeft in de laatste jaarverslagen niet gewezen op structurele problemen hieromtrent. De regering blijft dan ook bij haar standpunt hierover geen nadere regels te stellen en het aan partijen die de pensioenregeling overeenkomen af te spreken op welk moment de uitbetaling begint.

Toets op begrijpelijkheid

De leden van de PvdA-fractie pleiten in navolging van de Kring van Pensioenspecialisten voor een toets op begrijpelijkheid voor pensioeninformatie. De regering stelt dat het wettelijk voorschrijven hiervan tot overregulering leidt. Deze leden vertrouwen er echter op dat de regering de AFM als toezichthouder op heldere communicatie laat toetsen en voldoende middelen en mogelijkheden geeft om een dergelijke toets op begrijpelijkheid uit te voeren.

De regering wijst erop dat in de Pensioenwet geregeld wordt dat de deelnemer een minimum aan bescherming heeft op het terrein van de informatieverstrekking. Een toets op begrijpelijkheid past daar naar het oordeel van de regering niet in. Het is aan de pensioenuitvoerders om op basis van deskundigheid te bezien of de informatie naar hun oordeel helder en begrijpelijk is. Een toets bij een deelnemerspanel kan daar in passen. De regering acht het niet wenselijk en niet nodig dit wettelijk voor te schrijven.

Informeren gewezen deelnemer en gewezen partner

De leden van de PvdA-fractie wijzen er nogmaals op dat het van groot belang is dat gewezen deelnemers en gewezen partners geïnformeerd worden over iedere substantiële wijziging van de pensioenregeling. De regering gaat ervan uit dat de vraag van de leden van de fractie van de PvdA vooral ziet op een wijziging van de pensioenregeling voorzover het gaat om de regeling ten aanzien van toeslagverlening. Dat is immers het enige onderdeel dat nog van invloed is op gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en gewezen partners. De regering onderkent bij nader inzien dat het wetsvoorstel ten aanzien van de informatieverstrekking aan pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en gewezen partners een omissie bevat. Immers, het toeslagbeleid kan voor deze groep wel wijzigen, maar de informatieverstrekking over deze wijziging is niet op deze groep afgestemd. Een wijziging van de pensioenovereenkomst hoeft op grond van het wetsvoorstel alleen aan werknemers (dus aan deelnemers) te worden gemeld. Bij nota van wijziging zal in het wetsvoorstel worden opgenomen dat de pensioenuitvoerder de pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en gewezen partners binnen drie maanden over een wijziging van het toeslagbeleid informeert.

Jaarlijks informeren gewezen deelnemers

De leden van de PvdA-fractie pleiten er voor gewezen deelnemers jaarlijks te informeren in plaats van eens per vijf jaar. Dit komt de ontwikkeling van pensioenbewustzijn ten goede. De administratieve lasten hoeven hiervoor, zeker wanneer rekening gehouden wordt met de mogelijkheden tot elektronische informatieverstrekking, geen belemmering te vormen.

De regering houdt vast aan haar standpunt dat het belang van het jaarlijks informeren van gewezen deelnemers niet opweegt tegen de extra kosten die hiermee gepaard gaan. Het gaat weliswaar om een relatief grote groep die gewezen deelnemer is, maar tegelijkertijd gaat het om een groep waarbij het vaak om een kleine tot zeer kleine pensioenaanspraak gaat. De regering acht het daarom heel goed verdedigbaar dat de verplichte informatieverstrekking aan gewezen deelnemers beperkt wordt tot eens in de vijf jaar. Wel zullen gewezen deelnemers geïnformeerd worden als het toeslagbeleid veranderd. Sociale partners zijn vrij in de uitvoeringsovereenkomst te regelen dat de pensioenuitvoerder de gewezen deelnemers vaker informeert.

Vergroting pensioenbewustzijn

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van het pensioenbewustzijn in zijn geheel bij de sociale partners legt. Zowel de leden van de CDA-fractie als die van de PvdA-fractie zoeken in hun vraagstelling naar een methode om het voor een pensioendeelnemer mogelijk te maken om een verantwoorde beslissing te nemen over het al dan niet laten overdragen van de pensioenaanspraken.

De primaire verantwoordelijkheid voor goede informatie ligt bij de sociale partners en de pensioenuitvoerders. Sociale partners zijn immers ook verantwoordelijk voor het tot stand komen en de inhoud van de pensioenovereenkomst. Dat zij deze rol ook oppakken blijkt onder meer uit het evaluatierapport waardeoverdracht dat de Stichting van de Arbeid in mei 2003 heeft uitgebracht, waarin een aanzet voor een beslismodel is gegeven met de aanbeveling dat de pensioenorganisaties dit verder zouden oppakken middels een brochure of via de website. Overigens kan een beslismodel niet veel meer dan een globale indicatie bieden vanwege de grote verscheidenheid aan pensioenregelingen en diverse factoren die de keuze voor al dan niet waardeoverdracht kunnen beïnvloeden.

De regering vindt het belangrijk dat de deelnemer over alle informatie kan beschikken die bij een beslissing om waarde over te dragen nodig is. Daarom regelt dit wetsvoorstel in combinatie met de onderliggende amvb dat de deelnemer zowel bij de start als de beëindiging van de deelneming wordt geïnformeerd over de financiële positie van het fonds, over de regelingskenmerken en de toeslagverlening. Naast de informatiebepalingen, die een bijdrage moeten leveren aan een groter pensioenbewustzijn, draagt de regering daaraan ook bij door het meefinancieren van allerlei initiatieven van de Stichting Pensioenkijker.nl. De algemene informatie die door de Pensioenkijker wordt verstrekt, eventueel in combinatie met de rekenmodule op de website, dragen bij aan het financiële bewustzijn van mensen en bieden de mogelijkheid tijdig stappen te ondernemen om zelf te zorgen voor een goede oudedagsvoorziening.

Beperkingen aan beleggingsvrijheid bij premieovereenkomsten

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering kiest voor een zorgplicht in plaats van het vastleggen van de «prudent person» eisen in de wet waar de toezichthouder vervolgens op toeziet.

Bij premieovereenkomsten zonder beleggingsvrijheid ligt het beleggingsrisico weliswaar bij de deelnemer, maar is de uitvoerder gehouden om te handelen volgens de prudent person regel. De prudent person regel bepaalt namelijk dat die beleggingsmix moet worden gekozen, die het meest in het belang van de deelnemer is. Bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid voor de deelnemer valt deze bescherming weg. De begrenzing aan de beleggingsvrijheid zoals die de regering voor ogen staat gaat minder ver dan de prudent person regel, maar beoogt deelnemers te beschermen tegen het nemen van onnodige risico’s.

Het is in de praktijk niet realistisch om de deelnemer te verplichten zich aan «prudent person eisen» te houden en deze in de wet vast te leggen. Handelen volgens deze eisen vereist namelijk de nodige kennis van de werking van financiële markten en van de beleggingstheorie. Andere partijen dan de pensioenuitvoerder beschikken meestal niet over deze kennis. Daarom heeft de regering de plicht om grenzen te stellen aan de beleggingsvrijheid bij de pensioenuitvoerder neergelegd. De regering wijst er in dit verband op dat een eventuele plicht van de pensioenuitvoerder om ervoor zorg te dragen dat de deelnemer conform de eisen van prudent person handelt, de beleggingsvrijheid veel verder aan banden zou leggen dan in het voorstel van de regering al gebeurt.

De leden van de CDA-fractie vragen of het denkbaar is dat de toezichthouder aangeeft wat hij als prudent beoordeelt. Bij de bepalingen over plicht de beleggingsvrijheid te begrenzen is sprake van een zogeheten «principle based» regelgeving in plaats van «rule based» regelgeving. De regering heeft er niet voor gekozen zelf grenzen in de wet op te nemen. In de ogen van de regering zijn de pensioenuitvoerders het best in staat om vast te stellen wat in dit verband prudent is. Uiteraard houdt de toezichthouder er toezicht op of de begrenzingen voldoen aan de bepalingen in de wet. In de loop der tijd zal duidelijk worden welke begrenzingen voor de toezichthouder onvoldoende tegemoet komen aan de eisen in dit wetsvoorstel. Met deze benadering wordt voorkomen dat de regering gedetailleerde en onnodig beperkende voorschiften moet geven over de (grenzen aan de) de samenstelling van beleggingsportefeuilles.

De leden van de fractie van de PvdA zijn van mening dat deelnemers aan premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid beter beschermd worden door advies op maat op basis van het «ken uw klant» principe, het aanbieden van een standaardpakket en verplichte advisering bij afwijking van het standaardpakket dan op de door de regering voorgestelde beperking van de beleggingsmix. De leden van de fractie van de VVD stellen voor om de pensioenuitvoerder niet te laten ingrijpen in de beleggingsmix van de deelnemer, maar deze slechts te laten adviseren over de beleggingsmix. Daarnaast zijn de leden van de fractie van de PvdA van mening dat het argument van hogere administratieve lasten van onderschikt belang is aan het argument de deelnemers te beschermen bij dergelijke regelingen. De leden van deze fractie zijn van mening dat de regering moet kiezen of delen: óf ruimte bieden voor beleggingsvrije regelingen beschermd door de Wet financiële dienstverlening (Wfd)óf concluderen dat beleggingsvrijheid bij pensioenregelingen te veel risico oplevert en dergelijke regelingen verbieden en vragen de regering om een reactie.

In de nota naar aanleiding van het verslag heeft de regering aangegeven dat in regelingen in het kader van de tweede pijler de pensioenbestemming centraal dient te staan en dat de deelnemers beschermd moeten worden tegen het nemen van onnodige risico’s. De regering is van mening dat de voorgestelde begrenzingen aan de beleggingsvrijheid de deelnemer een beter bescherming biedt dan de zorgplicht uit de Wfd, omdat in het kader van de zorgplicht uit de Wfd de deelnemer een advies nog steeds naast zich neer zou kunnen leggen. Deze deelnemers kunnen dus nog steeds te grote risico’s nemen bij de beleggingen en daarmee het risico lopen met het eindkapitaal slechts een zeer kleine pensioenuitkering te kunnen inkopen. Ervaringen in de afgelopen jaren en onderzoek naar het gedrag van consumenten op financiële markten laten zien dat consumenten zich, zeker in tijden van hoge rendementen, laten verleiden om deskundig advies in de wind te slaan en (te) veel risico’s te accepteren. In geval van individuele besparingen dient die keuze gerespecteerd te worden. Binnen het kader van de tweede pijler acht de regering het echter gewenst deze mogelijkheid te beperken. In het voorstel van de regering wordt dit voorkomen aangezien de beleggingsportefeuille van deelnemers bij overschrijding van de gestelde grenzen, door de pensioenuitvoerder moet worden aangepast. De kans dat een deelnemer door onverstandig beleggen een zeer klein kapitaal overhoudt wordt hierdoor beperkt. De regering is dan ook van mening dat het voorstel uit het wetsvoorstel betere waarborgen biedt op een pensioen van een zekere niveau, dan het voorstel van de leden van de fractie van de PvdA om de Wfd zorgplicht over te nemen. De regering is van mening dat hiermee sprake is van een evenwichtige balans tussen vrijheid en bescherming en acht het niet nodig om de mogelijkheid van individuele beleggingsvrijheid geheel te verbieden.

Informatieverplichtingen bij kapitaalovereenkomsten

De leden van de fractie van de VVD merken op dat onduidelijk blijft wat nu de informatieverplichting inhoudt bij kapitaalovereenkomsten. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt verwezen naar de brief van DNB van 20.12 2000. Hier wordt gesproken over zogenaamde streefregelingen. Deze geven aan welke doelen worden nagestreefd. Dit is iets anders dan prognoses. De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering het niet belangrijk vindt dat duidelijk wordt aangegeven wat het verschil is tussen afgeven prognoses, welke geen juridisch afdwingbare rechten geven voor een eindresultaat, en het juist expliciet wel nastreven van een eindresultaat?

Op grond van het wetsvoorstel voor de Pensioenwet moeten partijen betrokken bij een pensioenovereenkomst expliciet aangeven wat het karakter van de overeenkomst is: uitkeringsovereenkomst, kapitaalovereenkomst of premieovereenkomst. Deze verplichting is opgenomen om bij de deelnemer geen enkel misverstand te laten ontstaan over waar hij met zekerheid op kan rekenen, en welke risico’s bij hem liggen.

De kern van een kapitaalovereenkomst is dat een deelnemer met zekerheid een aanspraak opbouwt op een gegarandeerd kapitaal op pensioendatum. Wat het niveau van de met het kapitaal in te kopen periodieke uitkering is, is afhankelijk van de tarieven – waaronder de levensverwachting – die gelden op het moment van inkoop. Het voor- of nadeel van een veranderde levensverwachting is bij kapitaalovereenkomsten dus een risico ten laste van de deelnemer.

Bij de informatieverstrekking over kapitaalverzekeringen moet ook zoveel mogelijk worden aangesloten bij de kern van dergelijke pensioenovereenkomsten. Eén van de onderdelen bij de informatieverstrekking in de jaaropgave is het geven van een opgave van het reglementair te bereiken pensioen. Bij kapitaalovereenkomsten houdt dat in dat een opgave wordt gegeven van opgebouwde kapitaal op pensioendatum onder de veronderstelling dat het salaris gelijk blijft maar de deelnemer blijft opbouwen tot pensioendatum.

Ook bij zogeheten streefregelingen die gekwalificeerd worden als kapitaalovereenkomst moet de opgave van het reglementair te bereiken pensioen op die wijze worden gemaakt. Bij de informatievertrekking mag de notie dat met de kapitaalovereenkomst een bepaald niveau van in te kopen periodieke pensioenuitkering nagestreefd wordt wel gecommuniceerd worden, maar het moet de deelnemer vooral duidelijk zijn dat hij slechts met zekerheid een aanspraak heeft op een kapitaal van een bepaalde omvang en niet een aanspraak op een periodieke uitkering van een bepaalde hoogte. Wordt bij de informatieverstrekking teveel de suggestie gewekt dat een aanspraak op een periodieke uitkering van een bepaald niveau wordt opgebouwd, dan zal de AFM de pensioenuitvoerder erop wijzen dat de communicatie niet in overeenstemming met de pensioenovereenkomst is. Als de pensioenuitvoerder de informatieverstrekking vervolgens niet aanpast, kan de DNB een dergelijke regeling kwalificeren als uitkeringsovereenkomst, en zal de financiering en het pensioenreglement aangepast moeten worden conform die bij uitkeringsovereenkomsten.

5.2 Medezeggenschap en Pension Fund Governance

Wettelijke verankering medezeggenschapsconvenant

De regering is verheugd te lezen dat zowel de leden van CDA-fractie als de leden van de fractie van de PvdA het besluit van de regering, om het medezeggenschapsconvenant wettelijk te verankeren, ondersteunen.

De regering waardeert het dat sociale partners en de ouderenorganisaties in het verleden tot afspraken zijn gekomen, waarbij enerzijds de mogelijkheden voor medezeggenschap worden vergroot en anderzijds rekening wordt gehouden met de verschillende kenmerken en behoeftes van de verschillende soorten pensioenfondsen die Nederland kent. De regering is graag bereid het medezeggenschapsconvenant wettelijk te verankeren, nu de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties bij brief van 22 mei 2006 een gezamenlijk verzoek daartoe hebben gedaan.

De regering heeft de hoofdpunten uit het medezeggenschapsconvenant in de derde nota van wijziging opgenomen.

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering verder om zo nodig in 2008 ruimte te bieden om de uitkomsten van evaluaties van dit convenant ook op te nemen in de wet. In 2008 zal zowel ten aanzien van de medezeggenschap als de principes voor goed pensioenfondsbestuur een evaluatie plaatsvinden. Op basis van de uitkomsten van deze evaluatie zal worden bezien of de Pensioenwet wijzigingen behoeft.

Evenwichtige belangenbehartiging

De leden van de PvdA-fractie merken op dat ze de kritiek van het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties delen op de manier waarop de regering stelt dat ouderen in tegenstelling tot andere organisaties alleen voor de eigen belangen zou willen opkomen. De leden willen graag van de regering vernemen waar deze boude stelling op gebaseerd is.

De regering heeft in de eerste plaats stevig stelling willen nemen tegen geluiden dat sociale partners in de besturen van pensioenfondsen alleen de belangen van werknemers en werkgevers hebben behartigd. De regering heeft erop gewezen dat sociale partners er in de afgelopen jaren bij het doorvoeren van de noodzakelijke hervormingen blijk van hebben gegeven de belangen van alle betrokkenen evenwichtig te kunnen behartigen. Ten tijde van premiekortingen en premieholidays hebben ouderen altijd een volledige indexering ontvangen. Toen het vervolgens slechter ging, zijn bij veel fondsen noodzakelijke hervormingen doorgevoerd. Pensioenfondsen zijn veelal overgestapt van een eindloonregeling naar een middelloonregeling waarbij de indexatie voorwaardelijk is. Hierdoor heeft de hoogte van de dekkingsgraad niet alleen invloed op de indexatie van pensioenen van gepensioneerden, maar ook op de indexatie van de opgebouwde pensioenen van actieve deelnemers. Daarnaast is ook het nabestaandenpensioen versoberd en zijn de pensioenpremies verhoogd. Het zijn de actieve werknemers die van deze versoberingen de nadelen ondervinden.

De regering heeft niet willen suggereren dat ouderen in tegenstelling tot andere organisaties alleen voor de eigenbelangen zouden opkomen. Ook ouderen die deelnemen in een pensioenfondsbestuur zijn gehouden aan de verplichting om de belangen van allen die bij het fonds betrokken zijn te behartigen. Dat neemt niet weg dat bepaalde beslissingen die het bestuur moet nemen voor de sommige groepen anders uitpakken dan voor andere groepen. Dergelijke beslissingen worden op scherp gesteld, naarmate de belangen binnen het bestuur meer verdeeld zijn. Een voorbeeld is een besluit over de inzet van sturingsinstrumenten, zoals premieverhogingen en indexatiekortingen. De regering constateert dat de roep om bestuursdeelname samenhangt met de – zoals uit het voorgaande blijkt in de ogen van de regering aanvechtbare – perceptie dat sociale partners de belangen van ouderen op dit punt onvoldoende hebben behartigd. Op het moment dat gepensioneerden in het bestuur bij dergelijke beslissingen voor hun deelbelang gaan opkomen – hoe legitiem dat vanuit hun eigen positie ook moge zijn – dan kan dat ten koste gaan van de slagvaardigheid en effectiviteit van het bestuur. Het roept bovendien de vraag op waarom niet ook jongeren, vrouwen, slapers etc. voor hun specifieke belangen in het bestuur zouden mogen opkomen.

Deelnemersraden of bestuursdeelname?

De leden van de PvdA-fractie vragen een beschouwing van de Minister over waar in zijn opinie de medezeggenschap het beste verankerd kan worden; in een stevige positie van deelnemersraden of in bestuursdeelname van pensioengerechtigden.

Het medezeggenschapsconvenant biedt verschillende mogelijkheden om de medezeggenschap binnen het fonds te regelen afhankelijk van het soort pensioenfonds. Bij ondernemingspensioenfondsen kan de keuze worden gemaakt tussen bestuursparticipatie of het instellen van een deelnemersraad en bij bedrijfstakpensioenfondsen is er de deelnemersraad. Als participant in een deelnemersraad kunnen ouderen direct opkomen voor hun eigen belangen. Op grond van artikel 100 van het wetsvoorstel Pensioenwet kunnen zij via de deelnemersraad gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen over aangelegenheden die het pensioenfonds betreffen. Bij bestuursparticipatie kunnen pensioengerechtigden direct aan het besluitvormingsproces deelnemen. Daarbij zullen zij meestal een minderheidspositie binnen het bestuur bekleden. Bestuursleden zijn voorts gehouden zich bij de vervulling van hun taak te richten naar de belangen van allen die bij het pensioenfonds betrokken zijn, zodat iedereen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kan voelen (zie artikel 94, tweede lid). Het is overigens primair aan ouderenorganisaties en sociale partners om te bepalen hoe de medezeggenschap wordt georganiseerd.

Bestuursparticipatie bij bpf’en

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het onvoldoende is om de strekking van het tweede medezeggenschapsconvenant in de Pensioenwet op te nemen aangezien hiermee de pensioengerechtigden van de bedrijfstakpensioenfondsen geen recht op bestuursdeelname verkrijgen. Dit roept volgens deze leden tevens het bezwaar op dat de rechtspositie van pensioengerechtigden in verschillende fondsen ongelijk zal zijn.

De regering is van mening dat maatwerk een belangrijke rol speelt bij medezeggenschap. De Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties hebben hiermee naar de mening van de regering voldoende rekening gehouden, gezien de verschillende vormen van medezeggenschap die zij in het convenant aanbevelen. Zo kan er bijvoorbeeld rekening mee gehouden worden dat het bestuur van bedrijfstakpensioenfondsen mede bestaat uit vertegenwoordigers van vakbonden, die ook gepensioneerde leden en slapers vertegenwoordigen.

Medezeggenschap pensioengerechtigden

De leden van de PvdA-fractie wijzen op verschillende ontwikkelingen die de noodzaak van goede medezeggenschap van gepensioneerden zichtbaar maken. Zo wijzen zij op de voorstellen tot het maken van een knip, waardoor er onderscheid wordt gemaakt in de pensioenrechten voor werkenden en niet-werkenden. Deze leden vinden dit soort keuzes te billijken, maar zij zijn van mening dat zo’n knip het belangenverschil tussen deze groepen vergroot. De leden van de PvdA vragen de regering of dit geen gevolgen moet hebben voor de organisatie van de medezeggenschap van gepensioneerden als dit op grote schaal wordt doorgevoerd. De leden van de fractie van de PvdA vragen in aansluiting hierop of de regering hun mening deelt dat bij het vormgeven en vastleggen van de medezeggenschap bij pensioenfondsen en bij verzekerde regelingen met genoemde ontwikkeling rekening gehouden moet worden.

Het is de regering niet bekend of de afspraken waar de leden van de PvdA op doelen op grote schaal worden doorgevoerd. De regering ziet in de wijze waarop sociale partners en pensioenfondsen invulling geven aan de toeslagverlening geen reden te veronderstellen dat van een evenwichtige belangenbehartiging geen sprake zou zijn. Pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Dit betekent dat sociale partners afspraken maken over de inhoud van de pensioenregeling. Zij besluiten of er sprake is van toeslagverlening, wat het ambitieniveau daarvan is en welke voorwaarden er gelden. Het is niet onlogisch dat sociale partners hier het primaat hebben: ambities ten aanzien van de toeslagverlening vertalen zich immers in de premie en leggen beslag op de loonruimte. Het ligt in de rede dat sociale partners bij het maken van de pensioenafspraken de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegen. Het is niet in het belang van werknemersvertegenwoordigers om alleen de belangen van de actieve deelnemers te behartigen. Immers, elke deelnemer zal ooit gewezen deelnemer worden. Bovendien bestaat de achterban van de vakbonden voor een belangrijk deel uit oudere werknemers en gepensioneerden. Verder is de regering van mening dat er voor partijen voldoende mogelijkheden zijn om invloed uit te oefenen over besluiten van het pensioenfonds, zeker met de wettelijke verankering van het medezeggenschapsconvenant. De deelnemersraad kan gevraagd en ongevraagd advies geven over aangelegenheden die het pensioenfonds betreffen en bij verzekerde regelingen is er een hoorrecht voor verenigingen van gepensioneerden.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat hun hierboven genoemde punt ook geldt voor de introductie van cdc-regelingen. De mogelijkheid op korten van rechten komt volgens deze leden nadrukkelijker in beeld. De leden van de PvdA-fractie wijzen er voorts op dat wijzigingen van het toeslagbeleid door het fondsbestuur eveneens grote gevolgen kan hebben voor de inkomenspositie van gepensioneerden. De leden vragen of de regering kan aangeven op welke wijze het convenant in een situatie als deze de medezeggenschap van gepensioneerden garandeert.

De regering is van mening dat indien het gaat over de mogelijkheid van het korten van rechten er in het wetsvoorstel Pensioenwet voldoende waarborgen voor medezeggenschap aanwezig zijn. Op grond van artikel 100 uit het wetsvoorstel stelt het pensioenfonds de deelnemersraad in ieder geval in de gelegenheid om advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot vermindering van de verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten indien toepassing wordt gegeven aan artikel 122 (betreffende de korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten door pensioenfondsen).

De regering wijst er nog op dat op grond van artikel 122 – na de aanpassingen in de derde nota van wijziging – pas besloten kan worden tot vermindering van verworven pensioenaanspraken als alle overige sturingsinstrumenten maximaal zijn ingezet. Daarmee worden de belangen van gewezen deelnemers en gepensioneerden beschermd.

Naar aanleiding van de vraag over het toeslagbeleid kan de regering meedelen dat het medezeggenschapsconvenant zich hier niet over uitlaat. In het wetsvoorstel is wel voorzien in medezeggenschap ten aanzien van dit punt. De deelnemersraad dient namelijk, op grond van artikel 100, in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen over het voorgenomen besluit van het pensioenfonds tot het vaststellen en wijzigen van het toeslagbeleid.

Instemmingsrecht

De leden van de PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de deelnemersraad voldoende bevoegdheden heeft om tegenwicht te kunnen bieden aan het fondsbestuur. Zij willen net als de leden van de D66-fractie vasthouden aan de introductie van instemmingsrecht voor deelnemersraden. De leden van D66 hebben ten principale bezwaar tegen de uitbreiding van de uitleg van de motie-Schimmel tot een verbod van instemmingsrechten tot interne organen van het pensioenfonds. Deze leden vinden dit een stap achteruit voor deelnemersraden die nu wel een instemmingsrecht kennen.

De regering meent dat er een goede grond is om het verbod op instemmingsrechten in het wetsvoorstel Pensioenwet vast te leggen. Het pensioenfondsbestuur is immers verantwoordelijk voor alle besluiten van het fonds. Het bestuur dient dan ook de mogelijkheid te hebben deze verantwoordelijkheid te nemen. De regering is er zich van bewust dat belemmeringen ten aanzien van de invulling van die verantwoordelijkheid met name aan de orde kunnen zijn indien organisaties of personen buiten het fonds (zoals de werkgever) een vetorecht kunnen uitspreken. De regering is evenwel van mening dat het toekennen van vetorechten aan organen binnen het fonds de mogelijkheden voor het bestuur om zijn verantwoordelijkheid te kunnen nemen, ook kan belemmeren. De regering meent verder dat de deelnemersraad voldoende bevoegdheden heeft, waaronder het beroepsrecht, om tegenwicht te kunnen bieden aan het pensioenfondsbestuur en ziet vooralsnog geen noodzaak voor een vetorecht. Uiteraard zal dit punt nadrukkelijk aan de orde komen bij de evaluatie van het medezeggenschapsconvenant.

Klachtrecht

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat de reden is voor het ontbreken van een klacht- of beroepsrecht voor groepen leden van deelnemersraden. Deze leden vragen of een dergelijk recht wel onder vigerende regelgeving bestaat en wat dan de reden is voor het afschaffen van het klacht- of beroepsrecht. De leden van de PvdA vragen verder of de regering kan aangeven of dit recht in het verleden een negatieve invloed heeft gehad op de evenwichtigheid van het fondsbestuur.

Op grond van de PSW bestaat vanaf mei 2000 een beroepsrecht voor de deelnemersraad bij de ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (artikel 6c). Het klachtrecht is toen gehandhaafd (in artikel 6d) voor het geval geen gebruik wordt gemaakt van het beroepsrecht of een minderheid van de deelnemersraad (10%) een klacht wil indienen. Als klachtinstantie is toen de toezichthouder aangewezen. Zowel de toezichthouder als de convenantspartijen hebben aangegeven dat het functioneren van de toezichthouder als klachtinstantie zich moeilijk verhoudt met de functie van toezichthouder op de pensioenwetgeving. In het kader van de algehele herziening van de PSW is aangegeven dat dit nader bekeken zou worden.

De regering heeft vervolgens in het wetsvoorstel Pensioenwet voorgesteld het bestaande klachtrecht voor deelnemersraden of een gedeelte van de leden van de deelnemersraden af te schaffen. Hiervoor geeft de regering allereerst als reden dat er in de praktijk nauwelijks gebruik wordt gemaakt van het wettelijk klachtrecht. Verder is de vraag waar een wettelijk klachtrecht gepositioneerd zou moeten zijn niet eenvoudig te beantwoorden, de toezichthouder is niet geschikt en een aparte klachteninstantie is gezien het beperkte aantal klachten niet wenselijk. En ten slotte is met de uitbreiding van het beroepsrecht de noodzaak voor het reeds langer bestaande klachtrecht vervallen. Met ingang van 1 januari 2004 is het beroepsrecht uitgebreid door voor een aantal specifieke gevallen ook een geleding van de deelnemersraad deze beroepsmogelijkheid toe te kennen. Hier komt bij dat een uitspraak in het kader van beroepsrecht bindend is, in tegenstelling tot het klachtrecht. Een uitspraak in het kader van het beroepsrecht is daardoor een steviger instrument dan het klachtrecht.

De regering heeft geen signalen ontvangen dat het klachtrecht in het verleden een negatieve invloed heeft gehad op de evenwichtigheid van het fondsbestuur. Dit ligt ook niet in de rede aangezien er in de praktijk, zoals gezegd, nauwelijks gebruik is gemaakt van dit wettelijke klachtrecht. Het SER-advies van 8 mei 2001 (publicatienummer 01/06) geeft aan dat in de periode 1990–2000 in het totaal acht maal een klacht is ingediend, waarvan slechts een klacht gegrond werd verklaard. De Pensioen- & Verzekeringskamer heeft verder aangegeven dat over de jaren 2000, 2001 en 2002 in totaal vier klachten van een deelnemersraad zijn behandeld.

Pension fund governance

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de vraag van deze leden over het niet in de wet opnemen van al de principes van goed pensioenfondsbestuur door regering in de nota naar aanleiding van het verslag niet is beantwoord. Deze leden vragen nogmaals waarom in het wetsartikel alleen de principes verantwoording en intern toezicht zijn opgenomen en niet alle principes voor goed fondsbestuur (dus ook zorgvuldig bestuur, deskundigheid en communicatie) zijn opgenomen. De leden van de PvdA-fractie vragen daarnaast wanneer verantwoordingsorganen van een wettelijke basis worden voorzien en of dan tegelijkertijd de wettelijke bescherming van deze leden kan worden vastgesteld.

De regering heeft in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 17, blz. 71) aangegeven dat er voor is gekozen om de positie van verantwoordingsorganen (en de gehele set van principes) niet vast te leggen in het wetsvoorstel. Dit sluit aan bij het verzoek van de partijen betrokken bij het samenstellen van de principes. Inmiddels is het, door de toekenning van het enquêterecht aan het verantwoordingsorgaan, noodzakelijk gebleken het verantwoordingsorgaan in de wet op te nemen. Door deze wettelijke basis is het mogelijk geworden de leden van het verantwoordingsorgaan dezelfde bescherming toe te kennen als reeds geldt voor de leden van het pensioenfondsbestuur en de deelnemersraad. Op verzoek van de leden van de PvdA-fractie heeft de regering dit bij nota van wijziging geregeld. De regering is verder van mening dat alle uitgangspunten bij de principes voor goed pensioenfondsbestuur voldoende in de wet zijn verankerd. Op grond van artikel 31a is de waarborging van goed bestuur geregeld. Verder zijn in het wetsvoorstel Pensioenwet meerdere artikelen opgenomen ten aanzien van de door de leden van de PvdA genoemde principes, te weten deskundigheid en communicatie.

Ten aanzien van de vraag van de leden van de PvdA-fractie of leden van deelnemersraden op dit moment dezelfde bescherming hebben als leden van een ondernemingsraad, kan de regering bevestigend antwoorden. Op grond van artikel 93 van het wetsvoorstel Pensioenwet worden leden van het pensioenfondsbestuur en de deelnemersraad beschermd. Dit artikel is gebaseerd op artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden. Deze bescherming komt overeen met de bescherming die leden van een ondernemingsraad hebben.

Subsidiemogelijkheden (verzekerde regelingen)

De leden van de PvdA-fractie concluderen naar aanleiding van de zeggenschap bij verzekerde regelingen dat dit geldt voor verenigingen van (gewezen) deelnemers en niet voor individuele leden. De leden van de PvdA-fractie wijzen op het feit dat enige vorm van stimulering of facilitaire ondersteuning van belang is om de zeggenschap door dergelijke verenigingen vorm te geven. Deze leden vragen daarom welke mogelijkheden er zijn voor het verlenen van een tijdelijke subsidie aan vakbonden en ouderenbonden voor het opzetten van een stimuleringsregeling voor verenigingen bij verzekerde regelingen.

Het is voor partijen (een natuurlijk persoon of rechtspersoon) mogelijk een subsidieverzoek in te dienen bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit kan op grond van de Kaderwet SZW-subsidies (Stb. 1997, 285) of een meer specifieke SZW-subsidieregeling, zoals de Subsidieregeling kwaliteit Arbeidsverhoudingen (Stcrt. 2000, 243, pag. 19). Op grond van de Kaderwet kan Onze Minister subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid; het arbeidsomstandighedenbeleid; het arbeidsverhoudingenbeleid; het inkomensbeleid; het sociale zekerheidsbeleid; het emancipatiebeleid; en het kinderopvangbeleid. De gehanteerde standaardsubsidie- voorwaarden zijn in een algemene regeling neergelegd, te weten de Algemene Regeling SZW-subsidies (Stcrt. 1997, 249, pag. 36). Of een project gesubsidieerd kan worden, hangt uiteindelijk af van de concrete invulling van het project.

Verplichte vereniging van pensioengerechtigden

De leden van de PvdA-fractie zouden willen pleiten voor het verplicht stellen van een deelnemersvereniging bij verzekerde regelingen met meer dan 250 deelnemers zodat de zeggenschap bij verzekerde regelingen wordt versterkt en er rekening wordt gehouden met de uitvoeringsproblemen bij te kleine regelingen. Een aanvullende reden om ook de medezeggenschap van deelnemers en pensioengerechtigden bij verzekerde regelingen goed te regelen is volgens deze leden dat het anders een prikkel zou kunnen zijn om over te stappen van pensioenfondsen naar verzekerde regelingen.

De regering is van mening dat het wetsvoorstel voldoende mogelijkheden biedt om de zeggenschap bij verzekerde regelingen goed te regelen. Zoals ook gemeld bij brief van 16 juni 2004 aan uw Kamer (Kamerstukken II 2003/04, 28 294, nr. 7) is de regering van mening dat voldoende recht is gedaan aan de intenties van de partijen betrokken bij het medezeggenschapsconvenant om gepensioneerden te betrekken in de medezeggenschap bij de uitvoering van rechtstreeks verzekerde regelingen. Dit is enerzijds geregeld door het opnemen van heldere voorschriften in het wetsvoorstel Pensioenwet over de informatieverstrekking door pensioenuitvoerders aan deelnemers in een pensioenregeling. En anderzijds door in artikel 21 van het wetsvoorstel Pensioenwet te regelen dat een werkgever die zijn pensioenregeling heeft ondergebracht bij een verzekeraar en die overweegt een besluit te nemen dat gevolgen heeft voor pensioengerechtigden op grond van deze bepaling gehouden is de pensioengerechtigden een hoorrecht te geven.

Indien partijen medezeggenschap belangrijk genoeg vinden, zullen zij het belang inzien om een vereniging van pensioengerechtigden op te richten. Een wettelijk voorschrift tot het verplichtstellen van een dergelijke vereniging acht de regering dan ook niet noodzakelijk.

De regering ziet verder geen aanleiding te verwachten dat werkgevers overstappen van een pensioenfonds naar een verzekerde regeling vanwege het ontbreken van een verplichting tot het instellen van een deelnemersvereniging bij verzekerde regelingen. Er zijn geen signalen bekend dat het verzoek tot het instellen van een deelnemersraad bij een pensioenfonds heeft geleid tot dit soort bewegingen.

6. Financieel toetsingskader

Betrokkenheid pensioenveld bij afronding ftk

Door de leden van de PvdA-fractie en de VVD-fractie zijn vragen gesteld over het verdere proces ten aanzien van de nog uit te werken elementen van het ftk. De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat de Stichting van de Arbeid nog bezig is de amvb grondig te bestuderen en vinden het van belang dat eventuele aanvullende vragen nog meegenomen kunnen worden. Tevens vragen deze leden naar de stand van zaken rondom het indexatielabel. De leden van de VVD-fractie vragen of het voornemen bestaat het vaststellen van de parameters in nauw overleg met het pensioenveld te laten geschieden.

Voordat de regering het concept besluit financieel toetsingskader op 24 mei 2006 aan uw Kamer heeft aangeboden, zijn de Stichting van de Arbeid en de pensioenkoepels in de gelegenheid gesteld om te reageren. In de aanbiedingsbrief van 24 mei jl. waarmee de regering u het conceptbesluit financieel toetsingskader pensioenfondsen toezond, heeft de regering aangegeven dat de consultatie van het besluit bij de Stichting van de Arbeid en de pensioenkoepels die de afgelopen weken heeft plaatsgevonden ertoe heeft geleid dat de hoofdlijnen van de opvattingen van deze organisaties in dit besluit zijn verwerkt. Vanwege de korte termijn die voor consultatie beschikbaar was heeft de regering de Stichting van de Arbeid en de pensioenkoepels toegezegd dat zij, voordat het besluit door Hare Majesteit ter advisering aan de Raad van State wordt aangeboden, nog een mogelijkheid krijgen op het conceptbesluit te reageren.

Zoals de regering in dezelfde brief heeft aangekondigd zal over twee ontbrekende elementen uit het ftk nog overleg plaatsvinden. Het betreft allereerst de vaststelling van de parameters. In de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven dat de regering de invoering van het ftk zal aangrijpen om de parameters te actualiseren in nauwe samenwerking met DNB en de Stichting van de Arbeid. Inmiddels heeft de regering op 23 juni jl. aan DNB gevraagd voor 1 oktober a.s. te adviseren over de parameters in het licht van de huidige constellatie. De regering heeft daarbij tevens gevraagd om bij de onderbouwing van haar advies ook alternatieve opvattingen te beoordelen. Vervolgens zullen de sociale partners over die parameters worden geconsulteerd.

Ten tweede zal er nog overleg plaatsvinden over de zogenaamde indexatiematrix. Ook op dit punt heeft de regering op 23 juni jl. aan DNB, de Stichting van de Arbeid en de AFM gevraagd om voor 1 oktober a.s. advies uit te brengen over hetgeen in de ministeriële regeling moet worden opgenomen ter uitvoering van artikel 86, tweede lid van de Pensioenwet. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven zal met het pensioenveld worden bezien of de problemen die zich in de praktijk met de matrix (kunnen) voordoen voorkomen kunnen worden, zonder af te doen aan het doel: consistentie tussen toezegging, financiering en communicatie. In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie kunnen de voorstellen voor een indexatielabel in het kader van dit overleg aan de orde komen.

De Stichting van de Arbeid heeft in reactie van 16 juni jl. op dit conceptbesluit aangegeven dat zij het zeer op prijs stelt bij de nadere invulling en actualisering van de parameters en de uitwerking van de indexatiematrix te worden betrokken.

De leden van de CDA-fractie vragen van de regering de verzekering dat de parameters ofwel in de wet ofwel in een amvb, met voorhang, vastgesteld worden en onder geen beding in een ministeriële regeling terecht komen. De regering acht het van belang dat bij de verdere vaststelling van de parameters de economische analyse centraal dient te staan. Dat is in de ogen van de regering het best gewaarborgd door in het proces te leunen op de expertise van DNB en van de Stichting van de Arbeid, die in deze gebruik maken van de expertise van pensioenfondsen. Zij hebben immers het beste zicht op wat realistische inschattingen zouden kunnen zijn van parameters, zoals de rente en de risicopremie op aandelen. Ook voor andere economische voorspellingen wordt sterk op experts geleund. De regering ziet in dit verband weinig meerwaarde in codificatie van de parameters op het niveau van wet of amvb, terwijl het wel de flexibiliteit aantast om ze snel aan te passen als de omstandigheden dat eisen. Actualisatie voor 1-1-2007 vereist overigens dat de parameters bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Het zorgvuldige voorbereidingstraject dat de regering hiervoor wil volgen, zal immers op z’n vroegst in november tot een nieuwe set parameters kunnen leiden. De regering houdt om deze redenen vast aan het bepalen van parameters bij ministeriële regeling. Ook ten aanzien van de indexatiematrix, en eventuele alternatieven zoals een indexatielabel die in dat verband een rol zouden kunnen gaan spelen, kiest de regering voor opname in een ministeriele regeling. De regering vindt het van groot belang dat de regels snel aangepast kunnen worden als blijkt dat de regels in de praktijk op problemen stuiten.

Graag zegt de regering toe dat de ministeriële regeling die betrekking heeft op de indexatiematrix en de parameters niet van kracht zal worden vóórdat uw Kamer de gelegenheid krijgt daarover haar opvatting kenbaar te maken. In beide gevallen geldt dat de Kamer de regering altijd kan aanspreken op dit onderwerp.

Eén set parameters?

De leden van de fractie van het CDA vragen zich ook af of er voor 1 set parameters gekozen moet worden voor zowel herstelplannen, continuïteitsanalyse, intern risicomodel en kostendekkende premie. Zij wensen ook een duidelijke onderbouwing van de parameters in relatie tot de doelen waarvoor zij dienen. De leden van de VVD-fractie vragen of één set van parameters voor alle genoemde elementen even optimaal functioneert. Zij merken ook op dat een wijziging van de parameters kan leiden tot een verplichte aanpassing door het pensioenfonds van het ingerekende rendement in de premie. In dat verband vragen zij hoe zich dit verhoudt zich tot het standpunt dat het verwachte fondsrendement voor een lange termijn moet gelden.

Naar aanleiding van deze vragen merkt de regering op dat het ftk uitgaat van een consistent geheel. In de amvb wordt bepaald dat herstelplannen gebaseerd dienen te zijn op een continuïteitsanalyse. Voor de continuïteitsanalyse kan een fonds gebruik maken van een intern model. Fondsen kunnen in beginsel zelf de parameters bepalen die ze daarvoor nodig hebben. Hetzelfde geldt voor de berekening van de kostendekkende premie. De regering is wel voornemens om maxima vast te leggen, zoals dat ook is gebeurd in de Nota uitwerking FTK (Kamerstukken II 2004/05, 28 294, nr. 11). Daarmee wordt voorkomen dat fondsen zich rijk kunnen rekenen. Fondsen mogen van deze parameters afwijken, mits de parameterkeuze in dat geval realistisch, consistent en gevalideerd is.

De regering ziet a-priori geen reden waarom in het kader van de parameters aan het rendement dat bij een herstelplan ingeboekt mag worden andere eisen gesteld zouden moeten worden dan aan het rendement dat bij de kostendekkende premie wordt gebruikt.

De regering verwacht niet dat het door de leden van de VVD gesignaleerde probleem zich zal voordoen. Zoals gezegd hebben fondsen de nodige vrijheid om te bepalen welk rendement zij inrekenen in de premie. De regering verwacht bovendien niet dat de parameters periodiek zeer sterk zullen verschikken, omdat deze gebaseerd zijn op meerjarige trends.

Indexatielabel

De leden van de PvdA-fractie menen dat een indexatielabel niet alleen van belang is bij waardeoverdracht, maar ook bij de keuze van een baan zal volgens deze leden de kwaliteit van de pensioenregeling een rol kunnen spelen bij het wel of niet accepteren van een baan.

De regering is het met deze leden eens dat vergelijking van de indexatiekwaliteit van belang is als er sprake is van keuzemogelijkheden ten aanzien van de pensioenregeling. Dat is in ieder geval zo bij wisseling van werkgever. De regering hoopt dat het pensioenbewustzijn, mede door de informatiebepalingen op grond van dit wetsvoorstel, zodanig groeit dat het besef ontstaat dat de arbeidsvoorwaarde pensioen minstens even belangrijk zal worden als het aanbod van een lease-auto. Overigens wijst de regering er op dat het belang van waardeoverdracht met de massale overgang van eind- naar middelloonregelingen kleiner is geworden. Waar de rechten van slapers onder een eindloonregeling doorgaans een lagere indexering kenden dan van actieve deelnemers (op individueel niveau kon dit verschil fors oplopen), is dit verschil in geval van middelloonregeling vaak minder groot of afwezig. Uiteraard kan er dan wel nog steeds sprake zijn van een verschil in indexatiekwaliteit als gevolg van verschil in de toeslagambitie of de aanwezigheid van een dekkings- of reservekort bij één van beide fondsen. Juist om deze reden zijn pensioenuitvoerders verplicht zowel bij de start als bij de beëindiging van de deelneming informatie te verschaffen over het toeslagbeleid en de financiële positie.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de mogelijkheid van een indexatielabel en op welke manier het een plek in de Pensioenwet krijgt dan wel in de onderliggende amvb.

De regering hecht er aan te benadrukken dat het huidige wetsvoorstel geen belemmeringen bevat voor het ontwikkelen van een indexatielabel. Op dit moment is overigens niet helder hoe z’n label eruit zou moeten zien en welke factoren er allemaal in meegenomen worden. Voorwaarde voor het eventueel verplichtstellen van een dergelijk label is dat het label op alle pensioenregelingen toegepast kan worden. De regering is bereid dat te overwegen als de betrokken partijen in het aangekondigde overleg met een eenduidig advies komen. Of dat op afzienbare termijn zal plaatsvinden is, gezien de vele horden die in dit verband nog genomen moeten worden, nog een open vraag.

Eénjaarshersteltermijn

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering om, conform het voorstel van de Stichting van de Arbeid, de éénjaarshersteltermijn bij een dekking onder de 105% op drie jaar te brengen onder voorwaarde dat de toezichthouder, indien het beleid van een fonds dat naar het oordeel van de toezichthouder noodzakelijk maakt, een kortere hersteltermijn kan eisen. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering heeft overwogen om de korte termijnherstelperiode te verlengen naar 3 jaar en op basis van de bepaalde criteria die de toezichthouder zou hanteren individuele fondsen de plicht te geven om te werken met een kortere herstelperiode. Deze leden vinden dat de criteria in het regeringsvoorstel voor het verlengen van de 1 jaarshersteltermijn erg algemeen geformuleerd zijn en vragen waarom deze criteria in de amvb zijn uitgewerkt en niet in de wet zijn opgenomen. Deze leden vinden het argument dat de criteria in een amvb moeten worden opgenomen omdat ze anders niet snel kunnen worden aangepast niet erg overtuigend tegenover de invulling die aan artikel 17 in de amvb is gegeven en vragen of het mogelijk procyclische effect van een eenjaarshersteltermijn onderdeel uitmaakt van deze overweging. Deze leden vragen ook of DNB ook andere criteria hanteert. De leden van de VVD fractie vinden dat een gedegen onderbouwing van de keuze voor een jaar ontbreekt. Zij vragen ook nogmaals aandacht voor een langere herstelperiode van minimaal 3 jaar. Zij stellen dat een dergelijke termijn het veiligstellen van de buffers beter mogelijk maakt en premiestijgingen over meerdere jaren uitgesmeerd kunnen worden en het minder noodzakelijk zal zijn te korten op pensioenaanspraken. Zij vragen of de regering bereid is zich andermaal te beraden over oprekking van de hersteltermijn naar 3 jaar. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven heeft de situatie van onderdekking de nodige negatieve gevolgen voor de deelnemer. In het algemeen zal er geen sprake zijn van indexatie en verzoeken tot waardeoverdracht worden opgeschort. De regering is dan ook van mening dat een situatie van onderdekking zo kort mogelijk moet duren. De regering wil er verder op wijzen dat de kans groot is dat fondsen die in onderdekking zijn in de loop der tijd nog verder in onderdekking zakken. Berekeningen van DNB laten zien dat, uitgaande van een startdekkingsgraad van 100%, een fonds een kans heeft van circa 45% dat het een jaar later verder in onderdekking is geraakt, waarbij de dekkingsgraad gemiddeld is gezakt tot 90%. Naarmate de dekkingsgraad toeneemt, neemt de kans op onderdekking snel af. Bij een dekkingsgraad van 105% en 115% is de kans op onderdekking binnen een jaar al gezakt tot 32% respectievelijk 13%. Bij een dekkingsgraad van 130% is de kans nog 2,5%, wat overeenkomt met de wettelijke eis van 97,5% zekerheid. Snel herstel is dus ook nodig om erger te voorkomen. Dat is het uitgangspunt voor een hersteltermijn van 1 jaar.

In de nota naar aanleiding van het verslag is de regering verder uitgebreid ingegaan op het verloop van de dekkingsgraden in de afgelopen jaren. Gebleken is dat een groot deel van de fondsen al binnen een jaar uit de situatie van onderdekking is geraakt. Na drie jaar waren zelfs alle fondsen uit onderdekking ontsnapt. Uitgangspunt voor de toezichthouder in deze periode waren een kortetermijnherstelperiode van één jaar met de mogelijkheid tot maatwerk. Dit kader was in overleg met de regering en de sociale partners tot stand gekomen en wordt nu in de Pensioenwet overgenomen. De criteria voor de toepassing van het maatwerk die in de amvb zijn opgenomen komen overeen met de criteria die DNB de afgelopen periode heeft gehanteerd. De regering deelt de constatering van de leden van de PvdA dat de criteria nog vrij algemeen van aard zijn, maar is van mening dat ze in de praktijk voldoende aanknopingspunten bevatten voor de beslissing over het al dan niet toepassen van maatwerk. In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA kan de regering melden dat mogelijke procycliciteit van de eenjaarshersteltermijn geen overweging is geweest om de criteria voor maatwerk in amvb op te nemen. De regering is in de nota naar aanleiding van het verslag uitgebreid ingegaan op de vraag of het ftk procyclisch werkt en heeft daarbij aangegeven daar niet bang voor te zijn. Al met al is de regering van mening dat het voorgestelde kader – een hersteltermijn van één jaar met de mogelijkheid tot maatwerk – in de praktijk van de afgelopen jaren goed heeft gefunctioneerd.

Nadruk op nominale zekerheid?

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of het ftk niet teveel nadruk legt op nominale zekerheid. Dit doet zich volgens deze leden voor door bij dekkingsgraden uit te gaan van de nominale toezegging. Zij zijn verder van mening dat de kostendekkende premie en de continuïteitsanalyse de koers van een fonds moeten bepalen en dat de dekkingsgraad een randvoorwaarde is voor wanneer ingegrepen moet worden. Als het toezicht zich te veel richt op dekkingsgraden dan wordt volgens deze leden het risico gelopen dat fondsbesturen zich teveel richten op de dekking van de nominale aanspraken in plaats van op de kostendekkende premie en de continuïteitsanalyse. Zij vragen of de mening wordt gedeeld dat de kostendekkende premie en de continuïteitsanalyse vele malen belangrijker zijn om te komen tot een waardevast pensioen.

Uiteraard zijn de deelnemers van pensioenregelingen gebaat bij een zo hoog mogelijke zekerheid van hun pensioen. Dat geldt zowel voor de pensioenaanspraken die hen zijn toegekend als voor de toeslagverlening. Maar zekerheid kent een prijs. Zekerheid vereist immers dat pensioenfondsen nu al geld reserveren voor toekomstige verplichtingen én daarbovenop buffers aanhouden om tegenvallers op te vangen. Het opbouwen daarvan vereist hogere premies, waardoor een zeker pensioen duurder is. De regering heeft er, na intensief overleg met de sociale partners en DNB, voor gekozen om de wettelijke zekerheidseisen alleen verplicht te stellen voor de onvoorwaardelijke pensioenaanspraken (waaronder overigens ook alle in het verleden verleende toeslagen vallen). Dat betekent dat een pensioenfonds daarvoor een voorziening moet treffen én dat er een buffer wordt aangehouden die garandeert dat de aanspraken met een zekerheid van 97,5% worden nagekomen. Voor een standaardpensioenfonds komt dat neer op een dekkingsgraad van circa 130%. Zou er voor gekozen zijn om fondsen ook te verplichten voor de voorwaardelijke toeslagverlening een voorziening te vormen, dan zou de dekkingsgraad nog 40 à 50% procentpunt hoger moeten liggen, rond de 175%. En als deze voorwaardelijke toeslagverlening ook nog met 97,5% zekerheid gegarandeerd zou moeten zijn, dan zou de dekkingsgraad uitkomen rond de 195%.

Als reële zekerheid het uitgangspunt zou zijn geweest, dan zou de regering veel hogere normen aan de dekkingsgraad moeten stellen dan thans het geval is. Dat zou echter tevens geresulteerd hebben in premiestijgingen die macro-economisch niet aanvaardbaar zouden zijn geweest. De regering is van mening dat met het ftk, waarmee in ieder geval het onvoorwaardelijke deel van de pensioentoezeggingen van een hoge mate van zekerheid wordt voorzien, een evenwichtige balans is voorzien tussen zekerheid en betaalbaarheid. De regels van het ftk belemmeren fondsen overigens niet om te streven naar hogere dekkingsgraden. De regering is van mening dat fondsen met de ambitie om (voorwaardelijk) te indexeren prudent handelen door dat na te streven. Bovendien krijgen fondsen dan minder snel te maken met de beperkende regels van een lange- of kortetermijnherstelplan. Het is echter aan de sociale partners om te bezien of een dergelijke ambitie ten aanzien van pensioenen past binnen de totale ruimte voor arbeidsvoorwaarden. Kort samengevat: nominale zekerheid is een eerste stap op weg naar reële zekerheid en wie reële zekerheid wenst, in welke vorm dan ook, zal rekening moeten houden met hogere dekkingsgraden en premies.

De regering ziet overigens geen spanning tussen het hanteren van dekkingsgraden als aangrijpingspunt van het toezicht enerzijds en de continuïteitsanalyse en de kostendekkende premie anderzijds. Bij de continuïteitsanalyse wordt vooral gekeken naar de ontwikkelingen van de dekkingsgraad naar de toekomst toe mede gelet op scenario’s die zich daarbij zouden kunnen voordoen, en stelt de dekkingsgraad juist centraal. De kostendekkende premie dient zodanig te zijn dat nieuwe verplichtingen op ordentelijke wijze worden gefinancierd, zodat ze niet op voorhand tot een daling van de dekkingsgraad leiden. De continuïteitsanalyse en de kostendekkende premie zijn dus niet belangrijker dan de beoordeling van de dekkingsgraad van het fonds, zij zijn aanvullend op de beoordeling van de dekkingsgraad.

In dit verband stellen de leden van de PvdA-fractie ook dat het opstellen van een langetermijnherstelplan overbodig is als uit de continuïteitsanalyse blijkt dat het reguliere beleid van een fonds tijdig leidt tot herstel.

De regering verwijst in dit verband naar de beantwoording in de nota naar aanleiding van het verslag, waarin uitgebreid op dit punt is ingegaan. Kern van dat betoog is dat de het lange termijnherstelplan concrete voornemens bevat om binnen 15 jaar weer orde te zijn, terwijl een continuïteitsanalyse doorgaans nog niet alle mogelijke maatregelen zal bevatten. Weliswaar kan een continuïteitsanalyse rekening houden met de aanwezigheid van een eventuele vooraf bepaalde staffel, andere maatregelen die een discretionaire beslissingen van het bestuur vereisen zijn daar doorgaans niet in opgenomen. Daarom kan de continuïteitsanalyse nooit een vervanging zijn van het langetermijnherstelplan, hoewel het eraan ten grondslag ligt.

Verplichte (financiering van) toeslagverlening

De leden van de PvdA-fractie en de VVD-fractie vragen of het klopt dat in het Verenigd Koninkrijk sprake is van een verplichting om indexatie mee te financieren bij het vaststellen van de premie. In het Verenigd Koninkrijk dienen salarisgerelateerde pensioentoezeggingen – (oftewel defined benefit pensioenregelingen) – te worden geïndexeerd met een bepaalde prijsindex (de retail prijsindex). In april 2005 is het maximum van deze verplichting gewijzigd van 5% naar 2,5% per jaar. De regering wil erop wijzen dat het aantal regelingen met een defined benefit karakter in het Verenigd Koninkrijk in rap tempo daalt, mede vanwege de hoge kosten waar werkgevers mee geconfronteerd worden, onder meer door de verplichte indexatie. Daarnaast hebben veel fondsen in de tweede helft van de jaren negentig weinig prudent gehandeld door zeer fors, soms tot 80 à 90%, in aandelen te beleggen.

De leden van de PvdA-fractie vragen ook wat de voor- en nadelen zijn om een verplichting om indexatie mee te financieren bij het vaststellen van de premie in Nederland in te voeren.

In Nederland zijn sociale partners verantwoordelijk voor de inhoud van pensioenregelingen. Zij bepalen of er in een pensioenregeling sprake is van toeslagverlening en zijn via hun rol in het bestuur ook verantwoordelijk voor de uitvoering van die regeling, waaronder het vraagstuk van de financiering. De financiering van de toeslagverlening is afhankelijk van het karakter ervan. Toeslagen met een onvoorwaardelijk karakter dienen volledig afgefinancierd te worden. Bovendien dienen er buffers tegenover te staan. Voorwaardelijke toeslagen kunnen op verschillende wijze gefinancierd worden, bijvoorbeeld door een opslag op de premie, het vormen van een technische voorziening of een reserve, en uit eventueel overrendement. Het is niet nodig om hiervoor buffers aan te houden. De regering ziet geen enkele reden om één financieringsvorm verplicht te stellen en laat de keuze over aan de fondsen en de sociale partners. Een belangrijk bezwaar van verplichte meefinancieren van toeslagen in de premie is dat dit een forse premieverhoging zal betekenen. Wel stelt de Pensioenwet de eis dat er sprake moet zijn van consistentie tussen toezegging, financiering en communicatie.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een verplichtstelling van indexatie wenselijk vindt. Verplichte indexatie zou ten principale een forse inbreuk betekenen op de verantwoordelijkheid van sociale partners voor de inhoud van de pensioenovereenkomst. Voorts zou verplichte indexatie een structurele stijging van de premies betekenen voor fondsen waar sprake is van geen of slechts gedeeltelijke indexatie. Bovendien zou verplichte indexatie pensioenfondsbesturen beroven van het belangrijkste instrument om de dekkingsgraad te verbeteren. Bij verplichte indexatie wordt een fonds dan sneller gedwongen bij eventuele onderdekking of reservetekort de premies tot onrealistische niveaus te verhogen. Dat zou betekenen dat alleen de actieven meebetalen aan een eventueel herstel.

Voorwaarden premiedemping

De leden van de VVD-fractie stellen dat het onduidelijk blijft wat de voorwaarden voor premiedemping zijn en of het geoorloofd is in situatie van reservetekort of zelfs dekkingstekort premiedemping toe te passen.

De voorwaarden van premiedemping zijn opgenomen in artikel 4, derde en vierde lid van het conceptbesluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Hierin wordt aangegeven dat het pensioenfonds voor de berekening van de premie mag uitgaan van het rendement waarbij met het oog op demping van de premie mag worden uitgegaan van een:

a. voortschrijdende gemiddelde van het rendement met een maximumperiode van tien jaar; of

b. vastgestelde verwachte waarde. Het hiergenoemde gemiddelde en de verwachte waarden dienen gedurende langere tijd te worden gehanteerd, dienen op een goed onderbouwde analyse te zijn gebaseerd en dienen op lange termijn niet af wijken van de gemiddelde realisatie. Deze voorwaarden zijn overkort ontleend aan punt 17 van de Nota Uitwerking FTK (Kamerstukken II 2003/04, 28 294, nr. 11). Indien aan deze voorwaarden van premiedemping is voldaan, dan kan premiedemping ook worden toegepast in een situatie van reservetekort of dekkingstekort.

Buffervrijval en kostendekkende premie

De leden van de VVD-fractie vragen of het toegestaan is in geval van het groter zijn van de uitkeringen dan de premie (bij een zogenaamd rijp fonds) om een buffer vrijval over de lopende pensioenuitkeringen in mindering te brengen op de solvabiliteitsopslag op de kostendekkende premie. Zij vragen tevens of dit ook is toegestaan in geval van een reserve- of zelfs dekkingstekort.

Als middelen beschikbaar komen zonder dat zij dienen ter dekking van bepaalde verplichtingen dan kunnen zij worden aangewend voor de vermindering van de feitelijke premie, mits wordt voldaan aan de eisen van artikel 117. Deze zijn zodanig restrictief dat vermindering niet mogelijk is in geval van reserve- of dekkingstekort. Vermindering van de kostendekkende premie is in geen geval mogelijk. De kostendekkende premie wordt gevormd door de componenten die limitatief zijn opgesomd in artikel 116 en de vrijval van buffers valt daar niet onder. Naar aanleiding van de vraag van de leden van de VVD-fractie heeft de regering in de derde nota van wijziging artikel 116 redactioneel aangepast, zodat duidelijk wordt dat de in het artikel genoemde componenten limitatief zijn opgesomd.

Buffers en gesloten fonds

De leden van de PvdA-fractie willen weten hoe er met buffers moet worden omgegaan bij een gesloten fonds. Het kenmerk van een gesloten fonds is dat er geen premieontvangsten meer zijn. Er worden ook geen nieuwe verplichtingen meer aangegaan. Het is wel mogelijk dat elk jaar de voorwaardelijke toezeggingen (bijvoorbeeld een voorwaardelijk toeslagbeleid) die in dat jaar kan worden toegekend, wordt omgezet in een onvoorwaardelijke toezegging. Het ontbreken van premieontvangsten betekent ook dat het premie-instrument niet kan worden ingezet om de financiële situatie bij het fonds te beïnvloeden. De zekerheid bij het fonds moet dus worden ontleend aan de hoogte van de buffers. Hoe hoog die buffers moeten zijn, hangt evenwel af van diverse factoren, zoals de omvang en aard van de verplichtingen, de omvang van de beleggingsopbrengsten van het fonds etc.

Eis vereist eigen vermogen en herverzekerde fondsen

Zowel de leden van de CDA-fractie als van de VVD-fractie hebben een vraag gesteld over het feit dat de tweede nota van wijziging bewerkstelligt dat onder meer een volledig herverzekerd pensioenfonds niet over een minimaal vereist eigen vermogen behoeft te beschikken. Zij vragen waarom deze toevoeging niet ook bij artikel 120 (vereist eigen vermogen) is opgenomen.

Het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen dienen ter zekerheid van de risico’s die verband houden met de pensioenverplichtingen van het fonds. Als een fonds volledig is herverzekerd, dan hoeft het fonds – onder de voorwaarden die zijn aangegeven – geen minimaal vereist eigen vermogen en geen vereist eigen vermogen aan te houden. De risico’s van dat fonds zijn immers overgenomen door de herverzekeraar en de risico’s van de herverzekeraar (inclusief de risico’s die de herverzekeraar van het pensioenfonds heeft overgenomen), worden vervolgens in het kader van het toezicht op de herverzekeraar zekergesteld. De eis van het vereist eigen vermogen is de facto niet van toepassing doordat in de berekening van het vereist eigen vermogen bij de berekening van de risicofactoren rekening wordt gehouden met de herverzekering. Als sprake is van volledige herverzekering is het resulterende vereist eigen vermogen nihil. De berekening van het minimaal vereist eigen vermogen is niet afhankelijk van bepaalde risicofactoren, maar is afhankelijk van de grootte van de technische voorzieningen. Dit vloeit voort uit Richtlijn 2003/41/EG. Daarom dient in de wettelijke bepaling van de berekening van het minimaal vereist eigen vermogen wel expliciet rekening te worden rekening gehouden met de mogelijkheid van herverzekering en de wens te voorkomen dat hetzelfde risico tweemaal wordt afgedekt. Daartoe dient de aanpassing van artikel 119 die in de tweede nota van wijziging is aangegeven.

Buffers bij fonds dat bijdragen ontvangt van een buitenlandse onderneming

De leden van de CDA-fractie hebben een paar vragen over de financiële eisen aan een pensioenfonds dat bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat gevestigde bijdragende onderneming. Zij stellen dat in artikel 120, tweede lid, wordt bepaald dat een dergelijk fonds te allen tijde over voldoende en passende activa moet beschikken om de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde regelingen te dekken en vragen vervolgens of voor de toepassing van deze bepaling onder volledige dekking wordt verstaan een dekkingsgraad van 100%, dan wel een hoger percentage, zoals vastgesteld door de toezichthouder.

Onder volledige dekking wordt verstaan een dekkingsgraad van 100%. Daarnaast dient een dergelijk fonds een minimaal vereist eigen vermogen aan te houden van 5% van de technische voorzieningen.

Vervolgens vragen deze leden hoe, indien een in een andere lidstaat gevestigde onderneming conform de regel van artikel 120, tweede lid, is aangesloten bij een Nederlands pensioenfonds, dient te worden gehandeld indien het pensioenfonds daarna in een situatie van onderdekking geraakt: dient de aansluiting van de bedoelde onderneming te worden beëindigd, met alle nadelige gevolgen voor de via die onderneming verzekerde deelnemers, of gelden in die situatie de normale regels met betrekking tot het maken van een herstelplan door het pensioenfonds, terwijl de aansluiting van de buitenlandse onderneming kan worden gehandhaafd?

Als een dergelijk pensioenfonds bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat gevestigde bijdragende onderneming in onderdekking terecht komt, is artikel 16, derde lid, van Richtlijn 2003/41/EG relevant. Hierin wordt bepaald dat in geval van grensoverschrijdende activiteiten de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde pensioenregelingen te allen tijde volledig door kapitaal gedekt moet zijn. Deze formulering was in artikel 120, derde lid, van dit wetsvoorstel overgenomen. Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie is de regering echter tot de conclusie gekomen dat sprake is van een inconsistentie. Enerzijds is immers de eis van het vereist eigen vermogen op deze fondsen van toepassing, welke impliceert dat er een kans op onderdekking mag bestaan van 2,5%. Anderzijds zou er nooit sprake mogen zijn fan onderdekking. Los daarvan is onderdekking in de praktijk nooit volledig uit te sluiten. De regering stelt daarom voor om voor deze fondsen onderdekking van maximaal 1 jaar toe te staan. Daarbij gelden de normale regels ten aanzien van het kortetermijnherstelplan, behalve de mogelijkheid voor de toezichthouder om in het kader van maatwerk ontheffing te verlenen voor de eenjaarstermijn. Deze laatste beperking is nodig om conform de richtlijn zwaardere eisen te stellen aan fondsen die bijdragen ontvangen van in het buitenland gevestigde ondernemingen dan aan andere fondsen. Met de mogelijkheid om maximaal 1 jaar onderdekking toe te staan sluit Nederland overigens aan op de eisen men in het Verenigd Koninkrijk en Ierland aan bedoelde fondsen stelt. In de derde nota van wijziging zullen de artikelen 120 en 129 worden aangepast.

Premiekorting en inhaalindexatie

De leden van de PvdA-fractie ondersteunen het voorstel van de regering een beperking ten aanzien van het terugstorten van premies bij wet vast te leggen. De leden vragen waarom deze beperking niet uitgebreid is met een bepaling dat premiekorting pas mogelijk is als eventuele indexatiekortingen in de afgelopen 10 jaar zijn ingehaald.

In artikel 117 is aangegeven dat premiekorting pas mogelijk is als – bovenop de waarden ter dekking van de pensioenverplichtingen – het vereist vermogen aanwezig is en de eventuele voorwaardelijke toeslagen kunnen worden nagekomen. Een kenmerk van voorwaardelijke toeslagen is dat ze afhankelijk zijn van een in de toekomst door het bestuur te nemen beslissing. Indien inhaalindexering boven een bepaalde dekkingsgraad onderdeel is van de geformuleerde ambitie, kan geen premiekorting worden gegeven zolang niet eerst eerdere gemiste indexering is ingehaald (conform de afgesproken inhaalregel). Of sprake is van inhaalindexatie is dus afhankelijk van de afspraken die sociale partners daarover hebben gemaakt. De regering is van mening dat deze vrijheid past in het de verantwoordelijkheid van sociale partners voor de inhoud van de pensioenovereenkomst en de afspraken die over de toeslagverlening worden gemaakt.

Omvang voorziening voor toeslagverlening

De leden van de VVD-fractie merken op dat voor een volledige indexatieambitie in het kader van de vaststelling van de premiekortinggrens bij een gemiddeld fonds een voorziening van 50% van de onvoorwaardelijke verplichting nodig is. Zij vragen zich af of dit niet hoog aangezien de meeste pensioenfondsen in Nederland een waardevast, oftewel gekoppeld aan de prijsinflatie, pensioen kennen.

De regering heeft het genoemde getal gebruikt in een ruwe berekening in de nota naar aanleiding van het verslag. Een voorziening van circa 50% voor alle voorwaardelijke toeslagen is een vuistregel die in het verleden onder meer is gehanteerd door het Centraal Planbureau (CPB) ten bate van macro-economische analyses (thans gaat het CPB uit van circa 45%). Overigens zijn er ook pensioenregelingen waarin de toeslagverlening is gekoppeld aan de looninflatie (een welvaartsvast pensioen), die gemiddeld over langere perioden hoger ligt dan de prijsinflatie en dus een hogere voorziening oplevert. Overigens blijft de conclusie van het voorbeeld dat de regering gaf, namelijk dat het niet aannemelijk is dat binnen een korte tijdsspanne achtereenvolgens sprake zou kunnen zijn van korting op onvoorwaardelijke aanspraken en premierestitutie, ook bij een iets lager percentage overeind.

Affinanciering onvoorwaardelijke toeslagen

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering of een overgangstermijn in acht wordt genomen voor onvoorwaardelijke toeslagen die bij de ingang van de nieuwe pensioenwet niet zijn afgefinancierd.

Voor onvoorwaardelijke toeslagen moeten reserveringen worden getroffen. Dat is staand beleid op grond van de PSW. Dat beleid zal worden voortgezet op grond van de Pensioenwet. Overeengekomen onvoorwaardelijk toeslagverlening wordt hetzelfde beschouwd als een overeengekomen «nominaal» pensioen: voor beiden geldt dat ze volledig afgefinancierd moeten zijn. Aangezien er geen sprake is van een beleidswijziging wordt er in de Invoerings- en aanpassingswet Penisoenwet ook geen overgangsrecht voorzien.

Voorts wijzen deze leden op de incongruentie dat de verhoging van een middelloonregeling met een onvoorwaardelijke indexatie op voorhand moet worden verzekerd omdat de indexatie een toeslag is, terwijl de verhoging in een eindloonregeling eerst gefinancierd wordt op het tijdstip van de verhoging. Waarom wordt deze na-indexatie niet als toeslag aangemerkt? En welke gevolgen heeft dit voor bestaande contracten op basis van geïndexeerd middelloon?

De regering wijst erop dat er geen sprake is van incongruentie tussen de eis dat bij een middelloonregeling een verhoging als gevolg van onvoorwaardelijke toeslagen in de opbouwfase vooraf gefinancierd moet worden, waar een toekomstige verhoging in de opbouwfase bij een eindloonregeling niet vooraf gefinancierd hoeft te worden. Immers, bij een eindloonregeling is de verhoging pas definitief op het moment dat het salaris ook feitelijk wordt verhoogd. Pas bij beëindiging van de deelneming (als de deelnemer gewezen deelnemer of pensioengerechtigde wordt) staat definitief vast wat de onvoorwaardelijke nominale aanspraak is. Bij middelloon wordt periodiek (bijvoorbeeld maandelijks) een nominale aanspraak toegekend. Als de middelloonregeling voorzien is van een onvoorwaardelijke toeslagverlening voor de opbouwfase, dan is die vastgestelde pensioenaanspraak ook definitief waarde- of welvaartsvast (afhankelijk van de gekozen indexatiesystematiek) voor de rest van de opbouwperiode. Een in een bepaalde maand op grond van een middelloonregeling met onvoorwaardelijke toeslagverlening opgebouwde aanspraak is dan ook een hardere aanspraak dan een in een bepaalde maand op grond van een eindloonregeling opgebouwde aanspraak met een voorwaardelijke toeslagverlening. Dit verschil komt onder andere tot uiting op het moment dat de deelnemer gewezen deelnemer wordt.

Staten

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de Minister van mening is dat de positie van een actuaris bij wet geregeld moet worden. Het wetsvoorstel regelt op overeenkomstige wijze als in het artikel 2:99 Wft in artikel 134 de onafhankelijkheid van de actuaris. De bepaling in lid 4 van artikel 133 is opgenomen om duidelijk te maken dat het actuarieel verslag door een bevoegde actuaris – niet zijnde de regulier voor het pensioenfonds werkende actuaris – moet worden gewaarmerkt. Deze constructie biedt een waarborg voor de kwaliteit van het actuarieel verslag. De actuaris beoordeelt alleen die aspecten, die «des actuaris» zijn. Een actuaris hanteert technieken waarmee hij op basis van gegevens uit het verleden systematisch in de toekomst kan kijken, voorspellingen kan doen, en deze voorspellingen kan vertalen in financiële consequenties. De accountant beoordeelt of de weergave van de financiële staat van het pensioenfonds een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid. Naar de mening van de regering leidt de opsomming uit 133, vierde lid, dus niet tot een overlap met de werkzaamheden van de accountant.

In reactie op een vraag van de leden van de VVD-fractie is de regering van mening dat pensioenfondsen niet moeten worden begrepen onder instellingen als bedoeld in artikel 189 lid 4 van de Pensioenwet. In de concept amvb ftk (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 19) wordt in artikel 33 een drietal instellingen genoemd, waaraan op verzoek door DNB gegevens uit de pensioendatabank kunnen worden verstrekt. Pensioenfondsen vallen daar niet onder.

7. De relatie tussen de pensioenuitvoerder en deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden

Informatie over dekking nabestaandenpensioen

De leden van de CDA-fractie verzoeken informatie te verschaffen over het aantal mensen dat dekking heeft voor een nabestaandenpensioen. Het nabestaandenpensioen is een verzamelbegrip waarin zowel het partnerpensioen, een weduwe- en weduwnaarspensioen als een wezenpensioen kan worden verstaan. DNB publiceert in de Pensioenmonitor (www.dnb.nl) statistieken waaruit blijkt dat 92% van de actieve deelnemers bij pensioenfondsen ook een toezegging voor een weduwe/weduwnaar/partnerpensioen heeft. Voor ruim 70% van de deelnemers met een toezegging voor een partnerpensioen bestaat die toezegging uit een percentage van het te bereiken ouderdomspensioen, dat in alle regelingen hoger is dan 40% van het te bereiken ouderdomspensioen. In de overige 30% is bijvoorbeeld sprake van koppeling aan de pensioengrondslag, het salaris of het spaarsaldo.

De leden van de CDA-fractie vragen hoeveel procent van de inactieven (zoals arbeidsongeschikten, werklozen en VUT-ers) onder 65 recht heeft op een nabestaandenpensioen van ten minste 40% van de pensioengrondslag, wanneer zij overlijden voor hun 65e. In onderstaande tabel wordt weergeven welk percentage van de deelnemers in geval van arbeidsongeschiktheid, scholingsverlof, langdurig verlof, ouderschapsverlof, sabbatical leave, vrijwillig ontslag (VUT) of zorgverlof al dan niet op basis van vrijwilligheid een dekking voor het overlijdensrisico heeft bij een pensioenfonds.

Tabel 1: Dekking partnerpensioen voor inactieven

Dekking overlijdensrisico bijin regelingen met partnerpensioen op opbouwbasisin regelingen met partnerpensioen op risicobasis
Arbeidsongeschiktheid99%94%
Educational verlof 4%55%
Langdurig verlof 4%11%
Ouderschapsverlof 5%72%
Sabbatical leave 5%21%
Vrijwillig ontslag (VUT)45%83%
Zorgverlof 5%43%

Bron: DNB

Uit de tabel blijkt bijvoorbeeld dat 99% van de arbeidsongeschikten die participeren in een pensioenregeling met een partnerpensioen op opbouwbasis het partnerpensioen kan continueren. Van de arbeidsongeschikten die participeren in een pensioenregeling met een partnerpensioen op risicobasis heeft 94% dekking voor het overlijdensrisico. Het is niet bekend hoe hoog het partnerpensioen voor inactieven is.

Consequenties nabestaanden op risicobasis

De leden van de CDA-fractie hebben zorgen over de vaak onvoorzien grote inkomensterugval voor met name vrouwen in geval van een op risicobasis gefinancierd nabestaandenpensioen als de deelnemer niet langer actief is. Op dat moment heeft de deelnemer namelijk geen rechten en kunnen diens nabestaanden achterblijven zonder pensioenrechten. Dit terwijl de deelnemer natuurlijk wel vele jaren voor het pensioen heeft betaald, zo stellen deze leden.

Is de regering los van de verantwoordelijkheid van sociale partners het met de leden van de CDA-fractie eens dat het ongewenst is dat mensen bij overlijden van hun echtgenoot zonder inkomen achterblijven, zo vragen zij. Deze leden vervolgen met de vraag hoe de regering denkt voor deze problematiek een passende oplossing te kunnen bieden. Kan via de Pensioenwet de financiering van pensioen op risicobasis teruggedrongen worden, bijvoorbeeld door de financieringsvorm van een nabestaandenpensioen vast te leggen, zo vragen deze leden vervolgens. De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat deelnemers altijd ten minste de keuze hebben tussen partnerpensioen op kapitaalbasis en levenslang en partnerpensioen op risicobasis. Zij vragen hoe de regering deze keuzemogelijkheid beoordeelt.

Voorafgaand aan een reactie op de meer specifieke vragen van de leden van de CDA-fractie wil de regering kort ingaan op de beleidsmatige achtergrond van het nabestaandenpensioen op risicobasis, alsmede op de verantwoordelijkheid van de overheid voor inkomensderving in geval van overlijden. In de afgelopen jaren is het aantal pensioenregelingen met een nabestaandenpensioen op risicobasis snel toegenomen. In 1999 had bijna 21% van de werknemers een nabestaandenpensioen op risicobasis. In 2005 was dat gegroeid tot ruim 40% van de werknemers. Die stijging is mede het gevolg van het beleid dat sociale partners en de regering sinds de jaren negentig hebben gevoerd. Allereerst hebben sociale partners en de overheid in 1997 een convenant gesloten dat gericht was op kostenbeheersing. Door beide partijen werd een nabestaandenpensioen op risicobasis in dat kader als een wenselijke maatregel beschouwd. Een tweede belangrijke katalysator was de introductie van de uitruil uit hoofde van artikel 2b PSW. In dat artikel wordt geregeld dat voorzover in een pensioenvoorziening een nabestaandenpensioen is opgenomen, alle deelnemers, ook indien een nabestaandenpensioen niet op hen van toepassing is, het recht hebben op een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen. Bij de introductie werd voorzien dat sociale partners ten gevolge van de inwerkingtreding tot de conclusie zouden kunnen komen dat een nabestaandenpensioen op opbouwbasis, vanwege het kostenverhogende aspect van artikel 2b niet meer gewenst is (Kamerstukken II 1998/99, 26 711, nr. 3, blz. 5). Zij zouden dan kunnen overgaan tot het afschaffen van het nabestaandenpensioen of tot de introductie van een nabestaandenpensioen op risicobasis. De regering zag destijds als een voordeel van een nabestaandenpensioen op risicobasis boven een nabestaandenpensioen op opbouwbasis dat zo kon worden voorzien in een waarschijnlijk reële behoefte bij de deelnemers en dat de kosten relatief gering zijn vergelijken bij de kosten voor een nabestaandenpensioen op opbouwbasis. Daarbij heeft de regering expliciet gewezen op de consequenties van een nabestaandenpensioen op risicobasis, namelijk dat de dekking eindigt bij het beëindigen van de deelneming. De groei van het aantal pensioenregelingen met een nabestaandenpensioen op risicobasis is – ten derde – waarschijnlijk versterkt onder druk van de noodzakelijke premiestijgingen in de afgelopen jaren die ondermeer samenhingen met de dalende rente en de malaise op de beursen. Door het nabestaandenpensioen te versoberen ontstond bij gelijkblijvende totale premie ruimte om versoberingen in het ouderdomspensioen te voorkomen of beperkt te houden.

Tegen deze achtergrond is de vraag tot hoever de verantwoordelijkheid van de overheid reikt. Juist om te voorkomen dat nabestaanden bij overlijden van hun partner zonder enig inkomen achterblijven, is een publieke regeling getroffen, de Algemene nabestaandenwet (Anw). Deze wet voorziet in een inkomen op minimumniveau, waarbij in vergelijking met de voorganger van de Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, het inkomensdervingkarakter is versterkt. Additioneel ten opzichte van de Anw, bestaat de mogelijkheid om in de arbeidsvoorwaardensfeer een nabestaandenpensioen overeen te komen of om zich op individuele basis te verzekeren tegen het risico van overlijden.

De groei van het aantal regelingen met een nabestaandenpensioen op opbouwbasis is mede het gevolg van de noodzaak om de kosten te beheersen. Een verplichting om een nabestaandenpensioen op opbouwbasis aan te bieden of om deelnemers tenminste de keuze te bieden tussen een nabestaandenpensioen op opbouwbasis en een nabestaandenpensioen op risicobasis, zoals de leden van de CDA-fractie voorstellen, zou sociale partners dwingen tot hogere kosten. Dat zou een forse breuk zijn met lijn die de overheid en de sociale partners gezamenlijk hebben ingezet. Een dergelijke verplichting zou tevens een breuk vormen met het uitgangspunt dat sociale partners verantwoordelijk zijn voor de inhoud en vormgeving van de pensioentoezegging. De regering wil er op wijzen dat de kosten van de pensioenen uiteindelijk drukken op de loonruimte.

Deze bezwaren gelden ook voor het voorstel van de leden van de PvdA-fractie om wettelijk te regelen dat de keuze voor het inruilen van een deel van het ouderdomspensioen voor nabestaandenpensioen bij het beëindigen van het arbeidscontract als standaardkeuze aangeboden moet worden. Als deze leden daarmee bedoelen dat men zonder tegenbericht automatisch voor uituil kiest, dan verwacht de regering dat dit voorstel bovendien tot oververzekering zal leiden. Vermoedelijk zal niet iedereen er bewust voor kiezen om niet te reageren. Het kan dan voorkomen dat de uitruil wordt uitgevoerd terwijl men dat helemaal niet nodig heeft of dat deelnemers zonder partner dan automatisch meebetalen aan een partnerpensioen. De introductie van artikel 2b PSW was nu juist bedoeld om dergelijke vormen van doorgeschoten solidariteit te voorkomen.

In reactie op de vraag van de leden van de CDA-fractie stelt de regering dat het nu eenmaal inherent is aan verzekeren op risicobasis, dat als een deelnemer niet langer actief is en erg geen dekking meer is, er geen recht meer kan ontstaan op een uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid of overlijden. Het feit dat tijdens de actieve periode premie is betaald, doet hier niet aan af. Ook bij andere verzekeringen op risicobasis betekent het feit dat (jarenlang) premie is betaald nog niet dat recht op uitkering kan worden geclaimd na het einde van de dekking.

De regering vindt het evenwel van het grootste belang dat deelnemers en gewezen deelnemers adequate informatie ontvangen over de aanwezigheid en de aard van een eventueel nabestaandenpensioen. Dat is de reden waarom de regering in de wet en de bijbehorende amvb enkele belangrijke verplichtingen oplegt omtrent de informatievoorziening. In de startbrief, bij de jaarlijkse opgave van de reglementair te bereiken pensioenresultaten en bij beëindiging van de deelneming dient de pensioenuitvoerder aan te geven wat ten aanzien van nabestaandenpensioen de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren (kapitaaldekking of risicobasis). Voorts moet de deelnemer bij beëindiging van de deelname gewezen worden op de gevolgen van het beëindigen van de deelname voor de dekking voor overlijdenrisico. Voor een deelnemer moet duidelijk zijn of er na beëindiging van de deelneming of na pensionering nog aanspraak bestaat op partnerpensioen. Daarnaast moet de pensioenuitvoerder wijzen op de mogelijkheden van uitruil en moet de pensioenuitvoerder op verzoek van (gewezen) deelnemers de consequenties van het al dan niet gebruik maken van de uitruilmogelijkheid inzichtelijk maken. Hiermee is geheel voldaan aan de wenst van de leden van de PvdA-fractie die er voor pleiten de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen evenals de consequenties van het nabestaandenpensioen op risicobasis jaarlijks op het pensioenoverzicht te melden gemeld worden.

Uitruil bij beëindiging dienstverband

De leden van de PvdA-fractie pleiten voor het wettelijk vastleggen van twee momenten waarop een deel van het ouderdomspensioen ingeruild kan worden voor nabestaandenpensioen. Volgens deze leden moet dit niet alleen mogelijk zijn bij de pensioendatum, maar tevens bij het beëindigen van het arbeidscontract. Bij een nabestaandenpensioen op risicobasis vervalt immers eveneens bij het beëindigen van het arbeidscontract de aanspraak op een nabestaandenpensioen. Ook de leden van de VVD-fractie vragen de regering het recht op uitruil te regelen bij beëindiging van het dienstverband vóór de pensioendatum.

In het wetsvoorstel Pensioenwet is vastgelegd dat minstens éénmaal de mogelijkheid tot uitruil moet worden aangeboden. Uiteraard kunnen sociale partners overeenkomen ook op andere momenten dan op de pensioendatum uitruil mogelijk te maken. Te denken valt aan objectief te bepalen momenten als het moment waarop de burgerlijke staat wijzigt of waarop de deelneming aan een pensioenregeling wordt beëindigd door beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarmee kunnen sociale partners eraan tegemoet komen dat de burgerlijke staat en de arbeidsovereenkomst geen statisch gegeven is. Het vergroten van de kans op risicoselectie, wat kostenverhogend werkt, geldt echter als bezwaar tegen het bieden van keuze op meerdere momenten. Soms kan risicoselectie worden voorkomen door een medische keuring. Dat is het geval als een deelnemer terugkomt op een eerder gemaakte keuze. In andere gevallen, als de deelnemer met de uitruil voor het eerst gebruik maakt van een keuzemogelijkheid die de regeling biedt, kan dat niet. De regering is van mening dat sociale partners zelf moeten afwegen of het aanbieden van meerdere keuzemomenten en de consequenties die dat heeft bij de betreffende pensioenregeling past.

Vervolgens wijzen de leden van de PvdA-fractie op het belang van het wettelijk vastleggen van maximum van 70% van het resterende ouderdomspensioen bij de uitruil van nabestaanden- in ouderdomspensioen.

Als sociale partners de mogelijkheid tot uitruil op meerdere momenten willen bieden, kunnen zij zelf desgewenst grenzen stellen aan het niveau van het ouderdomspensioen. Een wettelijke beperking is in de ogen van de regering overbodig en vormt een ongewenste inbreuk op het principe dat het aan sociale partners is om beslissingen te nemen over ouderdom- en nabestaandenpensioen en uitruilmogelijkheden tussen beide.

Uitruil en kapitaaldekking

De leden van de VVD-fractie vragen de regering of fondsen, die gedwongen worden een partnerpensioen op te nemen in de regeling, ook gehouden zijn om deze te voorzien van kapitaaldekking.

Uit het recht om in elk geval op pensioendatum deelnemers de keuze te bieden ouderdomspensioen om te ruilen in nabestaandenpensioen, volgt niet de plicht dit nabestaandenpensioen te financieren op basis van kapitaaldekking. Partijen zijn, in lijn met de vrijheid die er is in de fase van verwerving bij nabestaandenpensioen, vrij te kiezen voor financiering op risicobasis dan wel financiering op basis van kapitaaldekking.

Van belang bij de keuze van financiering van het nabestaandenpensioen is dat een verkregen nabestaandenpensioen gefinancierd op basis van kapitaaldekking, op grond van artikel 54 op pensioendatum weer teruggeruild kan worden in een ouderdomspensioen. Indien het ouderdomspensioen is omgeruild in een nabestaandenpensioen op risicobasis, is een dergelijke terugruil op pensioendatum niet meer mogelijk. Partijen betrokken bij de uitvoeringsovereenkomst doen er dan ook verstandig aan hierover met de pensioenuitvoerder afspraken te maken. In beginsel is het de verantwoordelijkheid van de pensioenuitvoerder, echter in de uitvoeringsovereenkomst kan deze vrijheid natuurlijk ingeperkt worden. Het inkopen van nabestaandenpensioen op kapitaaldekking zal overigens voor de deelnemer meer ten koste gaan van zijn ouderdomspensioen dan het inkopen van nabestaandenpensioen op risicobasis.

Gewezen partners

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor de gewezen partner bij overlijden van de ex-partner. Heeft de gewezen partner altijd recht op bijzonder nabestaandenpensioen wanneer de ex-partner met een nabestaandenpensioen op risicobasis voor het beëindigen van het arbeidscontract overlijdt, zo vragen deze leden. Heeft de gewezen partner dit recht eveneens wanneer bij scheiding de pensioenen verevend zijn, zo vervolgen deze leden. Voorts vragen deze leden of de gewezen partner eveneens recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen wanneer de ex-partner opnieuw gehuwd is. Ten slotte vragen deze leden op welke wijze de aanspraken worden toegewezen op nabestaandenpensioen en het bijzonder nabestaandenpensioen aan partner en de gewezen partner bij overlijden van degene die het pensioen opbouwde.

In geval van een partnerpensioen op risicobasis is er alleen een recht op partnerpensioen als het risico zich voordoet tijdens de looptijd van enerzijds de partnerrelatie en anderzijds de deelneming in de pensioenregeling. Bij overlijden van de deelnemer ná scheiding bestaat dan dus geen recht op bijzonder partnerpensioen ook al overlijdt de deelnemer nog voor het beëindigen van het arbeidscontract.

De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding verdeelt alleen het ouderdomspensioen en regelt niet wanneer er wel of geen sprake is van een bijzonder partnerpensioen. Een aanspraak op bijzonder partnerpensioen vloeit op grond van dit wetsvoorstel, net als in de PSW, voort uit een scheiding als sprake is van een kapitaalgedekt partnerpensioen. De aanspraak op bijzonder partnerpensioen wordt vastgesteld per datum van de scheiding. Het opnieuw huwen van de deelnemer heeft geen consequenties voor de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner. Voor de volgende partner heeft het ontstaan van een bijzonder partnerpensioen wel tot gevolg dat er minder voor hem of haar overblijft, omdat het partnerpensioen voor een eerdere partner in mindering wordt gebracht op het partnerpensioen voor een volgende partner. Op grond van artikel 51, vierde lid, van dit wetsvoorstel is het, net als in de PSW, mogelijk dat partners ten aanzien van het bijzonder partnerpensioen een afwijkende afspraak maken. Daarvoor is een schriftelijke overeenkomst vereist en is de instemming van de pensioenuitvoerder noodzakelijk. Daarnaast is op grond van artikel 51, vijfde lid, de mogelijkheid opgenomen voor de gewezen partner om het bijzonder partnerpensioen te vervreemden.

Medische keuring

De leden van de CDA fractie verzoeken de regering limitatief aan te geven onder welke omstandigheden een medische keuring nog wel is toegestaan op individueel niveau. Artikel 4, lid 3 van de Wet op medische keuringen (Wmk) verbiedt keuringen voor deelneming aan een pensioenvoorziening. Keuringen van individuele deelnemers zijn alleen toegestaan als de deelnemer wil terugkomen op een eerder gemaakte keuze (bijvoorbeeld bij uitruil van ouderdomspensioen in nabestaandenpensioen, al dan niet deelname aan een arbeidsongeschiktheidspensioen of omtrent de datum pensioeningang). Dit om risicoselectie ten nadele van de pensioenuitvoerder te voorkomen. Voorts was keuring toegestaan in geval een directeur-grootaandeelhouder die in een pensioenregeling wilde deelnemen. Deze uitzondering is niet langer van toepassing omdat de directeur-grootaandeelhouder buiten de reikwijdte van de Pensioenwet valt. In de Invoeringswet pensioenwet zal deze wijziging in de Wmk worden doorgevoerd.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts wanneer en waarom het gerechtvaardigd is om een deelnemer een dekking te ontzeggen, wanneer hij dezelfde dekking al bij een ander pensioenfonds bezat. Er is naar de mening van de regering geen rechtvaardiging voor het ontzeggen van dekking in het ene pensioenfonds als de deelnemer die dekking bij een ander pensioenfonds al bezat. Vandaar ook het verbod op keuring bij aanvang van de deelneming in een pensioenvoorziening. De verschillen in dekking tussen pensioenfondsen worden uitsluitend bepaald door de inhoud van de pensioenregelingen, zoals die door sociale partners in de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen overeen is gekomen.

Vrouwen gescheiden voor 1981

De leden van de CDA-fractie dringen er bij de regering op aan om nog voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Pensioenwet, geagendeerd op 21 september 2006, de beschikking te krijgen over de uitkomsten van het onderzoek naar de positie van vrouwen die zijn gescheiden voor (27 november) 1981 en de kabinetsreactie daarop.

De regering wil hier nogmaals benadrukken dat dit dossier inhoudelijk geheel los staat van de Pensioenwet. Scheiding is in eerste instantie een zaak van privaatrecht. Dit geldt ook voor de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, waarvoor de Minister van Justitie dan ook de eerste ondertekenaar is. In het kader van de behandeling van die wet is immers de problematiek van vrouwen gescheiden voor 27 november 1981 uitgebreid aan de orde geweest, hetgeen heeft geleid tot de bij amendement ingebrachte beperkte overgangsregeling. Koppeling aan de Pensioenwet ligt dan ook niet voor de hand. In de brief aan de Tweede Kamer van 23 juni 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 300 XV, nr. 119) is de stand van zaken aangegeven met betrekking tot de door de leden van de CDA-fractie gememoreerde motie Mosterd (Kamerstukken II 2005/06, 30 300 XV, nr. 57). In die brief is aangegeven dat de Tweede Kamer naar verwachting in oktober 2006 kan worden bericht over de uitkomsten van het gevraagde onderzoek en de reactie van het kabinet daarop. Zoals in de brief is aangegeven, is het moeilijk om het benodigde statistisch materiaal boven water te krijgen. Echter, de regering acht het ongewenst om zonder heldere definiëring van het probleem en daarmee van de doelgroep tot – kostbare – oplossingen te komen.

8. Toezicht

Dubbel toezicht

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom de regering toezicht door twee instanties wenselijk acht.

Het toezicht op de informatievoorziening aan de aanspraak- en pensioengerechtigden en op de begrenzingen aan de premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid vormen in dit wetsvoorstel samen het onderwerp van het gedragstoezicht. Het gedragstoezicht is een nieuwe taak. Bij het introduceren van een nieuwe taak is het van belang om te bezien welke instantie daar het best voor is geëquipeerd. Gelet op de ervaringen en opgebouwde expertise van de beide toezichthouders, de AFM en DNB, ligt het in de rede om het gedragstoezicht op te dragen aan de AFM en het overige toezicht aan DNB. Door een aparte toezichthouder, de AFM, voor het gedragstoezicht wordt voorkomen dat het gedragstoezicht een ondergeschikte rol kan gaan spelen ten opzichte van het materieel en prudentieel toezicht. Het gedragstoezicht krijgt hiermee een eigen positie en kan in onafhankelijkheid ten opzichte van het materieel en prudentieel toezicht worden uitgevoerd.

De leden van de fractie van de VVD vragen de regering te garanderen dat dubbel toezicht en overlap in de informatievraag niet voorkomt. De leden van de fractie van de PvdA stellen de eis dat het voor de ondertoezichtgestelden niet merkbaar mag zijn dat sprake is van twee toezichthouders.

Door het toekennen van specifieke toezichttaken aan de AFM en het toekennen van de overige toezichttaken aan DNB is, zoveel als mogelijk, voorkomen dat er doublures én witte vlekken in het toezicht ontstaan. Op grond van artikel 137, zevende lid, sub a, zijn bij algemene maatregel van bestuur de toezichttaken van AFM en DNB onderling eenduidig verdeeld. Daarmee is er op het niveau van artikelen in feite sprake van enkelvoudig toezicht. Het kan desondanks zijn dat bij de praktische uitvoering van het toezicht, het toezicht door de AFM en het toezicht door DNB elkaar raakt. In dat geval dienen AFM en DNB onderling te komen tot afspraken. Artikel 137, zevende lid, sub b, van het wetsvoorstel voorziet in de opstelling van nadere regels over de wijze waarop de toezichthouders samenwerken. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in de verplichting dat AFM en DNB afspraken maken over: de onderlinge uitwisseling van gegevens en inlichtingen, het afstemmen van beleidsregels en de inzet van handhavingsinstrumenten, de wijze waarop en het moment wanneer AFM en DNB elkaar informeren over de toepassing van een handhavingsinstrument en het overnemen van elkaars oordeel. AFM en DNB leggen hun afspraken schriftelijk vast. Deze afspraken zijn openbaar.

De regering is van mening dat daarmee voldoende is geborgd dat doublures zoveel mogelijk worden voorkomen en er werkbare afspraken zijn hoe beide toezichthouders handelen als in de uitvoering het toezicht van AFM en DNB elkaar raakt.

De concept-amvb waarin het bovenstaande is geregeld en waar de leden van de fractie van de VVD om hebben gevraagd is separaat aan de Tweede Kamer toegezonden. De hoofdlijnen waren ook al opgenomen in de brief van 31 mei jl. (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 21).

Kosten toezicht

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de toedeling van de toezichtkosten en of er onderscheid wordt gemaakt tussen verzekeraars en pensioenfondsen. De leden van de fractie van het CDA vragen wie de financiële lasten van het toezicht dragen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de verlagende en verhogende component van de kosten zich tot elkaar verhouden.

De kosten van het toezicht komen in principe volledig voor rekening van de onder toezicht gestelde pensioenuitvoerders. Dat betekent, om kruissubsidiëring te voorkomen, dat AFM en DNB elk hun kosten in rekening brengen en apart toedelen aan verzekeraars die een pensioenregeling uitvoeren en aan pensioenfondsen.

DNB ontvangt een door Financiën verstrekte rijksbijdrage van 11% van de begrote kosten voor het toezicht op pensioenuitvoerders om te kunnen voorzien in de kosten van handhaving. In de brief van de minister van Financiën (Kamerstukken II 2002/03, 28 122, nr. 16, blz. 13 en 14) is aangegeven dat de repressieve handhavingskosten volledig én de kosten van de Wet MOT/Wid en Sanctiewet van de preventieve handhavingskosten uit de Rijksbegroting worden bekostigd. Er is geen sprake van dat pensioenuitvoerders standaard kunnen rekenen op een rijksbijdrage. Inkomsten uit een rijksbijdrage dienen in mindering te worden gebracht op de door te berekenen kosten, in overeenstemming met artikel 146, eerste lid.

In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 17) is gesteld dat het voor komen van expertiseopbouw bij verschillende toezichthouders kostenverlagend zal werken. Bij een keuze voor twee toezichthouders zal het verwerken van de overheadkosten in de toezichtkosten, de onderlinge afstemming en uitwisseling van gegevens en inlichtingen kostenverhogend werken.

Het toezicht op de nieuwe regels, namelijk de uitbreiding van het toezicht met het gedragstoezicht, werkt in ieder geval kostenverhogend. Aan deze laatste factor is niets te doen en inherent aan de wens van de regering om richting aanspraak- en pensioengerechtigden meer transparantie te bewerkstelligen. Afgezien van de kosten voor het toezicht op de nieuwe regels verwacht de regering dat de verlagende en verhogende kosten grosso modo tegen elkaar wegvallen.

Inhuur expertise

De leden van de fractie van het CDA opperen de mogelijkheid dat DNB externen inhuurt, bijvoorbeeld van de AFM, voor de uitvoering van het gedragstoezicht. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de mogelijkheden van het overbrengen van deskundigheid van de AFM naar DNB inzake het gedragstoezicht. De regering is van mening dat dergelijke constructies minder efficiënt en houdbaar zijn dan het voorstel van de regering om aan te sluiten bij de huidige expertise van beide toezichthouders.

Samenvoeging toezichthouders

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de effecten op de kosten als beide toezichthouders worden samengevoegd.

De discussie over het wel of niet hebben van twee toezichthouders, in casu de AFM en DNB, is een discussie die thuis hoort bij de behandeling van het wetsvoorstel WFT. Daar heeft de Tweede Kamer inmiddels mee ingestemd. Het nagaan of het kostenefficiënt is om beide toezichthouders nu samen te voegen is daarmee geen reële optie.

9. Administratieve lasten

De leden van de CDA-fractie zien graag een raming van de administratieve lasten ten gevolge van de invoeringswet, de amvb’s en de ministeriele regelingen, die nu allemaal bekend zijn bij de kamer. Kan de minister deze raming voor de behandeling van de wet aan de Kamer doen toekomen? De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering om toezending van een raming van de administratieve lasten ten gevolge van de Invoeringswet Pensioenwet (IPW), de amvb’s en de ministeriële regelingen.

De IPW is voor advies voorgelegd aan Actal; dit College heeft vastgesteld dat de Invoeringswet geen extra administratieve lasten voor het bedrijfsleven en voor burgers met zich meebrengt. De beide amvb’s leveren geen extra administratieve lasten op ten opzichte van de Pensioenwet, daar ze alleen nadere (inhoudelijke) regels stellen over hetgeen in de Pensioenwet is geregeld. In de tweede nota van wijziging is het met oog op de beheersing van de administratieve belasting van pensioenuitvoerders wettelijk mogelijk gemaakt dat pensioenuitvoerders ook elektronisch in plaats van schriftelijk informatie kunnen uitwisselen met de deelnemers.

10. Artikelsgewijs

Artikel 1

De leden van de CDA-fractie vragen nogmaals waarom een verzekeraar de gemaakte kosten niet kan verrekenen met de netto-pensioenuitkering omdat deze vraag naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie niet duidelijk is beantwoord. In aanvulling op de uiteenzetting in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 30 413, 2005/06, nr. 17, blz. 62) merkt de regering op het in beginsel onwenselijk te vinden dat kosten die in het kader van de pensioenregeling in het algemeen (en ten aanzien van artikel 46 in het bijzonder) worden gemaakt kunnen worden verrekend met de pensioenuitkeringen omdat daarmee feitelijk een aantasting van het pensioen plaats heeft. Dit uitgangspunt is ook verwoord in artikel 28, zesde lid. Ten aanzien van de verrekening van transactiekosten geldt dat bezwaar evenzeer, maar omdat artikel 48 is gebaseerd op een reeds bestaande bepaling in de PSW die voortvloeit uit de implementatie van richtlijn nr. 98/49/EG is ervoor gekozen deze bepaling te handhaven zodat verrekening daar voor pensioenuitvoerders wel mogelijk blijft.

De leden van de VVD-fractie merken op dat zij de definitie van het begrip toeslag niet helder vinden en vragen of daaronder ook wordt verstaan de tijdens de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer overeengekomen eenmalige of periodieke uitkering op de pensioenaanspraak.

In antwoord hierop kan worden opgemerkt dat zoals in de toelichting is aangegeven (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 175) de eis dat een toeslag structureel is niet wordt gesteld. Ook een eenmalige verhoging die aan de geformuleerde definitie voldoet is een toeslag in de zin van dit wetsvoorstel.

Artikel 5a

De Wfd wordt niet van toepassing verklaard op de verhouding tussen de pensioenuitvoerder en de aanspraak- of pensioengerechtigde. De VVD-fractie vraagt of dit voor alle pensioenverzekeringen geldt, ongeacht of dit collectief of individueel is en of pensioen dus geen complex produkt in de zin van de Wfd is. Tevens vraagt men of dit betekent dat de tussenpersoon wel aan de Wfd moet voldoen bij de advisering over pensioenverzekeringen en of bij het opgaan van de Wfd in de Wft artikel 5a wordt aangepast zodanig dat de hele Wft niet van toepassing is op de verhouding tussen pensioenuitvoerder en aanspraak- of pensioengerechtigde of alleen het in de Wfd opgenomen deel.

In antwoord op de vragen van de VVD-fractie over de verhouding met de Wfd kan het volgende worden opgemerkt. In artikel 5a van het wetsvoorstel wordt bepaald dat de Wfd niet van toepassing is op de verhouding tussen de verzekeraar en de aanspraak- of pensioengerechtigde. De Wfd is op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Wfd niet van toepassing op pensioenfondsen en daarmee ook niet op de verhouding tussen een pensioenfonds en een aanspraak- of pensioengerechtigde. In de toelichting bij de tweede nota van wijziging is aangegeven waarom ervoor gekozen is op dit punt geen verschil te maken tussen verzekeraars en pensioenfondsen indien zij pensioenregelingen uitvoeren. Het maakt daarbij niet uit of er sprake is van een pensioenregeling voor een groep werknemers of dat het gaat om de uitvoering van een pensioenovereenkomst van één enkele werknemer.

Zoals in de toelichting bij de tweede nota van wijziging is aangegeven, onder verwijzing naar hetgeen hierover is opgemerkt bij de behandeling van het wetsvoorstel Wfd (Kamerstukken II 29 507, nr. 9, blz. 26) is ervoor gekozen de Wfd ten aanzien van de informatieverplichtingen niet van toepassing te laten zijn op de verhouding tussen pensioenuitvoerder en aanspraak- en pensioengerechtigde omdat het wetsvoorstel voor de Pensioenwet zelf voorziet in informatieverplichtingen. De Wfd is echter wel van toepassing op de verhouding tussen werkgever en verzekeraar omdat het wetsvoorstel voor de Pensioenwet niet zelf voorziet in beschermende bepalingen. Op grond van artikel 6 van de Wfd wordt onder het begrip «consument» ten aanzien bepaalde financiële producten ook een rechtspersoon verstaan die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelt. Het begrip tussenpersoon wordt in de Wfd niet gedefinieerd, maar wordt gebruikt in relatie tot het begrip«bemiddelen».Ten aanzien van de tussenpersoon kan worden opgemerkt dat op hem de Wfd ook van toepassing is. Ten aanzien van de verhouding tussen Wfd en het wetsvoorstel voor de Wft enerzijds en artikel 5a van het wetsvoorstel voor Pensioenwet anderzijds kan worden opgemerkt dat in het wetsvoorstel voor de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet zal worden voorzien in de aanpassing van artikel 5a van de Pensioenwet waardoor geregeld wordt dat op de genoemde verhouding pensioenuitvoerder en aanspraak- of pensioengerechtigde ook de gehele Wft niet van toepassing zal zijn.

Artikel 9

De tekst onder het kopje Mannen en vrouwen in paragraaf 3.3.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel bevat helaas een niet geheel juiste uitleg van de regels met betrekking tot de uitwerking van het voorschrift voor gelijke uitkeringen voor mannen en vrouwen bij de naar drie karakters te onderscheiden pensioenovereenkomsten. Na aanpassing van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (die zal worden opgenomen in het wetsvoorstel voor de Invoerings- en aanpassingswet voor de Pensioenwet) en het daarop en mede op dit wetsvoorstel voor de Pensioenwet gebaseerde Besluit gelijke behandeling bij pensioenen aan de drie karakters, geldt het volgende.

Evenals bij premieovereenkomsten mag bij kapitaalovereenkomsten gelijke behandeling van mannen en vrouwen op twee manieren bereikt worden. Enerzijds door in de opbouwfase de opbouw voor mannen en vrouwen gelijk te trekken, en dit nadeel voor vrouwen ten opzichte van mannen bij het moment van inkopen van een periodieke uitkering recht te trekken door het hanteren van sekseneutrale tarieven. Anderzijds door in de opbouwfase voor mannen en vrouwen verschillende opbouw te realiseren (waardoor naar het inzicht van het moment van opbouw de pensioenen voor mannen en vrouwen gelijk wordt getrokken), waarbij op het moment van inkopen van een periodieke uitkering gewerkt mag worden met sekseafhankelijke tarieven. Voorgeschreven is dat mannen en vrouwen uiteindelijk, ongeacht het karakter van de pensioenovereenkomst, in gelijke situaties een gelijke pensioenuitkering kunnen ontvangen. Pensioenuitvoerders hebben een zekere vrijheid te bepalen hoe aan die verplichting te voldoen. In alle gevallen geldt dat de werknemerspremie voor mannen en vrouwen gelijk moet zijn, maar dat de werkgeverspremie voor mannen en vrouwen mag verschillen.

Artikel 15

In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie of de regering het impliciet niet onmogelijk maakt om aan partners zonder notariële acte een nabestaandenpensioen toe te kennen, kan worden opgemerkt dat sociale partners zelf bepalen aan wie zij partnerpensioen toekennen en welke voorwaarden zij daaraan stellen. Uiteraard is daarbij voor de pensioenuitvoerder van belang om te kunnen vaststellen of er sprake is van een partner in de zin van de pensioenregeling en wanneer de relatie met de partner eventueel wordt beëindigd. Het is zeer goed denkbaar dat men daarvoor een notariële actie vraagt. Verplicht is dat evenwel niet.

Artikel 16

Ligt het niet voor de hand artikel 16 aan te passen zodat evenredige verwerving alleen betrekking heeft op kapitaalgedekte pensioensaanspraken?

Ook bij risicogefinancierde pensioenaanspraken kan sprake zijn van zekere opbouwelementen. Denkbaar is dat de verzekerde uitkering, bijvoorbeeld een partnerpensioen, hoger wordt naarmate men langer verzekerd is. Op grond van artikel 16 is dat verboden.

Artikel 28

De vraag van de leden van de CDA-fractie waarom de termijn van waarschuwen gelijk is aan de maximale termijn van met terugwerkende kracht premievrijmaken van een polis, is reeds beantwoord in paragraaf 4.

Artikel 33

De CDA-fractie merkt op dat volgens artikel 33 de pensioenuitvoerder in het pensioenreglement een bepaling moet opnemen over de hoogte van de afkoopvoet, bedoeld in artikel 60 en dat deze verplichting ertoe leidt dat bij een verzekerde regeling vele bladzijden vol leeftijdsafhankelijke tabellen per pensioenvorm worden opgenomen. Omdat die tabellen niet statisch zijn, vreest de CDA-fractie dat de betrokkene wordt overstelpt met informatie. De regering wijst er vooreerst op dat het wetsvoorstel pensioenuitvoerders niet verplicht alle deelnemers het pensioenreglement toe te zenden. Op grond van artikel 43 kan de deelnemer, gewezen deelnemer, de gewezen partner en de pensioengerechtigde op verzoek het voor hem geldende pensioenreglement ontvangen.

Voorts wijst de regering erop dat de verplichting de ruilvoet, afkoopvoet en opbouwkeuzevoet in het pensioenreglement op te nemen, niet nieuw is. In de artikelsgewijze toelichting is overeenkomstig de toelichting bij het Besluit gelijke behandeling pensioenen (Stb. 2002, 101, blz. 5 en 6) aangegeven dat de ruilvoet, de opbouwkeuzevoet en de afkoopvoet op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel f PSW in de statuten of reglementen van het pensioenfonds moeten worden opgenomen. In het wetsvoorstel is gekozen voor opneming in het pensioenreglement in plaats van in de statuten. Opname in het pensioenreglement heeft vooral tot doel helder vast te leggen hoe omgegaan wordt met de voorschriften gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Mede daardoor kan de toezichthouder controleren of deze voorschriften goed toegepast zijn. Opname in het pensioenreglement heeft niet zozeer tot doel het voorlichten van de deelnemer over de mogelijkheden van uitruil. In de amvb waarin op grond van artikel 43 van dit wetsvoorstel regels worden gesteld inzake de voorlichting op verzoek zal worden bepaald dat iedere deelnemer het recht heeft bij de pensioenuitvoerder een persoonlijke opgave te vragen van een eventuele uitruil.

In de toelichting bij het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen is overigens opgemerkt dat de afkoopvoet de vorm kan hebben van een vast percentage of van een vaste formule. Ook voor de afkoopvoet geldt, net als voor de ruilvoet en de opbouwkeuzevoet, zoals gezegd dat deze op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel f, PSW in de statuten of reglementen van het pensioenfonds moeten worden opgenomen. Met de verplichting een afkoopvoet vast te leggen, wordt beoogd de deelnemer duidelijkheid te verschaffen over de afkoopmogelijkheid, opdat een deelnemer op individueel niveau kan beoordelen wat de hoogte van de afkoopsom zal zijn. Overeenkomstig de vaststelling van de ruilvoet en de opbouwkeuzevoet geldt ook voor de afkoopvoet dat deze voor een bepaalde periode dient te worden vastgesteld.

Het verdient uiteraard aanbeveling de betrokkene ook alleen de voor hem relevante tabel te sturen.

Artikel 34

De CDA-fractie vraagt of deelnemingsjaren ook geregistreerd moeten worden indien geen 40-deelnemingsjarenpensioen is overeengekomen. In antwoord op deze vraag van de CDA-fractie merkt de regering op dat de genoemde eis tot registratie geen vernieuwing inhoudt ten opzichte van de PSW. Deze eis is geïntroduceerd met de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie van de levensloopregeling en heeft een fiscale achtergrond. Op grond van artikel 17, achtste lid, PSW en artikel 34 van het wetsvoorstel geldt de verplichting tot het registreren van deelnemingsjaren. In de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2001 is aangegeven dat het hier bedoelde begrip deelnemingsjaren kan afwijken van het dienstjarenbegrip zoals dat in diverse pensioenregeling wordt gehanteerd onder meer als gevolg van waardeoverdracht, waarbij inkomende waardeoverdracht wordt vertaald naar een met die waarde corresponderend (fictief) aantal dienstjaren binnen de nieuwe regeling. In situaties van waardeoverdracht is de overdragende pensioenuitvoerder daarom verplicht om tevens aan de overnemende pensioenuitvoerder opgave te doen van het aantal deelnemingsjaren in de oude regeling en moet de overnemende pensioenuitvoerder deze gegevens in de eigen administratie vastleggen. Dat is noodzakelijk, omdat in die gevallen waarin een 40-deelnemingsjarenpensioen is toegezegd, bepaald moeten kunnen worden hoeveel jaren iemand in totaliteit in (een) pensioenregeling(en) heeft deelgenomen.

Artikel 46

De leden van de CDA-fractie vragen nogmaals waarom een verzekeraar de gemaakte kosten niet kan verrekenen met de netto-pensioenuitkering omdat deze vraag naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie niet duidelijk is beantwoord. In aanvulling op de uiteenzetting in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 30 413, 2005/06, nr. 17, blz. 62) merkt de regering op het in beginsel onwenselijk te vinden dat kosten die in het kader van de pensioenregeling in het algemeen (en ten aanzien van artikel 46 in het bijzonder) worden gemaakt kunnen worden verrekend met de pensioenuitkeringen omdat daarmee feitelijk een aantasting van het pensioen plaats heeft. Dit uitgangspunt is ook verwoord in artikel 28, zesde lid. Ten aanzien van de verrekening van transactiekosten geldt dat bezwaar evenzeer, maar omdat artikel 48 is gebaseerd op een reeds bestaande bepaling in de PSW die voortvloeit uit de implementatie van richtlijn nr. 98/49/EG is ervoor gekozen deze bepaling te handhaven zodat verrekening daar voor pensioenuitvoerders wel mogelijk blijft.

Artikel 49

Naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie zijn de voorwaarden voor vrijwillige voortzetting in het wetsvoorstel minder streng dan de fiscale voorwaarden. Deze leden vragen of de regering bereid is om de fiscale voorwaarden voor vrijwillige voortzetting te verzachten.

Op grond van het wetsvoorstel kan de deelname aan een pensioenregeling na beëindiging van de dienstbetrekking gedurende ten hoogste drie jaar vrijwillig worden voortgezet. Deze termijn van ten hoogste drie jaar is niet van toepassing indien het ontslag wordt veroorzaakt door arbeidsongeschiktheid. De duur van de vrijwillige voortzetting is dan beperkt tot ten hoogste de duur van de arbeidsongeschiktheid. Ook is de termijn niet van toepassing indien de desbetreffende deelnemer na ontslag een periodieke uitkering ontvangt ter vervanging van in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gederfde inkomsten op grond van een tussen één of meer werkgevers en één of meer werknemers afgesproken regeling. De duur van die vrijwillige voortzetting is dan beperkt tot ten hoogste de periode waarin de uitkering wordt ontvangen.

Fiscaal is vrijwillige voortzetting mogelijk over de periode waarin na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen. In die situatie geldt geen maximumtermijn. Indien is voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, kan de pensioenopbouw echter altijd voor een periode van drie jaar worden voortgezet (ongeacht of er sprake is van vrijwillig ontslag of onvrijwillig ontslag en ongeacht of er sprake is van loongerelateerde uitkeringen):

– de belastingplichtige is als werknemer gedurende ten minste drie jaren deelnemer geweest aan de pensioenregeling die vrijwillig wordt voortgezet;

– de pensioenregeling moet tijdens de vrijwillige voortzetting in beginsel ongewijzigd worden voortgezet; wijziging van de pensioenregeling is slechts toegestaan indien de pensioenrechten van de desbetreffende werknemer daardoor niet worden verbeterd;

– de vrijwillige voortzetting kan slechts plaatsvinden voor zover geen cumulatie plaatsvindt met een pensioenregeling bij een eventuele nieuwe werkgever, de vorming van een oudedagsreserve als bedoeld in artikel 3.67 Wet inkomstenbelasting 2001 of deelname aan een beroepspensioenregeling;

– de uitbreiding van de pensioengevende diensttijd mag niet plaatsvinden in de periode van drie jaren voorafgaande aan de ingangsdatum van de pensioenregeling die vrijwillig wordt voortgezet, tenzij degene die de pensioenregeling vrijwillig voortzet aannemelijk maakt dat hij om medische redenen de dienstbetrekking heeft beëindigd.

Deze voorwaarden hebben tot doel slechts die situaties waarin sprake is van een reële voortzetting van een bestaande pensioenregeling fiscaal te faciliëren. De regering ziet geen aanleiding om deze voorwaarden te wijzigen.

Afgezien van de hiervoor genoemde specifieke fiscale voorwaarden zijn de fiscale voorwaarden – zoals uit het voorgaande volgt – juist iets ruimer dan de in het voorgestelde artikel 49 opgenomen voorwaarden. Fiscaal is voortzetting immers altijd gedurende drie jaar toegestaan, terwijl op grond van het voorgestelde artikel 49 in de situatie dat bijvoorbeeld gedurende een periode van twee jaar een loongerelateerde uitkering wordt ontvangen, de periode van vrijwillige voortzetting wordt gemaximeerd op een periode van twee jaar. De regering stelt voor artikel 49 van het wetvoorstel zodanig aan te passen dat, conform de fiscale voorwaarden, een pensioenregeling altijd voor een minimale duur van drie jaar vrijwillig kan worden voortgezet.

Artikel 51

De leden van de VVD-fractie vragen of samenwonende partners bij scheiding dezelfde rechten hebben als gehuwden en degenen met een geregistreerd partnerschap als het gaat om overdracht van ouderdomspensioen. In antwoord op deze vraag van de VVD-fractie merkt de regering op dat zij deze vraag zo begrijpt dat de men wil weten wat de positie is van iemand die heeft samengewoond met een deelnemer die zijn ouderdomspensioen wil overdragen.

Op basis van het wetsvoorstel kan de gewezen partner, onafhankelijk van zijn status als gewezen echtgenoot, gewezen geregistreerde of andere partner, de waardeoverdracht met betrekking tot het ouderdomspensioen niet belemmeren. Op dat punt bestaat derhalve geen verschil.

Artikel 53

De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering bereid is om artikel 53 over verjaring ten gunste van de pensioenuitvoerder zo aan te passen dat een vordering op een pensioenfonds niet kan verjaren.

De regering acht het onwenselijk om een vordering van een rechthebbende op een pensioenuitkering op de pensioenuitvoerder in het geheel niet te laten verjaren na verloop van tijd omdat het beginsel dat rechtsvorderingen na verloop van een bepaalde termijn verjaren ook is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek in artikel 306 en volgende van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Met de keuze voor een periode van 10 jaar wijkt de regering in het belang van de rechthebbende al te zijner gunste af van de specifieke verjaringstermijn die op grond van artikel 985 van Boek 7 van het BW bestaat: op grond van dat artikel geldt een verjaringstermijn van 5 jaar voor verzekeringsovereenkomsten. Overigens wijst de regering erop dat de pensioenuitvoerder op grond van artikel 46, tweede lid, een inspanningsverplichting heeft met betrekking tot het achterhalen van het adres van de pensioengerechtigde. Zoals in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, blz. 215) is aangegeven geldt de termijn van 10 jaar per opeisbaar geworden pensioentermijn en dus niet voor het pensioenrecht als geheel. Als de aanspraakgerechtigde dus na 10 jaar nog steeds niets van zich heeft laten horen, mag de eerste termijn van de uitkering komen te vervallen.

Artikel 55

De vraag van de leden van de VVD-fractie of pensioenuitvoerders, die door het recht op uitruil gedwongen zijn om een partnerpensioen op te nemen in de regeling, ook zijn gehouden om deze te voorzien van kapitaaldekking is beantwoord in paragraaf 4.

Artikel 95

De leden van de VVD-fractie vragen of wijzigingen in de lijst met aangesloten ondernemingen, die is opgenomen in een bijlage bij de statusen, niet via de notaris hoeven te lopen. Een bijlage bij statuten is juridisch gezien onlosmakelijk verbonden met de statuten zelf, en zal dus notarieel moeten worden vastgelegd. De regering erkent dat het voor een ondernemingspensioenfonds eenvoudiger is om op een niet notarieel vastgelegde lijst bij te houden welke ondernemingen uit het fonds stappen, c.q. toetreden tot het fonds. Echter, met het oog op het belang van de deelnemer bij duidelijkheid omtrent de vraag bij welke pensioenuitvoerder zijn pensioen is ondergebracht, meent de regering dat het belang van de deelnemer, om in officiële stukken (statuten plus daarbij behorende bijlagen) na te kunnen zien waar zijn pensioen is ondergebracht moet prevaleren boven het belang van het ondernemingspensioenfonds om de werkingssfeer van het fonds te kunnen wijzigen zonder tussenkomst van de notaris.

Artikel 169

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister ten aanzien van artikel 49 het begrip «gewezen deelnemer» de beste aanduiding vindt en of niet beter geabstraheerd kan worden naar «voor de deelnemer die gewezen deelnemer wordt»? Het is de regering niet duidelijk wat het bezwaar is tegen de gekozen formulering. Voor de vrijwillige voortzetting is van belang dat iemands arbeidsverhouding eindigt en daarmee ook het deelnemerschap in de pensioenregeling zou eindigen, maar dat het onder bepaalde omstandigheden toch mogelijk is om deelnemer te blijven in de pensioenregeling. Het begrip «gewezen werknemer» wordt ook gehanteerd in artikel 6 van de Regeling taakafbakening pensioenfondsen. De term wordt gebruikt omdat de betrokkene geen werknemer meer is van de werkgever met wie de arbeidsverhouding eindigt.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

BIJLAGE 1 Reactie op enkele punten uit de position papers van de KPS en het AG

De CDA-fractie heeft gevraagd naar een reactie op de position papers van de Kring van Pensioenspecialisten (KPS) en het Actuarieel Genootschap (AG). Een groot deel van de daarin genoemde punten betreffen vragen die door de leden van de verschillende fracties reeds zijn gesteld en in het voorgaande door de regering zijn beantwoord. In deze bijlage gaat de regering in op de resterende punten.

De KPS vraagt zich af hoe de regering aan zou kijken tegen bijvoorbeeld een volledig arbeidsongeschiktheidspensioen voor een kapper die kapperseczeem krijgt. Deze kan zijn kappersberoep nooit meer uitoefenen, maar is beslist niet volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WIA. Mag het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Kappersbedrijf een dergelijke toezegging uitvoeren? De regering stelt namelijk voorop dat sociale partners vrij zijn af te spreken wat ze onder arbeidsongeschiktheid verstaan. Ligt hier niet de mogelijkheid van een ongewenst ontduiken van de WIA op de loer, en hoe verdraagt deze vorm van productontwikkeling door een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds zich met de taakafbakening? De KPS meent dat een materiele definitie van wat arbeidsongeschiktheid in de zin van de Pensioenwet is, wenselijk is ter afbakening van het begrip arbeidsongeschiktheidspensioen.

Volgens de KPS laat de regering sociale partners vrij om af te spreken wat zij onder arbeidsongeschiktheid verstaan. Dat klopt. Maar sociale partners zijn niet vrij om willekeurig welke afspraak over arbeidsongeschiktheid gestand te doen middels uitvoering door een pensioenfonds. Pensioenfondsen mogen alleen een toezegging voor een arbeidsongeschiktheidspensioen uitvoeren als het gaat om een geldelijke uitkering wegens arbeidsongeschiktheid volgend op de periode van loondoorbetaling, zoals geregeld in artikel 29 van de Ziektewet. In de productontwikkeling door pensioenfondsen moet met de randvoorwaarde, dat alleen het arbeidsongeschiktheidsrisico door een pensioenfonds mag worden afgedekt, rekening gehouden worden. DNB ziet toe op een juiste wetstoepassing door pensioenfondsen. Wat betreft het voorbeeld verwijst de regering naar de nota naar aanleiding van het verslag. De regering is van mening dat een nadere definiëring van het begrip arbeidsongeschiktheid in de zin van de Pensioenwet niet de aangewezen weg is om aanvullende afspraken tussen sociale partners over een arbeidsongeschiktheidspensioen te faciliteren.

De KPS merkt verder op dat het vreemd is de deelnemer geen recht krijgen op een opgave (op verzoek) van de afkoopwaarde c.q. overdrachtswaarde bij kapitaal- en premieovereenkomsten, zoals bij een gewone levensverzekering In reactie hierop kan opgemerkt worden dat de tweede pijler geen mogelijk tot afkoop van pensioenaanspraken door de deelnemer kent zoals in de derde pijler. Het eventueel verplichten deelnemers al dan niet op verzoek te informeren over de afkoopwaarde is daarom geheel nutteloos. Ook het al dan niet op verzoek informeren van deelnemers over de overdrachtswaarde, los van een concreet verzoek tot waardeoverdracht, acht de regering niet wenselijk en niet nodig. Die informatie is niet relevant omdat een deelnemer, als er geen sprake is van een concreet verzoek tot waardeoverdracht, nooit rechtstreeks over de overdrachtswaarde zal kunnen beschikken.

De KPS heeft gevraagd of de mogelijkheid om vrijwillig aangesloten te blijven bij een ondernemings- of bedrijfstakpensioenfonds, na het verbreken van het groepsverband of na het vervallen van de verplichte aansluiting niet in strijd is met de taakafbakening.

In 1999 heeft de regering naar aanleiding van een advies van de Stichting van de Arbeid een standpunt ingenomen over de taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars (Kamerstukken II 1998/1999, 26 537, nrs. 1–2). In dit kabinetsstandpunt heeft de regering een aantal criteria neergelegd om op het terrein van de aanvullende arbeidsvoorwaardelijke pensioenen de vrijheid van pensioenfondsen te beperken. Oogmerk hiervan was enerzijds om de kans op oneerlijke concurrentie door pensioenfondsen in de tweede pijler te beperken en anderzijds om de bijzondere positie van pensioenfondsen binnen het stelsel van de aanvullende arbeidsvoorwaardelijke pensioenen te waarborgen. Een deel van de bovengenoemde criteria, voorzover het de productafbakening betreft, is momenteel vastgelegd in de Regeling taakafbakening. Met dit wetsvoorstel krijgen alle taakafbakeningcriteria, zowel wat betreft de productafbakening als wat betreft de domeinafbakening, een wettelijke basis. Een aantal van deze criteria worden in dit wetsvoorstel bovendien verder aangescherpt. Het belang dat de regering aan een duidelijke begrenzing van het werkterrein van pensioenfondsen in de tweede pijler hecht – geredeneerd vanuit de uitvoering van aanvullende arbeidsvoorwaardelijke pensioenregelingen – wordt hiermee dus onderstreept.

Ook waar het de vrijwillige aansluiting bij ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen betreft, zijn in dit wetsvoorstel heldere criteria neergelegd. Ten aanzien van bedrijfstakpensioenfondsen zijn de eisen met betrekking tot de vrijwillige aansluiting van bedrijven of instellingen aanzienlijk aangescherpt ten opzichte van de criteria die in het kabinetsstandpunt taakafbakening uit 1999 zijn opgenomen. In dit kabinetstandpunt was het enige criterium dat aan een vrijwillige aansluiting een verzoek van representatieve organisaties van sociale partners ten grondslag moest liggen. In dit wetsvoorstel zijn daarentegen een aantal nauwkeurig omschreven criteria opgenomen, op grond waarvan een aantoonbare relatie met de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds moet worden aangetoond. Vrijwillige aansluiting is daarnaast mogelijk indien een bedrijf dat wél bij een bedrijfstakpensioenfonds was aangesloten, buiten de werkingssfeer van dat fonds komt te vallen na aanpassing van de werkingssfeer van dat fonds. De historische band rechtvaardigt in dat geval dat vrijwillige aansluiting mogelijk is. Aanvullend op deze criteria geldt in alle gevallen dat sociale partners de werkingssfeer van het fonds zodanig moeten bepalen dat de mogelijkheid tot vrijwillige aansluiting expliciet uit de statuten blijkt.

Ten aanzien van ondernemingspensioenfondsen is in dit wetsvoorstel expliciet vastgelegd dat een dergelijk fonds aan één onderneming of aan één groep verbonden mag zijn. Ook voor ondernemingspensioenfondsen worden dus duidelijke wettelijke grenzen wat betreft hun domein getrokken. Ondernemingen waartussen geen enkele juridische, economische, organisatorische of feitelijke band bestaat, horen niet bij hetzelfde ondernemings-pensioenfonds aangesloten te zijn. De enige uitzondering op deze regel is de situatie dat een onderdeel van een groep als zelfstandige onderneming verder gaat. In dat geval rechtvaardigt de historische band dat de pensioenregeling bij het ondernemingspensioenfonds van de groep kan worden voortgezet. Ook in dat geval zullen de statuten van het pensioenfonds daartoe een grondslag moeten bieden.

Voorts heeft de KPS gevraagd of de eis dat sprake moet zijn van één financieel geheel ook van toepassing is op ondernemingspensioenfondsen die de regeling blijven uitvoeren voor een afgesplitst deel van een onderneming.

De bepaling dat sprake moet zijn van één financieel geheel is van toepassing op alle pensioenfondsen, dus ook op ondernemingspensioenfondsen die voor een vrijwillig aangesloten bedrijf de pensioenregeling blijven uitvoeren op basis van een historische band. Het is overigens een misverstand dat de voorwaarde van één financieel geheel bij bedrijfstakpensioenfondsen tot uitdrukking moet komen door hantering van een doorsneepremie. Deze eis staat daar los van. Bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen met verscheidende pensioenregelingen vormen één financieel geheel door het feit dat er uiteindelijk geen afgescheiden vermogens voor verscheidene pensioenregelingen mogen bestaan. Wanneer er ten aanzien van één regeling een tekort zou ontstaan, moet binnen het pensioenfonds de mogelijkheid bestaan om dat tekort aan te vullen vanuit de totale reserves van dat fonds. Op deze wijze wordt de solidariteit binnen één pensioenfonds gegarandeerd. Het kan niet zo zijn dat in één pensioenregeling verworven pensioenaanspraken en -rechten worden gekort, omdat ten aanzien van deze regeling een tekort is ontstaan, terwijl het pensioenfonds, dat ook één of meer andere regelingen uitvoert, nog wel over voldoende eigen vermogen beschikt. De eis dat een pensioenfonds één financieel geheel moet vormen, staat dus niet in de weg dat een ondernemingsfonds eventueel meerdere regelingen met een eigen premiestelling uitvoert.

Het AG doet een klemmend beroep te komen tot een heldere definiëring van de actuaris – met verwijzing naar opleidingseisen en onafhankelijkheidswaarborgen – in de wet op te nemen. Gesteld wordt dat het aan te bevelen is aan te sluiten dat in het merendeel van de Europese landen een zeker in de Angelsaksische landen een heldere definiëring breed geaccepteerd en wettelijk verankerd is. Deze opmerkingen worden gemaakt tegen de achtergrond dat in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt dat een dergelijke heldere definiëring van de actuaris niet nodig is omdat dit wetsvoorstel in dit opzicht de Wft volgt; de beoordeling van de deskundigheid van de actuaris een zaak is van de toezichthouder en zoals ook geldt in de meeste andere EU-lidstaten de actuaris (anders dan een accountant) geen erkende beroepgroep is. In aansluiting op de opmerkingen in de nota naar aanleiding van het verslag kan er nog op worden gewezen dat regels alleen dienen te worden gesteld indien deze nodig zijn. Die noodzaak voor wettelijke opleidingseisen en onafhankelijkheidswaarborgen voor een actuaris is niet gebleken. Ten slotte is er tussen het Nederlandse toezichtstelsel op pensioenfondsen en de toezichtstelsels in andere lidstaten sprake van dusdanig grote verschillen dat een regeling ten aanzien van actuarissen in een andere lidstaat geen reden is een dergelijke regeling in Nederland over te nemen.

Het AG heeft vervolgens in de bijlage bij haar brief van 9 juni jl. enkele vragen opgenomen. In de reactie op de opmerking van het AG in haar eerste punt dat de termen die thans worden gebruikt afwijken van de terminologie in het consultatiedocument inzake het financieel toetsingskader, kan worden opgemerkt dat er van de zijde van het Ministerie van SZW in het verleden over het financieel toetsingkader geen consultatiedocument is opgesteld. De terminologie in de Pensioenwet vloeit voort uit de samenhang met andere onderwerpen binnen de Pensioenwet wordt gebruikt (zie bijvoorbeeld het vervangen van het begrip indexatie door het begrip toeslag). Voorts is er sprake van een duidelijkheid en eenduidigheid begrippenapparaat en is op een aantal punten de terminologie van Richtlijn 2003/41/EG overgenomen (minimaal vereist eigen vermogen).

Ten aanzien van de (juiste) constatering van het AG dat de kostendekkende premie volgens de amvb ftk ook op het verwachte fondsrendement kan worden gebaseerd merkt de regering op dat de uitleg die in de Pensioenwet is gegeven aan de kostendekkende premie niet afwijkt van het geen is opgenomen in de Nota Uitwerking FTK van 29 oktober 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 28 294, nr. 11).

Bij het vierde punt wordt gereageerd op een opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag dat als gevolg van premiedemping de dekkingsgraad «tijdelijk» lager kan komen te liggen dan indien wordt uitgaan van de feitelijk rendement. Gesteld wordt dat het bij een structureel lage rente lang zal duren voor dat de dekkingsgraad weer op peil komt.

Het woord «tijdelijk» in de opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag is gebruikt in de context van de vragen van diverse fracties om analytisch te verduidelijken wat het verschil is tussen premiekorting ten opzichte van de kostendekkende premie en premiedemping van de kostendekkende premie.

Daarbij werd in de nota naar aanleiding van het verslag benadrukt dat het hanteren van premiekorting leidt tot een permanent lagere dekkingsgraad ten opzichte van de situatie dat die premiekorting niet is toegepast. Het hanteren van gedempte rendement voor de kostendekkende premie leidt slechts tot een tijdelijke afwijking in de dekkingsgraad, omdat in artikel 4 van het concept besluit financieel toetsingkader pensioenfondsen is bepaald dat als met het oog op demping van de premie wordt uitgegaan van een gemiddelde of een verwachte waarde die waarde op de lange termijn niet mag afwijken van de gemiddelde realisatie.

Nu is het inderdaad mogelijk, zoals in de vraag is gesteld, dat die tijdelijke afwijking lang kan duren als bij premiedemping wordt gekozen voor een verwacht rendement dat fors afwijkt van de dan geldende marktrente en er sprake is van de situatie van een structureel lage rente. Dan zal het inderdaad lang duren voordat de dekkingsgraad weer op peil komt. Maar dat is het gevolg, in die situatie, van de keuze voor dat verwachte hogere rendement. En dan is het ook de vraag of die keuze, in die situatie, zich wel verhoudt tot de genoemde voorwaarde dat het in die berekening gebruikte rendement over een langere periode niet mag afwijken van de gemiddelde realisatie. Eén en ander neemt de conclusie niet weg dat bij premiekorting altijd sprake is van een permanente invloed op de dekkingsgraad en dat bij premiedemping altijd sprake is van een tijdelijke afwijking in de dekkingsgraad.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus