nr. 104
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 december 2007
Ingevolge de toezegging van mijn ambtsvoorganger bij de parlementaire
behandeling van de Pensioenwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 24,
blz. 5) informeer ik uw Kamer over de stand van zaken met betrekking
tot het onderzoek naar de witte vlek op pensioengebied. Met de witte vlek wordt gedoeld op dat deel van de werknemerspopulatie dat
geen pensioenovereenkomst heeft. Binnen de witte vlek wordt onderscheid gemaakt
naar werknemers die geen pensioenovereenkomst hebben omdat hun werkgever geen
pensioenregeling kent (witte werkgever) en werknemers die niet deelnemen in
de pensioenregeling van het bedrijf waar zij werkzaam zijn (witte werknemer).
Het is niet mogelijk gebleken om al op dit moment een kwantitatief inzicht
te geven in aard en samenstelling van de witte vlek. In deze brief informeer
ik u over de achtergronden van de vertraging en over de acties die worden,
en al zijn ondernomen om tot een kwantitatieve beschrijving van de witte vlek
te komen. Vervolgens schets ik in kwalitatieve termen een aantal ontwikkelingen
waaruit kan worden afgeleid dat de witte vlek sinds 2001 vermoedelijk verder
in omvang is afgenomen en van samenstelling is veranderd.
Onderzoek naar aard en samenstelling witte vlek
De bedoeling was de witte vlek op pensioengebied te beschrijven per 31 december
2006. Een herhaling van het onderzoek uit 1996 ligt niet voor de hand. In
dat onderzoek is een steekproef van 3500 bedrijven samengesteld. Aan die bedrijven
is een groot aantal gegevens gevraagd. Wat betreft werknemerskenmerken is
gevraagd voor een steekproef van maximaal 50 werknemers uit het eigen bestand
een aantal gegevens per werknemer te verstrekken. Een dergelijke onderzoeksopzet
is uit oogpunt van administratieve lastendruk voor bedrijven en op methodologische
gronden niet voor herhaling vatbaar. Daarom is gezocht naar mogelijkheden
om gebruik te maken van de reeds bij de overheid beschikbare gegevensbestanden uit de loonaangifteketen. Voordeel hiervan is dat alle werknemers in het onderzoek betrokken worden wat
de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten ten goede komt. Op de bestaande
gegevensbestanden moeten wel nadere bewerkingen worden uitgevoerd om tot een
zo zuiver mogelijk beeld van de witte vlek te komen. Deze onderzoeksopzet
biedt perspectief. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door het Centrum voor
Beleidsstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Zoals uw Kamer bekend was de kwaliteit van de gegevens uit de loonaangifteketen
in het afgelopen jaar nog niet op het niveau dat een betrouwbaar resultaat
mogelijk was. Daarom was het niet mogelijk om het onderzoek naar de omvang
van de witte vlek over de gegevens in 2006 nu al uit te voeren. De verwachting
van het CBS is dat dit in oktober 2008 wel mogelijk zal zijn. Het ontwikkelen
van een alternatieve onderzoeksopzet zal vermoedelijk niet eerder tot onderzoeksresultaten
leiden. Bovendien maakt de gekozen onderzoeksopzet het naar verwachting mogelijk
om vaker dan één maal in de tien jaar te komen met een beeld
van aard en samenstelling van de witte vlek. Mijn voornemen is daarom om de
Kamer ook voor de jaren 2007 en 2008 te informeren over de aard en samenstelling
van de witte vlek op pensioengebied, naar alle verwachting met aanzienlijk
minder vertraging dan nu voor de beschrijving over 2006 het geval is.
Huidig inzicht in aard en samenstelling witte vlek
Een kwalitatieve beschouwing van de ontwikkelingen rond aanvullend pensioen
geeft goede redenen om te veronderstellen dat de witte vlek sinds 2001 verder
in omvang is afgenomen en van samenstelling is veranderd.
De laatst uitgevoerde kwantitatieve beschrijving van de omvang en de samenstelling
van de witte vlek op pensioengebied heeft betrekking op het jaar 1996 (Witte
vlekken op pensioengebied, Research voor Beleid, 1997). De omvang van de witte
vlek bedroeg toen 9% van de werknemers van 25 jaar en ouder: het aandeel
werknemers dat werkte bij witte werkgevers was 2% en het aandeel witte
werknemers 7%. De witte vlek bestond voor tweederde uit vrouwen. Ruim
de helft van de witte werknemers had een flexibel contract, 43% was
korter dan 2 jaar in dienst en 38% was tussen de 25 en 29 jaar. En
wat betreft inkomen verdiende 30% (op jaar basis) minder dan 35 000
gulden. Dewitte werkgevers waren oververtegenwoordigd
in de sectoren transport, opslag- en communicatiebedrijven; bank- en verzekeringswezen,
zakelijke dienstverlening en uitzendbureaus en overige dienstverlening. De witte werknemers waren oververtegenwoordigd in de sector
bank- en verzekeringswezen, zakelijke dienstverlening en uitzendbureaus en
ruim vertegenwoordigd in de sector overige dienstverlening.
De resultaten van dit onderzoek toonden aan dat er sinds 1985 al veel
ten goede was gekeerd. Toen bleek de witte vlek namelijk nog twee keer zo
groot: 18% (Pensioenkamer, Den Haag, 1987).
Uit een quick scan naar ontwikkelingen in de omvang en samenstelling van
de witte vlek in 2001, uitgevoerd ten behoeve van de Pensioencommissie van
de Sociaal Economische Raad (Witte vlekken op pensioengebied, quick scan 2001,
SER, 2002) bleek dat het percentage werkgevers dat een aanvullend pensioen
als arbeidsvoorwaarde aanbood, was gestegen van 73% naar 84%.
Een pensioenregeling ontbrak vooral bij werkgevers met een klein aantal werknemers,
met een net opgestart bedrijf en in de bedrijfstak zakelijke dienstverlening
en de bedrijfstak cultuur, recreatie en overige dienstverlening. Verder bleek
dat in pensioenregelingen de toetredingsdrempels, zoals wachttijd
en toetredingsleeftijd, en uitsluitingsgronden, zoals naar aard dienstverband,
waren verminderd.
Sinds 2001 is de omvang en samenstelling van de witte vlek vermoedelijk
verder gewijzigd. Een aanwijzing daartoe is dat er nog steeds sprake is van
een stijging van het percentage deelnemers bij pensioenfondsen en in verzekerde
regelingen in relatie tot het aantal banen in Nederland (in 2002: 83,3%
en in 2005: 89,5%). Met de invoering van de Pensioenwet is de wachttijd
aan een maximum van 2 maanden gebonden. De toetredingsleeftijd is op maximaal
21 jaar gesteld. De invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling vut/prepensioen
en introductie levensloopregeling (Stb. 115, 2005) is gepaard gegaan met een
verlaging van de franchise in veel pensioenregelingen, waardoor meer werknemers
in de gelegenheid zijn gekomen om een aanvullend pensioen op te bouwen. En
ten slotte hebben de arbeidsverhoudingen zich in een aantal nieuwe sectoren
zodanig ontwikkeld dat daar na 2001 ook afspraken tussen sociale partners
over een aanvullend pensioen zijn gemaakt (bijvoorbeeld Informatie-, Communicatie-
en Kantoortechnologiebranche en een aantal nieuwe ondernemingspensioenfondsen).
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner