30 413
Regels betreffende pensioenen (Pensioenwet)

nr. 18
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 19 mei 2006

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Telkens in alfabetische volgorde worden de volgende definities ingevoegd:

– afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen;

– bijzonder partnerpensioen: de aanspraak op partnerpensioen die op grond van artikel 51, eerste, tweede of derde lid, verkregen wordt door de gewezen partner;

– buitenlandse instelling: een instelling met zetel buiten Nederland, niet zijnde een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, een van de Europese Gemeenschappen of een instelling als bedoeld in artikel 64, tweede lid;

– ontvangende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder aan wie in het kader van waardeoverdracht waarde wordt overgedragen;

– overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of pensioenrechten;

– overdragende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder die in het kader van waardeoverdracht waarde overdraagt aan een andere pensioenuitvoerder;

– partner: echtgenoot, geregistreerde partner of partner in de zin van de pensioenovereenkomst;

– partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

– scheiding: echtscheiding, ontbinding na scheiding van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door dood of vermissing of beëindiging van een partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

– voorwaarden in verband met de partnerrelatie: huwelijkse voorwaarden, voorwaarden van een geregistreerd partnerschap of voorwaarden in verband met een partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;

– waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend ten behoeve van:

1°. andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij dezelfde of een andere pensioenuitvoerder; of

2°. dezelfde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij een andere pensioenuitvoerder;.

2. In de definitie van werknemer wordt na het woord «directeur-grootaandeelhouder» ingevoegd: en de werknemer die onder de werkingsfeer van een verplichtgestelde beroepspensioenregeling als bedoeld in de Wet verplichte beroepspensioenregeling, valt.

B

In artikel 2, eerste lid, wordt «worden nadere regels gesteld» vervangen door: kunnen nadere regels worden gesteld.

C

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De artikelen 929, 935, eerste lid, 936, tweede tot en met zesde lid, 941, vijfde lid, 969, 972, 977, tweede lid, 978, 979, 980, tweede lid en 983 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een pensioenovereenkomst als bedoeld in deze wet of verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een rechtsbetrekking die op grond van deze wet is gelijkgesteld met een pensioenovereenkomst.

2. In het tweede lid wordt «artikel 7.17.1.6» vervangen door: artikel 930 en wordt «artikel 7.17.1.4» vervangen door: artikel 928.

3. In het derde lid wordt «artikel 7.17.1.14» vervangen door: artikel 941.

D

Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a. Relatie met Wet financiële dienstverlening

De Wet financiële dienstverlening is niet van toepassing op de verhouding tussen een verzekeraar en een aanspraak- of pensioengerechtigde.

E

In artikel 13, derde lid, wordt «voor hen op 21-jarige leeftijd geacht moet te zijn begonnen» vervangen door: op 21-jarige leeftijd moet zijn begonnen.

F

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt «en beëindiging deelneming».

2. In het tweede lid wordt «beëindiging van de deelneming» vervangen door: verlaging van de pensioengrondslag en wordt «artikel 51» vervangen door: artikel 50.

G

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt na «binnen drie maanden» ingevoegd: na de start van de verwerving.

2. In het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, drie onderdelen toegevoegd, luidende:

e. het bestaan van een vrijwillige pensioenregeling;

f. omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van de pensioenuitvoerder;

g. het recht van de werknemer om bij de pensioenuitvoerder een verzoek in te dienen voor een berekening van de effecten van uitruil op zijn pensioenaanspraak.

3. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkgever uiterlijk zes maanden voor het sluiten van de pensioenovereenkomst met de werknemer een eerdere pensioenovereenkomst met dezelfde werknemer heeft gesloten op grond waarvan de werknemer de in het eerste lid bedoelde informatie heeft ontvangen. Informatie die sinds de vorige verstrekking is gewijzigd wordt wel verstrekt.

H

In het opschrift van artikel 21 en in artikel 21 wordt «vereniging van gepensioneerden» telkens vervangen door: vereniging van pensioengerechtigden.

I

In artikel 22, eerste lid, onderdeel b, wordt «in kennis heeft gesteld als bedoeld in » vervangen door: in kennis heeft gesteld overeenkomstig.

J

In artikel 27, tweede lid, wordt «ondernemingspensioenfonds» vervangen door: pensioenfonds.

K

In artikel 34, tweede lid, wordt «worden regels gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde» vervangen door: kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

L

Artikel 35, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel c wordt na de puntkomma het woord «en» ingevoegd.

2. Aan het slot van onderdeel d wordt «; en» vervangen door een punt.

3. Onderdeel e vervalt.

M

De artikelen 37, eerste lid, en 39, eerste lid, worden als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel a wordt na de puntkomma het woord «en» ingevoegd.

2. Aan het slot van onderdeel b wordt «; en» vervangen door een punt.

3. Onderdeel c vervalt.

N

Artikel 38, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef vervalt «op grond van artikel 51».

2. Aan het slot van onderdeel b wordt na de puntkomma het woord «en» ingevoegd.

3. Aan het slot van onderdeel c wordt «; en» vervangen door een punt.

4. Onderdeel d vervalt.

O

De artikelen 40, eerste lid, en 41, eerste lid, worden als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel b wordt na de puntkomma het woord «en» ingevoegd.

2. Aan het slot van onderdeel c wordt «; en» vervangen door een punt.

3. Onderdeel d vervalt.

P

In artikel 42, tweede lid, vervalt «, onderdeel a tot en met c,» en wordt «informatie en opgave» vervangen door: opgave en informatie.

Q

Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel e, wordt «andere» vervangen door: informatie over andere.

2. Het vierde lid komt te luiden:

4. De pensioenuitvoerder verstrekt de in het eerste lid bedoelde informatie op verzoek ook aan vertegenwoordigers van deelnemers, van gewezen deelnemers, van gewezen partners of van pensioengerechtigden.

R

Na artikel 45 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 45a. Informatie schriftelijk tenzij

De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie schriftelijk, tenzij de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner schriftelijk instemt met elektronische verstrekking.

S

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «kan zich voor het verstrekken» vervangen door: kan zich voor het schriftelijk verstrekken.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Indien de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner heeft ingestemd met elektronische verstrekking van informatie en het bij de pensioenuitvoerder bekende adres voor deze elektronische verstrekking blijkt onjuist, verstrekt de pensioenuitvoerder de informatie schriftelijk.

T

In artikel 47, vierde lid, wordt «het eerste, tweede en derde lid» vervangen door: dit artikel.

U

Aan het eerste lid van artikel 50 wordt een zin toegevoegd, luidende: In geval van premievrijmaking op grond van artikel 28, vierde lid, wordt daarmee bij de vaststelling van de opgebouwde aanspraken rekening gehouden.

V

Artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en vijfde lid vervallen, onder vernummering van het tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid tot het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid.

2. In het tot vierde en vijfde vernummerde lid wordt «tweede, derde en vierde lid» vervangen door: eerste, tweede en derde lid.

W

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel d, en het vierde lid, onderdeel c, vervalt «als bedoeld in artikel 51».

2. In het tweede lid wordt «dit recht voortvloeit» vervangen door: deze rechten voortvloeien.

3. In het vierde lid wordt «aanspraak voortvloeit» vervangen door: aanspraken voortvloeien.

4. In het vijfde lid vervalt: als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel a.

X

Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt «, bedoeld in artikel 51».

2. In het zevende lid, onderdeel a, wordt «na 31 december 2001» vervangen door: vanaf 1 januari 2002.

3. In het zevende lid, onderdeel b, wordt «na 31 december 2004» vervangen door: vanaf 1 januari 2005.

Y

Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «anders dan» vervangen door: dan het pensioen,.

2. In het derde lid, onderdeel a, wordt «na 31 december 2001» vervangen door: vanaf 1 januari 2002.

3. In het derde lid, onderdeel b, wordt «na 31 december 2004» vervangen door: vanaf 1 januari 2005.

Z

Artikel 58 komt te luiden:

Artikel 58. Verbod van vervreemding en mogelijkheid van volmacht

1. Vervreemding of elke andere handeling, waardoor de aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde enig recht op zijn pensioenaanspraken of pensioenrechten aan een ander toekent is nietig, tenzij:

a. verpanding plaatsvindt voor het verlenen van zekerheid voor het verkrijgen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990; of

b. vervreemding plaatsvindt op grond van artikel 51, vijfde lid.

2. Een volmacht tot invordering van uitkeringen uit hoofde van een pensioenrecht, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

AA

Het eerste lid van artikel 59 vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot het eerste en tweede lid.

AB

In artikel 60, vijfde lid, vervalt «als bedoeld in artikel 51».

AC

Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, vervalt «, bedoeld in artikel 51,».

2. Het vierde lid komt te luiden:

4. Artikel 60, zesde, negende en tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

AD

Artikel 62 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «, bedoeld in artikel 51,» en «als bedoeld in artikel 51, vijfde lid,».

2. Het vierde lid komt te luiden:

4. Artikel 60, zesde, negende en tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

AE

In artikel 63, tweede lid, vervalt «als bedoeld in artikel 51».

AF

Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot het eerste, tweede en derde lid.

2. In het tot eerste vernummerde lid vervalt onder sub 1° «, eerste lid, onderdeel j,» en wordt onder sub 2° «Notarisambt» vervangen door: notarisambt.

3. In het tot derde vernummerde lid vervalt «bij of krachtens».

4. Na het tot derde vernummerde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

4. Voor de toepassing van de artikelen 66 en 74, eerste lid, onderdeel d, wordt onder een pensioenfonds dat optreedt als ontvangende pensioenuitvoerder mede verstaan een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Stichting Notarieel pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt.

AG

In artikel 66, onderdeel b, sub 1°, wordt «als bedoeld in artikel 156» vervangen door: , bedoeld in artikel 156,.

AH

Artikel 70, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, wordt «na 31 december 2001» vervangen door: vanaf 1 januari 2002.

2. In onderdeel b, vervalt «slechts» en wordt «na 31 december 2004» vervangen door: vanaf 1 januari 2005.

AI

In artikel 72, tweede lid, onderdeel b, wordt «, zij dit schriftelijk hebben gemeld» vervangen door: hetgeen zij schriftelijk hebben gemeld.

AJ

Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «na 31 december 2004» vervangen door: vanaf 1 januari 2005.

2. In het derde lid vervalt het woord «slechts».

3. In het vierde lid wordt «31 december 2004» vervangen door: 1 januari 2005.

AK

Artikel 75 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, aanhef, wordt «moet voldaan worden» vervangen door: wordt voldaan.

2. In het tweede lid, onderdeel a, vervalt «, bedoeld in artikel 51, vijfde lid,».

3. In het derde lid, onderdeel a, vervalt het woord «slechts» en wordt «na 31 december 2001» vervangen door: vanaf 1 januari 2002.

4. In het derde lid, onderdeel b, vervalt het woord «slechts» en wordt «na 31 december 2004» vervangen door: vanaf 1 januari 2005.

5. In het vijfde lid vervalt het woord «slechts».

AL

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a, vervalt het woord «slechts» en wordt «na 31 december 2001» vervangen door: vanaf 1 januari 2002.

2. In het derde lid, onderdeel b, vervalt het woord «slechts» en wordt «na 31 december 2004» vervangen door: vanaf 1 januari 2005.

AM

Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 77. Plicht tot waardeoverdracht aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland op verzoek gewezen deelnemer

2. In de aanhef van het eerste lid wordt «verzekeraar uit een andere lidstaat» vervangen door: verzekeraar met een zetel buiten Nederland.

3. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «het ontvangende pensioenfonds of de ontvangende verzekeraar» vervangen door: de ontvangende pensioenuitvoerder.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening.

AN

In artikel 78, eerste lid, onderdeel a, wordt «sprake is sprake is» vervangen door: sprake is.

AO

Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

2. In het tot tweede vernummerde lid wordt in de aanhef «de in het eerste lid bedoelde instelling» vervangen door: een buitenlandse instelling.

AP

Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt na «pensioeninstelling» ingevoegd: uit een andere lidstaat en wordt na «verzekeraar» ingevoegd: met zetel buiten Nederland.

2. In het artikel wordt «of verzekeraar uit een andere lidstaat» vervangen door: uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland.

AQ

Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «of verzekeraar uit een andere lidstaat» vervangen door: uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland.

2. In het artikel wordt «of verzekeraar uit een andere lidstaat» vervangen door: uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland.

AR

Artikel 82 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «of verzekeraar in een andere lidstaat» vervangen door: uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland.

2. In het eerste lid wordt «of verzekeraar uit een andere lidstaat» vervangen door: uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland.

3. In het tweede lid wordt «of verzekeraar in een andere lidstaat» vervangen door: uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland.

AS

Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1 » geplaatst.

2. In de aanhef van het tot eerste vernummerde lid wordt «of verzekeraar uit een andere lidstaat» vervangen door: uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. De ontvangende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening.

AT

Na artikel 83 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 83a. Bevoegdheid tot medewerking aan inbreng van waarde

Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader van waardeoverdracht een waarde van een buitenlandse instelling aan te nemen die verband houdt met een pensioenovereenkomst waarop deze wet tot het tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de pensioenuitvoerder bevoegd daarvoor als ontvangende pensioenuitvoerder op te treden, mits:

a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende werknemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende pensioenuitvoerder;

b. de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen instemt met de overdracht van de waarde van de aanspraak op partnerpensioen;

c. op de pensioenuitvoerder de in artikel 66 genoemde omstandigheden niet van toepassing zijn; en

d. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.

AU

Artikel 86 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «voorwaardelijksheidsverklaring» vervangen door: voorwaardelijkheidsverklaring.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de inhoud van de voorwaardelijkheidsverklaring.

AV

Aan artikel 88 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op detacheringen die op of na 25 juli 2001 zijn aangevangen.

AW

Artikel 90 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel b, wordt «artikel 98» vervangen door: artikel 99.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Het derde, vierde en vijfde lid, zijn niet van toepassing indien de onderneming waaraan het pensioenfonds verbonden was heeft opgehouden te bestaan.

AX

In artikel 103, onderdeel d, wordt «van de door een of meer» vervangen door: van een of meer.

AY

In artikel 114, derde lid, vervalt telkens het woord «nadere» en vervalt de zinsnede «op basis van marktwaardering».

AZ

In artikel 116, derde lid, wordt «worden regels gesteld» vervangen door: kunnen regels worden gesteld.

BA

Artikel 119, eerste lid, komt te luiden:

1. Een pensioenfonds beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen, tenzij:

a. een pensioenfonds tot volledige overdracht, herverzekering of onderbrenging is overgegaan; en

b. de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het pensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen.

BB

Artikel 120 wordt als volgt gewijzigd:

Onder vernummering van het eerste, tweede en derde lid tot het tweede, derde en vierde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

1. Een pensioenfonds beschikt over een vereist eigen vermogen.

BC

Artikel 122 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, aanhef en sub a, komen te luiden:

1. Een pensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien:

a. de actuele waarde van de bezittingen van het pensioenfonds gedurende langer dan een jaar lager is dan de som van de technische voorzieningen en het op grond van artikel 119 minimaal vereist eigen vermogen; en.

2. In het tweede lid, vervalt «of werkgevers».

3. In het derde lid vervalt «of de werkgevers».

BD

Artikel 123 wordt als volgt gewijzigd:

Het tweede en derde lid komen te luiden:

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter waarborging van het prudente beleggingsbeleid nadere regels gesteld.

3. De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, en de regels die op grond van het tweede lid worden gesteld ten aanzien van de diversificatie van waarden zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties.

BE

In artikel 124, tweede lid, wordt «worden regels gesteld» vervangen door: kunnen regels worden gesteld.

BF

Artikel 125 komt te luiden:

Artikel 125. Financiering voorwaardelijke toeslagverlening

1. Pensioenfondsen kunnen de voorwaardelijke toeslagverlening financieren door:

a. het creëren van technische voorzieningen;

b. het creëren van eigen vermogen boven het vereist eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;

c. het putten uit het eigen vermogen boven het vereist eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;

d. het hanteren van een opslag op de premie; of

e. overrendement.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het eerste lid.

BG

In artikel 126, derde lid, vervalt «in de in het eerste lid bedoelde situatie».

BH

Artikel 127 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «veranderingen» vervangen door: wijzigingen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. De toezichthouder geeft aan of:

a. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden gehandhaafd;

b. het bestaande langetermijnherstelplan binnen drie maanden dan wel eerder moet worden vervangen door een nieuw langetermijnherstelplan, waarbij rekening gehouden wordt met de reeds verstreken looptijd van het te vervangen langetermijnherstelplan. Dit nieuwe langetermijnherstelplan wordt ter instemming bij de toezichthouder ingediend; dan wel

c. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden ingetrokken en niet vervangen hoeft te worden door een nieuw langetermijnherstelplan.

BI

In artikel 128, derde lid, vervalt «in de in het eerste lid bedoelde situatie».

BJ

Artikel 131 komt te luiden:

Artikel 131. Beheerste en integere bedrijfsvoering

1. Een pensioenfonds richt zijn organisatie zodanig in dat deze een beheerste en integere bedrijfsvoering waarborgt.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op:

a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s;

b. integriteit;

c. de soliditeit van het pensioenfonds, waaronder wordt verstaan:

1°. het beheersen van financiële risico’s; en

2°. het beheersen van andere risico’s die de soliditeit van het pensioenfonds kunnen aantasten;

d. het beheersen van de financiële positie over de lange termijn door periodiek een continuïteitsanalyse te maken.

BK

Artikel 132 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bij of krachtens de artikelen 114 tot en met 125 en 131» vervangen door: bij of krachtens de artikelen 24, 86, 114 tot en met 125 en 131.

2. In het tweede lid vervalt het woord «nadere».

BL

Na artikel 132 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 132a. Jaarrekening en jaarverslag

Een pensioenfonds met zetel in Nederland stelt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag overeenkomstig titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vast, met dien verstande dat de in artikel 360, derde lid, 396 en 397 van genoemd wetboek geformuleerde uitzonderingen niet van toepassing zijn.

BM

Artikel 133 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt «na afloop van het boekjaar».

2. Het derde lid komt te luiden:

3. De staten omvatten uitsluitend:

a. informatie over de organisatie van het pensioenfonds;

b. een bestuursverslag;

c. een balans;

d. informatie over financiële relaties en transacties van het pensioenfonds;

e. een rekening van baten en lasten;

f. informatie inzake de dekkingsgraad;

g. informatie inzake het vereist eigen vermogen;

h. actuariële staten, gewaarmerkt door een bevoegde actuaris, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van een actuaris;

i. informatie over het deelnemersbestand;

j. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregeling en eventueel andere door het pensioenfonds uitgevoerde regelingen;

k. premiegegevens;

l. informatie inzake herverzekering;

m. informatie inzake verplichtingen van het pensioenfonds voor risico van de deelnemers.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Met zijn verklaring bedoeld in het derde lid, onderdeel h, bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat voldaan is aan de artikelen 114 tot en met 128. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.

4. Het zesde lid komt te luiden:

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

a. de inhoud en de modellen van de staten; en

b. de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de verstrekking.

BN

In artikel 143, zevende lid, wordt na «verantwoording» ingevoegd: gedurende ten minste twee jaren.

BO

In artikel 149, eerste lid, onderdelen a en b, vervalt het woord «bepaalde».

BP

In artikel 150, tweede lid, tweede zin, wordt «die deze wet» vervangen door: die op grond van deze wet.

BQ

Artikel 156 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «uitvoert, bedoeld in artikel 133, vijfde lid,» vervangen door: , bedoeld in artikel 133, vijfde lid, uitvoert.

2. In het tweede lid wordt «uitvoert, bedoeld in artikel 133, vierde lid» vervangen door: , bedoeld in artikel 133, vierde lid, uitvoert.

BR

Artikel 162, eerste lid, komt te luiden:

1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 20, tweede en derde lid, 22, 24, 27, 28, eerste lid, 32, 33, 34, 35 tot en met 45, 46, tweede lid, 47, 52, eerste tot en met vijfde lid, 54, 55, 56, 57, 59, eerste lid, 60, derde, vierde en negende lid, 61, tweede lid, 62, tweede lid, 63, derde lid, 65, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 68, tweede en derde lid, 70, tweede en vierde lid, 75, tweede lid, 76, tweede lid, 79, eerste lid, 85, tweede lid, 86, 87, 91, 92, 94, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende, achtste en tiende lid, 95, 98, 99, 100, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 102, 103, 104, 105, 106, derde lid, 107, derde lid, 108, derde lid, 113, 114, 116 tot en met 121, 122, tweede, vierde en vijfde lid, 123, 124, 125, 126, eerste tot en met vierde en zesde lid, 127, 128, 131, 132, 132a, 133, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 136, 153, 155, 156, eerste tot en met vierde lid, 157, eerste lid, 158, vijfde lid, 180, 183, 185, 189, derde en vierde lid, 190 en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

BS

Het opschrift van artikel 170 komt te luiden:

Artikel 170. Schorsende werking bij boete

BT

In artikel 174, tweede lid, vervalt «en tweede».

BU

Het opschrift van artikel 176 komt te luiden:

Artikel 176. Schorsende werking bij openbaarmaking

BV

In artikel 178, aanhef, wordt «artikel 113» vervangen door: artikel 113, onderdeel a.

BW

In artikel 189, vierde lid, wordt «de personen» vervangen door: de instellingen.

BX

Artikel 191 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, vervalt: «(in een andere lidstaat)».

2. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt het woord «zijn».

3. In het tweede lid vervalt «in een andere lidstaat».

BY

In artikel 192, vierde lid, tweede zin, vervalt na «desbetreffende» het woord «onderneming».

BZ

Artikel 194, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de onderdelen a en b, wordt telkens «financiële ondernemingpensioenuitvoerder» vervangen door: pensioenuitvoerder.

2. In onderdeel b vervalt «; of».

3. Onderdeel c vervalt.

CA

Artikel 198 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 90, 98, 99 en 133, eerste tot en met derde lid» vervangen door: artikel 133, eerste tot en met derde lid.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. De toezichthouder kan desgevraagd een pensioeninstelling uit een andere lidstaat als bedoeld in artikel 22, onderdeel b, ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 98 en 99.

Toelichting

Algemeen

De voorstellen in deze nota van wijziging vloeien deels voort uit de nota naar aanleiding van het verslag met betrekking tot de Pensioenwet en zijn deels technisch van aard. De regering heeft gemeend het wetsvoorstel voor de Pensioenwet naar aanleiding van vragen van de leden van de Tweede Kamer onder andere te wijzigen ten aanzien van bepalingen over informatieverstrekking. Zo wordt voorgesteld de startbrief te verbeteren met betrekking tot het nabestaandenpensioen (onder andere ten aanzien van omruil). De regering geeft daarmee gehoor aan de wens van diverse fracties in de Tweede Kamer om de informatievoorziening over nabestaandenpensioen te verbeteren.

Tegelijkertijd zal de regering naar aanleiding van opmerkingen in het verslag van de Tweede Kamer informatieverplichtingen stroomlijnen en beperken. Dit betreft onder meer de verzending (het exacte moment van verzending, en verzending bij elkaar snel opvolgende tijdelijke contracten). De verplichte periodieke informatieverstrekking met betrekking tot de uitvoering van de pensioenovereenkomst wordt beperkt (geen verplichting meer informatie te geven over bewindvoerder en beperking van het geven van informatie over de financiële situatie van het pensioenfonds tot het moment van beëindiging van de deelneming, aangezien het dan ik het kader van waardeoverdracht een relevant gegeven is). De regering heeft tevens besloten dat verplichte informatie elektronisch verzonden mag worden als een deelnemer daar schriftelijk mee heeft ingestemd.

Andere bepalingen waarop het wetsvoorstel naar aanleiding van vragen van de leden van de fracties van de Tweede Kamer wordt gewijzigd zijn het artikel over korting van pensioenaanspraken en -rechten door pensioenfondsen (naar aanleiding van vragen over cdc-regelingen is korting mogelijk bij een dekkingsgraad van lager dan 105% in plaats van 100%) en de melding van premieachterstand aan ondernemingsraden (bij alle pensioenfondsen en niet alleen bij ondernemingspensioenfondsen). Op verzoek van de Tweede Kamer is tevens verduidelijkt dat bij het stoppen van pensioenopbouw bij premieachterstand, ingeval is ondergebracht bij een verzekeraar, behouden aanspraken later in verband hiermee gecorrigeerd mogen worden. Bij het hoorrecht bij verzekeraars is verduidelijkt dat ook arbeidsongeschikten en nabestaanden met een pensioenuitkering lid kunnen zijn van de vereniging die bij dit hoorrecht moet worden betrokken.

Artikelsgewijze toelichting

A (Artikel 1)

In artikel 1 zijn de definities opgenomen van begrippen die in de Pensioenwet worden gebruikt. In dat artikel staan echter niet alle definities uit de wet. Voorzover een begrip alleen in een bepaald artikel werd gebruikt, is de definitie van dat begrip ook in dat artikel opgenomen. Zo staan de definities van begrippen rond waardeoverdracht in artikel 64. Bij nader inzien is het echter overzichtelijker om alle definities in artikel 1 op te nemen. Dit maakt ook mogelijk dat de begrippen waar het om gaat op meer plekken in de wet kunnen worden gebruikt. Bij deze nota van wijziging worden dan ook de definities die staan in de artikelen 51, 59, 64 en 79 alsnog opgenomen in artikel 1.

Op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kan de verplichte deelname aan een beroepspensioenregeling tevens betrekking hebben op beroepsgenoten die in loondienst werkzaam zijn. Zij voldoen ook aan de definitie van het begrip werknemer waardoor zij tevens onder de Pensioenwet vallen. Omdat dat onwenselijk is, is de definitie van het begrip werknemer aangepast.

B (Artikel 2)

Omdat in artikel 1 de directeur-grootaandeelhouder is gedefinieerd bestaat, vooralsnog, geen behoefte om nadere regels te stellen over hetgeen wordt verstaan onder dit begrip. De verplichting nadere regels te stellen is dan ook gewijzigd in een bevoegdheid.

C (Artikel 5)

In verband met de inwerkingtreding van titel 7.17 van het Burgerlijk Wetboek is de nummering van de in dit artikel opgenomen artikelen uit titel 7.17 van het Burgerlijk Wetboek aangepast.

D (Artikel 5a)

Ten aanzien van pensioenfondsen geldt op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet financiële dienstverlening (Wfd) dat de Wfd op hen niet van toepassing is. Tijdens de parlementaire behandeling is aangegeven dat financiële dienstverlening door andere instellingen dan pensioenfondsen, namelijk door verzekeraars en bemiddelaars, in beginsel wél valt onder het bereik van de Wfd (Kamerstukken II 2003/04, 29 507, nr. 9, blz. 26).

De Wfd richt zich op de relatie tussen de financiële dienstverlener en zijn (potentiële) contractspartij en bevat algemene gedragsregels voor het opereren op de financiële markten. Dit laat onverlet dat vanuit het specifieke doel dat pensioenen hebben, namelijk het voorzien in de oude dag als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden, er specifieke regels gelden vanuit de pensioenwetgeving, onder andere binnen de relatie tussen de deelnemer en de verzekeraar. Aangezien het ongewenst is dat de pensioenspecifieke eisen over de inhoud en uitvoering van de pensioenovereenkomst verschillen tussen pensioenfondsen en verzekeraars worden in het voorstel voor de Pensioenwet alle pensioenspecifieke bepalingen rond pensioenregelingen, aangeboden door pensioenfondsen en door verzekeraars, opgenomen. Ook is het ongewenst dat er bij verzekeraars een dubbeling in vereisten ontstaat ten aanzien van de relatie tussen de deelnemer en de verzekeraar, doordat zowel de Wfd als de Pensioenwet hierover bepalingen bevat. Om dat voor alle zekerheid te voorkomen is artikel 5a toegevoegd.

Het wetsvoorstel voor de Pensioenwet voorziet in beschermende bepalingen ten aanzien van de verhouding tussen de pensioenuitvoerder en de deelnemer. Daarbij gaat het om de informatieartikelen (artikel 35 tot en met 46) alsmede om de in artikel 47 geregelde zorgplicht. De verplichting tot het instellen van een interne klachtenregeling bij verzekeraars is opgenomen in de principes voor de pension fund governance (zie onderdeel D 16).

In de Wfd wordt een onderscheid gemaakt tussen degenen die wel of niet consument zijn.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wfd (Kamerstukken II 2003/04, 29 507, nr. 3. blz 23) is aangegeven dat het uitgangspunt is dat het wetsvoorstel bescherming biedt aan de afnemer van financiële producten die minder goed dan de financiële dienstverlener in staat is om de aan deze producten verbonden risico’s te beoordelen. Een dergelijke kennisachterstand komt het meest pregnant naar voren bij de consument, dat wil zeggen de particulier die niet in de uitoefening van beroep of bedrijf handelt bij het kopen van een financieel product. Om die reden is de werkingssfeer van de Wfd in beginsel beperkt tot de consument. De beperking tot de consument kent een uitzondering voor financiële dienstverlening ten aanzien van verzekeringsproducten.

De rechtvaardiging hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat verzekeringsproducten (waaronder bepaalde pensioenproducten) niet alleen voor de consument maar ook voor de zakelijke afnemer uiterst complex zijn. Dat betekent dat de bescherming op basis van de Wfd wel van toepassing is op werkgevers die pensioenverzekeringsovereenkomsten sluiten. Het wetsvoorstel voor de Pensioenwet voorziet immers niet in beschermende bepalingen ten aanzien van werkgevers.

G (Artikel 20)

Om misverstanden uit te sluiten is in artikel 20 opgenomen dat de werknemer binnen drie maanden na de start van verwerving de benodigde informatie moet ontvangen.

In artikel 20 was niet voorgeschreven dat de werknemer geïnformeerd moet worden over het bestaan van een vrijwillige pensioenregeling. Omdat de werknemer dit echter wel moet weten om te kunnen bepalen of hij nadere informatie wil (zie artikel 42) is dit alsnog toegevoegd. Verder dient de werknemer informatie te ontvangen over het functioneren van de pensioenuitvoerder. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld om het al dan niet actueel zijn van een korte- of langetermijnherstelplan. De werknemer heeft deze informatie nodig indien hij waardeoverdracht overweegt. Tenslotte moet de werknemer worden geïnformeerd over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen voor een berekening van de effecten van uitruil op zijn pensioenaanspraken.

De situatie kan zich voordoen dat een werkgever met dezelfde werknemer kort na elkaar dienstverbanden aangaat en daarmee ook pensioenovereenkomsten sluit. Het is niet efficiënt en niet zinvol indien de werknemer in deze situatie kort na elkaar dezelfde informatie van de pensioenuitvoerder moet krijgen. Met het nieuwe derde lid wordt dit voorkomen. Informatie die sinds de vorige verstrekking gewijzigd is moet wel worden verstrekt. Daarvan zal in ieder geval sprake zijn als de pensioenregeling is gewijzigd, maar ook als de werknemer een hoger salaris ontvangt waardoor zijn pensioengrondslag hoger is.

H (Artikel 21)

In artikel 21 wordt steeds vereniging van gepensioneerden vervangen door vereniging van pensioengerechtigden. Gepensioneerden zijn pensioengerechtigden voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan. Pensioengerechtigden zijn personen voor wie op grond van een pensioenovereenkomst het pensioen is ingegaan, zowel ouderdoms-, arbeidsongeschiktheids- als nabestaandenpensioen. Door de wijziging kunnen ook deze laatstgenoemde groepen lid worden van de vereniging en gebruik maken van het hoorrecht.

J (Artikel 27)

Door de wijziging moet zowel een ondernemingspensioenfonds als een bedrijfstakpensioenfonds de ondernemingsraad informeren bij een premieachterstand.

K (Artikel 34)

Op grond van artikel 34, tweede lid, moesten er regels worden gesteld over het registreren van deelnemingsjaren. Er bestaan echter al regels over dit onderwerp die zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004. Omdat er vooralsnog geen andere regels nodig zijn, is de verplichting regels te stellen veranderd in een bevoegdheid.

L, M, N en O (Artikelen 35 en 37 tot en met 41)

In de informatiebepalingen was opgenomen dat alle aanspraak- en pensioengerechtigden verplicht informatie moeten krijgen over omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van de pensioenuitvoerder. Hierbij werd gedacht aan een korte- of langetermijnherstelplan, een aanwijzing door de DNB etc. Achteraf bezien lijkt het echter te ver gaan om deze informatie verplicht bij iedere periodieke informatieverstrekking te laten meesturen. Waarschijnlijk zullen ook niet veel aanspraak- en pensioengerechtigden geïnteresseerd zijn in deze informatie. Het feit dat er een kortetermijnherstelplan is heeft als zodanig ook weinig betekenis voor aanspraak- en pensioengerechtigden. De opbouw van aanspraken loopt immers door. Als de te lage dekkingsgraad effecten heeft, bijvoorbeeld voor de toeslagverlening, is dit natuurlijk wel van belang en worden de betrokkenen ook geïnformeerd, via de informatie over de toeslagverlening.

Om bovenstaande reden is dit onderdeel uit de artikelen 35 en 37 tot en met 41 geschrapt. De deelnemer krijgt de informatie wel bij beëindiging van de deelneming omdat het relevante informatie is voor de beslissing tot waardeoverdracht. De informatie dient natuurlijk ook na een verzoek van de betrokkene, op grond van artikel 43, te worden verstrekt. In de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 43 zal dit worden geregeld. Dit betekent ook een vermindering van administratieve lasten voor de pensioenuitvoerder.

R (Artikel 45a)

De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie schriftelijk tenzij de aanspraak- of pensioengerechtigde heeft ingestemd met elektronische verstrekking. Die instemming moet wel schriftelijk worden gegeven.

S (Artikel 46)

Indien de aanspraak- of pensioengerechtigde heeft ingestemd met elektronische verstrekking, zal deze de informatie op zijn email-adres ontvangen. Indien dit adres onjuist blijkt te zijn verstrekt de pensioenuitvoerder de informatie alsnog schriftelijk. Dit betekent dus ook dat de pensioenuitvoerder bij een onjuist adres navraag moet doen bij de gemeentelijke basisadministratie.

U (Artikel 50)

Voorgesteld wordt door middel van deze aanpassing te voorzien in de situatie dat het deelnemerschap eindigt op een tijdstip waarop sprake is van een premieachterstand bij een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling zonder dat de deelnemers hierover al zijn geïnformeerd. Als later blijkt dat de aanspraken op grond van artikel 28 alsnog premievrij worden gemaakt in verband met betalingsachterstand, mag de verzekeraar de behouden aanspraak hiervoor corrigeren.

V (Artikel 51)

De definities in het eerste en vijfde lid van artikel 51 zijn verplaatst naar artikel 1. De verwijzingen naar de definities van artikel 51 in de artikelen 52, 54, 60 tot en met 63 en 75 zijn om die reden geschrapt.

X, Y, AH, AJ, AK en AL (Artikelen 54, 56, 70, 74, 75 en 76)

In artikel 54, 56, 70, 74, 75 en 76 zijn bepalingen opgenomen met een beperking van het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid tot pensioenaanspraken die vanaf een bepaalde datum zijn opgebouwd. Daarbij wordt na 31 december van een bepaald jaar afgezet tegen voor 1 januari van het daarop volgende jaar. Zie bijvoorbeeld artikel 54, zevende lid en artikel 54, negende lid. Voor de duidelijkheid zijn de bepalingen aangepast en wordt steeds gesproken over voor of vanaf 1 januari van een bepaald jaar.

Z (Artikel 58)

De formulering van artikel 58 was verwarrend, omdat daarin het verlenen van een herroepelijke volmacht werd aangeduid als vervreemding of een andere handeling die aan een ander een recht op pensioenaanspraken of pensioenrechten toekent. Dan zou tevens sprake zijn van vervreemding in de zin van artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964. Dat is niet de bedoeling en dat is op basis van het huidige recht ook niet het geval. Om deze reden is de tekst van artikel 58 aangepast.

AF (Artikel 64)

De definities in het eerste lid van artikel 64 zijn verplaatst naar artikel 1. Er is een nieuw lid aan artikel 64 toegevoegd waarmee geregeld is dat voor de toepassing van de artikelen 66 en 74 ook een beroepspensioenfonds of de Stichting Notarieel pensioenfonds de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder kan zijn. Gezien de letterlijke tekst van de artikelen 66 en 74 zou anders alleen een pensioenfonds als zodanig kunnen optreden.

AM, AO, AP, AQ, AR en AS (Artikelen 77 en 79 tot en met 83)

In het opschrift en het eerste lid van artikel 77 is de zinsnede opgenomen: een verzekeraar uit een andere lidstaat. Daarbij wordt in het eerste lid verwezen naar artikel 22. Gezien de tekst van artikel 22 moet het echter gaan om een verzekeraar met een zetel buiten Nederland. Artikel 77 is hieraan aangepast. Hetzelfde gebeurt in de artikelen 79 tot en met 83.

AT (artikel 83a)

Met deze bepaling wordt geregeld dat pensioenuitvoerders bevoegd zijn mee te werken aan waardeoverdracht vanuit een buitenlandse, niet EU, instelling.

AU (Artikel 86)

Op grond van de wijziging van artikel 86 worden nadere regels over de voorwaardelijkheidsverklaring niet langer bij algemene maatregel van bestuur maar bij ministeriële regeling gesteld. De reden daartoe is dat het hanteren van voorgeschreven teksten voor de informatieverschaffing aan de deelnemers een nieuw fenomeen in de pensioenwetgeving is. De huidige teksten in de indexatiematrix zijn op zich een verdere uitwerking van de 2 voorgeschreven teksten in punt 15 van de Nota Hoofdlijnen FTK. Het is ook een verdere uitwerking die in betrekkelijk korte tijd heeft plaatsgevonden (de nota Hoofdlijnen FTK is van 6 februari 2004; de nota Matrix FTK is van 13 april 2005, Kamerstukken II, 2003/04, 28 294, nr. 4 herdruk en Kamerstukken II, 2004/05, 28 294, nr. 16).

Het is zeker niet uitgesloten dat die teksten in de toekomst verder zullen worden aangepast als gevolg van de ervaringen met de huidige teksten; nieuwe inzichten op beleidsniveau; en commentaar van bijvoorbeeld communicatiespecialisten.

Voorts geldt dat voor dergelijke teksten er geen noodzaak is om te kiezen voor een zwaarder wetgevingsinstrument dan een ministeriële regeling.

AV (Artikel 88)

De datum van 25 juli 2001 was opgenomen in artikel VI van de Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten ter uitvoering van richtlijn nr. 98/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 209) (Stb. 2001, 314). Omdat de datum van 25 juli 2001 blijvend van betekenis is, is deze datum nu in artikel 88 opgenomen.

AW (Artikel 90)

In artikel 90 worden regels gesteld voor de samenstelling van het bestuur van een ondernemingspensioenfonds. In artikel 198 is voorzien in de mogelijkheid van ontheffing van die regels. Daarbij is eigenlijk alleen gedacht aan de situatie dat een onderneming ophoudt te bestaan. Indien de sponsor wegvalt zal een ondernemingspensioenfonds een gesloten fonds worden. Omdat in zo’n situatie per definitie niet meer kan worden voldaan aan de regels van artikel 90 is, achteraf gezien, hier eigenlijk geen sprake van (de mogelijkheid van) ontheffing. Aan artikel 90 wordt een bepaling toegevoegd op grond waarvan de regels over de samenstelling van het bestuur niet van toepassing zijn. De mogelijkheid tot ontheffing van artikel 90 is uit artikel 198 gehaald.

AY (Artikel 114)

De woorden «op basis van marktwaardering» in het derde lid van artikel 114 zijn overbodig, omdat al in het eerste lid is bepaald dat de technische voorzieningen op marktwaarde worden berekend. Het woord «nadere» kan vervallen, omdat alle regels met betrekking tot het onderwerp in de algemene maatregel van bestuur worden opgenomen.

BA (Artikel 119)

Fondsen herverzekeren bepaalde verzekeringsrisico’s geheel of gedeeltelijk. Dat kan bij een verzekeraar of een professionele herverzekeraar. Een verzekeraar en een herverzekeraar die is gevestigd binnen de EU moet een minimaal vereist eigen vermogen aanhouden. Als een fonds volledig is herverzekerd, is het niet nodig dat het fonds zelf ook het minimaal vereist eigen vermogen aanhoudt. Zou dat wel het geval zijn, dan is er sprake van het tweemaal afdekken van hetzelfde risico. Om die reden is dit artikel aangepast. Of de kwaliteit van de herverzekering de zekerheid van het minimaal vereist eigen vermogen voor een fonds volledig compenseert, is uiteindelijk aan de DNB ter beoordeling. Die situatie en de situatie dat de herverzekering plaatsvindt bij een herverzekeraar buiten de EU, zijn ondervangen met artikel 119 eerste lid, onder c.

BB (Artikel 120)

De wijziging van artikel 120 is technisch van aard. Door de toevoeging van het eerste lid is de vormgeving van artikel 120 gelijk aan die van artikel 119.

BC (Artikel 122)

Door de aanpassing van artikel 122 wordt bewerkstelligd dat korting van verworven pensioenaanspraken en -rechten mogelijk wordt als de som van de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer door waarden wordt gedekt, en niet langer pas als de technische voorzieningen niet meer door waarden worden gedekt. De overige bepalingen van dit artikel blijven ongewijzigd, waarmee het uitgangspunt gehandhaafd blijft dat het korten van pensioenaanspraken en -rechten in beginsel pas kan worden toegepast als de overige sturingsmiddelen zijn uitgeput, en dus alleen in uiterste gevallen ingezet mag worden. Door de korting van pensioenaanspraken en -rechten mogelijk te maken wanneer de aanwezige solvabiliteit zich gedurende langer dan een jaar beneden het op grond van artikel 119 vereiste niveau (circa 105%) bevindt, wordt een consistent geheel met de voorschriften ten aanzien van het kortetermijnherstelplan gerealiseerd. Er moet immers een kortetermijnherstelplan gemaakt worden wanneer de norm voor het minimum vereist vermogen is overtreden. Eén van de maatregelen die daarbij genomen kan worden, zij het alleen als ultimum remedium, is het korten van pensioenaanspraken en -rechten. In geval van pensioenregelingen waarin de premie gedurende een langere periode dan een jaar, bijvoorbeeld vijf jaar, is vastgelegd, zal deze maatregel vermoedelijk sneller in beeld komen dan bij pensioenregelingen waarin de premie jaarlijks wordt vastgelegd.

BD (Artikel 123)

De inhoud van hetgeen was opgenomen in het tweede lid van artikel 123 wordt verplaatst naar een algemene maatregel van bestuur gelet op de aard van de bepalingen.

BF (Artikel 125)

De wijziging van artikel 125 is technisch van aard. In de wet is nu neergelegd op welke wijzen voorwaardelijke toeslagverlening kan worden gefinancierd, waarover bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld. In de eerdere bepaling waren dezelfde financieringswijzen opgenomen, maar dan als onderwerpen waarover bij algemene maatregel van bestuur regels werden gesteld.

BJ (Artikel 131)

Artikel 131 over beheerste en integere bedrijfsvoering is vereenvoudigd. Dat geldt met name ten aanzien van de plicht het voorschrift voor een integere bedrijfsvoering in lagere regelgeving uit te werken. Gedetailleerde voorschriften voor integere bedrijfsvoering zijn bij pensioenfondsen minder opportuun dan bij financiële instellingen die op een markt opereren. De relatie tussen een cliënt en een financiële instelling zal in het algemeen complexer zijn dan die tussen een deelnemer en het pensioenfonds. Zo kan een deelnemer aan een pensioenfonds alleen maar deelnemen aan de pensioenregelingen en geen andere producten afnemen. Dat is niet te vergelijken met sommige klanten van een financiële instelling. Daar komt nog bij dat deelnemers meestal verplicht zijn aangesloten bij een pensioenfonds. Ingeval het vertrouwen van een deelnemer in het pensioenfonds beschadigd wordt, kan de deelnemer niet, zoals een cliënt bij een financiële instelling, vertrekken bij het pensioenfonds. De gevolgen van een eventuele beschadiging van het vertrouwen zijn daarom minder vergaand voor het pensioenfonds dan mogelijk bij een op de markt opererende financiële instelling. Daarom is er voor gekozen wel voor te schrijven dat een pensioenfonds integere bedrijfsvoering heeft, maar de uitwerking in lagere regelgeving te beperken.

De plicht een gedragscode te maken ter voorkoming van belangenconflicten en misbruik en oneigenlijk gebruik van informatie of zaken, wordt opgenomen in lagere regelgeving bij de bepaling over integriteit en wordt niet langer vermeld in de wettekst.

De verplichting tot het maken van lagere regelgeving over de soliditeit van het pensioenfonds, is eveneens beperkt. Nadere regels over «het zorgen voor de instandhouding van de vereiste financiële waarborgen» zijn niet nodig, omdat de wettelijke bepalingen en lagere regelgeving over het financieel toetsingskader hierover al regels stellen. De open mogelijkheid om in het kader van soliditeit van het pensioenfonds nadere regels te stellen over andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen, is eveneens geschrapt omdat bij nader inzien daarvoor geen onderwerpen te bedenken zijn.

Nieuw is de bepaling dat regels worden gesteld over het beheersen van de financiële positie op de lange termijn. In de algemene maatregel van bestuur zal hierbij bepaald worden dat pensioenfondsen een continuïteitstoets moeten uitvoeren. Deze toets, waarvan de parameters zullen worden voorgeschreven in een ministeriële regeling, heeft als doel het pensioenfondsbestuur te doordringen van mogelijke langetermijnontwikkelingen, en na te laten denken over de wijze waarop op deze mogelijke langetermijnontwikkelingen gereageerd zou kunnen worden. Met deze wijzigingen krijgt de continuïteitstoets een wettelijke basis.

BL (Artikel 132a)

Zoals in paragraaf 7.7 van de memorie toelichting is aangegeven gelden de verplichtingen van het Burgerlijk Wetboek in het kader van jaarrekening en jaarverslag alleen ten aanzien van grotere pensioenfondsen.

Het is echter wenselijk dat de in titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen eisen ook gelden ten aanzien van kleinere pensioenfondsen. Dat betekent dat alle pensioenfondsen volledig dienen te voldoen aan de vereisten in titel 9 van Boek 2 van het BW. Dit geeft ook uitdrukking aan het maatschappelijk belang van pensioenfondsen en er is ook geen reden voor een uitzonderingspositie ten opzichte van banken, verzekeraars en beleggingsinstellingen.

De in artikel 360, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek geformuleerde uitzonderingen moeten dus niet (meer) ten aanzien van pensioenfondsen gelden. Het gaat daarbij zowel om de in de eerste volzin genoemde uitzondering voor kleine stichtingen, als de in de tweede volzin genoemde uitzondering voor een gelijkwaardige financiële verantwoording.

Artikel 2:396 en 2:397 van het Burgerlijk Wetboek geven eveneens een lichter regime ten aanzien van kleinere rechtspersonen. Het is echter wenselijk dat voor alle pensioenfondsen, onafhankelijk van hun grootte, hetzelfde regime geldt. De in deze artikelen gegeven vrijstellingen gelden ook niet voor verzekeraars en banken.

De in titel 9 van Boek 2 BW gehanteerde terminologie is niet altijd goed bruikbaar in het kader van pensioenfondsen, omdat het gehanteerde begrippenkader meer aansluit bij productiebedrijven. Daarom zijn ook de richtlijnen ten aanzien van pensioenfondsen van belang die de Raad voor de Jaarverslaglegging door en voor accountants zijn geformuleerd. Deze richtlijnen hebben geen wettelijke basis, maar moeten uiteraard wel in lijn zijn met de wettelijke bepalingen (zie de memorie van toelichting, blz. 267). Op dit moment wordt gewerkt aan een modernisering van deze richtlijnen.

Door de toepasselijkheid van titel 9 van Boek 2 BW geldt op grond van artikel 2:394 BW voor alle pensioenfondsen de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening en jaarverslag door ter inzage legging bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Het ligt voor de hand dat pensioenfondsen de jaarrekening en het jaarverslag ook op hun website zullen publiceren.

Ten aanzien van financiële ondernemingen geldt dat zij de vrijheid hebben om een jaarrekening op te stellen conform titel 9 van Boek 2 BW, maar dat zij er ook voor kunnen kiezen de jaarrekening op te stellen conform het internationale jaarrekeningenrecht (zie artikel 362, achtste, negende en tiende lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook voor pensioenfondsen.

Anders dan in artikel 2:96 van het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht wordt in het wetsvoorstel Pensioenwet niet in een apart artikel geregeld dat het pensioenfonds jaarrekening, jaarverslag en de andere daar genoemde gegevens aan de toezichthouder moet sturen. De toezichthouder ontvangt de gegevens uit de jaarrekening als onderdeel van het rapportagekader. Het jaarverslag en het jaarverslag ligt ter inzage bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken.

BM (Artikel 133)

Tweede lid

Om de toezichthouder ook de mogelijkheid te geven in de loop van het boekjaar gegevens ten behoeve van het toezicht op te vragen, bijvoorbeeld in de vorm van kwartaalrapportages, zijn de woorden «na afloop van het boekjaar» geschrapt.

Derde lid

In dit lid wordt bepaald welke informatie in de staten moet zijn opgenomen.

Het prudentieel toezicht vereist soms een beperking van de mogelijkheden die titel 9 biedt. Bijvoorbeeld bij de waardering van beleggingen. Titel 9 staat hier toe deze op nominale of actuele waarde te waarderen. Voor prudentieel toezicht dient dit beperkt te worden tot een waardering op actuele waarde. De financiële positie van een fonds wordt immers op basis van actuele waarde bepaald.

Vanuit prudentieel toezicht is soms nodig een nadere detaillering of uitsplitsing van posten uit de jaarrekening op te vragen. De post beleggingen bijvoorbeeld dient voor toezicht uitgesplitst te worden naar beleggingen voor risico pensioenfonds en beleggingen voor risico deelnemer. Het pensioenfonds moet namelijk voor het eerste deel wel en voor het tweede deel geen buffer aanhouden.

Het prudentieel toezicht hanteert soms begrippen die niet in Titel 9 gehanteerd worden maar hieraan wel verwant kunnen zijn. Het begrip aanwezige solvabiliteit bijvoorbeeld is sterk verwant aan het begrip eigen vermogen. Bij het eerste mogen achtergestelde leningen tot een bepaald niveau worden meegeteld terwijl dit bij het eigen vermogen niet het geval is. In dergelijke situatie wordt in de staten de voorkeur gegeven aan de introductie van een begrip dat niet in Titel 9 voorkomt boven het gebruik van een begrip uit Titel 9 met een afwijkende definitie.

Op grond van onderdeel a van het zesde lid worden nadere regels gesteld omtrent inhoud en modellen van de staten. De inhoud van de staten wordt uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. De modellen zijn feitelijk de (elektronische) formulieren die het pensioenfonds moet invullen en verstrekken aan de DNB. DNB krijgt op basis van de algemene maatregel van de bestuur de bevoegdheid om regels te stellen met betrekking tot de staten, waarbij wordt aangegeven waarop deze regels betrekking zullen hebben (Vergelijk artikel 108 van het ontwerpbesluit prudentiële regels Wft). Op basis van de modellen wordt met het oog op de administratieve lasten niet meer informatie opgevraagd dan nodig is in het kader van het toezicht en het verzamelen van de beleidsinformatie.

In het kader van titel 9 van Boek 2 BW moet op grond van artikel 2:361 een jaarrekening worden opgesteld, die bestaat uit een balans- en een winst- en verliesrekening.

Die eis geldt ook in het kader van deze staten, zie derde lid, onderdeel c en e.

Daarbij dient de uitvraag van gegevens zo veel mogelijk volgens het principe van eensporige verslaglegging te worden ingericht. Dat betekent dat zo veel mogelijk moet worden aangesloten op definities, rubricering, waardering en resultaatbepaling, zoals omschreven in het Boek 2 Titel 9 BW en de IAS/IFRS. Daar waar vanuit prudentieel opzicht afwijkingen aangewezen zijn, zal een verdere invulling van de jaarrekeningregels worden gegeven in de vorm van inperking van mogelijkheden of verdere uitsplitsing van bepaalde posten.

Ten aanzien van het eigen vermogen in relatie tot achtergestelde leningen geldt een rekenregel die verder strekt dan op grond van het BW vereist is, op dat punt is er dus geen sprake van eensporige verslaglegging. Deze zullen nadrukkelijk door de toezichthouder worden gecommuniceerd.

Onderdeel e van het derde lid kan worden geschrapt omdat DNB heeft aangegeven geen behoefte meer te hebben aan een sterftevergelijking.

Zesde lid

Onderdeel c van het zesde lid is geschrapt. Er bestaat geen behoefte aan nadere regels omdat de in het vierde lid al is voorzien in de waarmerking door de actuaris van het actuarieel verslag.

Onderdeel d van het zesde lid is geschrapt. Wanneer jaarverslag en jaarrekening van alle pensioenfondsen op grond van het Burgerlijk Wetboek ter inzage gelegd worden bij de Kamer van Koophandel is het niet noodzakelijk om te voorzien in de mogelijkheid bepaalde staten openbaar te maken.

BN (Artikel 143)

In artikel 143, zevende lid, was geen minimale termijn opgenomen voor het ter inzage houden van de jaarrekening of verantwoording. Dit in tegenstelling tot het jaarverslag in artikel 142, waar een termijn van twee jaar wordt genoemd. De bedoeling is echter dat ook de jaarrekening of verantwoording minimaal twee jaar ter inzage wordt gehouden. De bepaling is hieraan aangepast.

BR (Artikel 162)

De opsomming in artikel 162 van bepalingen op grond waarvan een boete kan worden opgelegd was niet volledig en is aangepast.

BW (Artikel 189)

In artikel 189, vierde lid, gaat het om de mogelijkheid om informatie te verstrekken aan bepaalde instellingen en niet om personen zoals in de bepaling was opgenomen.

BZ (Artikel 194)

Artikel 194 is overgenomen uit het wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht. De mogelijkheid om vertrouwelijke gegevens en inlichtingen te verstrekken aan «de houder van een erkende markt in financiële instrumenten» (zoals de beurs), zoals in het eerste lid, onderdeel c, is opgenomen is echter niet relevant in het kader van de Pensioenwet en is dan ook geschrapt.

CA (Artikel 198)

Zoals in paragraaf 8.3.2. van de memorie van toelichting is aangegeven is de ontheffingsmogelijkheid in artikel 198 van de artikelen 98 en 99 uitsluitend bedoeld voor situaties waarin sprake is van uitvoering van een onder het wetsvoorstel Pensioenwet vallende regeling door een pensioeninstelling uit een andere lidstaat. In de tekst van de bepaling was deze beperking nog niet opgenomen. Dat is nu alsnog gebeurd. Het moet daarbij overigens gaan om een pensioeninstelling uit een andere lidstaat die zich statutair in Nederland gevestigd heeft. Zie hiervoor Kamerstukken II 2004/05, 30 104, nr. 3.

In de memorie van toelichting wordt verder ten onrechte vermeld dat ontheffing eveneens nodig zou kunnen zijn bij uitvoering van een buitenlandse pensioenregeling door een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. Na implementatie van Richtlijn 2003/41/EG is in een dergelijke situatie de sociale en arbeidswetgeving van toepassing van de lidstaat waar de pensioenregeling uit afkomstig is en is dus geen sprake van toepasselijkheid van artikel 98 en 99.

Daarnaast is de mogelijkheid tot ontheffing van artikel 90 geschrapt. De situatie waar deze ontheffingsmogelijkheid op zag is nu in artikel 90 zelf geregeld.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Naar boven