Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630404 nr. 3

30 404
Wijziging van diverse wetten in verband met enkele aanpassingen met betrekking tot persoonsgebonden nummers in het onderwijs

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Deze memorie van toelichting is ondertekend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. ALGEMEEN DEEL

Dit wetsvoorstel bevat wijzigingen van diverse onderwijswetten inzake de regeling van het persoonsgebonden nummer. De aanpassingen hebben betrekking op bepalingen die aan de onderwijswetten zijn of nog moeten worden toegevoegd op grond van de wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 2001, 681), hierna te noemen «WON». De WON-bepalingen zíjn reeds toegevoegd aan de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en móeten nog worden toegevoegd aan de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet op de expertisecentra (WEC) en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In de aanhef van de wijzigingen van de WPO, de WEC en de WHW is dan ook vermeld dat de wijzigingen pas worden aangebracht als de desbetreffende bepalingen van de WON in werking zijn getreden (gestreefd wordt naar inwerkingtreding in de tweede helft van 2006).

Het gebruik van persoonsgebonden nummers bij de uitwisseling van gegevens raakt de privacy van de burger, die wordt beschermd in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 10 van de Grondwet en de Wet bescherming persoonsgegevens. Op de privacy-aspecten persoonsgebonden nummer in het onderwijs is ingegaan in de parlementaire geschiedenis van de WON. Zie paragraaf 3.1 en hoofdstuk 8 van de memorie van toelichting (Kamerstukken II 25 828, 1997/98, nr. 3) en hoofdstuk 8 van de toelichting bij de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II 2000/01, 25 828, nr. 8). In laatstgenoemd hoofdstuk wordt onder meer opgemerkt, dat op de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in de WON, de Wet bescherming persoonsgegevens onverkort van toepassing is. Het voorliggende wetsvoorstel brengt daarin geen wijziging aan.

In het wetsvoorstel is op een enkel punt sprake van uitbreiding met een bijzonder persoonsgegeven (de vermelding van de aanduiding visueel gehandicapte leerling in de WPO en WVO ten behoeve van de bekostiging) en uitbreiding van de mogelijkheid om persoonsgegevens te verstrekken (de verstrekking van gegevens door de Informatie Beheer Groep aan gemeenten ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten). In de paragrafen 1.2 en 1.16 is ingegaan op de wenselijkheid/noodzaak van deze maatregelen. Daaraan kan in relatie tot de privacy nog worden toegevoegd, dat de Informatie Beheer Groep bekostigingsgegevens, zoals de aanduiding visueel gehandicapte leerling, in principe geanonimiseerd aan de minister verstrekt (zie o.a. artikel 103d, derde lid, WVO) en dat de gemeenten de voor voortijdig schoolverlaten relevante persoonsgegevens nu al via de scholen ontvangen (zie o.a. artikel 28, eerste lid, WVO), maar dan op een omslachtiger manier.

In verband met de raakvlakken met de privacy is advies gevraagd aan het College bescherming persoonsgegevens. In paragraaf 1.24 van deze memorie van toelichting is aangegeven dat en op welke wijze aan de opmerkingen van het College is tegemoetgekomen.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat er 3 soorten wijzigingen zijn:

1. aanpassingen die nodig zijn in verband met wijzigingen van onderwijswetten die ná de WON tot stand zijn gekomen (wijzigingen van de WPO en de WEC in verband met de invoering van de leerlinggebonden financiering),

2. aanpassingen waarvan de wenselijkheid is gebleken bij de toepassing van de regeling van het persoonsgebonden nummer in het voortgezet onderwijs en die nu zowel in de WVO als in de andere onderwijswetten worden aangebracht en

3. aanpassingen waarvan de noodzaak of de wenselijkheid op andere wijze na de totstandkoming van de WON is gebleken (vb. door de IB-Groep beschikbaar stellen van gegevens aan gemeenten ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten)

De wijzigingen in dit wetsvoorstel hebben betrekking op de volgende onderwerpen (ter wille van de duidelijkheid zijn de artikelleden waarin de wijzigingen zijn opgenomen ook vermeld):

1.1. Uitbreiding gegevensset en gebruik ten behoeve van de controle op de identiteit van de leerling/deelnemer (alle sectoren)

Artikel 40b, derde lid, en 178a, tweede lid onder a, WPO Artikel 42a, derde lid, en 164a, tweede lid onder a, WEC Artikel 27b, derde lid, en 103b, tweede lid onder a, WVO Artikel 2.3.6a, tweede lid onder a, 2.5.5a, tweede lid onder a, en 8.1.1a, derde lid, WEB Artikel 7.52, tweede lid onder a, WHW

Voor de identificatie van de leerling/deelnemer en het opzoeken of controleren van het sofinummer door de IB-Groep blijkt de postcode niet voldoende te zijn. De onderwijsinstelling heeft dikwijls een ander adres dan de GBA. Daarom is in het wetsvoorstel de gegevensset uitgebreid met het geslacht en de geboortedatum van de leerling/deelnemer/student. Als voor een leerling of deelnemer geen sofinummer kan worden overgelegd, voegt het bevoegd gezag het leerling- of deelnemeradministratienummer bij (als dit bij de desbetreffende school of instelling in gebruik is).

1.2. Wijziging van bekostigingsgegevens (PO, (V)SO en VO)

Artikel 178a, tweede lid, WPO Artikel 164a, tweede lid, WEC Artikel 103b, tweede lid WVO

De wet van 28 november 2002 tot wijziging van de WEC, de WPO en de WVO in verband met de invoering van leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (Stb. 2002, 631; wet Leerlinggebonden financiering) noodzaakt tot het aanpassen van de gegevensset voor de bekostiging van de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de WEC, omdat de maatstaven voor de bekostiging zijn gewijzigd. Het gaat om wijzigingen en aanvullingen met betrekking tot de indicatiestelling, de ambulante begeleiding en de zogenaamde plaatsbekostiging (bedoeld in artikel 40, derde lid, tweede volzin, van de WEC).

Daarnaast is besloten het leerlinggebonden budget (het zogenoemde rugzakje) bij scholen voor basis- en voortgezet onderwijs via de procedure van het persoonsgebonden nummer te laten verlopen. Dit noodzaakt tot uitbreiding van de gegevensset van de WPO en de WVO. Het gaat om gegevens die nu ook al door de scholen moeten worden verstrekt, maar die in verband met de koppeling aan het persoonsgebonden nummer in de wet moeten worden opgenomen.

Voorts is de leerlinggebonden financiering niet van toepassing op visueel gehandicapte leerlingen die een reguliere basisschool of school voor voortgezet onderwijs bezoeken. Op aanvraag van een basisschool kunnen voor elke visueel gehandicapte leerling die de basisschool bezoekt extra middelen worden toegekend op grond van het aanvullend formatiebeleid. Ook in het voortgezet onderwijs kan een school aanvullende bekostiging ontvangen voor de begeleiding van een visueel gehandicapte leerling. In verband hiermee wordt de gegevensset van de WPO en WVO uitgebreid met het gegeven «visueel gehandicapte leerling». Dit gegeven is niet alleen nodig voor de bekostiging. Door gebruikmaking van het persoonsgebonden nummer kan bovendien de procedure voor de toekenning worden vereenvoudigd.

Tenslotte dient evenals in de WEB in de WPO, de WEC en de WVO aan de gegevensset een indicator te worden toegevoegd waarbij de scholen zelf aangeven of een leerling naar hun mening voor bekostiging in aanmerking komt (de zogenaamde bekostigingsindicatie). Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat een leerling in het primair onderwijs die gedurende meer dan de helft van het aantal dagen tussen de aanvang van het schooljaar en de teldatum 1 oktober heeft verzuimd, niet voor bekostiging in aanmerking komt. Anders dan voorheen moeten scholen na de inwerkingtreding van de regeling voor het onderwijsnummer ook van niet bekostigde leerlingen de gegevens verstrekken. Als de bekostigingsindicatie zou worden weggelaten, zouden leerlingen ten onrechte voor bekostiging in aanmerking worden gebracht of zouden de scholen op een andere (voor hen meer belastende) wijze moeten aangeven of een leerling voor bekostiging in aanmerking komt.

In verband met het voorgaande worden aan de gegevensset in de WEC, WPO en WVO de volgende gegevens toegevoegd:

WEC:

1. de aanduiding van de onderwijssoort of het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder d, van de WEC waarvoor de leerling is geïndiceerd,

2. de begindatum van de indicatiestelling,

3. het registratienummer van het Regionaal expertisecentrum (REC) dat de leerling heeft geïndiceerd,

4. het registratienummer van de school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, voortgezet onderwijs, of de instelling als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder a of b, van de WEB waar de leerling is teruggeplaatst zonder dat voor hem nog een leerlinggebonden budget beschikbaar is,

5. de indicatie voor het soort verblijf als de leerling met toepassing van artikel 40, derde lid, tweede volzin, van de WEC is toegelaten, en

6. een indicatie of de leerlingen al dan niet voor bekostiging in aanmerking komt.

WPO:

1. de aanduiding van de onderwijssoort waarvoor de leerling is geïndiceerd,

2. de begindatum van de indicatiestelling,

3. het registratienummer van het REC dat de leerling heeft geïndiceerd,

4. het registratienummer van de school bedoeld in de Wet op de expertisecentra van waaruit de leerling wordt begeleid,

5. (indien van toepassing) de aanduiding visueel gehandicapte leerling en de instelling die deze leerling begeleidt, en

6. een indicatie of de leerling al dan niet voor bekostiging in aanmerking komt.

WVO:

1. de aanduiding van de onderwijssoort waarvoor de leerling is geïndiceerd,

2. de begindatum van de indicatiestelling,

3. het registratienummer van het REC dat de leerling heeft geïndiceerd,

4. het registratienummer van de school bedoeld in de Wet op de expertisecentra van waaruit de leerling wordt begeleid,

5. de aanduiding visueel gehandicapte leerling en de instelling die deze leerling begeleidt (indien van toepassing), en

6. een indicatie of de leerling al dan niet voor bekostiging in aanmerking komt.

1.3. Afwijking van verplichting tot levering van de gegevens zoals vermeld in de WON (alle sectoren)

Artikel 178a, derde lid, WPO Artikel 164a, derde lid WEC Artikel 103b, derde lid, WVO Artikel 2.3.6a, derde lid, en 2.5.5a, derde lid, WEB Artikel 7.52, derde lid, WHW

De diverse sectorwetten zoals luidend na de inwerkingtreding van de WON verplichten de scholen/instellingen ertoe alle in de wet opgenomen gegevens daadwerkelijk te leveren aan de IB-Groep. Er kan dus een verplichting tot levering van informatie bestaan die in de praktijk niet langer nodig is. Dat is een onnodige last voor de scholen en instellingen en mogelijk ook een onnodige inbreuk op de privacy van de leerlingen, deelnemers en studenten. In verband hiermee creëert het voorliggende wetsvoorstel de mogelijkheid om via lagere regelgeving te voorzien in de mogelijkheid, dat bepaalde informatie niet behoeft te worden geleverd. Op die manier worden scholen en instellingen niet meer belast dan nodig.

1.4. Levering nationaliteit leerling (alle sectoren)

Artikel 178a, zevende lid, WPO Artikel 164a, achtste lid, en 164b, eerste lid, WEC Artikel 103b, achtste lid, en 103c, eerste lid, WVO Artikel 2.3.6a, zesde lid, 2.3.6b, eerste lid, 2.5.5a, zevende lid, en 2.5.5b, eerste lid, WEB Artikel 7.52 WHW Artikel 9b, eerste lid, Wvi

Op grond van de WON wordt de nationaliteit van de leerling, deelnemer of student gehaald uit de GBA. Soms staat de leerling (nog) niet ingeschreven in de GBA, waardoor dit gegeven niet uit de GBA te herleiden is. Dat gebeurt vooral als de leerling, deelnemer of student in het buitenland woont, hier nog maar net woont of illegaal is. Het is van belang dat de IB-Groep deze informatie dan mag opvragen bij de school of instelling, opslaan in BRON en doorleveren aan Cfi. Het opvragen bij de instelling en het opslaan in het BRON zijn geregeld in het voorliggende wetsvoorstel. Het doorleveren van de gegevens aan het agentschap Centrale financiën instellingen (Cfi) is geregeld in artikel 178c WPO, 164c WEC, 103d WVO,2.3.6c en 2.5.5c WEB en 7.52b WHW en voor het voortgezet onderwijs tevens in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gebruik persoonsgebonden nummers WVO. Voor de andere onderwijssectoren zal de doorlevering van gegevens aan Cfi ook bij amvb worden uitgewerkt.

De informatie over de nationaliteit van de leerling/deelnemer/student is nodig voor de door Nederland aan België toegezegde grenslandentelling en als beleidsgegeven. De uitvoeringslast is beperkt, omdat het in principe slechts gaat om buitenlanders of leerlingen/deelnemers/studenten die in het buitenland wonen. Het is geen extra aantasting van de privacy van de leerling/deelnemer/student omdat de WON het gebruik van dit gegeven al toestaat.

1.5. Het gebruik van het persoonsgebonden nummer als uniek nummer voor Europese subsidies (WPO, WEC, WVO en WEB)

Artikel 178a, achtste lid, en 178d, vierde lid, WPO Artikel 164a, negende lid, en 164d, vierde lid, WEC Artikel 103b, negende lid, en 103d, vierde lid, WVO Artikel 2.3.6a, zevende lid, 2.3.6d, vierde lid, 2.5.5a, achtste lid, en 2.5.5d, vierde lid WEB

De verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand en de verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van eerstgenoemde verordening eisen, dat de aangiften van uitgaven die bij de commissie worden ingediend juist zijn en dat deze afkomstig zijn van op controleerbare bewijsstukken gebaseerde boekhoudingen. Uit de controlepraktijk van de EU is bekend dat de controleurs leerlingen, deelnemers en studenten uniek moeten kunnen identificeren om na te gaan of het om een bestaande leerling, deelnemer of student gaat en of deze slechts één maal wordt opgevoerd. In de auditrichtlijn van de EU controleurs staat o.a. «Zijn er adequate controles om te voorkomen dat activiteiten twee keer worden gefinancierd».

Het agentschap SZW, uitvoerder van de regeling van het Europees Sociaal Fonds (ESF), heeft in dit verband geconstateerd dat er voldoende waarborgen in de interne beheersstructuur ingebouwd dienen te zijn, zodat iedere ESF deelnemer op unieke wijze is te identificeren.

In verband met het voorgaande wordt in het wetsvoorstel aan de WPO, de WEC, de WVO, de WEB en de WHW de bepaling toegevoegd, dat het bevoegd gezag het persoonsgebonden nummer gebruikt in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds. Voorts wordt in voornoemde wetten bepaald dat de minister het persoonsgebonden nummer van de leerling in het verkeer met de school voor dit doel kan gebruiken.

Door het gebruik van het persoonsgebonden nummer in het onderwijs voor ESF-subsidies kan de administratieve uitvoeringslast die deze subsidieregelingen voor de scholen en instellingen met zich meebrengen aanzienlijk worden teruggebracht. Het voorkomt, dat de scholen/instellingen een tweede uniek nummer moeten registreren, terwijl reeds een uniek nummer voorhanden is.

1.6. Wijziging van bekostigings- en beleidsgegevens BVE

Artikel 2.3.6a, tweede lid, en 2.5.5a, tweede lid, WEB

De laatste drie jaar is er in de sector beroepsonderwijs en educatie (BVE) behoefte ontstaan aan andere gegevens. Hierbij valt te denken aan het onderzoek van de commissie vervolgonderzoek rekenschap en de wet van 13 april tot wijziging van onder meer de WEB en de WHW in verband met de aanscherping van een aantal voorschriften betreffende de bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs (Stb. 2004, 177; wet Korte klap). Dit onderzoek en deze wet hebben geleid tot een grotere behoefte aan controle op de naleving van bekostigingsvoorwaarden en daarmee aan een grotere behoefte aan gegevens op basis waarvan die controle kan plaatsvinden. Verder kan sommige informatie (bijvoorbeeld voltijd/deeltijd) op een andere manier worden gevraagd om de administratieve last voor de instellingen te beperken.

Het betreft de navolgende gegevens:

1. Risicodeelnemers. Dit betreft deelnemers waarvoor op 31 december nog geen beroepspraktijkvormingsplaats beschikbaar is en waarvoor uitstel is verleend door de Inspectie. In aansluiting op de wet Korte Klap is het van belang deze informatie van de instellingen te ontvangen.

2. Informatie omtrent voltijd/deeltijd. Mede met het oog op Rekenschap is besloten dit gegeven toe te voegen. Omdat dit gegeven in de huidige tellingen ook al gevraagd wordt, betekent dit geen noemenswaardige verhoging van de last. Bovendien kan hierdoor het gegeven Lesgeld, waarmee de instellingen wél moeite hebben en dat volgens de wet Korte klap niet meer nodig is, vervallen.

3. De examendeelnemer. Het feit dat iemand examen-deelnemer is, wordt nu indirect uit andere gegevens afgeleid. In het kader van Rekenschap is het gewenst deze informatie direct van de scholen te ontvangen.

4. Het startniveau NT2. In de wet was alleen expliciet toegestaan het eindniveau op te vragen. Voor de beoordeling van de toegevoegde waarde van de instelling is het nodig die te koppelen aan het startniveau. Voor de instellingen is het nauwelijks een extra last, omdat ze die informatie ook al aan de gemeenten moeten leveren.

5. De intensiteit educatie (dit betreft het aantal uren onderwijs per week). In het overleg met de BTG Educatie is vastgesteld dat dit een belangrijke indicator is voor de inspanning van de instelling.

6. Een indicatie of de deelnemer of het diploma al dan niet voor bekostiging in aanmerking komt. Daarbij moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met het feit dat deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg voor wie niet vóór 31 december een beroepspraktijkvormingsovereenkomst is gesloten, niet voor bekostiging in aanmerking komen. Verder is het denkbaar dat er sprake is van meer dan 1 inschrijving voor een deelnemer en/of het behalen van meer dan 1 diploma voor een deelnemer. Op basis van voornoemde wet Korte Klap wordt 1 inschrijving en/of 1 diploma voor de bekostiging meegeteld. Via de bekostigingsindicatie geeft de instelling op welke dat is. Instellingen moeten na de invoering van het onderwijsnummer ook de gegevens van niet bekostigde deelnemers verstrekken. Als de bekostigingsindicatie zou worden weggelaten, zouden deelnemers of diploma’s ten onrechte voor de bekostiging worden meegeteld of zouden de instellingen op een andere (voor hen meer belastende wijze) moeten aangeven of een deelnemer of diploma voor bekostiging in aanmerking komt. Op grond van artikel 2.2.4, vijfde lid, WEB controleert een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de door het bevoegd gezag opgegeven bekostigingsindicatie correct is. Ook in het kader van de Rekenschap (bekostiging/verantwoording) is het van belang dat instellingen zelf aangeven of een deelnemer voor bekostiging in aanmerking komt. Zij kunnen immers door de minister worden aangesproken als zij een onjuiste opgave doen.

In het voorliggende wetsvoorstel worden voornoemde gegevens aan de desbetreffende artikelen van de WEB (artikel 2.3.6a en 2.5.5a) toegevoegd. Voorts worden gegevens die niet meer nodig zijn (gegevens over de laatste vooropleiding en de locatie van het onderwijs) geschrapt.

1.7. Aanpassing gegevensset voor wat betreft examenresultaten VAVO (BVE)

Artikel 2.3.6a, tweede lid onder g, WEB

De huidige regeling van het persoonsgebonden nummer in de WEB omvat de levering van behaalde certificaten en diploma’s bij educatie. Voor de taak van de Inspectie en de IB-GROEP met betrekking tot VAVO-examens is dat onvoldoende. Die hebben meer informatie nodig, waaronder cijfers voor vakken en beoordelingen van werkstukken. Deze gegevens zijn goed beschreven in de WVO. Deze beschrijving wordt daarom in het wetsvoorstel ook in de WEB opgenomen. Voor de instellingen is dit geen lastenverzwaring. Zij leveren deze gegevens ook nu al.

1.8. Aanmelding bij IB-GROEP met persoonsgebonden nummer (HO)

Artikel 7.37, derde lid, en 7.38 (nieuw) WHW

De WON regelt dat de student bij zijn inschrijving aan de instelling de nodige gegevens verstrekt, waaronder het sociaal-fiscaalnummer. De instelling geeft deze gegevens vervolgens door aan de IB-GROEP, die verantwoordelijke is van het basisregister onderwijs (BRON). In tegenstelling tot de andere onderwijssectoren, dient een ieder die zich voor de eerste maal voor een propedeutische fase dan wel voor een eerste periode van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling wenst in te schrijven, zich aan te melden bij de IB-GROEP en niet bij de instelling. De IB-GROEP verstrekt vervolgens de aanmeldingsgegevens aan de instelling, waarvoor de desbetreffende student de eerste voorkeur heeft aangegeven. Gelet op deze procedure ligt het voor de hand dat reeds bij aanmelding het sociaal-fiscaalnummer van de student bekend moet zijn dan wel dat reeds bij aanmelding de IB-GROEP aan de student een onderwijsnummer kan verstrekken. Het voorgestelde artikel 7.38 WHW voorziet hierin.

Artikel 7.38 bepaalt de wijze waarop het persoonsgebonden nummer van de student wordt verwerkt bij aanmelding bij de IB-GROEP. Het gaat over de periode vanaf het moment van aanmelding bij de IB-GROEP tot de verzending van de gegevens door de IB-GROEP naar de instelling waar de student zich heeft ingeschreven. Het artikel volgt zoveel mogelijk hetzelfde model als de procedure van inschrijving bij de instelling.

De student overlegt bij de aanmelding bij de IB-GROEP zijn persoonsgebonden nummer (eerste lid) en de overige benodigde gegevens (tweede lid, en voorts: de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.37, derde lid). Bij de aanmelding is het persoonsgebonden nummer noodzakelijk omdat de IB-GROEP dit nummer nodig heeft in de communicatie met de instelling. Op dit moment gebruiken de IB-GROEP en de instellingen hiervoor het OCenW-correspondentienummer. Wanneer voor het hoger onderwijs de WON in werking zal treden, komt hiervoor het persoonsgebonden nummer in de plaats. De IB-GROEP zal de noodzakelijke gegevens binnen acht weken na de aanmelding aan het instellingsbestuur zenden (vierde lid), waardoor het instellingsbestuur kan controleren of die gegevens overeenkomen met de gegevens die hij van de student bij de inschrijving ontvangt.

Het persoonsgebonden nummer is in principe het sociaal-fiscaalnummer dat de student bij zijn aanmelding overlegt (eerste lid). Indien de student echter aannemelijk maakt dat hij geen sociaal-fiscaalnummer heeft, verstrekt de IB-GROEP een onderwijsnummer aan de student of extraneus (derde lid). Dit zal overigens nauwelijks voorkomen omdat de student die zich aanmeldt bij de IB-GROEP, in de meeste gevallen voortgezet onderwijs of beroepsonderwijs heeft gevolgd. Aangezien voor de inschrijving aan een dergelijke school of instelling eveneens een persoonsgebonden nummer overgelegd moet worden, zal de student in de meeste gevallen beschikken over een dergelijk nummer. Mocht dat niet het geval zijn, dan verstrekt de IB-GROEP een onderwijsnummer aan de student.

1.9. Levering adres en woonplaats (HO)

Artikel 7.39 WHW (nieuw)

Artikel 7.38 WHW wordt vernummerd tot artikel 7.39 omdat de aanmelding procedureel gezien voor de inschrijving plaatsvindt. Naast redactionele wijzigingen als gevolg van de verplaatsing van dit artikel en de verwijzing naar het nieuwe artikel 7.38, heeft artikel 7.39 nog één inhoudelijke wijziging ondergaan. In het geval dat de student bij de inschrijving geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, zendt het instellingsbestuur, naast de beschikbare gegevens die genoemd zijn in artikel 7.38, tweede lid, ook het adres en de woonplaats van de student aan de IB-GROEP. In de andere onderwijssectoren is eenzelfde verplichting reeds in de WON geregeld voor de instellingsbesturen. Dit is namelijk nodig omdat aan het te verstrekken onderwijsnummer een adres en woonplaats gekoppeld moet worden. Daarnaast heeft de IB-GROEP het adres en de woonplaats nodig om de gegevens in een later stadium op juistheid en volledigheid te controleren (artikel 7.52a, eerste lid, eerste volzin).

1.10. Gegevensuitwisseling tussen instellingen (HO)

Artikel 7.52 WHW

Gegevensuitwisseling tussen instellingen met het oog op de inschrijving is op dit moment mogelijk aan de hand van het OCenW-correspondentienummer. Deze gegevensuitwisseling is van belang voor de instelling die een student inschrijft die van een andere instelling afkomstig is. Een ander geval is dat een student bij twee instellingen studeert. Thans ontbreekt nog een basis om deze gegevensuitwisseling mogelijk te maken aan de hand van het onderwijsnummer. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet hierin.

Het nieuwe zesde lid van artikel 7.52 WHW bevat de bevoegdheid van de instellingsbesturen het persoonsgebonden nummer van studenten en extraneï te gebruiken in het verkeer met andere instellingen, voor zover dat nodig is voor hun in- en uitschrijvingen. In de andere onderwijssectoren is een dergelijke bevoegdheid reeds toegekend aan de besturen van de betreffende onderwijsinstellingen. Aangezien dit een verlichting van de administratieve lasten voor de instellingen betekent, wordt in dit wetsvoorstel een zelfde bevoegdheid aan de instellingsbesturen van het hoger onderwijs toegekend. Daarnaast is het op deze wijze mogelijk om het overleggen van vervalste getuigschriften tegen te gaan. Een instelling kan door de voorgestelde wijziging bij de andere instelling laten controleren of de student die zich inschrijft, ook werkelijk zijn getuigschrift bij die andere instelling heeft behaald en daarmee aan de wettelijk gestelde vooropleidingseisen voldoet. Het is namelijk mogelijk dat het BRON nog niet over de vooropleidingsgegevens beschikt op het moment dat de student zich wenst in te schrijven.

1.11. Overgangsrecht CRIHO (HO)

Artikel 18.59 WHW

Voor het hoger onderwijs bestaat in tegenstelling tot andere sectoren al een register met studentgegevens (het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, CRIHO). Bij invoering van de WON vervalt de wettelijke basis van het CRIHO. Vanwege het belang van historische gegevens van de student voor de bekostiging, dienen deze gegevens onderdeel uit te gaan maken van het BRON. Dat wordt in dit wetsvoorstel geregeld. Tevens is bepaald dat de nummers die in het CRIHO aan studenten zijn toegekend, worden omgezet in persoonsgebonden nummers als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel v, van de WHW zoals luidend na de invoering van het onderwijsnummer.

1.12. Uitwisseling vooropleidingsgegevens (BVE en HO)

Artikel 9a, eerste lid, en 9d, eerste lid, Wvi

Het BRON bevat de gegevens voor het voortgezet onderwijs met betrekking tot de diploma’s, de vakken en de cijfers. Thans moeten de BVE- en HO-instellingen aan de hand van de door de deelnemer/student geleverde documenten verifiëren of zij voldoen aan de eisen om te kunnen worden ingeschreven als deelnemer/student. Ten behoeve van de accountantscontrole dienen deze documenten bewaard te worden in de deelnemer/studentenadministratie van de instelling. Indien de vooropleidingsgegevens uit het BRON ter beschikking komen van de instelling, betekent dit een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten. Immers, de instellingen hoeven niet meer bij de deelnemer/student de benodigde documenten op te vragen en een diploma-administratie is evenmin meer noodzakelijk. Daarnaast voorkomt deze werkwijze diplomafraude, aangezien de gegevens in het BRON afkomstig zijn van de instellling waaraan betrokkene het diploma heeft gehaald.

Mede op basis van de BRON-gegevens kan worden beoordeeld, of een persoon die wil worden ingeschreven voor een opleiding in het beroepsonderwijs of het hoger onderwijs of toegang wenst tot een examen als bedoeld in artikel 7.30, derde lid, of 7.31b WHW, voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde vooropleidingseisen. Hetzelfde geldt voor de student die een opleiding wil volgen aan een andere instelling dan waar hij een propedeutisch of bachelorexamen heeft afgelegd en voor een student die toegang wenst tot een examen als bedoeld in artikel 7.30, derde lid, of 7.31 WHW.

Aan HO-instellingen zouden bijvoorbeeld gegevens kunnen worden verstrekt over de vooropleiding van studenten of extraneï in spé die hen bij de aanmelding als eerste voorkeur hebben opgegeven of studenten of extraneï die reeds bij hen zijn ingeschreven.

De procedure zal bij beleidsregel worden uitgewerkt. Tevens kunnen als afgeleide van de gegevensverstrekking aan de instelling vooropleidingsgegevens worden verstrekt ten behoeve van de controle door de instellingsaccountant zoals bedoeld in artikel 2.2.4, vijfde lid, WEB en 2.9, derde lid, WHW.

1.13. Vervallen verblijfsstatus (PO, (V)SO en VO)

Artikel 9b, eerste lid, Wvi

In artikel 9b van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank (Wvi) is bepaald dat de gegevens over het verblijfsrecht van vreemdelingen worden opgenomen in het BRON en worden betrokken uit de GBA. Inmiddels is gebleken dat hieraan geen behoefte meer bestaat voor het PO en het VO. Voor de bekostiging in die sectoren spelen die gegevens nauwelijks een rol, omdat de meeste leerlingen leerplichtig zijn en dus ongeacht het verblijfsrecht tot de school mogen worden toegelaten. Daarom en uit overwegingen van privacy van de leerling wordt in het wetsvoorstel voor de PO- en VO-sector de verblijfsstatus uit de gegevensset in voornoemd artikel 9b geschrapt.

Voor de BVE- en HO-sector wordt de opneming van de GBA-gegevens over het verblijfsrecht van de deelnemer/student in het BRON gehandhaafd. In deze sectoren prevaleert het belang van de beperking van administratieve lasten. Deze beperking is een gevolg van het feit dat instellingen de verblijfsvergunning van hun deelnemers/studenten niet in hun administratie behoeven te bewaren als het desbetreffende gegeven in het BRON wordt opgenomen. Voor de goede orde zij erop gewezen dat scholen en instellingen in de (V)SO-, VO-, BVE- en HO-sector op grond van de Koppelingswet verplicht blijven om de verblijfsstatus van personen van 18 jaar en ouder bij de inschrijving te checken. Alle onderwijswetten behalve de WPO (waar alle leerlingen jonger zijn dan 18 jaar en dus ongeacht hun verblijfsstatus mogen worden toegelaten) bepalen namelijk sedert de inwerkingtreding van de Koppelingswet dat vreemdelingen mogen worden toegelaten als ze

– op de eerste dag van de opleiding waarvoor ze voor de eerste maal worden ingeschreven jonger zijn dan 18 jaar,

– op de eerste dag van de opleiding waarvoor ze voor de eerste maal worden ingeschreven 18 jaar of ouder zijn en op die dag rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of

– eerder in overeenstemming met het voorgaande zijn ingeschreven voor een zelfde soort onderwijs, opleiding of onderdeel daarvan, welk onderwijs of (onderdeel van een) opleiding ze nog steeds volgen en niet hebben voltooid.

Het voorliggende wetsvoorstel brengt op dit punt geen wijziging aan. De scholen kunnen de leerlingen onder de genoemde voorwaarde dus toelaten, maar er kan niet worden verwacht dat zij informatie verstrekken aan de Vreemdelingendienst over het verblijfsrecht van leerlingen, deelnemers of studenten.

Zoals ondergetekende op 29 oktober tijdens het mondelinge vragenuur aan de Tweede Kamer heeft meegedeeld (zie Handelingen II 2002/03, blz. 13–674) zijn leraren namelijk geen opsporingsambtenaren.

Ten slotte wordt nog opgemerkt, dat alle onderwijswetten na de inwerkingtreding van de WON voor de desbetreffende sector bepalen dat het bevoegd gezag geen persoonsgebonden nummers verstrekt ter uitvoering van artikel 107, tweede en vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zie bijvoorbeeld de reeds in werking getreden artikelen 103b, achtste lid, WVO en 2.5.5a, achtste lid, WEB).

1.14. Opneming in het BRON van gegevens die zijn geleverd door de school/instelling als GBA-gegevens ontbreken (alle sectoren)

Artikel 9b, tweede lid, Wvi

Wanneer er geen GBA-record van de leerling, deelnemer of student gevonden wordt (omdat een sofinummer ontbreekt), is het noodzakelijk informatie die door de school of instelling aan de IB-Groep geleverd wordt in het BRON op te nemen. Feitelijk betekent dit dat van de gegevens die voor ándere leerlingen, deelnemers en studenten uit het GBA worden overgenomen, voor leerlingen, deelnemers en studenten zonder GBA-record alleen de geboortedatum, het geslacht en de nationaliteit worden opgenomen in het Bron.

1.15. Bewaartermijn gegevens BRON (HO)

Artikel 9b, derde lid (nieuw) Wvi

De bewaartermijn van de persoonsgegevens in het BRON is gesteld op vijf jaar na beëindiging van de laatste inschrijving van betrokkene. Voor (de controle op) de juiste bekostiging in het hoger onderwijs is met betrekking tot bepaalde gegevens van de student een langere bewaartermijn onontbeerlijk. Zo wordt nu al een tweede of derde studie van een student aan dezelfde instelling niet bekostigd. Nadat de bewaartermijn in het BRON is verstreken, wordt de geschiedenis van de student gewist. Dit betekent dat grote groepen studenten, die na enige tijd een tweede studie aan dezelfde instelling starten ten onrechte worden meegeteld voor de bekostiging. Als in de toekomst ook een tweede of derde studie aan een andere instelling niet langer wordt bekostigd, of de bekostiging wordt beperkt tot een aantal studiejaren per student, wordt dit probleem nog groter. Slechts een bewaartermijn voor onbepaalde tijd zou negatieve effecten op de bekostiging geheel kunnen voorkomen. Slechts een zeer lange bewaartermijn, die de gehele periode na het verlaten van de instelling voor hoger onderwijs en de mogelijke start van een nieuwe studie bestrijkt, kan negatieve effecten op de bekostiging geheel voorkomen. Ondergetekenden achten het daarom wenselijk dat voor een beperkt aantal gegevens van personen die hoger onderwijs hebben genoten de huidige bewaartermijn van gegevens in het Centraal register hoger onderwijs (vijftig jaar) wordt gehandhaafd. Het gaat dan om gegevens die nu of in de toekomst noodzakelijk zijn voor de controle op de juiste bekostiging in het hoger onderwijs (naam, geboortedatum, instelling voor hoger onderwijs waar een opleiding is gevolgd, naam van die opleiding, datum diploma en het aantal jaren genoten hoger onderwijs).

1.16. Door de IB-GROEP beschikbaar stellen van gegevens aan gemeenten ter bestrijding van verzuim leerplicht en voortijdig schoolverlaten (PO, (V)SO, VO, BVE)

Artikel 164e WEC Artikel 103f WVO Artikel 2.3.6d en 2.5.5e WEB Artikel 9e, derde en vierde lid, Wvi

Gemeenten voeren, hetzij zelf, hetzij gezamenlijk via een regionale meld- en coördinatiefunctie (RMC), een administratie waarin zij gegevens opslaan van alle leerlingen en deelnemers voor wie zij verantwoordelijkheid dragen op basis van de Leerplichtwet 1969 en de bepalingen over RMC in de WEC, WVO en WEB. Gemeenten zijn voor de kwaliteit van hun leerlingen- en deelnemeradministraties afhankelijk van de levering van gegevens over in- en uitschrijving en ongeoorloofd verzuim van leerlingen en deelnemers door scholen en instellingen. De kwaliteit van de administratie bepaalt:

a. de mogelijkheden om vanuit de gemeente actief leerlingen te traceren die steun nodig hebben of voor wie de leerplicht moet worden gehandhaafd en

b. de kwaliteit van de beleidsinformatie die gemeenten in de vorm van streefcijfers en prestatie-indicatoren voor voortijdig schoolverlaten moeten tonen aan gemeenteraden en aan de Minister.

De IB-Groep heeft een completer beeld van de in- en uitschrijvingen, omdat scholen en instellingen verplicht zijn alle in- en uitschrijvingen aan de IB-Groep te melden en nakoming van die verplichting van belang is voor de bekostiging van de scholen en instellingen. Dat belang ontbreekt bij de gegevenslevering aan de gemeenten. Bovendien heeft de IB-Groep een beter beeld van de opleiding van een jongere die verhuisd is.

De gegevens over het ingeschreven zijn van leerlingen en deelnemers (van belang voor de handhaving van de leerplicht en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten) zijn reeds bekend bij de IB-Groep. Voorts heeft de IB-Groep een completer beeld van het wel of niet hebben van een startkwalificatie van specifieke leerlingen of deelnemers dan scholen en instellingen. Bij de IB-Groep wordt immers informatie over de vooropleidingen van leerlingen en deelnemers verzameld. Zo is van een deelnemer in de BVE-sector in bijna alle gevallen ook bij de IB-Groep al bekend welk type diploma is behaald in de VO-sector.

In verband met het voorgaande voegt het wetsvoorstel aan de Wvi de bepaling toe, dat de IB-Groep uit het BRON maandelijks aan burgemeester en wethouders gegevens kan verstrekken van 4- tot 23-jarigen zonder startkwalificatie van wie in de voorgaande maand een in- of uitschrijving is verwerkt in het basisregister. Het gaat bij de verstrekking om de volgende gegevens: naam, adres, sociaal-fiscaalnummer, de behaalde diploma’s, het laatst genoten onderwijs, de laatst bezochte school of instelling en de in- en uitschrijfdatum bij die school of instelling. De IB-Groep en de gemeenten kunnen zelf overeenkomen of de gegevens worden verstrekt aan burgemeester en wethouders van de woongemeente en/of burgemeester en wethouders van de contactgemeente van de regio voortijdig schoolverlaten waarbij de woongemeente is aangesloten.

De maandelijkse gegevensverstrekking heeft alleen betrekking op personen van wie bij de IB-Groep een sofinummer bekend is. Het schoolverzuim/voortijdig schoolverlaten van illegalen en andere personen aan wie een onderwijsnummer is toegekend (1,46% van het totaal), kan dus niet op deze wijze worden aangepakt. Dat is voor wat betreft de illegalen een bewuste keuze. Illegale kinderen vallen namelijk onder de leerplicht. Hun ouders zullen hen waarschijnlijk niet inschrijven bij een school als dit ertoe leidt dat de gemeente de beschikking krijgt over hun naam en adres. De uitsluiting van personen met een onderwijsnummer leidt ertoe dat ook klein aantal niet-illegalen van de maandelijkse gegevensverstrekking wordt uitgezonderd. Dit is echter onvermijdelijk omdat de IB-Groep niet weet wie illegaal is en wie niet. Bovendien gaat het hierbij om een beperkte groep, te weten legaal in Nederland schoolgaande buitenlandse kinderen, legaal in Nederland verblijvende buitenlandse kinderen die nog geen sofi-nummer hebben, legaal in Nederland verblijvende buitenlandse kinderen die nog niet in het GBA zijn opgenomen en Nederlandse kinderen waarbij de identificatie met het GBA problematisch verloopt. Laatstgenoemde subgroepen krijgen uiteindelijk toch een sofinummer. Bij de eerste subgroep (legaal in Nederland schoolgaande buitenlandse kinderen) gaat het met name om buitenlandse kinderen uit de grensstreek die niet woonachtig zijn in een Nederlandse gemeente en daardoor niet onder de RMC-regeling en de Leerplichtwet 1969 vallen.

Voorts wordt in de Wvi geregeld dat de IB-Groep op verzóek van burgemeester en wethouders gegevens kan verstrekken van een bepaalde 4- tot 23-jarige zonder startkwalificatie (artikel 9e, vierde lid). Ook hier kunnen alleen gegevens worden verstrekt aan burgemeester en wethouders van de woongemeente of van de contactgemeente van de regio voortijdig schoolverlaten waartoe de woongemeente behoort. Deze mogelijkheid is van belang als een gemeente wil weten of een concrete persoon voldoet aan bepaalde criteria voor absoluut verzuim dan wel preventieve acties wenst te ondernemen in relatie tot verzuim.

De IB-Groep kan geen mededelingen doen over personen die nog nooit bij een Nederlandse school of (onderwijs-)instelling zijn ingeschreven, omdat ze hierover geen gegevens heeft.

Deze vorm van informatieuitwisseling tussen de IB-Groep en gemeenten past bij de filosofie van het burgerservicenummer, volgens welke burgers hun gegevens slechts één keer hoeven te leveren aan overheidsinstellingen. In dit geval wordt het principe toegepast op de gegevenslevering door de scholen.

In het wetsvoorstel is vastgelegd dat de gegevens over in- en uitschrijvingen door de IB-Groep aan de gemeenten verstrekt kunnen worden. Dit voorbehoud is gemaakt omdat de wijze van de verstrekking nader bepaald moet worden. Het voornemen van OCW is om hiervoor de gegevensuitwisseling op beperkte schaal te beproeven.

Op dit moment worden de gegevens over in- en uitschrijvingen aan de gemeenten verstrekt door scholen en instellingen. Vooralsnog blijft deze wettelijke verplichting bestaan.

Door levering van gegevens over in- en uitschrijvingen door de IB-Groep kan de leerlingregistratie die ten grondslag ligt aan leerplichthandhaving en RMC-functie worden versterkt, waardoor de gegevensuitwisseling tussen scholen en gemeente op termijn efficiënter en dus minder belastend zal zijn. Hiermee krijgt de gemeente bijvoorbeeld de beschikking over alle nieuwe inschrijvingen in september en gegevens ten behoeve van de controle van het eigen leerlingenadministratiebestand. Voorts ontvangt de gemeente gegevens van leerlingen van buiten. Dit is van belang voor gemeenten die de gehele schoolpopulatie in beeld willen krijgen (ten behoeve van de lokale onderwijsmonitor). In overleg tussen OCW en de VNG kunnen hierover afspraken worden gemaakt.

Naast het primaire doel van versterking van de gemeentelijke leerlingenregistratie, zal de levering door de IB-Groep aan gemeenten op termijn tot administratieve lastenverlichting bij de scholen kunnen leiden. Voorwaarden hiervoor zijn:

a. dat de vermindering van de informatieverstrekking door de school alleen betrekking heeft op informatie waarover de IB-Groep beschikt en die zij ook aan de gemeente levert (voor de overige informatie blijft de school verantwoordelijk),

b. dat de door de IB-Groep verstrekte gegevens juist en volledig blijken,

c. dat de kosten van de verstrekking voor de gemeenten aanvaardbaar zijn en

d. dat gemeenten geen nadelige gevolgen ondervinden bij het uitvoering geven aan de wettelijke taken ten aanzien van leerplicht en RMC-functie.

De proefneming dient hier zicht op te geven.

In verband met het voorgaande is in de artikelen 164e WEC, 103f WVO en 2.3.6d en 2.5.5e WEB de wettelijke basis voor het gebruik van het persoonsgebonden nummer uitgebreid: de gemeente mag het persoonsgebonden nummer gebruiken bij het verwerken van de leerlinggegevens die de IB-Groep heeft verstrekt voor de registratie van leerplichtverzuim en voortijdig schoolverlaten en voor de doorverwijzing van voortijdig schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt.

1.17. Onafhankelijk onderzoek (BVE en HO)

Artikel 9e, vijfde lid, Wvi

Regelmatig worden in opdracht van de minister onderzoeken uitgevoerd door onafhankelijke instellingen naar de kwaliteit en de toegankelijkheid van het beroepsonderwijs, de educatie en het hoger onderwijs. Om deze onderzoeken te kunnen uitvoeren, is het van belang dat de (onderzoeks-) instellingen beschikken over (adres)gegevens van deelnemers en studenten. Deze gegevens zijn opgenomen in het basisregister en zouden dus door de IB-Groep aan de (onderzoeks)instellingen kunnen worden geleverd. Het nieuwe artikel 9e, vijfde lid, Wvi maakt dit mogelijk door te bepalen dat de minister instellingen kan aanwijzen waaraan persoonsgegevens uit het basisregister kunnen worden verstrekt ten behoeve van deze onderzoeken. Het is de bedoeling dat alleen instellingen worden aangewezen die de Gedragscode voor verwerking van persoonsgegevens bij onderzoek en statistiek (Staatscourant 2004, nr. 36) hebben aanvaard.

Een voorbeeld waarvoor de regeling kan worden toegepast, is de studentenmonitor. Jaarlijks worden gegevens verzameld over de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs. Deze gegevens zijn van belang voor onder andere de studiekeuze, kwaliteitsverbetering en de studiefinanciering. Voor de studiekeuze is het oordeel van de studenten over de kwaliteit van het door hen gevolgde onderwijs van belang. Dergelijke studentenoordelen worden ook gebruikt ter ondersteuning van kwaliteitsverbetering.

Voor de studiefinanciering is van belang te weten in hoeverre studenten deel kunnen nemen aan het hoger onderwijs. De studentenmonitor heeft tot doel inzicht te geven in de studiehouding en ontwikkelingen te signaleren met betrekking tot de gedragingen en opvattingen ten aanzien van studie en studenten in Nederland, mede gelet op hun financieel economische achtergrond. Hiertoe worden gegevens over studievoortgang, motivatie, studiekeuze, tevredenheid, tijdsbesteding, inkomsten en uitgaven van studenten in kaart gebracht.

Deze onderzoeken worden uitgevoerd door middel van enquêtes onder studenten. Daarvoor is het nodig dat de IB-Groep de adresgegevens van studenten mag verstrekken aan onderzoekbureaus die opdracht hebben gekregen deze onderzoeken te verrichten. Als opdrachtgever voor deze onderzoeken bepaalt de minister aan welke onderzoeksbureaus deze gegevens mogen worden verstrekt.

In het primair en voortgezet onderwijs worden ook onderzoeken uitgevoerd naar de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs. De voor deze onderzoeken benodigde gegevens worden momenteel aan de onderzoeksinstellingen verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het is niet de bedoeling om in deze bestaande praktijk verandering te brengen. Daarom is de werkingssfeer van het nieuwe vijfde lid van artikel 9e Wvi beperkt tot het beroepsonderwijs, de educatie en het hoger onderwijs.

1.18. Gegevens onderwijskaart (BVE)

Artikel 5b LCW

Op dit moment heeft de IB-Groep een bestand waarin alle gegevens van de onderwijskaarten zijn opgenomen, het zogenaamde Les- en cursusgeldwet (LCW) bestand. De IB-Groep stuurt de onderwijskaart naar de deelnemer, die deze kaart moet gebruiken om zich in te schrijven voor voltijds onderwijs bij een instelling als bedoeld in de WEB. In de onderwijskaart wordt onder andere verklaard dat het eventueel verschuldigde lesgeld zal worden voldaan aan de IB-Groep. Het afleggen van deze verklaring is een voorwaarde voor inschrijving en daarmee een bekostigingsvoorwaarde. De ondertekende onderwijskaart wordt door de instelling naar de IB-Groep gezonden. Uit het LCW-bestand worden nu de geagregeerde aantallen onderwijskaarten per instelling aan Cfi verstrekt. Dit zijn dus uitsluitend die deelnemers die over een onderwijskaart beschikken en waarvan de instelling deze tijdig heeft geretourneerd aan de IB-Groep.

Bij de invoering van de WON verzorgt de IB-Groep een aparte registratie voor het persoonsgebonden nummer (BRON), die gescheiden moet worden van het LCW-bestand. Uit BRON levert IB-Groep aan Cfi bekostigingsrelevante gegevens op individueel niveau (niet tot de persoon herleidbaar). Dit zijn de gegevens van alle leerlingen, dus mogelijk ook van leerlingen waarvan de onderwijskaart niet of niet tijdig bij de IB-Groep is.

Het voorgestelde artikel 5b van de LCW maakt het mogelijk dat de IB-Groep de LCW-gegevens aan die van BRON koppelt en deze voor bekostiging benodigde gegevens vervolgens aan Cfi levert. In de praktijk komt dit erop neer, dat de IB-Groep per persoonsgebonden nummer bepaalt of de instelling naast de leerlinggegevens ten behoeve van BRON ook tijdig een onderwijskaart heeft ingediend en dit aan Cfi meedeelt. Dit is geheel in de lijn met de bedoeling van de WON: minimaal alle bekostigings-informatie beschikbaar stellen op individueel niveau (zij het niet op de persoon herleidbaar) aan Cfi, zodat goede controle in het kader van de Rekenschap kan worden gegarandeerd. Bovendien voegt het toevoegen van deze gegevens geen extra informatie toe aan de informatie die Cfi nu reeds ontvangt. Door deze regeling kunnen mogelijke fouten worden voorkomen die ontstaan door twee gescheiden informatiestromen en de daarvoor benodigde intensieve communicatie, ook met de instellingen, over beide bestanden over grotendeels dezelfde deelnemers.

1.19. Technische wijziging (HO)

Artikel V, onderdeel A, WON

De technische aanpassingen in dit onderdeel zijn nodig in verband met wijziging van artikel 1.1 WHW in een eerdere wet en wijziging van artikel 7.38 WHW in artikel V, onderdeel C, van dit wetsvoorstel.

1.20. Vervallen artikel over verstrekking sofinummer door rijksbelastingdienst (PO)

Artikel XI WON

Ten tijde van de totstandkoming van de WON was de situatie dat iedereen bij de geboorte een sofinummer kreeg toegewezen, maar dat dit nog niet bekend werd gemaakt. Dit gebeurde pas op het 12e jaar. Bij de invoering van de WON in het VO is die bekendmaking op basis van artikel XI, tweede lid, van de WON vervroegd naar 10 jaar. Bij de invoering in het PO zou de bekendmaking van het sofinummer op basis van artikel XI, eerste lid, van de WON worden vervroegd naar 3,5 jaar. Inmiddels is er echter (in november/december 2003) in verband met het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer bij aanvraag van een bankrekening en bij inschrijving bij de kinderdagopvang een integrale aanschrijving geweest aan iedereen vanaf 0 jaar en is (per 2004) ingevoerd dat iedereen binnen 3 weken na inschrijving in het GBA het sofinummer ontvangt. De populatie voor inschrijving in het onderwijs is dus voorzien van het hiervoor benodigde nummer. Uit het voorgaande volgt dat artikel XI, tweede lid, van de WON is uitgewerkt en dat artikel XI, eerste lid, overbodig is geworden. In verband hiermee wordt in het voorliggende wetsvoorstel artikel XI in zijn geheel geschrapt.

1.21. Financiële gevolgen

Aan dit wetsvoorstel zijn geen financiële gevolgen voor de Rijksbegroting verbonden. De wijzigingen brengen weinig financiële verplichtingen met zich mee. Voor een deel gaat het om verschuivingen van werkzaamheden die nu ook al plaats vinden, zoals bij het uitbreiden van de gegevens voor BVE. Deze worden bekostigd uit het oorspronkelijke budget voor de invoering van het onderwijsnummer. Voor een ander deel schept de wet alleen mógelijkheden, zoals het leveren van gegevens over voortijdig schoolverlaten door de IB-Groep aan gemeenten. Over de uitvoering van dit laatste, de kosten en wie er betaalt wordt nog een afzonderlijke beslissing genomen.

1.22. Uitvoerbaarheid

De IB-Groep heeft verklaard dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Het agentschap Centrale financiën instellingen achtte het wetsvoorstel uitvoerbaar mits het op enkele onderdelen zou worden gewijzigd. De desbetreffende wijzigingen (het schrappen van de regeling voor het verstrekken van het sofinummer door de IB-Groep aan de scholen en van het gegeven over het gebruik van ESF-geld voor de leerling of deelnemer) zijn aangebracht.

1.23. Reactie op advies Actal

Het adviescollege toetsing administratieve lasten heeft bij brief van 24 februari 2005, kenmerk RL/EA/2005/038, advies uitgebracht over de twee wetsvoorstellen die zijn samengevoegd tot het voorliggende wetsvoorstel. Het College adviseert de wetsvoorstellen niet in te dienen, tenzij met zijn opmerkingen rekening is gehouden.

Het College adviseert in de eerste plaats, de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de burgers in beeld te brengen.

De gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de burgers zijn beperkt. Er is een vermeerdering van de administratieve lasten met 1/60 * 125 000 (aantal nieuwe studenten per jaar) * 1 = 2 083 uur als gevolg van de aanmelding van het persoonsgebonden nummer bij IB-Groep. In euro’s uitgedrukt bedraagt de vermeerdering voor burgers € 41 660 (€ 20 * 2083).

Het College adviseert scholen en instellingen niet meer in alle gevallen de mogelijkheid te geven het sofi-nummer op te vragen. Deze mogelijkheid is uit het wetsvoorstel geschrapt.

Het College benadrukt dat de invoering van het onderwijsnummer de mogelijkheid geeft om de lasten voor de burger te verminderen. Door de invoering van het onderwijsnummer ontstaat een «basisregistratie onderwijsresultaten». Een individu zou daarom, in zijn communicatie met de overheid over zijn opleidingenprofiel, moeten kunnen volstaan met het vermelden van zijn onderwijsnummer in plaats van het vermelden van zijn opleidingen.

Voor de BVE- en HO-sector voorziet dit wetsvoorstel in de mogelijkheid van levering van vooropleidingsgegevens door de IB-Groep. De verplichting tot levering van vooropleidingsgegevens door de HO-student kan daardoor waarschijnlijk voor een deel vervallen (niet geheel, omdat de vooropleidingsgegevens op het moment van inschrijving mogelijk nog niet door de IB-Groep kunnen worden verstrekt). Met de IB-Groep zal worden bekeken of nog meer mogelijkheden aanwezig zijn om gegevensverstrekking via de IB-Groep te laten verlopen. Met dit wetsvoorstel kan echter niet worden gewacht totdat dit is uitgezocht, omdat een aantal wijzigingen op korte termijn moeten worden ingevoerd. Overigens mag de IB-Groep de vooropleidingsgegevens niet zonder wettelijke basis doorleveren aan andere overheidsinstellingen.

Het College merkt op dat niet is aangegeven of administratieve lasten, zoals het vermelden van de opleidingsgegevens binnen de Wet Studiefinanciering 2000, geschrapt kunnen worden. Ook is niet aangegeven of het lBG-correspondentienummer met de invoering van het persoonsgebonden onderwijsnummer kan vervallen.

In het kader van de invoering van het burgerservicenummer zullen de andere bij de IB-Groep gehanteerde nummers gefaseerd komen te vervallen. Fasering is noodzakelijk gezien de benodigde aanpassingen die aangebracht moeten worden in de systemen. Voorts kunnen de verschillende gegevensbestanden van de IB-Groep niet zonder wettelijke basis aan elkaar worden gekoppeld. De Wet bescherming persoonsgegevens is bij een dergelijke verstrekking van gegevens/informatie onverkort van toepassing. Dit betekent dat er zonder gerechtvaardigde doeleinden geen koppelingen en verstrekkingen kunnen zijn.

Het College adviseert de volledige strekking van het onderwijsnummer binnen het onderwijsveld en eventuele mogelijkheden om de lastendruk te verminderen, in beeld te brengen en kwantitatief te onderbouwen.

De WON is in 2001 aangenomen. Het voert te ver om in het kader van het voorliggende wetsvoorstel alsnog de gevolgen van de WON voor de administratieve lasten in beeld te brengen.

Het College adviseert tevens te zoeken naar mogelijkheden om door gebruik van het persoonsgebonden nummer binnen het niet-bekostigde onderwijs overbodige administratieve lasten voor het bedrijfsleven en burgers te schrappen.

Dit wordt in samenwerking met de IB-Groep door het ministerie onderzocht.

Het College adviseert tot slot in beeld te brengen welke Informatieverplichtingen geschrapt kunnen worden als het persoonsgebonden nummer wordt vervangen door het Burgerservicenummer (BSN). Het College wijst erop reeds nu verschillende formulieren aan te passen om de overstap met zo min mogelijk administratieve lasten gepaard te laten gaan.

Naar verwachting zal het effect van BSN voor leerlingen en scholen gering zijn. Mogelijk wordt identificatie van de leerling eenvoudiger. Overigens is dit een onderwerp dat niet bij het huidige wijzigingsvoorstel hoort.

1.24. Reactie op advies College bescherming persoonsgegevens

Ook het College bescherming persoonsgegevens heeft advies uitgebracht over de twee wetsvoorstellen die tot het voorliggende wetsvoorstel zijn samengevoegd (advies van 1 maart 2005, kenmerk z2004–1728, en advies van 29 maart 2005, kenmerk z2005–0118). Aan alle opmerkingen van het college is tegemoet gekomen. Verder heeft het college advies uitgebracht over een aanvulling op de regeling voor het beschikbaar stellen van gegevens aan gemeenten ter bestrijding van leerplichtverzuim en voortijdig schoolverlaten (advies van 15 september 2005, kenmerk z2005–0682). Naar aanleiding hiervan is de wettelijke grondslag voor het gebruik van het persoonsgebonden nummer uitgebreid en is de toelichting aangevuld.

Advies van 1 maart 2005

Het College adviseert om in het voorgestelde artikel 9a, eerste lid onderdeel e, van de Wvi ter voldoening aan het noodzakelijkheidsprincipe van de Wet bescherming persoonsgegevens «nodig hebben» te vervangen door: noodzakelijk zijn.

Dit advies is opgevolgd.

Volgens het College is niet duidelijk of de keuze voor een bewaartermijn van twintig jaar een logisch gevolg is van het gestelde in de toelichting. Voorts merkt het College op dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden bewaard, bepaalt welke gegevens noodzakelijkerwijs bewaard moeten worden en welke niet.

Naar aanleiding hiervan is de verlenging van de bewaartermijn in artikel 9b, derde lid, Wvi beperkt tot bepaalde gegevens die van belang zijn voor het voorkomen van onterechte bekostiging van tweede en derde studies in het hoger onderwijs. Voor die gegevens is de bewaartermijn dan wel opgerekt tot vijftig jaar (de huidige bewaartermijn van gegevens in het Centraal register hoger onderwijs). In de toelichting is aangegeven dat alleen op deze wijze kan worden voorkomen dat tweede en derde studies ten onrechte worden bekostigd.

Het College heeft vragen over de relatie tussen de voorgestelde regeling voor gegevensuitwisseling tussen HO-instellingen in artikel 7.52 WHW en de in artikel 9a, eerste lid, onderdeel f, Wvi opgenomen regeling voor de uitwisseling van vooropleidingsgegevens uit het BRON.

De toelichting op artikel 7.52 WHW (paragraaf 1.12) is aangevuld met de opmerking dat de gegevensuitwisseling zoals mogelijk gemaakt in het nieuwe vijfde lid van belang is, omdat het mogelijk is dat het BRON nog niet over de vooropleidingsgegevens beschikt op het moment dat de student zich wenst in te schrijven.

Naar aanleiding van de desbetreffende opmerking van het College is in de toelichting op het voorgestelde artikel 9b, derde lid, Wvi «vitaal belang» vervangen door: belang.

Het College plaatst vraagtekens bij artikel 7.42a WHW, waarin een bewaartermijn van twintig jaar wordt voorgesteld voor persoonsgegevens van studenten die zijn uitgeschreven zonder een getuigschrift te hebben behaald.

Het voorgestelde artikel 7.42a WHW is geschrapt na overleg met VSNU en de HBO-raad over de bezwaren van het College.

Advies van 29 maart 2005

Op de opmerkingen van het College over de regeling voor het verstrekken van het sofinummer door de IB-Groep aan scholen en instellingen behoeft niet meer te worden ingegaan, omdat die regeling is geschrapt.

Op advies van het College is in paragraaf 1.17 van de memorie van toelichting een verwijzing opgenomen naar de Gedragscode voor verwerking van persoonsgegevens bij onderzoek en statistiek, opdat duidelijk wordt dat deze code medebepalend is bij de keuze van de minister voor onderzoeksbureaus.

Advies van 15 september 2005

Dit advies heeft betrekking op het nieuwe artikel 9e, derde en vierde lid, van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank. Hierin is bepaald dat de IB-GROEP maandelijks aan burgemeester en wethouders gegevens kan verstrekken van personen tussen 4 en 23 jaar, met een sociaal-fiscaalnummer en zonder startkwalificatie, van wie een in- of uitschrijving is verwerkt in het basisregister. Verder is geregeld dat de IB-GROEP desgevraagd aan burgemeester en wethouders gegevens kan verstrekken van een bepaalde 4- tot 23-jarige zonder startkwalificatie. In het oorspronkelijke voorstel, waarover geen opmerkingen zijn gemaakt door het college en de Raad van State, werd alleen informatie geleverd over leerlingen en deelnemers bij wie sprake was van leerplichtverzuim of voortijdig schoolverlaten. Het nieuwe voorstel is meer in overeenstemming met de huidige wetgeving met betrekking tot de leerplicht en het voortijdig schoolverlaten. Alle leerlingen en deelnemers zonder startkwalificatie van wie een in- of uitschrijving is verwerkt in het basisregister, worden in het nieuwe voorstel door de Informatie Beheer Groep aan de gemeente gemeld.

Het college merkt op, dat door het voorstel een tweede gegevensstroom naar de gemeente ontstaat, naast de bestaande gegevensverstrekking door de scholen. Volgens het college lijkt gelijktijdige aanpassing van de Leerplichtwet en de RMC-wet geboden. Deze opmerking van het college heeft geen betrekking op de nieuwe elementen van het voorstel. Naar aanleiding van deze opmerking is de toelichting op de wijziging van artikel 9e aangevuld.

Aan het bezwaar van het college, dat geen wettelijke grondslag is aangegeven voor dit gebruik van het sofinummer, is tegemoetgekomen door een dergelijke wettelijke grondslag op te nemen in de artikelen 164e WEC, 103f WVO en 2.3.6d en 2.5.5e WEB.

Het college merkt op dat niet blijkt waarom scholen hun wettelijke plicht tot leveren niet nakomen en vraagt zich af, of het wel effectiever zal werken als de gemeenten ook van de IB-GROEP leerlinggevens krijgen. Hierop is in paragraaf 1.16 nader ingegaan. Voorts verwijst het college naar de ontwikkelingen rond het burgerservicenummer. Daarop is in paragraaf 1.25, mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State, nader ingegaan.

In de bijlage bij het advies van het College bescherming persoonsgegevens wordt nog gewezen op de noodzaak van een in de wet verwoorde doelaanduiding voor het gebruik van het sofinummer, het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Het doel van het onderhavige gebruik van het sofinummer blijkt uit voornoemde wettelijke grondslag in de artikelen 164e WEC, 103f WVO en 2.3.6d en 2.5.5e WEB. Op grond van het wetsvoorstel krijgt geen enkele instantie meer informatie dan waarop hij nu al recht heeft. In dat opzicht is er dus geen extra aantasting van de privacy. Wat betreft de proportionaliteit en de subsidiariteit kan het volgende worden opgemerkt. De Informatie Beheer Groep beschikt al over de desbetreffende informatie. Op dat gebied hoeven dus geen nieuwe acties te worden ondernomen. De gegevensuitwisseling met de gemeenten wordt door alle partijen goed uitvoerbaar geacht. Deze route is eenvoudiger dan de oorspronkelijke, omdat de gemeenten met één aanbiedende partij te maken hebben.

1.25. Relatie met wetsvoorstel burgerservicenummer

Er zijn twee wetsvoorstellen die gevolgen hebben voor de materie die in het voorliggende wetsvoorstel wordt geregeld. Het betreft het voorstel van wet houdende algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer) (Kamerstukken II 2005/06, 30 312, nr. 2) en het voorstel van wet houdende aanpassing van enige wetten in verband met de invoering van het burgerservicenummer (Aanpassingswet burgerservicenummer). In eerstgenoemd wetsvoorstel wordt onder andere geregeld dat sofinummers die voorkomen in de Gemeentelijke basisadministratie worden omgezet in burgerservicenummers en dat aan personen die nog geen burgerservicenummer hebben bij inschrijving in de Gemeentelijke basisadministratie een burgerservicenummer wordt toegekend. In laatstgenoemd wetsvoorstel wordt de onderwijswetgeving in die zin aangepast, dat «sociaal-fiscaalnummer» telkens wordt vervangen door «burgerservicenummer».

Volgens planning wordt met het invoeringstraject van de regeling van het onderwijsnummer in de WON voor het PO gestart in de loop van het schooljaar 2005–2006. Het is dringend gewenst dat het onderhavige wetsvoorstel zo snel mogelijk in het Staatsblad wordt geplaatst om te voorkomen dat ook in het schooljaar 2006–2007 moet worden gewerkt met de inmiddels gedeeltelijk verouderde regeling van de WON.

Naar verwachting vindt de omzetting van sofinummers in burgerservicenummers op grond van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer plaats in de eerste helft van 2006. Het onderhavige wetsvoorstel zal naar verwachting niet eerder dan medio 2006 in werking treden, zodat in dat geval het sofinummer in het wetsvoorstel telkens vervangen zal worden door burgerservicenummer. Dit zal worden geregeld in het voorstel voor de Aanpassingswet burgerservicenummer of (bij nota van wijziging) in het onderhavige wetsvoorstel zelf (afhankelijk van de vraag, welke van beide wetsvoorstellen het laatst bij de Eerste Kamer wordt ingediend).

Over de gevolgen van het burgerservicenummer voor het onderwijs kan het volgende worden opgemerkt. Op grond van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer worden in eerste instantie alleen de sofinummers die voorkomen in het GBA omgezet in burgerservicenummers. Ook worden burgerservicenummers in eerste instantie alleen bij inschrijving in het GBA toegekend. Dit betekent dat er gedurende enige tijd personen zullen zijn die wel beschikken over een sofinummer, maar niet over een burgerservicenummer (meestal personen die net over de grens wonen en in Nederland werken, of hun kinderen). Op grond van een overgangsartikel in het voorstel voor de Aanpassingswet burgerservicenummer, kan de IB-Groep tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gebruik blijven maken van andere nummers dan het burgerservicenummer. Als de niet in het GBA ingeschreven betrokkene al bij de IB-Groep bekend is, kan de IB-Groep dus gebruik blijven maken van zijn sofi-nummer. Als een dergelijk persoon nog niet bij de IB-Groep bekend is, zal een onderwijsnummer worden toegekend.

Daarnaast blijven er personen die recht hebben op het volgen van onderwijs, maar niet beschikken over een burgerservicenummer of een sofinummer (dit kunnen personen zijn die net over de grens wonen of illegalen). Ook voor die personen is het onderwijsnummer van belang. De regeling van het onderwijsnummer in de onderwijswetten dient derhalve te worden gehandhaafd.

2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdelen A en B (artikel 40b, derde lid, en 178a, tweede lid onder a, WPO)

Artikel II, onderdelen A en B (artikel 42a, derde lid, en 164a, tweede lid onder a, WEC)

Artikel III, onderdelen A en B (artikel 27b, derde lid, en 103b, tweede lid onder a, WVO)

Artikel IV, onderdelen A, D en I (artikel 2.3.6a, tweede lid onder a, 2.5.5a, tweede lid onder a, en 8.1.1a, WEB)

Artikel V, onderdeel F (artikel 7.52, tweede lid onder a, WHW)

Hierin is voor alle onderwijssectoren een uitbreiding van de gegevensset geregeld ten behoeve van de controle op de identiteit van de leerling/deelnemer/student. Zie verder paragraaf 1.1 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel I, onderdeel B (artikel 178a, tweede lid, WPO)

Artikel II, onderdeel B (artikel 164a, tweede lid, WEC)

Artikel III, onderdeel B (artikel 103b, tweede lid WVO)

Deze onderdelen bevatten een wijziging van de bekostigingsgegevens in de PO-, (V)SO- en VO-sector. Zie verder paragraaf 1.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel I, onderdeel B (artikel 178a, derde lid, WPO)

Artikel II, onderdeel B (artikel 164a, derde lid WEC)

Artikel III, onderdeel B (artikel 103b, derde lid, WVO)

Artikel IV, onderdelen A en D (artikel 2.3.6a, derde lid, en 2.5.5a, derde lid, WEB)

Artikel V, onderdeel E (artikel 7.52, derde lid, WHW)

Deze onderdelen voorzien erin dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat 1 of meer gegevens niet meer behoeven te worden verstrekt. Zie verder paragraaf 1.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel I, onderdelen B en C (artikel 178a, zevende lid, en 178b, eerste lid, WPO)

Artikel II, onderdelen B en C (artikel 164a, achtste lid, en 164b, eerste lid, WEC)

Artikel III, onderdelen B en C (artikel 103b, achtste lid, en 103c, eerste lid, WVO)

Artikel IV, onderdelen B, C, E en F (artikel 2.3.6a, zesde lid,2.3.6b. eerste lid, 2.5.5a, zevende lid, en 2.5.5b, eerste lid, WEB)

Artikel V, onderdeel E (artikel 7.52 WHW)

Artikel VI, onderdeel B (artikel 9b, eerste lid, Wvi)

Hierin is voor alle onderwijssectoren geregeld dat gegevens over de nationaliteit van de leerling/deelnemer/student mogen worden opgevraagd bij de instelling en opgeslagen in het Bron. Zie verder paragraaf 1.4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel II, onderdelen B en D (artikel 164a, negende lid, en 164d, vierde lid, WEC)

Artikel III, onderdelen B en D (artikel 103b, negende lid, en 103d, vierde lid, WVO)

Artikel IV, onderdelen A, C, D en H (artikel 2.3.6a, zevende lid, 2.3.6d, vierde lid, 2.5.5a, achtste lid, en 2.5.5d, vierde lid WEB)

Deze onderdelen regelen het gebruik van het persoonsgebonden nummer als uniek nummer voor Europese subsidies. Zie verder paragraaf 1.5 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel IV, onderdelen A en D (artikel 2.3.6a, tweede lid, en 2.5.5a, tweede lid, WEB)

Zie paragraaf 1.6 van deze toelichting (wijziging van bekostigingsgegevens BVE).

Artikel IV, onderdeel A (artikel 2.3.6a, tweede lid onder g, WEB)

Zie paragraaf 1.7 van deze toelichting (aanpassing gegevensset voor wat betreft examenresultaten VAVO)

Artikel V, onderdelen B en C (artikel 7.37, derde lid, en 7.38 (nieuw) WHW)

Zie paragraaf 1.8 van deze toelichting (aanmelding bij IB-Groep met persoonsgebonden nummer).

Artikel V, onderdeel D (artikel 7.39 WHW (nieuw))

Zie paragraaf 1.9 van het algemeen deel van deze toelicbting (levering adres en woonplaats).

Artikel V, onderdeel E (artikel 7.52, zesde lid, WHW)

Hierin is geregeld dat de gegevensuitwisseling tussen instellingen in het hoger onderwijs en tussen een instelling in het hoger onderwijs en een andere onderwijsinstelling kan plaatsvinden aan de hand van het persoonsgebonden nummer. Zie verder paragraaf 1.10 van deze toelichting.

Artikel V, onderdeel G (artikel 18.59 WHW)

Zie paragraaf 1.11 van deze toelichting (overgangsrecht CRIHO).

Artikel VI, onderdelen A en C (artikel 9a, eerste lid, en 9d, eerste lid, Wvi)

Deze onderdelen maken het mogelijk dat de IB-Groep uit het BRON gegevens verstrekt over de vooropleiding van (toekomstige) studenten. Zie verder paragraaf 1.12 van deze toelichting.

Artikel VI, onderdeel B (artikel 9b, eerste lid, Wvi)

Hierin worden de gegevens over het verblijfsrecht van vreemdelingen uit de gegevensset in het PO, (V)SO en VO geschrapt. Zie verder paragraaf 1.13 van deze toelichting.

Artikel VI, onderdeel B (artikel 9b, tweede lid, Wvi)

Zie paragraaf 1.14 van deze toelichting (opneming in het Bron van gegevens die zijn geleverd door de school/instelling als GBA-gegevens ontbreken).

Artikel VI, onderdeel B (artikel 9b, derde lid (nieuw) Wvi)

Hierin wordt de bewaartermijn van persoonsgegevens in het BRON verlengd tot 50 jaar. Zie verder paragraaf 1.15 van deze toelichting.

Artikel VI, onderdeel D (artikel 9e, derde en vierde lid, Wvi)

Zie paragraaf 1.16 van deze toelichting (door de IB-Groep beschikbaar stellen van gegevens aan gemeenten ter bestrijding van verzuim leerplicht en voortijdig schoolverlaten).

Artikel VI, onderdeel D (artikel 9e, vijfde lid, Wvi)

Hierin is geregeld dat de IB-Groep de persoonsgegevens kan verstrekken aan door de minister aangewezen onderzoeksinstellingen. Zie verder paragraaf 1.17 van deze toelichting.

Artikel VII (artikel 5b LCW)

Hierin is geregeld dat de IB-Groep aan de minister gegevens van de onderwijskaart mag verstrekken ten behoeve van de bekostiging van BVE-instellingen. Een soortgelijke regeling is niet opgenomen voor het primair en voortgezet onderwijs, omdat in die sectoren het lesgeld en daarmee ook de onderwijskaart vervallen. Zie verder paragraaf 1.18 van deze toelichting.

Artikel VIII, onderdeel A (artikel V, onderdeel A, WON)

Dit onderdeel bevat technische aanpassingen. Zie paragraaf 1.19 van deze toelichting.

Artikel VIII, onderdeel B (artikel XI WON)

Zie paragraaf 1.20 van deze toelichting.

Artikel IX

De wijzigingen in de bepalingen die de WON toevoegt aan de WPO, de WEC en de WHW treden in werking op de dag nadat dit wetsvoorstel tot wet is verheven en in het Staatsblad is geplaatst. In de aanhef van deze wijzigingen is echter vermeld dat zij pas worden aangebracht als de desbetreffende bepalingen van de WON in werking zijn getreden. Zoals in het begin van hoofdstuk 1 al is opgemerkt, wordt gestreefd naar inwerkingtreding van de WON-bepalingen in de WPO, de WEC en de WHW in de tweede helft van 2006.

De wijzigingen van de WVO, WEB en de Wvi, waarin de bepalingen van de WON reeds zijn opgenomen, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Er wordt naar gestreefd om hiervoor ook een tijdstip in de tweede helft van 2006 te nemen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven