Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201030388 nr. 36

30 388
Eergerelateerd geweld

nr. 36
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 9 maart 2010

De vaste commissie voor Justitie1 en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 hebben op 11 februari 2010 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie en staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 2 juli 2009 met daarin de vijfde voortgangsrapportage Programma Eergerelateerd Geweld (30 388, nr. 34);

– de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 18 november 2009 betreffende de PilotsEergerelateerd Geweld(30 388, nr. 35).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Smeets

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava

Voorzitter: De Pater-van der Meer

Griffier: Van Doorn

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: De Pater-van der Meer, Karabulut, Sterk, De Krom, Arib en Azough,

en minister Hirsch Ballin en staatssecretaris Bussemaker, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministeries.

De voorzitter: Ik open de vergadering en heet alle aanwezigen welkom.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Wij hebben het vandaag over eergerelateerd geweld. Naar aanleiding van de casus Suat hebben enkele Kamerleden onder wie ikzelf schriftelijke vragen gesteld. Dit is een lastig en ingewikkeld maar ontzettend belangrijk vraagstuk, omdat het uiteindelijk gaat om mensenrechten en mensenlevens. Daarom is het goed dat de Kamer het al jarenlang eens is over het belang van het voorkomen en bestrijden van eergerelateerd geweld. Hierbij zijn heel veel partijen betrokken: politie, justitie, hulpverleners en zelforganisaties. Het is heel belangrijk dat al deze organisaties samenwerken om eergerelateerd geweld te herkennen, ernaar te handelen en vooral om nog meer slachtoffers te voorkomen. Vorig jaar heb ik mijn zorgen geuit over de gebrekkige afstemming en samenwerking tussen de verschillende partijen. De minister deelde deze zorg. Hoe vindt de minister de samenwerking verlopen? Ik maak mij nog steeds grote zorgen, bijvoorbeeld door de casus Suat, waarover vorig jaar in Trouw is geschreven. Toen meisje Suat voor het eerst via school in aanraking kwam met de hulpverlening, was zij minderjarig. Dit meisje is uitgehuwelijkt, verkracht en mishandeld. Ze was opeens verdwenen. De antwoorden van de minister roepen bij mij heel veel vragen op, want alles wijst erop dat dit een geval is van eergerelateerd geweld. De minister schrijft in zijn beantwoording dat er geen sprake lijkt te zijn van eerwraak of onvrijwillig vertrek uit Nederland, maar erkent hij dat hier wel degelijk sprake is van eergerelateerd geweld? De minister schrijft dat ook hij het teleurstellend vindt dat de autoriteiten niet sneller grip hadden op de situatie. Mijn vraag blijft of de aanpak van eergerelateerd geweld hier gefaald heeft en of de remigratie van meisje Suat voorkomen had kunnen worden. Het is absoluut niet mijn bedoeling om te zwartepieten, want ik twijfel niet aan de betrokkenheid, inzet en goede bedoelingen van alle professionals, maar ik heb wel veel vragen. Waarom is dit meisje bijvoorbeeld niet onder toezicht gesteld? Waarom lopen de daders vrij rond? Vader is, naar ik begrepen heb, met het meisje en de andere kinderen terug naar het land van herkomst. De officieuze ex van dit meisje woont klaarblijkelijk nog in Den Haag. Waarom is er, na het plotselinge vertrek van vader en de kinderen, pas drie jaar nadat de eerste meldingen binnenkwamen aangifte gedaan en een strafrechtelijk onderzoek gestart? Hoe staat het met het onderzoek naar vader en de ex-partner? Ik vraag mij af wat er aan opsporing en vervolging wordt gedaan als deze gestoorde types – zo noem ik hen – vrijuit gaan. Is Suat nog in leven? Dit is een heel belangrijke vraag. Hoe weten wij zeker dat met dit meisje is gesproken? Er is contact geweest, maar hoe kunnen wij weten dat zij het echt was en dat ze nog in leven is?

Ik heb vorig jaar ook al verzocht om de aanwijzing eergerelateerd geweld die het Openbaar Ministerie zou opstellen, te bespoedigen, opdat er daadwerkelijk tot strafrechtelijk onderzoek kan worden overgegaan en vervolging van daders vlotter kan plaatsvinden. De minister heeft toegezegd dit te zullen doen, maar de aanwijzing is er nog steeds niet. Ik heb begrepen dat die zo goed als af is, maar waarom duurt het zo ontzettend lang? Wanneer wordt die aanwijzing van kracht? Mijn fractie juicht het toe dat in de Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling eergerelateerd geweld expliciet meegenomen zal worden, als ondersteuning voor professionals om eergerelateerd geweld te signaleren en daarnaar te handelen. Hoe staat het hiermee? Kan het wat sneller? Deskundigheidsbevordering is ook volgens de professionals hard nodig. Niet alleen de maatschappelijk werker constateerde in het geval van Suat een hiaat. Ook Maud Groenberg, bestuurder van de Bureaus Jeugdzorg Haaglanden, gaf in actualiteitenprogramma NOVA aan dat meisjes te vroeg naar huis worden gestuurd. Alle minderjarige meisjes die in Nederland worden uitgehuwelijkt, moeten volgens haar onmiddellijk onder toezicht komen te staan van de kinderbescherming. Ik ben het helemaal met haar eens. De zaak Suat is voor mij hiervan het bewijs. Ik kan er niet bij dat dat meisje blijkbaar is uitgehuwelijkt. Wat vindt de minister hiervan?

Jeugdzorg moet wat de SP betreft een veel duidelijker rol krijgen in het Programma Eergerelateerd Geweld en de deskundigheidsbevordering van jeugdzorgmedewerkers moet verbeterd en uitgebreid worden. Daar moeten deze medewerkers alle tijd, ruimte en middelen voor krijgen.

In de beantwoording van de schriftelijke vragen schrijft de minister dat het Bureau Jeugdzorg en het AMK aanvullend geïnformeerd zullen worden over eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en achterlating. Ik maak hieruit op dat dit nog niet is gebeurd. Hoe kan dat? Wanneer gaat dat wel gebeuren? Hoe staat het met de rest van het programma deskundigheidsbevordering onder de verantwoordelijkheid van minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin? De minister van Justitie erkent in de brief dat de aanpak van eergerelateerd geweld nog niet echt staat. Hij stelt dat er nog wordt gewerkt aan een model voor bestuurlijke regie door gemeenten. Ik vraag de minister om opperregisseur te blijven, totdat de aanpak van eergerelateerd geweld volledig staat en geïnstitutionaliseerd is. Natuurlijk moet de samenhangende aanpak onder de regie van de gemeenten vorm krijgen en uitgevoerd worden. Zij zitten immers het dichtst op de mensen. Ik ben het eens met de minister dat we geen nieuwe infrastructuur moeten verzinnen, maar dat we moeten aansluiten bij Advies- en Steunpunten Huiselijk Geweld. Daar moeten dan wel landelijke kaders voor komen, zodat eergerelateerd geweld overal zo veel mogelijk voorkomen kan worden. Ik kreeg tijdens mijn bezoek aan het Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld in de gemeente Rotterdam te horen dat vanwege het gebrek aan eenduidigheid bij gemeenten slachtoffers die van de ene naar de andere regio verhuizen, opnieuw moeten beginnen met het hulpverleningsproces. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Zijn de minister en de staatssecretaris bereid om landelijke kaders op te stellen voor de regierol van centrumgemeenten, zodat er een eenduidig, landelijk dekkend netwerk komt?

Kunnen wij met de minister afspreken dat alle politiebureaus per 1 januari 2011 eergerelateerd geweld gaan registeren?

Over de financiering van het Landelijk Expertisecentrum (LEC) zou de minister in overleg treden met zijn collega van Binnenlandse Zaken. Hij zegt dat hij dat gedaan heeft, maar hij heeft het vooruitgeschoven. Ik wil niet nog langer wachten. Er zitten daar mensen die 24 uur per dag bereikbaar zijn voor vragen, die onderzoek verrichten en een systeem opzetten voor betere registratie. Dat zijn politiemensen die bereid zijn structureel over te werken en die de meest verschrikkelijke dingen meemaken, terwijl het ziekteverzuim toch nog geen 2% is. Het enige wat daarvoor nodig is, is 1,3 mln. structureel per jaar. Wil de minister dat gaan regelen en garanderen?

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Er stond een groot verhaal over Suat in de Trouw en later besteedde ook NOVA er aandacht aan. Suat werd in Nederland als meisje van dertien jaar uitgehuwelijkt aan een man van 24. Na overleg met haar vader werd besloten dat ze om de dag seks met hem moest hebben. Ze is weggevlucht naar een tehuis, maar na overleg met haar ouders uiteindelijk weer teruggekeerd op voorwaarde dat ze zouden scheiden. Dat is gebeurd, maar uiteindelijk is het meisje – inmiddels achttien jaar oud – wel geïmmigreerd naar het land van herkomst. Uit onderzoek blijkt dat Irak te zijn. Ze zou daar vrijwillig verblijven, want er is immers per telefoon contact geweest. Op zich lijkt dat positief, maar ik stel er toch wel de vraag bij hoe betrouwbaar die informatie is. Als wij deze casus van dertien- tot achttienjarige leeftijd bekijken zijn er een aantal momenten geweest waarop we ons kunnen afvragen of de gegeven antwoorden echt bij haar vandaan kwamen of onder druk van de familie tot stand zijn gekomen. Hoe zeker weten wij dat er tijdens het telefoongesprek met dat meisje niet een familielid naast zat, die druk op haar legde om aan te geven dat het goed ging? Hoe kan een meisje dat hier is opgegroeid en naar school is gegaan, gelukkig zijn met een toekomst in Noord-Irak? Ik heb daar mijn vraagtekens bij. Ik hoop dat de minister mij kan geruststellen.

Wij weten dat dit gebeurt, omdat steeds meer meisjes gelukkig inzien dat het niet normaal is wat ouders soms onder druk van hen vragen. Dat zijn de positieve gevolgen van de emancipatie die gelukkig onder veel allochtone vrouwen tot stand komt. Maar dat gaat niet altijd makkelijk, want allochtone meisjes in onze samenleving moeten twee slagen maken: eerst binnen de familie en dan nog eens in de samenleving. Het probleem van eerwraak lijkt te groeien, maar we hebben feitelijk geen inzicht in de omvang daarvan. Wij kunnen alleen maar gissen. Daarom staat de CDA-fractie dan ook van harte achter het onderzoek, waarin de signalen van de verschillende partners onder leiding van het WODC samengebracht zullen worden. Daaruit moet een beeld komen van wat er precies speelt. Er kunnen vervolgens nog concretere maatregelen worden getroffen en er kan hulp worden geboden.

Ondanks de goede intenties van iedereen is het toch misgegaan in de casus Suat. Het valt in de brief van de minister op dat er helemaal niet gesproken wordt over de jeugdzorg. Ik weet dat dat onder een andere minister valt, maar het is wel een belangrijke groep wat deze meisjes betreft. Het is bekend dat jeugdzorg erop gericht is om het contact tussen ouders en kinderen zo veel mogelijk in stand te houden – heel vaak is dat het allerbeste – en dat heeft men hier ook geprobeerd. Maar juist als het om dit type geweld gaat – of je dat nou psychisch of fysiek uitlegt – is dit uitgangspunt gevaarlijk. Die kennis is nog onvoldoende aanwezig bij de jeugdzorg, zoals ook werd erkend door het Bureau Jeugdzorg in de uitzending van NOVA. Hoe gaan wij ervoor zorgen dat bij de jeugdzorgmedewerkers die kennis tussen de oren komt? Het hoeft wellicht niet onmiddellijk in heel Nederland: we weten wel in welke gebieden dit eerder aan de hand zal zijn. Vanuit de jeugdzorg zelf hoor ik dat hier behoefte aan is, maar dat het nog onvoldoende voorhanden is.

De staatssecretaris beoogde bij de mondelinge vragen over het geval van de vijftien meisjes in Rotterdam die bang waren dat ze zouden worden teruggestuurd naar de landen van herkomst – ook een vorm van eergerelateerd geweld zou je kunnen zeggen – dat geen van de meisjes is teruggestuurd naar haar ouders als er geen plaats was in de opvang voor eergerelateerd geweld. Mij is gebleken dat dit klopt, maar dat het wel de vraag is of de oplossingen die vervolgens gekozen zijn wel zo veilig waren. Ik heb begrepen dat, naast het gegeven dat meisjes in de opvang voor huiselijk geweld terecht zijn gekomen, sommige meisjes gewoon bij vriendinnetjes zijn ondergebracht, wat natuurlijk maar een zeer tijdelijke oplossing is. Eigenlijk weten wij niet hoe het verder is gegaan met deze meisjes. Dat bevestigt des te meer de noodzaak van meer en goede opvang voor deze meiden. Daarom kijken wij reikhalzend uit naar de evaluatie van de pilots en gaan wij ervan uit dat er meer plaatsen zullen komen om deze meisjes op te vangen. De casus Suat geeft aan dat het zeker zinnig is waar wij mee bezig zijn. Mijn complimenten voor het kabinet dat dit thema zo hoog op de agenda is gezet en dat men bezig is om meer samenhang en kennis over dit thema te verkrijgen. Dat is iets van een lange adem, maar het is goed dat er al zo ontzettend veel op de rails is gezet.

Ik gaf al aan het woord jeugdzorg te missen in de brief, maar ik ben ook benieuwd in hoeverre de jeugdgezondheidszorg betrokken is bij de eerwraakproblematiek. Zeker nu het contactmoment voor vijftien- en zestienjarigen er aankomt, is het van groot belang dat ook schoolartsen worden bijgeschoold op dit punt. Graag een reactie hierop.

Ook zou ik graag willen weten in hoeverre er kennis is bij de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechters zelf. Ik heb begrepen dat er wel aanbod is bij deze twee organisaties, maar dat er onvoldoende plaatsen zijn. Het lijkt mij bijzonder relevant om die kennis te hebben als je moet beoordelen in hoeverre kinderen daadwerkelijk gevaar lopen en wat er geregeld zou moeten worden.

Eerwraak speelt in zowel de Turkse als de Koerdische cultuur – overigens wel in meer culturen – en we kennen allemaal de gevoeligheden tussen beide groepen. Wij hebben het IOT vanuit de LOM-organisatie, maar dat is een sterk Turkse instelling. In hoeverre bereikt deze organisatie ook de Koerdische doelgroep?

Er schijnt extra geld naar de centrumgemeenten gegaan te zijn voor de opvang van vrouwen die bedreigd worden door eergerelateerd geweld. Onduidelijk is echter of het daar echt aan is uitgegeven. Kan de staatssecretaris daar iets over zeggen?

Met betrekking tot de strafrechtelijke aanpak wordt 2010 een belangrijk jaar, want dan loopt het project van het LEC ten einde. Wij achten het van belang dat de kennis en kunde behouden blijven in een of andere vorm. Wanneer kan de minister daar helderheid over verschaffen? Acht de minister de kans reëel dat de politie er in 2010 klaar voor is om zelfstandig eergerelateerde geweldzaken te behandelen? Wij plaatsen daar nog vraagtekens bij.

Wij lezen in de brief dat het registratiesysteem zo mogelijk beschikbaar gesteld moet worden aan andere ketenpartners. Kan de minister toelichten aan welke partners hierbij wordt gedacht: het OM, de jeugdzorg, de zorg- en adviesteams? Hoe verhoudt zich dat tot de registraties die nu al in de vrouwenopvang plaatsvinden en welke rol speelt de verwijsindex in dezen?

Een thema dat hier al vaker aan de orde is geweest, maar helaas steeds weer terugkomt, is de onvoldoende borging van de veiligheid van de verblijfplaatsen van deze meisjes. Het gebeurt nog steeds dat gemeenten, zorgverzekeraars en andere instellingen die betrokken zijn bij de opvang van deze meisjes, per ongeluk gegevens bekend maken. Er is één geval bekend – maar wellicht zijn er meer – dat uiteindelijk heeft geleid tot de moord op een meisje, dus het gaat niet om niks. Hoe kunnen wij regelen dat dit soort gegevens niet meer openbaar worden? Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat meisjes die levensgevaarlijk bedreigd zijn, veilig zijn bij deze instellingen en dat er geen fouten gemaakt worden op dat punt?

Mevrouw Arib (PvdA): Ik hoorde mevrouw Sterk iets vragen over de eventuele continuering van het LEC, waaraan ik in het verleden al belang hechtte vanuit de zaak Suat. Ook uit andere zaken blijkt dat de expertise en deskundigheid, waar wij vanuit zouden moeten gaan, niet altijd goed zijn gewaarborgd bij het LEC en dat er inschattingsfouten zijn gemaakt. Hoe kijkt mevrouw Sterk daartegen aan? Is het niet handiger dat eerst gekeken wordt hoe het LEC functioneert, voordat zij over eventuele continuering spreekt?

Mevrouw Sterk (CDA): Laat ik in ieder geval vaststellen dat we nog geen andere instelling of vorm hebben waarin mensen met elkaar samenwerken en op zoek zijn naar een oplossing om dit snel te herkennen en voortijdig in te grijpen. Dat doet het LEC wel. Dat het LEC nog niet perfect is, heeft de zaak Suat helaas bewezen. We zitten natuurlijk wel in een leertraject en ik prijs het kabinet dat er heel veel is opgezet, maar we zijn er nog niet. Het LEC opheffen vind ik een te snelle conclusie, maar wij zijn het ermee eens dat je moet kijken wat we hiervan leren en hoe we dit kunnen aanscherpen. Ik wil graag van de minister weten hoe hij daarover denkt. Wij hebben er vraagtekens bij of de politie zelf al voldoende in staat is om die zaken op waarde te schatten.

Mevrouw Karabulut (SP): Mevrouw Sterk had het over minderjarige meisjes die in Nederland worden uitgehuwelijkt. Vindt zij ook dat die onder toezicht zouden moeten komen te staan van de kinderbescherming, zodra dat geconstateerd wordt?

Mevrouw Sterk (CDA): Ja, dat is inderdaad een heel interessante gedachte. Uiteindelijk is er iets gebeurd dat ingaat tegen wat wij hier in Nederland met elkaar hebben afgesproken: onder de vijftien jaar mag je sowieso niet trouwen en boven de vijftien alleen met toestemming van de Koningin, geloof ik. Je bent gewoon strafbaar als je uitgehuwelijkt bent. De vraag is dan of zo’n meisje extra bescherming nodig heeft. Ik kan me voorstellen dat er in ieder geval een ondertoezichtstelling plaatsvindt.

De heer De Krom (VVD): Voorzitter. Ik heb om te beginnen een vraag over het basismodel meldcode eergerelateerd geweld. Ik lees dat die meldcode op zijn vroegst pas volgend jaar wordt ingevoerd en ik vraag me af waarom dat zo ontzettend lang moet duren. Wij hebben er al heel vaak over gesproken en nu duurt het kennelijk nog een jaar voordat we eindelijk zo’n meldcode hebben. Overigens weet de staatssecretaris dat de VVD-fractie graag een verplichte meldcode zou willen, maar dat wordt het niet. Het baart ons zorgen dat hetgeen het kabinet wel doet, nu nog een jaar moet duren. Ik begrijp niet waarom dat zo lang moet duren. Graag ontvang ik daar een antwoord op.

Ik ben zeer benieuwd naar de rapportage over de cijfers van het LEC, die dit voorjaar verschijnt. We hopen natuurlijk dat die cijfers naar beneden gaan, maar ik betwijfel of dat zo is. Ik ben op bezoek geweest bij een opvanghuis. Wat je daar allemaal hoort, daar word je bepaald niet vrolijk van.

Aan de minister wil ik uitdrukkelijk de vraag stellen hoe het staat met het strafrechtelijk ingrijpen. Ik heb stellig de indruk dat dat nauwelijks gebeurt en dat hoor ik ook uit de praktijk. Ik vraag de minister heel specifiek aan te geven hoe vaak in die gevallen van eergerelateerd geweld die bekend zijn – en dat is nog maar het topje van de ijsberg – er daadwerkelijk strafrechtelijk wordt ingegrepen. Als dat inderdaad nauwelijks gebeurt, waarom is dat dan zo? Wordt er bijvoorbeeld ambtshalve vervolgd of gebeurt dat helemaal niet? Kan er anoniem worden gemeld en, zo ja, waarom gebeurt dat dan niet? Dat baart mijn fractie grote zorgen, want het zijn vaak zulke ernstige misdrijven dat strafrechtelijk ingrijpen gewoon moet als daar een mogelijkheid toe bestaat. Maar ik zie dat in de cijfers niet terug.

Op het punt van de verblijfsrechtelijke consequenties ben ik er ook niet van op de hoogte dat voor daders van eergerelateerd geweld die een verblijfsvergunning hebben, dat ooit heeft geleid tot het intrekken van de verblijfsvergunning. Wij houden separaat een debat over de glijdende schaal en de regering weet wat de VVD-fractie daarvan vindt. Wij hebben recentelijk afschuwelijke voorbeelden gehad, zoals die Irakese slager die zijn schoonmoeder heeft vermoord. Dat zo’n man nog steeds in Nederland rondloopt, vinden wij volstrekt onverteerbaar. Waarom wordt er verblijfsrechtelijk gezien niet ingegrepen?

Ik hoorde tijdens mijn werkbezoek dat 20% van de mensen die bellen voor hulp niet direct kan worden geholpen. Ik vind dat ronduit onacceptabel. Als vrouwen of kinderen in de problemen zitten – dat zijn vaak heel precaire situaties – en de telefoon grijpen voor hulp, dan kan het niet zo zijn dat er, om wat voor reden dan ook, niet direct die hulp wordt geboden die nodig is. Ik zou daarvoor graag van de staatssecretaris een verklaring willen hebben en uitleg over wat zij daaraan gaat doen.

Daarnaast begrijp ik dat er een tekort is aan opvangplaatsen. Ook dat is voor mijn fractie volstrekt onaanvaardbaar. De eerste reactie is dat er geld bij moet, maar als ik kijk hoeveel verschillende organisaties en instanties zich met huiselijk geweld, eergerelateerd geweld en alles wat daarmee te maken heeft bezighouden, dan moet er wel ongelofelijk veel inefficiëntie in het systeem zitten. Maatschappelijk werk, advies- en steunpunten, ggz, GGD, Raad voor de Kinderbescherming, politie, multi-etnische politie-eenheid, jeugdzorg, multiculturele unit welzijn: het zijn er tientallen! In Tilburg was ik op bezoek bij het Veiligheidshuis: in Tilburg zijn er 28 organisaties die zich hiermee bezighouden. Dat werkt natuurlijk allemaal langs elkaar heen en dat coördineert zich een slag in de rondte. Dat die hulp niet direct kan worden geleverd als mensen erom vragen, heeft hiermee te maken. Als wij dat efficiënter zouden doen, ben ik ervan overtuigd dat slachtoffers veel sneller geholpen kunnen worden. Gaat hier het mes in of niet? Dat is gewoon nodig.

Dit is overigens geen kritiek op de mensen die het werk doen op de werkvloer, want die doen dat met hun hart en voor de volle 100%. Daar ben ik zeer van onder de indruk.

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Wij hebben het vandaag over de vijfde voortgangsrapportage Programma Eergerelateerd Geweld, en zoals gebruikelijk worden wij geïnformeerd over de maatregelen die zijn genomen ter bestrijding van eergerelateerd geweld, de stand van zaken en de voortgang. Als ik dat lees, denk ik enerzijds dat het kabinet goed bezig is. Er wordt aandacht gegeven aan maatschappelijke preventie, er wordt voorlichting gegeven op roc’s, er wordt binnen de politiekorpsen aandacht aan besteed, dus op papier ziet het er allemaal prima uit en ik geloof dat een belangrijk deel goed gaat. Maar anderzijds, als er een keer iets naar buiten komt waarbij slachtoffers van eergerelateerd geweld hun verhaal doen, dan schrik ik van de discrepantie tussen wat er op papier staat en wat de werkelijkheid is. Dit is afgelopen maanden uitgebreid aan de orde geweest naar aanleiding van de zaak Suat. Het gaat mij niet om Suat als casus, zoals die oneerbiedig in allerlei antwoorden en stukken wordt besproken, maar om Suat als symbool voor heel veel slachtoffers van eergerelateerd geweld. Ik heb eerder een spoeddebat aangevraagd over Zeynep, die vermoord werd in Alkmaar. Over Sheriff, een manlijk slachtoffer van eergerelateerd geweld, had ik al eerder schriftelijke vragen gesteld, dankzij de media en klokkenluiders. Dan schrik je dat er toch, ondanks al die papieren, dat geld, die voorzieningen, dingen mis kunnen gaan. De zaak Suat heeft heel veel blootgelegd, met name het feit dat zij als dertienjarig meisje is uitgehuwelijkt. Hoe is dat mogelijk? Ik zou willen weten of dat via islamitische wetgeving is gebeurd. Is dat in Nederland gebeurd of in het land van herkomst? Heeft niemand dat in de gaten gehad? Het kan toch niet dat je dit soort praktijken in Nederland tegenkomt? Vanaf haar vijftiende wordt zij dus jarenlang als casus door het Bureau Jeugdzorg, het AMK en de politie besproken, totdat ze achttien is en er verder weinig meer aan gedaan kan worden. In deze zaak is eigenlijk alles misgegaan wat mis kan gaan en zijn er grove inschattingsfouten gemaakt. In de antwoorden zegt de minister dat Suat vrijwillig is teruggegaan, dat zij in het land van herkomst verblijft en dat gedwongen achterlating, uithuwelijking of wat dan ook, niet aan de orde is. Maar zo werd in haar zaak geredeneerd: dat het een vrije keuze was, dat zij degene was die terug wilde naar haar ouders en dat zij op een gegeven moment zei dat het prima ging. Ik vind dat een heel kwalijke zaak en ik zou graag willen weten op basis waarvan wordt geconstateerd dat het goed met haar gaat. Ik begrijp dat het lastig is om hier privacygevoelige gegevens bloot te leggen, maar de conclusie dat het vrijwillig is en goed met haar gaat is erg kort door de bocht.

Wat duidelijk blijkt is dat het LEC, waar de Kamer op hoort te kunnen blindvaren qua informatie, deskundigheid en expertise, ook in al die zaken die ik net noemde, niet goed weet in te schatten wat eergerelateerd geweld is en wat niet. Hoe kan dat? Er gaat heel veel geld naartoe, iedereen vestigt zijn hoop op zo’n centrum – als men hulp of steun nodig heeft is het LEC het centrum dat daar antwoord op heeft – en schijn het er elke keer naast te zitten. In mijn schriftelijke vragen van 27 november 2009 vraag ik gericht naar het functioneren van het LEC. De minister zegt dat de antwoorden worden betrokken bij de antwoorden op andere vragen, maar daarin kom ik het antwoord over het functioneren van het LEC niet tegen. Ik wil toch van de minister horen hoe hij daartegen aankijkt en of hij bereid is het functioneren van het LEC te onderzoeken. Ik vind het belangrijk dat de politiek en de politiekorpsen vertrouwen in het LEC kunnen hebben als het gaat om deskundigheid, analyse en gerichte aanpak. Graag daar een reactie van de minister op.

Ook bij de cijfers die in de voortgangsrapportage worden genoemd, heb ik vraagtekens. Dat zijn cijfers vanuit het LEC, dus het LEC is degene die deskundig is, advies geeft en registreert. In hoeverre hebben wij hier te maken met onafhankelijke informatie? In de voortgangsrapportage wordt op blz. 3 gezegd dat van de 422 zaken van mogelijk eergerelateerd geweld die het LEC in 2006 heeft behandeld, 41% van de betrokkenen van Turks-Nederlandse afkomst is. Mijn vraag gaat vooral over die 422 zaken die mogelijk met eergerelateerd geweld te maken hebben. Gaat het om eergerelateerd geweld of om allerlei problemen van huiselijk geweld en andere dingen die worden meegenomen worden in de cijfers? Ik wil de juiste cijfers, gebaseerd op onafhankelijke gegevens. Bovendien vind ik de cijfers erg verouderd. Graag daar een reactie op.

In dezelfde rapportage kondigde de minister aan dat het tweede onderzoek van het LEC rondom de zomer zou worden afgerond. Na de zomer zou het eerste deelrapport verschijnen, waarin dieper wordt ingegaan op kenmerken van de casuïstiek. Ik heb nog geen onderzoek gezien.

Ik heb samen met collega Kamp een motie ingediend over de effectieve aanpak van daders, die slachtoffers van eergerelateerd geweld het leven zuur maken. Daarin hebben wij de regering gevraagd om in concrete gevallen slachtoffers te beschermen en hen een reëel perspectief te bieden. Ik wil graag weten wat er met die motie is gedaan.

In 2005 is al toegezegd dat er een aanwijzing eergerelateerd geweld van het OM zou komen. Op de laatste mondelinge vragen heeft de staatssecretaris van Justitie geantwoord dat dit in het najaar van 2009 zou zijn, maar er is nog steeds geen aanwijzing van het OM over eergerelateerd geweld.

Ik schrik ervan dat de verplichte meldcode pas in 2011 wordt ingevoerd. Ik wil graag weten waarom het zo lang duurt en of dit niet op korte termijn richting de Kamer kan komen, zodat wij daarmee snel aan de slag kunnen gaan.

Over de specifieke opvang van slachtoffers van eergerelateerd geweld heb ik uitgebreid mondelinge vragen gesteld inzake Eva en Zahir. De staatssecretaris zei dat ze in overleg zou treden met betrokkenen. Ik vind het ontzettend kwalijk dat nog steeds slachtoffers van eergerelateerd geweld worden geweigerd. Er is nog steeds gebrek aan opvangplaatsen. Diezelfde vraag gaat ook over opvang van mannelijke slachtoffers van eergerelateerd geweld. Daarover heeft de staatssecretaris naar buiten gebracht dat ze dat heeft geregeld, maar mij bereikt het signaal dat mannelijke slachtoffers in de praktijk helemaal geen gebruik maken van die opvang, maar dat die gebruikt wordt voor opvang van dak- en thuislozen. Dat vind ik prima, maar wees daar helder over.

Ik wil ten slotte de minister een plan aanbieden over de aanpak van huwelijksdwang.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Sinds jaren, onder andere door de moord op Gül door haar man op de stoep van het blijf-van-mijn-lijfhuis in Zaanstad, staat eerwraak hoog op de politieke agenda. Getuige de vele rapportages, reportages en mediaberichten over slachtoffers, het gebrek aan opvangplaatsen en de gebrekkige kennis bij politie en hulpverleners, is deze kwestie niet meer weg te denken. Alle partijen, van links tot rechts, hebben op hun beurt geijverd voor een steviger aanpak van dit verwerpelijke fenomeen. Alle instanties zijn aangesproken. Er moesten meer opvangplaatsen komen, er was meer training nodig en slachtoffers moesten te allen tijde beschermd worden. Er gebeurt zeker meer dan vijf à zes jaar geleden, maar toch is mijn indruk dat ons iets ontglipt. Ook ik refereer aan het recente geval van meisje Suat, dat op haar dertiende werd uitgehuwelijkt aan een man van 24. Het huwelijk was, voor zover ik weet, in de huiselijke sfeer voltrokken door een imam. Het was niet geldig voor de Nederlandse wet, maar het gebeurde wel. Het is waarschijnlijk dat mensen in de omgeving ervan hebben geweten, misschien zelfs op school. De vraag is hoe dit kan gebeuren zonder dat er melding van gemaakt wordt.

Het huwelijk betekende voor Suat een leven van mishandeling, vernedering en verkrachting, en niet te vergeten hulpverlening. Want Suat trok wanhopig aan de bel op school en werd zo’n casus bij het AMK. De ouders beloofden beterschap, stonden hun dochter toe haar man te verlaten en weer thuis te komen wonen. Maar de realiteit was anders: Suat bleef wel bij haar man en bleef in dezelfde situatie zitten. Op school vertelde Suat vervolgens niks meer over haar situatie. Het leek beter te gaan, maar niets was minder waar. Ze wilde nog steeds weg bij die man. Ze vertelde dit nota bene aan de politie die bij haar op bezoek kwam, maar vervolgens gebeurde er niks. Hierover zijn inderdaad meerdere schriftelijke Kamervragen gesteld waarop uitgebreide antwoorden zijn gegeven. Maar waar is de conclusie die in die antwoorden vervat zit – het gaat goed met haar, ze zit in Irak, ze zit er vrijwillig en ze is gelukkig – op gebaseerd? Ze zit in Irak, dat is waarschijnlijk wel het geval, maar of dat een kwestie is van vrije wil en niet een kwestie van enorme druk is niet duidelijk. Het probleem had veel eerder aangepakt moeten worden. Wij hebben gefaald. Omdat ze in Irak zit kunnen wij niet meer met zekerheid verifiëren of het goed met haar gaat.

Wat opvalt in de discussie over Suat en andere eerwraakslachtoffers is hoe het accent bijna volledig is komen te liggen op de instanties, zoals de school, de hulpverleners en de politie. Voor een groot deel terecht, maar de bron van het probleem is de gemeenschap. De culturele codes die daar een rol in spelen lijken een beetje uit het oog te zijn verloren, niet uit onwil, maar omdat culturele factoren in een gemeenschap veel moeilijker te grijpen zijn. Wij hebben grip op cursussen en trainingen en op de hoeveelheid hulpverlenings- en opvangplekken, maar we hebben veel minder grip op gemeenschappen en de verantwoordelijkheden die daar genomen moeten worden. De vraag is in hoeverre de plannen van het kabinet op dit vlak voldoende zijn.

Als ik kijk naar de subsidies die de afgelopen jaren zijn gegeven, dan dateren veel van de activiteiten van met name het IOT uit 2007. Het is ondertussen 2010. Wat is er in de afgelopen jaren gebeurd? Ik vind dat het IOT heel actief is geweest, maar de vraag is of het daarmee die groep bereikt die het moet bereiken. De Turkse gemeenschap is een sterk verdeelde gemeenschap en het is van groot belang dat men juist die Koerdische gemeenschap weet te bereiken. Ik vraag mij af wat er bij het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders (SMN) wordt gedaan met het geld. Wat gebeurt er binnen die Marokkaanse gemeenschap? Welke link heeft dit met eerwraak en eergerelateerd geweld? Ik wil daar graag een concreet antwoord van de minister op, ook betreffende nieuwe gemeenschappen als de Afghanen en de Irakezen. Vluchtelingenorganisaties Nederland (VON) is erg actief, maar weet die organisatie precies die gemeenschappen te bereiken die bereikt moeten worden? Ik vind dat wij daar te weinig van weten. Ik heb de indruk dat we een papieren werkelijkheid creëren van signaleringsprotocollen en andere op zich prima methodes, die uiteindelijk toch niet het beeld opleveren wat er precies gebeurt binnen die gemeenschappen en of die mentaliteitsverandering, die zo noodzakelijk is, ook verwezenlijkt wordt. Straks hebben we prachtige boekwerken en subsidies, die er op papier prima uitzien, maar die niet het effect bereiken dat we willen bereiken. Als overheid hebben we daar een heel belangrijke taak in. Uit het recente arrest Opuz versus Turkije wordt duidelijk dat dit geen incident of privézaak is, maar een structureel maatschappelijk probleem, waarin alle Europese overheden een heel grote verantwoordelijkheid hebben. Onze bescherming, opvang en aanpak moet ook strafrechtelijk gezien die Opuztoets kunnen doorstaan. Ik vraag aan het kabinet of dat het geval is. Kunnen wij zeggen dat wij voldoen aan dat arrest?

Ik geloof absoluut dat staatssecretaris Bussemaker oprecht en met veel ambitie en betrokkenheid werkt aan de stelselmatige tekorten aan opvangvoorzieningen. Maar de signalen die ons bereiken zijn toch elke keer weer: tekorten, tekorten, tekorten. En dit is het topje van de ijsberg. We hebben al eerder geconstateerd dat dit het resultaat van voortschrijdende emancipatie is. Er zullen meer slachtoffers naar voren komen en er zullen meer vrouwen, en ook mannen, vragen om opvang en bescherming. Ik vraag me af in hoeverre de stijging die nu te zien is, een incidenteel gebeuren zal zijn. Ik denk dat die stijging structureel zal zijn en dat we ons daarop moeten voorbereiden. Ik vraag aan de staatssecretaris hoe de stand van zaken is van het overleg met Eva en Zahir en wat er gebeuren kan aan de bottleneck van het verblijf. Het verblijf was eerst een korte tijd en wordt nu steeds langer. Dat heeft te maken met het feit dat men blijkbaar niet doorstroomt naar andere verblijfsvoorzieningen of terug naar huis gaat. Wat zijn daar de mogelijkheden in?

De bestrijding van eergerelateerd geweld moet lokaal verankerd zijn. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Zoals uit de voortgangsrapportage blijkt is het signalerend vermogen van hulpverleners toegenomen, maar ontbreekt het op bepaalde cruciale plekken nog steeds. Ik heb het bijvoorbeeld over de jeugdzorg. Daar moet echt veel meer gebeuren om ervoor te zorgen dat eerwraak en eergerelateerd geweld wat sneller op de voorgrond komen. Ik snap niet waarom die meldcode pas volgend jaar ingevoerd kan worden. Waarom zorgen wij er niet voor dat dat zo snel mogelijk gebeurt, zodat dit soort signalen sneller doorgegeven wordt en er sneller ingegrepen kan worden?

Mevrouw Arib (PvdA): Over de effectiviteit van de subsidiëring van allerlei organisaties ben ik het hartgrondig eens met collega Azough. Ik zie dat er heel goede initiatieven ontstaan, zoals bijvoorbeeld de methodiek Zwarte Tulp. De stichting die dat ontwikkeld heeft, moet bedelen om middelen, terwijl ze heel goed werk doet. Maar ik zie ook instellingen, die ons bijna elke dag bestoken met trainingen enz., waarvan de effectiviteit onduidelijk is. Ik weet dat eergerelateerd geweld bij bepaald doelgroepen voorkomt, maar de Marokkaanse gemeenschap kent wel problemen zoals huiselijk geweld, maar geen eergerelateerd geweld. Toch doet het SMN actief mee met die subsidieaanvragen inzake eergerelateerd geweld. Waar vindt mevrouw Azough daarvan?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Wat interessant is in de rapportage die vandaag op de agenda staat, is dat die definitiekwestie heel lastig is. Wat is precies eergerelateerd geweld? Hoort daar bijvoorbeeld huwelijksdwang bij? Dat vindt wel plaats binnen die Marokkaanse gemeenschap en valt wat mij betreft onder de definitie. Ik kan me voorstellen dat bepaalde issues door het SMN aangekaart worden, maar of dat precies onder de noemer van deze subsidie moet gebeuren, is de vraag. Dat ben ik met mevrouw Arib eens.

Een tweede vraag is in hoeverre ze daarin dan actief zijn. Kan dat geld niet beter aan bepaalde vrouwenzelforganisaties besteed worden of aan jongerenorganisaties? Ik ben er bang voor dat de minister en de staatssecretaris met oprechte intenties subsidies verdelen die leiden tot een soort institutionalisering. Ik ben bang dat organisaties daarop gaan rekenen en subsidies blijven krijgen, terwijl het effect daarvan niet zichtbaar wordt.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de voortgezette betrokkenheid bij de bestrijding van eergerelateerd geweld. Die is nodig. Niemand heeft ooit de illusie gehad dat dat in een programma van een paar jaar afgewerkt en opgelost was. We zien gelukkig wel op belangrijke punten vooruitgang, bijvoorbeeld in betrokkenheid van onze kant en van de kant van de Kamer, leidinggevenden bij politie, justitie en maatschappelijke organisaties en gemeenten. Zeker bij de gemeenten zie je dat men zich de vraag stelt wat niet goed is gegaan, wat beter had gekund en uiteraard ook wat er wel goed is gegaan. Ik verwijs in dit verband naar de reactie van het gemeentebestuur van Den Haag op de geschiedenis van meisje Suat. Die betrokkenheid van de verschillende instanties is cruciaal bij het maken van voortgang op dit terrein. Betrokkenheid van de werkvloer, de mensen die directe contacten onderhouden met slachtoffers, bij wie ik in alle ontmoetingen een hoge graad van gemotiveerdheid ervaar. En betrokkenheid van degenen die voor de organisaties – de korpsen, het OM, de gemeenten – verantwoordelijkheid dragen. Over de uitgangspunten van gelijkwaardigheid, persoonlijk zelfbeschikkingsrecht, lichamelijke integriteit, keuzevrijheid – ook waar het gaat om de partnerkeuze – zijn we het geheel eens.

In de afbakening zijn er soms problemen en vragen. Wat is eergerelateerd geweld en wat is ander huiselijk geweld? Die vragen moeten worden gesteld, omdat ze een rol spelen in de methodiek van de aanpak in het beoordelen of de verantwoordelijkheid alleen ligt bij individuen of dat er ook omgevingsfactoren in gezinnen en families zijn, of zelfs ruimer, in de sociale omgeving van plegers van geweld. Dus die definitievragen zijn niet onbelangrijk. Tegelijkertijd wil ik ze in die zin relativeren dat geweld in de huiselijk sfeer, ook als dat niet eergerelateerd is, uiteraard een krachtige en consequente aanpak vereist. Dat geldt ook voor alles wat met dwang en druk te maken heeft. Dat zijn inbreuken op de fundamentele vrijheden van mensen in een kwetsbare en afhankelijke positie: vrouwen en kinderen. Dat moet navenant worden beoordeeld en bestreden.

Ik wil eraan herinneren dat we niet zo lang geleden dachten dat eergerelateerd geweld iets was waar we in Nederland niet mee te maken hadden en zouden krijgen. De geschiedenissen van eerwraak hebben vanwege het extreem gewelddadige karakter al iets langer de aandacht, maar overig eergerelateerd geweld en dwang zijn pas recenter in het vizier gekomen. Sinds het begin van het Programma Eergerelateerd Geweld is voor ons allen steeds duidelijker geworden dat het complexe, bedreigende fenomeen van eergerelateerd geweld deze brede aanpak vereist. Het gaat in de meeste eerzaken om dwang en bedreiging en om druk vanuit de familie om aangepast gedrag te vertonen, zoals huwen met een partner die betrokkene niet zelf heeft gekozen. Soms zien mensen alleen nog maar de uitweg van suïcide voor zich, hetgeen de dramatiek van de problematiek die hier speelt doet blijken.

Ik heb in de voortgangsrapportage van juli 2009, waarop een brief in december 2009 is gevolgd, aangegeven welke stappen er zijn gezet. Ik onderken dat er veel organisaties bij betrokken zijn. De staatssecretaris zal hier straks nader op ingaan. Er zal ongetwijfeld een moment komen waarop de overgang moet worden gemaakt van een veelheid van betrokkenheid, die we waarderen en die positief is, naar een meer gebundelde inzet van expertise op dit terrein. De heer De Krom heeft een telling uitgevoerd in de Tilburgse context. Ik wil er wel op wijzen dat juist in Tilburg men in het Zorghuis – dat in hetzelfde gebouw is ondergebracht als het Veiligheidshuis – vooropliep in het tot stand brengen van een coördinatiestructuur om te voorkomen dat degenen die zorg nodig hebben tussen wal en schip vallen bij de veelheid van instanties. In mijn gesprekken met collega Rouvoet over de toekomst van de jeugdzorg is dat ook een van de aandachtspunten.

Wij zijn dus goed op weg om onze voornemens te realiseren. Er moet nog flink worden geïnvesteerd in deskundigheidsbevordering, de meldstructuur en de meldcodes. Hier zal de staatssecretaris zo op ingaan.

Het OM is inderdaad nog bezig met deze aanwijzing. Dat dat nog niet klaar is, zoals we hadden gehoopt en gewild, heeft rechtstreeks te maken met de schaarste van expertise die er op dit terrein is. Dat betekent dat concrete, complexe zaken moeten voorgaan op het werken aan deze aanwijzing. Het OM heeft mij echter verzekerd dat die dit voorjaar gereed is.

Maatschappelijke preventie omvat onderdelen die gericht zijn op mentaliteit en weerbaarheid en uiteraard samenwerking als sleutelbegrip, waarbij ook het werkterrein van onze collega’s van Onderwijs van belang is. Een proefproject op verschillende roc’s is afgerond, waarbij gekeken is naar de mogelijkheden om de aanpak van eergerelateerd geweld op scholen vorm te geven. Onze collega’s ondersteunen de scholen bij het vormgeven en uitvoeren van het veiligheidsbeleid. Er zijn samenwerkingsafspraken tussen de overheidsinstanties gemaakt en die hebben vorm gekregen in zorg- en adviesteams, die op de scholen actief zijn. Ook de geschiedenis van meisje Suat, waarover ik de Kamer deels vertrouwelijk en deels openbaar heb geïnformeerd, laat zien hoe belangrijk het oppikken van signalen op scholen is, maar natuurlijk ook de aanwezigheid van een structuur om die signalen in ontvangst te nemen.

Het LEC is sinds vijftien maanden geformaliseerd. Dat leent zich onder andere voor het onderhouden van het onderwijsprogramma voor de politie, het organiseren van themadagen, internationale contacten en wetenschappelijk onderzoek. De ervaringen van andere landen wat betreft de strafrechtelijke aanpak worden ook verwerkt in het LEC. Het takenpakket van het LEC richt zich op de ondersteuning van politiekorpsen bij complexe eerkwesties. Sinds de oprichting zijn zo’n 500 zaken afgehandeld, waarbij er sterke aanwijzingen van mogelijk eergerelateerd geweld waren. Er is ondersteuning gegeven in de analyse en het advies, maar ook operationele ondersteuning ter plaatse. Dat is precies wat wij wilden.

De deskundigheidsbevordering bij de politie moet samengaan met die bij het OM en in de rechtspraak. Ik vermeld dat in mei 2009 met betrekking tot de opleiding, die wordt aangeboden door de Stichting Studiecentrum Rechtspleging in samenspraak met de projectleider, een pilotdag voor officieren van justitie en rechters is georganiseerd. Dat vind ik buitengewoon belangrijk. Ik heb destijds hetzelfde gedaan voor het onderwerp mensenhandel. Wij moeten natuurlijk ook expertise beschikbaar hebben om de dimensies van dit soort strafzaken te onderkennen bij het OM en in de rechtspraak. Daar ligt ook een rechtstreekse relatie met het algemeen overleg over de schaal van werken omwille van de beschikbaarheid van de expertise binnen het OM en de rechtspraak.

De bestuurlijke aanpak moet daarbij aansluiten. De verschillende schakels die betrokken zijn bij deze aanpak behoren uiteraard tot deze keten. Ik noemde al de lering die men op gemeentelijk niveau uit ervaringen trekt, die soms pijnlijk zijn. In de gemeente Rotterdam komt als onderdeel van de pilot dit voorjaar een werkboek voor de ketenaanpak van eergerelateerd geweld gereed. Ik hoop dat dat landelijk tot voorbeeld kan strekken.

Betreffende de maatschappelijke preventie steun ik voor een deel op wat mijn collega voor WWI heeft laten aanreiken. In Eindhoven is er recent een bijeenkomst geweest van lokale zelforganisaties betrokken bij het kaderprogramma, gemeente, politie, vrouwenopvang en Steunpunt Huiselijk Geweld. Daarbij heeft een vertegenwoordiger van een Turks-Nederlandse lokale zorgorganisatie een verhaal gehouden over de verantwoordelijkheid van migrantenorganisaties. Het verhaal dat hij hield, kwam geheel overeen met de inhoud van het handelingsprotocol. Het internaliseren van het handelingsprotocol bij lokale achterbanorganisaties van de deelnemende koepels zien wij als positief. Daarbij moeten wij wel toegeven dat op grond van de tussenrapportage niet exact te zeggen is hoeveel migrantenorganisaties het handelingsprotocol onderschrijven. De verklaring daarvoor is onder meer dat de migrantenkoepels dit instrument op verschillende manieren inzetten: door ondertekening of door verwerking in methodieken en voorlichtingsmaterialen en dergelijke. Het kost mogelijk enige tijd, maar mijn collega heeft er vertrouwen in dat het handelingsprotocol zijn weg vindt naar zelforganisaties. Hij vindt dat mooi, want het is een uniek burgerschapsinstrument. Een toonbeeld van mensen en organisaties die zich mede verantwoordelijk voelen voor de aanpak. Het kaderprogramma zal door hem worden geëvalueerd en daaruit zal blijken op welke manier het protocol is ingebed bij de lokale migrantenorganisaties.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Ik begrijp dat het voor de minister lastig is om hier als vervanger van de minister voor WWI te spreken, maar dit is wat mij betreft niet voldoende. Hij heeft er vertrouwen in dat het zal doorsijpelen naar zelforganisaties, maar dat is geen feit. Koepelorganisaties zijn niet voor niets koepelorganisaties. Dat zijn vaak beleidsorganisaties die mogelijk juist geen contact hebben met die delen van de gemeenschappen die ze bereiken moeten. In hoeverre heeft de minister daar zekerheid over? Is het niet veel te makkelijk voor het kabinet om samen te werken en zaken te doen met die koepelorganisaties? Want daar zit het kabinet al mee aan tafel, daar heeft men al een subsidierelatie mee en daarvan kun je rekenen op een redelijk verslag aan het eind van het jaar. Terwijl de zelforganisaties, die uiteindelijk het echte werk doen, lokaal verankerde organisaties zijn en geen bestuur hebben dat uit professionals bestaat. Dat zijn geen beleidsmedewerkers, maar wel de mensen die wij zouden moeten bereiken. Ik verbaas mij over dit antwoord, want juist de minister voor WWI zou dit moeten weten.

Minister Hirsch Ballin: Mijn collega is zich daar uiteraard van bewust. Wij moeten ons realiseren dat het niet het soort activiteiten is dat door een uitvoeringsapparaat van het ministerie van VROM wordt gedaan. Dit is geen uitvoerende dienst van mijn collega. Ik zal de vraag ten aanzien van de evaluatie graag aan hem doorgeven. Ik weet hoe intens hij en zijn medewerkers bezig zijn om de contacten met deze organisaties te onderhouden, niet alleen met de koepels, maar ook met de uitvoerende organisaties. Ik denk dat in de evaluatie het antwoord vervat zal zijn.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Zou de minister nog even kunnen ingaan op de vraag over het SMN? Wat doet dat precies met subsidies rondom eerwraak en eergerelateerd geweld?

Minister Hirsch Ballin: Daar heb ik van mijn collega iets over gekregen en daar kom ik dadelijk aan toe.

Ik beantwoord eerst de vragen over de structurele financiering van het LEC. Mijn collega van BZK en ik zijn ons zeer bewust van het belang van de bijdrage die het LEC levert. Ik ben blij dat de Kamer dat heeft onderstreept, want in de organisatie van de politie hebben wij dit soort hulpstructuren nodig. De politiezorg is in ons land verdeeld over een groot aantal politiekorpsen. Je kunt niet verwachten dat deze expertise al in vijfentwintigvoud aanwezig is. Dat moet worden ontwikkeld. Daarbij kunnen we een centraal element, zoals dat te vinden is in het LEC, niet missen. Ik ben het er zeer mee eens dat daarop moet worden gelet. Daarom vinden mijn collega van BZK en ik het essentieel dat na 2010 de politieregio’s gebruik kunnen blijven maken van de expertise van het LEC. De politiekorpsen zijn naar onze inschatting nog niet zover gevorderd dat ze op het gebied van eergerelateerd geweld kunnen opereren zonder dergelijke ondersteuning en expertise. Hoe dat trouwens in de toekomst geregeld zal zijn, zal mede afhangen van de manier waarop het politiebestel zich ontwikkelt in de komende periode. De uiteindelijke doelstelling is dat de operationele ondersteuning van het LEC geleidelijk naar het regionale niveau kan doorschuiven. Naast die operationele ondersteuning heeft het LEC nog andere taakvelden, die een permanent karakter dragen. Zo kan onder meer worden gedacht aan het onderhoud van het door het programmabureau ontwikkelde onderwijsprogramma voor de politie, participatie binnen dat programma, het doen van wetenschappelijk onderzoek en het opbouwen en onderhouden van een specialisme in het verzamelen en analyseren van informatie, speciaal waar het gaat om de aard en omvang van eergerelateerd geweld. Mijn collega van BZK en ik hebben daarover overlegd en zijn samen tot de conclusie gekomen dat externe financiering in verband met de beoogde bezuinigingsmaatregelen niet haalbaar zal zijn. We zullen wel zaken stimuleren, bijvoorbeeld door gebruikmaking van de instrumenten die voorzien zijn in de nieuwe politiewetgeving. De dekking daarvan is opgenomen in de meerjarenbegroting van het programmabudget van de politie voor 2011 en 2012.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik wil toch terugkomen op het LEC, want ik merk dat de minister voorbijgaat aan mijn vraag naar het functioneren van het LEC. In de zaak Suat, maar ook daarvoor in de zaken Zeneb en Sheriff, is gebleken dat het LEC vaak inschattingsfouten maakt. De minister kan wel zeggen dat het LEC nog lerende is, maar dit zijn wel heel ernstige fouten. Natuurlijk mag je experimenteren, maar hier gaat het soms over leven en dood. Dus voordat de conclusie wordt getrokken dat het goed gaat, zou ik graag willen weten waarop de minister dat baseert. Is er een evaluatie geweest van het niet functioneren van het LEC? Zijn er onderzoeken naar het functioneren van LEC geweest? Dan zou ik die graag willen zien.

Minister Hirsch Ballin: De evaluatie van het LEC is in 2010. Wij hebben niet de conclusie getrokken dat het werk van het LEC gedaan is. Ik wil mevrouw Arib er in de zaak Zeneb aan herinneren dat dat speelde voordat we al deze inspanningen met het LEC op regionaal niveau zo intens hebben laten doorwerken. Dus ga niet al te ver in het verleden terug. Bij de evaluatie van het LEC gaan we natuurlijk evalueren hoe de stand van zaken is in 2010. Als we het over een paar jaar geleden gaan hebben, dan is de negatieve conclusie als het ware in de vraag besloten. Ik vind het belangrijk wat het LEC doet. Natuurlijk moeten we evalueren hoe werkzaam het is geweest. Mijn collega en ik hebben geconcludeerd – en in dat opzicht ben ik het helemaal eens met de strekking van de gestelde vragen – dat dit soort gerichte inspanningen moeten doorgaan. Ook in de zaak Suat is de eerste vraag – dat heeft de Kamer uit het vertrouwelijk deel van mijn antwoord kunnen afleiden – hoe helder en duidelijk de melding is geweest. Uiteraard zal de evaluatie meer betreffen dan alleen deze zaak. Ik denk dat mevrouw Arib blij zou moeten zijn met wat wij doen met het LEC.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik sta er helemaal achter dat er expertise zou moeten zijn. Ik heb er altijd voor gepleit dat dat nodig is voor eergerelateerd geweld. De vraag is of het LEC het juiste centrum is om dat te doen, gezien de ervaringen met de zaak Suat en ook met andere zaken. Het gaat om 500 afgehandelde zaken die misschien te maken zouden hebben met eergerelateerd geweld. Ik zou graag onderzoeken of het inderdaad om eergerelateerd geweld gaat. Wordt er op een deskundige en gedegen manier onderzoek gedaan naar en een analyse gemaakt van eergerelateerd geweld? Is het LEC in staat om dat te doen? Ik heb er grote vraagtekens bij of het LEC dat kan waarmaken.

Minister Hirsch Ballin: Vraagtekens zijn er om door zinnen met een uitroepteken of punt beantwoord te worden. Daar hebben wij die evaluatie voor. Ik heb heel belangrijke onderzoekresultaten en expertiseontwikkelingen uit het LEC gezien. Het is mijns inziens vooral de vraag hoe wij ervoor zorgen dat die expertise er komt bij de concrete behandeling van zaken. De evaluatie zal zich daarmee bezighouden en wij zullen daarover spreken.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Ik denk dat zo’n expertisecentrum absoluut nodig is. Het is inderdaad van belang dat wij daar kritisch op blijven en er constructief voor zorgen dat het werk gedegen en goed blijft. In hoeverre is er sprake van een zekere personele diversiteit bij het LEC?

Minister Hirsch Ballin: Ik heb daar geen gegevens over. De vraag is waarschijnlijk vooral of er diversiteit is in de vereiste competenties binnen het LEC. Dat zal bij de evaluatie aan de orde komen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Natuurlijk gaat het over de kwaliteit en de diversiteit in de competenties, maar juist als we het hebben over het bereiken van de juiste doelgroepen kan ik me voorstellen dat het van belang is dat er in het personeelbestand van het LEC mensen zitten die uit die gemeenschap afkomstig zijn, mensen die antennes binnen die gemeenschap hebben. Of is dat onzin?

Minister Hirsch Ballin: Dat is geen onzin. Wij zien veel diversiteit in onze eigen contacten vanuit het ministerie van Justitie met mensen die zich er bij de politie lokaal en regionaal mee bezighouden. Ik ben het met mevrouw Azough eens dat die competentie nodig is. Of dat vanuit het LEC voldoende wordt ondersteund of dat het nog beter kan, zullen wij bij de evaluatie bezien. Ik onderken de relevantie van de vraag.

Mevrouw Karabulut (SP): Natuurlijk zijn er altijd punten voor verbetering vatbaar. Dat geldt ook voor het LEC. Feit is dat wij dat keihard nodig hebben, alleen al om te registreren en als politie te kunnen handelen. Ik ben blij dat de minister zegt dat dat de komende jaren zal blijven bestaan. Alleen vind ik hem wat cryptisch over de financiering. Om dat te laten bestaan moet er wel geld zijn, maar er is nog steeds geen structureel geld voor. De minister zegt dat externe financiering niet haalbaar zal zijn en dat het wordt meegenomen in het grotere plaatje. Maar juist op dat grotere plaatje gaat gekort worden. Ik wil graag de toezegging van de minister dat hij ons samen met de minister van BZK snel zal informeren of dat structurele geld er komt.

Minister Hirsch Ballin: Er is binnenkort een debat over de politiebudgetten. De SP-fractie is daar zeer actief mee bezig geweest. Het voorlopig budget voor 2011 en 2012 maakt deel uit van het programmabudget. Dat is wat ik zo-even heb gezegd over de continuïteit van het LEC.

Dan kom ik op het belangrijke onderwerp van de registratiesystemen en de verbinding tussen de verschillende hulpverlenende instanties. Ik weet dat de uitwisseling en verwerking van gegevens die nodig zijn voor het tijdig signaleren van eergerelateerd geweld, inderdaad een cruciale factor in de aanpak van het eergerelateerd geweld is. Dit jaar zal binnen de politie een afzonderlijke registratie worden opgezet. Als die is gerealiseerd, zal moeten worden nagegaan in hoeverre een technische koppeling mogelijk is en of die kan worden geregeld met de verschillende systemen. Centraal punt daarbij is het LEC. Uit het overleg van vorige week over privacy en veiligheid weet de Kamer dat het de opvatting van mijn collega van BZK en van mijzelf is dat er geen voor slachtoffers schadelijke belemmeringen in het verwerken van deze gegevens mogen ontstaan. Het door mevrouw Sterk aangesneden punt wil ik dus graag realiseren. De meldcode is in dit verband uiteraard ook een cruciale factor.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik heb me ook een tijdje beziggehouden met de discussies binnen jeugdzorg en de verwijsindex. Wat de politie ontwikkelt, lijkt heel sterk op de verwijsindex, waar tenslotte ook signalen worden afgegeven als er dreiging is van bepaalde vormen van lichamelijk of fysiek geweld. Ik weet dat de politie daar niet direct in kan melden, want dat kan alleen via het Bureau Jeugdzorg. In hoeverre zijn wij twee systemen naast elkaar aan het ontwikkelen?

Minister Hirsch Ballin: Het is niet onze bedoeling om systemen naast elkaar te ontwikkelen. De politie wil de registratie daarvan binnenkort geregeld hebben. We zullen van daaruit kijken hoe de aansluiting met de andere informatiebronnen kan worden gerealiseerd. Het werkt ook de andere kant op, dus vanuit de andere diensten naar de politie. De vraag waar het om draait is of dat moet gaan op basis van de gevalsbespreking, wat in ieder geregeld is in de structuur van de Veiligheidshuizen, of dat dat op een manier van toegang tot systemen moet worden geregeld.

De heer De Krom heeft gesproken over de omvang van de huwelijksdwang. Ik heb de Kamer daarover een brief gestuurd, ook over de omvang van het eergerelateerd geweld. Ik heb in diverse voortgangsrapportages over dit programma al aangegeven dat het registreren en onderzoeken van de omvang van eergerelateerd geweld gecompliceerd is. Wij hebben te maken met een definitieprobleem, «dark numbers» en de verhouding tot huwelijksdwang en achterlating. De adviescommissie Vreemdelingenzaken heeft in het advies Tot het huwelijk gedwongen het vaststellen van dwang bij huwelijken omschreven als een lastig onderwerp. Ook voor professionals is dat lastig. Niet dat wij daarin blijven hangen, maar we moeten dat wel onderkennen. Dat betekent dat wij de omvang van huwelijksdwang en achterlating op dit moment niet getalsmatig in een brief kunnen krijgen. Ik heb wel in de brief die ik de Kamer zeer onlangs heb gestuurd over huwelijksdwang en achterlating informatie opgenomen die naar aanleiding van de voorlichtingscampagne van 2009 van de betrokken organisaties is ontvangen. Mevrouw Arib kan uit die brief afleiden dat een van de punten in het rapport dat zij mij zojuist overhandigde, reeds is gerealiseerd. De regie hoort thuis bij mij en uit de brief blijkt dat die regiefunctie reeds is opgepakt.

Uit de pilots eergerelateerd geweld die zijn uitgevoerd binnen de opvang en bij gemeenten blijkt dat er in 30% tot 50% van de eerkwesties die zich bij de instanties aandienen, sprake is van conflicten of dreigingen in verband met een voorgenomen of gearrangeerd huwelijk. Dus de relatie die de heer De Krom signaleerde, blijkt ook uit deze cijfers. Binnen de vrouwenopvang is inmiddels een landelijk registratiesysteem voor gegevens over mogelijke eergerelateerde geweldszaken beschikbaar. De implementatie van dit systeem is in volle gang. In oktober 2009 zijn wij gestart met de verzameling van kwantitatieve gegevens over dat kalenderjaar bij alle instellingen in de vrouwenopvang. De Federatie Opvang verwacht de meeste gegevens begin dit jaar te hebben ontvangen en verwerkt.

Het LEC heeft een publicatie in voorbereiding waarin wordt aangegeven hoeveel zaken in de periode 2007–2009 bij het LEC zijn binnengekomen. Dat zal ook een deel van de beantwoording van de vraag van de heer De Krom bevatten.

De heer De Krom (VVD): Ik had met name aan de minister gevraagd in hoeveel gevallen van vermoed eergerelateerd geweld er strafrechtelijk wordt ingegrepen. Uit de stukken lees ik dat het er in 2006 422 waren en de minister noemde zo-even een aantal van 500. In hoeveel gevallen leidt het daadwerkelijk tot strafrechtelijk ingrijpen en verblijfsrechtelijke consequenties?

Minister Hirsch Ballin: De strafzaken zijn voor een beperkt deel, in de orde van grootte van 50, expliciet gerelateerd aan eergerelateerd geweld. In 2009 is er na voorlopige inventarisatie – uiteraard is het OM nog bezig met het verwerken van cijfermateriaal ten behoeve van het jaarverslag – een veel groter aantal strafzaken. Bij huiselijk geweld gaat het over een veel groter aantal zaken: meer dan 12 000 volgens de voorlopige cijfers. Het is zeer goed denkbaar en waarschijnlijk dat onder hetgeen genoteerd is als huiselijk geweld een flink aantal zaken zit dat eergerelateerd geweld is. Uit het aantal zaken waarbij dat is vastgesteld met de hardheid die strafrechtelijk onderzoek vereist, kun je niet het reële aantal strafzaken afleiden dat eergerelateerd is. Dus onder die meer dan 12 000 zaken van huiselijk geweld in 2009 zitten, naast de 50 als zodanig uitdrukkelijk onderkende, ongetwijfeld ook nog een groot aantal zaken dat ook met eer te maken heeft.

De heer De Krom (VVD): Dat begrijp ik. Maar de minister noemt een getal van 500 en voor 2006 een getal van 422. Hoeveel van die 422 gevallen – dat zijn geïdentificeerde zaken waar sprake is van vermoeden van eergerelateerd geweld – hebben geleid tot strafrechtelijke vervolging?

Minister Hirsch Ballin: Daar heb ik geen cijfers van, maar het ligt voor de hand dat het aantal zaken waarbij vermoedens van eergerelateerd geweld naar voren komen groter is, gelet op bewijsproblemen en hardheid die in strafrechtelijke context nodig is, dan het aantal zaken waarin de rechter kan vaststellen dat het geweld eergerelateerd was. Dat ligt in de aard van de zaken. Dus de indicaties kunnen eergerelateerd geweld zijn, terwijl in de bewijsvoering alleen kan worden geconstateerd dat het geweld was.

Mevrouw Karabulut (SP): Om het veel concreter te maken stel ik over de zaak Suat de vraag hoe het kan dat een minderjarig meisje is uitgehuwelijkt, terwijl ze zich heeft gemeld bij de instanties en om hulp heeft gevraagd. Pas drie jaar later, nadat de daders pleiten zijn en wij helemaal niet meer weten hoe het met het meisje gaat, start er een strafrechtelijk onderzoek. Dat kan toch niet?

Minister Hirsch Ballin: Ik had de vraag over meisje Suat apart gelegd en kom er straks op terug, maar ik ben het met mevrouw Karabulut eens dat het een illustratie is van deze onderwerpen.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik blijf toch met de vraag zitten over de aantallen die genoemd worden, zowel die 422 in de rapportage als die 500 die afgehandeld zijn. Ik zou graag gespecificeerd willen zien welk deel daarvan direct te maken heeft met eergerelateerd geweld en welk deel met huiselijk geweld. Ik krijg op deze manier geen goed beeld. Wij hebben een expertisecentrum dat zegt deskundig te zijn op dit terrein en heel veel te weten van eergerelateerd geweld, maar over de cijfers wordt mistig gedaan. Laat ze die deskundigheid gebruiken om een overzicht te maken wat van die 422 of 500 gevallen te maken hebben met eergerelateerd geweld. Ik ben bang dat we zo heel veel slachtoffers tekortdoen.

Minister Hirsch Ballin: Daar ben ik het niet mee eens en zeker de laatste conclusie van mevrouw Arib klopt niet. Ik heb net uitdrukkelijk gezegd dat het LEC met de eigen rapportage bezig is en ik heb ook gezegd dat het aantal meldingen van zaken met de indicatie eergerelateerd geweld onvermijdelijk groter is dan het aantal zaken, waarbij door het OM op basis van de vereisten van strafrechtelijke bewijsvoering kan worden vastgesteld dat het geweld eergerelateerd was. Vandaar dat er cijfers liggen over meldingen en dat er daarnaast aantallen zaken zijn, waarin justitieel strafvorderlijk kon worden vastgesteld dat er geweld was dan wel eergerelateerd geweld. Onvermijdelijk is er een groot aantal zaken waarin het geweld kan worden vastgesteld en bewijsvoering mogelijk is, terwijl in de sfeer van motief en verklaringen eergerelateerd geweld niet in de bewijsvoering kan worden geconstateerd. Net als mevrouw Arib wil ik natuurlijk graag alles weten, maar als uitvloeisel van de rechtsstaat moet je in het strafproces het bewijs hard hebben om dat te kunnen constateren.

De heer De Krom (VVD): Het lijkt mij logisch dat de minister betoogt dat, als er sprake is van strafrechtelijke vervolging, dat onder het kopje «geweld» gebeurt. Er is immers geen strafrechtelijk wetsartikel specifiek over eergerelateerd geweld. Dat neemt niet weg dat in die zaken die worden gemeld onder het kopje «vermoeden van eergerelateerd geweld», de minister zou moeten kunnen zeggen in hoeveel procent van die gemelde gevallen er is vervolgd en strafrechtelijk ingegrepen. Het een sluit het ander niet uit. Ik begrijp niet waarom de minister die aantallen niet kan geven.

Minister Hirsch Ballin: Dat vergt nader onderzoek, waarbij het de vraag is of je dat op dossierniveau zou moeten doen of dat dat straks uit de gegevensverwerking kan voortkomen. Ik deel de verlangens om dat te weten en te kwantificeren, maar wij hebben dat soort informatieverwerking niet. Hoe graag ik de antwoorden ook zou willen geven, ik kan niet meer informatie geven dan ik heb.

Mevrouw Karabulut (SP): Twee jaar terug, naar ik meen, is Kamerbreed ondersteund de motie-Van Dijk aangenomen. Daarin staat dat die registratie op orde moet komen. Die registratie is nog niet op orde. Kan dat er de oorzaak van zijn dat de minister ons niet kan informeren wat er met al die zaken is gebeurd? Wanneer gaat de minister dat eindelijk oplossen?

Minister Hirsch Ballin: Ik denk dat de Kamer een belangrijk deel van het antwoord zal vinden in de rapportage van het LEC dit voorjaar. Het LEC komt met die rapportage en daaruit zal blijken wat er is gebeurd in de zaken waarover het LEC heeft geadviseerd.

Op het moment dat er geautomatiseerde koppelingen van de informatiesystemen tot stand worden gebracht – voor zover dat de toets der kritiek van het College bescherming persoonsgegevens kan doorstaan – kunnen wij de Kamer vanaf het dashboard de informatie leveren.

Mevrouw Arib (PvdA): Dat zou kunnen maar ik heb toch grote moeite met het feit dat het LEC zelf registreert, adviseert, rapporteert en bepaalt wat eergerelateerd geweld is. Is het niet verstandig om het WODC of een onafhankelijk onderzoeker hiernaar te laten kijken? Ik krijg een déjà vu-gevoel als wij het hebben over de registratie van eergerelateerd geweld.

Minister Hirsch Ballin: Ik krijg zelf een déjà vu-gevoel bij mijn antwoorden. De politie zal het registratiesysteem dit jaar op orde hebben. Dat betekent dat het er in 2009 nog niet was en eind 2010 wel, ervan uitgaande dat er gebeurt wat de politie mij heeft verzekerd.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik check even of ik goed begrijp wat de minister zegt over die 500 gevallen, want het blijft – tenminste voor ons – raar dat er wel vastgesteld kan worden dat er 500 gevallen zijn waarin sprake zou kunnen zijn van eergerelateerd geweld, maar dat vervolgens niet kan worden vastgesteld wat er met die 500 zaken is gebeurd. Komt dat omdat niet is geregistreerd om welke zaken het ging?

Minister Hirsch Ballin: Voor zover het LEC daarmee gemoeid is, zal het dat in die rapportage leveren. Als er zaken bij zijn waarmee het LEC niet is gemoeid, kan het die gegevens niet leveren. Aangezien het LEC daar in toenemende mate een rol in speelt, zal de rapportage die dit voorjaar beschikbaar zal komen dat inzicht verschaffen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voor de zekerheid, zodat we niet met verwachtingen te maken hebben die straks niet ingelost zullen worden, vraag ik of die rapportage duidelijk zal maken wat er precies gebeurd is met elk van die 500 gevallen. Of kan de minister dat niet toezeggen?

Minister Hirsch Ballin: Die rapportage zal de gegevens bevatten over wat er gebeurd is met de zaken die bij het LEC zijn aangemeld.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Strafrechtelijke vervolging eventueel?

Minister Hirsch Ballin: Voor zover het LEC daar zicht op heeft gekregen wel, maar het LEC is geen centrale opsporingsinstantie. Als mevrouw Azough het verlangen uitspreekt dat wij centrale opsporingsinstanties hebben binnen een anders georganiseerde politie, dan hoor ik die opvatting graag, maar het LEC ondersteunt de regionale politiekorpsen. In hoeverre bij het LEC terugkomt wat die regionale politiekorpsen daar vervolgens mee hebben gedaan, zal uit het onderzoek blijken.

Met ondersteuning vanuit ons programma wordt in de pilotgemeenten Rotterdam, Amsterdam en Almelo gewerkt aan een lokale integrale aanpak van eergerelateerd geweld en huwelijksdwang. Daarin komen maatschappelijke preventie, samen met lokale zelforganisaties van migranten en vluchtelingen, hulpverlening, opvang van slachtoffers en strafrechtelijke aanpak, samen onder regie van de gemeenten. Naast deze drie pilotgemeenten wordt ook door andere gemeenten en regio’s met name door de ketenpartners samengewerkt om te komen tot een integrale aanpak. Er is samenwerking op beleidsmatig niveau, maar ook op operationeel niveau, voor de afhandeling van zaken. In een aantal gemeenten speelt het Veiligheidshuis daarin een rol, dankzij het landelijk dekkend netwerk van Veiligheidshuizen.

Voor de landelijke uitrol bij de politie geldt dat nu in alle regio’s contactfunctionarissen en taakaccenthouders zijn aangewezen. Die taakaccenthouders hebben inmiddels een opleiding gekregen. Zij hebben de opdracht gekregen om hun collega’s daarover voor te lichten. Zo ontstaat een sneeuwbaleffect dat van belang is voor het kunnen herkennen en aanpakken van eergerelateerd geweld. Niet iedere politieambtenaar heeft daar vanzelf een antenne voor, vandaar het belang van deze opleidingsfunctie.

Er is bovendien nog een andere ontwikkeling. In de zes zuidelijke regio’s – de twee Limburgse, de drie Brabantse en een in Zeeland – is er al geruime tijd een samenwerkingsverband op ICT-gebied. Dat is iets heel moois binnen de gegevenheden van het bestaande politiebestel. Dat samenwerkingsverband is nu uitgebreid naar het terrein van eergerelateerd geweld. Die zuidelijke regio’s zullen een pilot te maken die dat operationeel nuttig maakt. Dit is een kleine aanvulling op wat ik zei over de beperkingen van informatiesystemen.

De huwelijksdwang raakt ook de casus Suat. Bewustzijn ten aanzien van de eigen verantwoordelijkheden en taken is daarvoor essentieel. Het illustreert dat instanties juist op dit terrein niet langs elkaar heen mogen werken.

Op de vraag in hoeverre het IOT ook de Koerdische groepen bereikt, antwoord ik dat binnen het meerjarenkaderprogramma «Aan de goede kant der eer» meer koepelorganisaties van migranten en vluchtelingenorganisaties samenwerken. Onder meer het IOT, maar ook het SMN en de VON. Zelforganisaties van personen met een Koerdische achtergrond zijn vaak aangesloten bij de VON. Die koepels activeren ook Koerdische organisaties bij de aanpak van eergerelateerd geweld. Dat betreft dan zowel Turks-Koerdische als Iraaks-Koerdische organisaties.

Voor het strafrechtelijk ingrijpen is door acties vanuit ons programma een aantal ontwikkelingen op gang gebracht, zoals implementatie van de methode MEP. Daarin zit kennisvermeerdering binnen de politie en het OM, instelling van het LEC, verbetering van de regionale samenwerking enz. Dat heeft geleid tot meer potentieel voor de vroege herkenning ten behoeve van het strafrechtelijk ingrijpen. Met het cohortonderzoek komt dat ook meer in beeld. Dat zijn de zaken die in 2006 door de toenmalige Unit MEP in behandeling zijn genomen. Er is toen gemeld dat het cohortonderzoek drie fasen zal omvatten. De eerste fase betrof de toeleiding van zaken naar het toenmalige MEP. Die is afgerond en het deelrapport is ontvangen. De tweede fase is de analyse van de werkwijze van het toenmalige MEP. Die fase is in september 2009 afgerond. Dat deelrapport heb ik intussen ook gekregen en dat zal de Kamer van mij krijgen. De derde fase met betrekking tot de aard, de ernst en de aanleiding van het geweld in onderzochte zaken, zal in het eerste kwartaal van 2010 worden afgerond. Zodra het totale onderzoek is afgerond, zullen de conclusies en aanbevelingen samen met de drie onderscheiden terreinen wordt bestudeerd. Op basis daarvan kan verantwoord worden vastgesteld hoe de aanbevelingen het best in de praktijk kunnen worden gebracht. Dat is dan ook weer gerelateerd aan het registratieproces.

De Raad voor de Kinderbescherming wordt in het kader van de meldcode huiselijk geweld betrokken bij het beleid voor de deskundigheidsbevordering. Dit geldt ook voor het OM en de rechterlijke macht.

Met betrekking tot de migrantenorganisaties heb ik al melding gemaakt van de inspanningen van mijn collega voor WWI in relatie tot alle koepels. Hij onderhoudt contact met deze koepels, die zelf weer een achterban van 80 organisatiegroepen mobiliseren, waarbij ook zelforganisaties zitten. Ik ben overigens zeer onder de indruk van dat getal.

Een gedeelte van de informatie over de zaak van meisje Suat heb ik vertrouwelijk moeten geven in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ik wil enkele zaken rechtzetten, want er was enig misverstand in de manier waarop mijn antwoorden net werden geparafraseerd. Ik haal hiervoor mijn laatste schriftelijke beantwoording op de vragen van mevrouw Sterk aan en hoop dat niemand zich hierdoor misdeeld voelt: «Uit het telefonisch contact dat kortgeleden met Suat is gelegd, blijkt echter niet dat in haar geval van onvrijwillig vertrek sprake is.» Dat is het enige dat ik met deze stelligheid kan zeggen. Er zijn in het telefoongesprek met het meisje controlevragen gesteld, waarop de juiste antwoorden kwamen. Dat maakt het, naar het oordeel van degenen die het gesprek hebben gevoerd en geëvalueerd, erg onwaarschijnlijk dat ze iemand anders dan dat meisje aan de telefoon hadden. Maar in zo’n telefonisch contact kun je niet meer constateren dan wat ik in dit antwoord heb geschreven. Een positieve constatering gaat onze mogelijkheden te boven en te buiten. Er hebben zich geen aanwijzingen voor iets anders aangediend die aanleiding zouden kunnen geven voor het mogelijk inroepen van hulp bij de betrokken regering of deelregering ten aanzien van dat meisje. Er kwam uit dat gesprek niets naar voren dat tot een andere conclusie kan leiden bij degenen die dat gesprek hebben gevoerd, dan wat ik zo precies mogelijk in de antwoorden heb weergegeven.

Ik verwijs voor een deel naar het vertrouwelijke feitenrelaas. Daar kan ik niet uit citeren, maar dat betreft de verschillende instanties die daar een rol in hebben gespeeld. Daarbij heb ik de teleurstelling uitgesproken dat er niet sneller grip is gekomen op de situatie. Ik heb daarbij ook aangetekend dat de opstelling en verklaring van de betrokkene een punt kan creëren bij de kennis die we hebben kunnen vergaren, want wij kunnen dit meisje niet meer zelf verhoren. Dat kan leiden tot de aantekening dat de opstelling en verklaring van de betrokkene zelf daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Dit is het enige dat ik op dit moment over het onderwerp kan zeggen, wetend dat een aantal dingen nog verder wordt onderzocht.

Mevrouw Karabulut (SP): De minister schrijft inderdaad dat er telefonisch contact met het meisje is geweest en dat uit dat contact blijkt dat ze daar vrijwillig zit. Dat kunnen wij inderdaad niet verifiëren. Wij kunnen ook niet 100% zeker weten dat zij dat echt was. Wat wij wel weten, is dat dit meisje onvrijwillig is uitgehuwelijkt, mishandeld, verkracht en al drie jaar bekend was bij allerlei instanties. Hier zijn toch grove fouten gemaakt?

Minister Hirsch Ballin: Het is niet voor niets dat ik geen genoegen heb genomen met de beantwoording van de vragen die door de leden van de commissies zijn gesteld over wat zich aan de oppervlakte eigenlijk aandiende op dit punt. De reden dat deze antwoorden tijd hebben gekost, is dat ik grote zorgen had en heb bij deze geschiedenis. Daarom heb ik aan mijn medewerkers gevraagd – en dat hebben ze intens gedaan – om zo veel mogelijk boven water te brengen van deze ook in mijn ogen buitengewoon pijnlijke en akelige geschiedenis.

Mevrouw Karabulut (SP): Daar ben ik de minister natuurlijk erkentelijk voor en ik ben heel blij dat dit naar buiten is gekomen. Ik vind het belangrijk dat wij hier lessen uit trekken. Maar ik heb nog de vraag waarom er pas drie jaar later is overgegaan tot strafrechtelijk onderzoek. Vindt de minister ook niet dat wanneer er geconstateerd wordt dat er minderjarige kinderen zijn uitgehuwelijkt, het Bureau Jeugdzorg dat soort kinderen onder toezicht moet plaatsen? Laten wij dat met elkaar afspreken, en ook dat hier wel degelijk sprake is van eergerelateerd geweld.

Minister Hirsch Ballin: Het gaat hier om de geschiedenis van een huwelijk dat blijkbaar het meisje is aangedaan buiten Nederland en waar we gegeven de nationaliteit en dergelijke machteloos tegenover staan. Ik ben het helemaal met mevrouw Karabulut eens dat signalen daarvan heel intens moeten worden opgepakt door de betrokkenen. Dat is precies de reden waarom ik het van belang vind dat instanties die daar melding over krijgen, niet op basis van een soort mix van «we moeten de privacy toch beschermen» en «we weten het niet precies» tot de conclusie mogen komen dat ze dan maar niks moeten doen. Dat vind ik onaanvaardbaar. Ik zeg niet dat dat de houding is geweest van deze of gene functionaris in deze zaak. Het is een complexe geschiedenis, zoals de Kamer kan afleiden uit het vertrouwelijk feitenrelaas. Het geldt in mijn verantwoordelijkheid en die van mijn betrokken collega’s en gemeentelijke autoriteiten, evenzeer als de manier waarop mevrouw Karabulut en haar collega’s dit verwoorden, dat wij het niet acceptabel vinden dat een meisje in zo’n positie wordt gebracht en dat wij er dan maar op vertrouwen dat gemaakte afspraken worden nagekomen. Op een gegeven moment komen er dan signalen dat het heel anders zit dan op basis van die afspraken was aangenomen. Het mag niet zo gaan.

Mevrouw Arib (PvdA): De minister vindt het ook belangrijk dat deze zaak naar buiten is gekomen en dat daar aandacht aan besteed is, maar deze zaak is naar buiten gekomen dankzij een klokkenluider. In de antwoorden op schriftelijke vragen wordt gezegd dat die klokkenluider dat nooit naar buiten had moeten brengen, want daarmee heeft hij de privacy geschonden. Ik heb de indruk dat de privacy wordt gebruikt om zich daarachter te verschuilen, dus ik ben heel blij dat het naar buiten is gebracht. Ik wil graag dat de minister dit erkent, want dit staat niet in zijn schriftelijke antwoorden. Daarin wordt het de klokkenluider kwalijk genomen.

Over Suat zegt de minister op basis van telefoongesprekken dat hij geen andere conclusie kan trekken dan dat ze daar vrijwillig is. Ik vraag mij af in hoeverre aan Suat hulp wordt geboden, ondanks het feit dat zij misschien onder de omstandigheden niets kan zeggen. Ligt er een rol voor bijvoorbeeld de ambassade om haar alsnog een mogelijkheid te bieden – zoals het ook in Engeland gebruikelijk is dat meisjes die achtergelaten of uitgehuwelijkt worden alle steun krijgen – om terug te keren? Ik vraag dat omdat ik weet dat de impact van de zaak Suat op veel slachtoffers heel groot is. Heel veel meisjes durven straks niet meer naar de jeugdzorg of de politie te gaan, omdat het vertrouwen enorm is geschaad.

Minister Hirsch Ballin: Zoals afgeleid kan worden uit het vertrouwelijk deel van de rapportage, is cruciaal dat een hulpaanbod wordt geaccepteerd door de betrokkene. Wij weten dat er ook situaties zijn waarin degene waaraan het hulpaanbod wordt gedaan, zich niet vrij voelt om het aanbod te accepteren. Dat is een van de moeilijkste onderdelen van hulpverlening. Dat hoeven wij bij alle ervaring die hier rond de tafel aanwezig is nauwelijks te zeggen. Er zijn helaas ook op andere terreinen situaties waarin medische, psychologische, psychiatrische, politiële en justitiële hulp er wel is, maar niet wordt geaccepteerd. Het is lastig om daar doorheen te komen in een vrije samenleving. Dat betekent dat een deel van de expertise die wordt ontwikkeld erop gericht is om een context te creëren waarin mensen zich vrij voelen om de aangeboden hulp te accepteren. Bij alles wat zich in het huiselijk verband afspeelt, is dat extra moeilijk. Dat is ook de reden dat wij zijn overgegaan tot zulke vergaande maatregelen als uithuisplaatsing van de geweldpleger. Dat is een manier – en zo heeft het ook gewerkt in het eerste jaar van de instelling van het huisverbod – om de gezinsleden te bevrijden van de druk die ze belet om een hulpaanbod te aanvaarden. In een context als deze kun je te maken krijgen met een samenval van nood, van behoefte aan hulp en van hulpaanvaarding-belemmerende factoren, waarbij het heel moeilijk is om die twee te ontrafelen. Als er in de geschiedenis van een zaak tegenstrijdige signalen zijn geweest, dan is het nodig in een context als deze dat er maximale expertise is van de hulpverleners, expertise om uit de klem te komen van de regel dat we hulp in ons land alleen op basis van vrijwilligheid kunnen geven en om te doorzien of de weigering van het hulpaanbod echt vrijwillig is.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Het probleem is dat er waarschijnlijk veel meer meisjes, vrouwen en misschien ook jongens zijn die in precies dezelfde situatie zitten, maar die nu onder de oppervlakte blijven. De minister heeft gezegd dat hij veel tijd aan de beantwoording besteed heeft omdat hij alles aan de oppervlakte wilde krijgen. De vraag is echter of dat het geval is en in hoeverre bij deze casus het grote probleem de slagkracht is. Hij zegt dat het heel lastig is om hulp te bieden aan iemand die daar tegenstrijdige signalen over geeft en hulp afwijst, maar dit was een minderjarig meisje, dat signalen afgaf van mishandeling en verkrachting. Dan vraag ik mij af of er voldoende geleerd is van deze casus, zodat er in volgende casussen wel ingegrepen wordt.

Minister Hirsch Ballin: Die vraag is voor mij ook een van de twee belangrijkste en ik zou hem zelf net zo formuleren als mevrouw Azough. De andere belangrijke vraag is wat er kan en moet worden gedaan voor dit meisje. Wat er met meisje Suat is gebeurd, is in het LEC juist besproken om ervan te leren. Voor mij ligt de lering eigenlijk besloten in wat ik in de inleiding zei. Dat was ook bedoeld om al te preluderen op het type lering dat ik eruit wil trekken. Die lering heeft betrekking op de realistische expertise die er moet zijn bij hulpverleners op dit terrein en het vermogen om tijdig gegevens uit te wisselen en daar niet op te blijven zitten, maar ook de aanpak bij huwelijksdwang. Mevrouw Azough legt terecht de relatie met de zeer jonge leeftijd waarop dit meisje buiten Nederland is gedwongen tot het aangaan van deze verbintenis, die haar zo duur is komen te staan. Dat is de achtergrond van de brief die ik de Kamer zeer onlangs heb gestuurd over huwelijksdwang. Deze brief staat nu niet op de agenda, maar hopelijk zullen wij die spoedig bespreken.

Staatssecretaris Bussemaker: Voorzitter. Wij zijn het er met z’n allen over eens dat eergerelateerd geweld zo veel mogelijk moet worden voorkomen en dat het een gruwelijk verschijnsel is dat onthutsende verhalen oplevert. Wij kunnen met elkaar vaststellen dat dat mede een gevolg is van de emancipatie die meisjes doormaken. Die meisjes, vrouwen en soms ook mannen laten over het algemeen een enorm doorzettingsvermogen zien, want het is niet niks om tegen de cultuur en eer van je familie in te gaan en te vechten voor je eigen vrijheid. Dat vraagt om een coherent, samenhangend en ambitieus beleid. Daar doe ik met name het onderdeel van de hulp en de opvang van, maar dat kan ik alleen doen doordat mijn collega’s de preventieve en de strafrechtelijke kant voor hun rekening nemen. Uitgangspunt is dat snelle, veilige en goede hulp prioriteit heeft. Meisjes die gevaar lopen door eergerelateerd geweld moeten weg kunnen en opvang kunnen krijgen en ook weer perspectief op een zelfstandig leven krijgen. Soms kan dat door een oplossing te vinden binnen de familie. Dat is niet altijd onmogelijk, maar soms wel en dan moet er een ander perspectief gevonden worden. Hoe dan ook, het slachtoffer moet leren om weer op eigen benen te staan en daar zijn hulpverleners met kennis van zaken voor nodig. Wij doen dat in een aantal onderdelen die ik langs zal lopen.

Allereerst is het goed om te zeggen dat wij extra geld beschikbaar stellen. Ik ben het van harte met de heer De Krom eens dat geld niet alles oplost, maar ik hecht er wel aan hier te melden dat wij sinds 2008 bijna 18 mln., oplopend tot 32 mln. in 2012, beschikbaar stellen voor opvang van slachtoffers van huiselijk geweld. Dat kunnen slachtoffers zijn van eergerelateerd geweld, maar ook slachtoffers van mensenhandel, mannelijke slachtoffers of slachtoffers van meer reguliere vormen van huiselijk geweld, die vallen onder de Wet tijdelijk huisverbod. Met die middelen is uitbreiding van de capaciteit mogelijk met in totaal 500 extra plekken. Die plekken zijn dus ook bedoeld voor slachtoffers van eergerelateerd geweld. Dat doen wij door specifieke plekken te garanderen en pilots in te richten. Daar zal ik nader op ingaan en daar zal ik ook de lessen bij betrekken die daar nu al uit volgen.

Wij zijn in juli 2007 gestart met twee pilots voor meiden tussen de 14 en 23 jaar. Hierin gaat 3,5 mln. om. Die pilots zijn nadrukkelijk kleinschalig en niet in eerste instantie bedoeld om tot een landelijk dekkend aantal plaatsen te komen, want wij willen voor alle slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties een landelijk dekkend stelsel realiseren. Daar kom ik zo op terug. Die pilots bieden opvang en dat is belangrijk, maar ze blijken ook van onschatbare waarde, omdat wij er heel veel van kunnen leren over bijvoorbeeld de achtergronden van eergerelateerd geweld, de veiligheidsaspecten en de methodiek voor verschillende groepen. Wij willen de ervaringen en opgebouwde deskundigheid overdragen aan andere professionals. Tevens zullen de ervaringen worden gebruikt voor de structurele oplossing na de pilots. Het is van het allergrootste belang dat meiden en vrouwen opgevangen worden. Wij willen niet dat ze, als er geen plek bij die pilots is, op straat komen te staan, ook al hoeft niet iedereen altijd bij die pilots opgevangen te worden. Wij hebben expliciet laten uitzoeken, in overleg met de twee pilots Eva en Zahir, wat er is gebeurd met de 53 meisjes die in de periode 1 januari 2007 tot en met 31 augustus 2009 niet geplaatst konden worden. Ik heb de Kamer daarover bericht en wij hebben daar eerder met elkaar tijdens het mondelinge vragenuur over gedebatteerd. Wij signaleren dat een stijgend aantal meldingen niet doorzet. Van 1 september 2009 tot 1 februari 2010 konden er 34 meisjes niet direct worden opgevangen, maar er is geen stijging van het aantal meisjes dat niet kon worden opgevangen ten opzichte van het halfjaar daarvoor. Dus de voorlopige conclusie op grond van de laatste gegevens is dat het aantal zich lijkt te stabiliseren. Wij zullen goed in de gaten houden of dit zo blijft.

Dan is de vraag wat er gebeurt met de meisjes voor wie er even geen plek is. Gelukkig zeggen ook Eva en Zahir dat niemand op straat terechtkomt, maar dat neemt niet weg dat ik het signaal van de Kamer en van de pilots over het tekort aan plekken zeer serieus neem. Ik benadruk nogmaals dat ook voor mij geldt dat slachtoffers en dreigende slachtoffers van eergerelateerd geweld onmiddellijk en veilig opgevangen moeten worden. Waar komen die meisjes dan wel terecht? Voor een deel bij andere opvangvoorzieningen. Daar wordt in de regel ook gelet op de veiligheid. Het kan ook gebeuren dat ze bij vriendinnen terechtkomen. Er wordt bij de pilots altijd gecheckt of dat een goede plek is. Er worden – daar zal nog uitgebreid over gesproken worden – binnenkort afspraken gemaakt tussen het LEC en een vijftal instellingen, waaronder De Bocht, over het instellen van piketdiensten. In de instellingen zijn dan altijd crisisopvangplekken beschikbaar voor acute situaties om te voorkomen dat een meisje in een hotel of politiebureau zou moeten worden opgevangen.

Betreffende de opvangplekken vind ik dat wij niet alleen naar die pilots moeten kijken, maar ook naar andere betrokkenen. Het kan ook helpen als meisjes bijvoorbeeld sneller doorstromen of als jeugdzorg een aantal zaken beter op orde heeft. Wij hebben de afgelopen tijd dan ook gesproken met de pilots, de Federatie Opvang, de MOgroep Jeugdzorg, de VNG, het IPO en het LEC over de knelpunten. Daaruit kwam naar voren dat er vooral knelpunten zijn bij de jeugdzorg. Daar gaan wij nu mee aan de slag. Wij wachten niet tot de pilots afgelopen zijn, maar trekken er nu al lering uit en willen daarmee doorpakken.

Mevrouw Arib (PvdA): Over meisjes die niet geplaatst kunnen worden zegt de staatssecretaris dat die wel op een of andere manier worden opgevangen. Dat is gebaseerd op gesprekken met de instellingen. Ik wil graag weten of dat daadwerkelijk zo is. Kan het ook zo zijn dat ze ergens anders terechtkomen, niet vanuit de instellingen maar vanuit de slachtoffers zelf?

Ik weet niet of ik blij moet zijn met de stabilisatie van het aantal. Ik kan me voorstellen dat als de instelling overvol zit, veel meisjes zich niet melden. Ik wil dat graag onderzocht hebben, voordat wij een conclusie trekken.

Staatssecretaris Bussemaker: Ik wil ervoor waken om alles te gaan onderzoeken. Ik heb het volste vertrouwen in de twee pilots Eva en Zahir. Daar werken buitengewoon gepassioneerde en betrokken vrouwen, die zich daar 24 uur per dag met hart en ziel voor inzetten. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de gegevens die zij ons geven. Dat neemt niet weg dat het kan gebeuren dat slachtoffers zelf weggaan. Ik heb de Kamer de cijfers gegeven, waaruit blijkt dat een aantal slachtoffers bijvoorbeeld niet bij deze instellingen wil zitten. Als ze dat niet willen, is dat hun eigen keuze. Ik wil dat ze dan in ieder geval elders terechtkunnen waar het veilig genoeg is. Over die overvolle plekken heb ik de Kamer de gegevens schriftelijk gegeven. Ik besef dat er druk op de pilots staat. Ik kom aan het eind van mijn betoog terug op de toekomst. Daarin neem ik ook de financiële middelen mee die ik ter beschikking heb voor de komende jaren. Ik heb geen signalen dat meisjes zich niet melden omdat er geen plek zou zijn. Ik denk zelf dat als je hiermee te maken hebt, je alles opzoekt wat maar mogelijk is om onderdak te vinden. Er moet een heel goede samenwerking zijn tussen alle betrokken organisaties. Het moet eigenlijk niet uitmaken of een meisje zich meldt bij de jeugdzorg, de pilot of elders. Die instellingen moeten de samenwerking op orde hebben, zodat zij de beste plek voor het potentiële slachtoffer kunnen zoeken.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik twijfel absoluut niet aan de inzet van Eva en Zahir. Zij waren juist degenen die aan de bel hebben getrokken dat ze met een crisissituatie zitten, omdat ze overvol zitten en de meisjes nergens kwijt kunnen. Sterker nog, ook toen moest in een zeer ernstige situatie rondom een meisje de vrouwenopvang uiteindelijk een duur hotel in het noorden van het land regelen, omdat ze geen plek hadden. Dat is wat ik bedoel en niet om te twijfelen aan de gegevens van Eva en Zahir. Ik zou die signalen wel serieus nemen en niet afdoen met: nog een onderzoek hoeft van mij niet. Wat wij te horen krijgen, wordt van verschillende kanten bevestigd, ook door slachtoffers zelf.

Staatssecretaris Bussemaker: Ik heb net gezegd dat ik die signalen van de pilots en de Kamer buitengewoon serieus neem. Ik kom daar nog op terug. Er is geen twijfel over dat meisjes die slachtoffer of potentieel slachtoffer zijn van eergerelateerd geweld, niet horen te verblijven op een hotelkamer of in een politiecel, maar goede en beschermde opvang horen te krijgen. Ik waak er alleen voor dat wij voor elke groep – want er zijn meer groepen waar problemen zijn, ondanks alle extra middelen die ik daar al voor uittrek, ondanks die 500 extra plekken – een mechanisme krijgen waarin we steeds weer naar nieuwe plekken gaan vragen. Het zal ook moeten komen van betere samenwerking en doorstroom naar andere plekken. Ik wil dat integraal benadrukken.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Ik heb in mijn eerste termijn gevraagd naar die doorstroom. Het is niet duidelijk waardoor die verblijfsduur bij Eva en Zahir langer is geworden. Zou de staatssecretaris kunnen ingaan op wanneer wij daar zicht op kunnen krijgen en welke mogelijkheden er zijn? Ik begrijp dat ongeveer 30% van de meisjes terugkeert naar huis. Dat betekent dat de veiligheid daar gewaarborgd kan worden. Waar ligt dat aan en zou dat verhoogd kunnen worden? Is het mogelijk om de situatie thuis te verbeteren om die dreiging met eergerelateerd geweld totaal weg te krijgen?

Staatssecretaris Bussemaker: Ik zei net al dat die pilots, behalve dat ze nu direct opvang bieden voor potentiële slachtoffers, er ook voor dienen om van te leren. Dus dit zijn lessen die wij daaruit leren. De Kamer krijgt rond de zomer van mij weer een midterm review van Beschermd en Weerbaar, waarin wij de balans opmaken. Indien wij er dan gegevens over hebben, zullen wij op deze vraag terugkomen. Dat betekent ook dat wij, voor zover het dan al kan, gegevens zullen leveren over die meisjes die teruggaan naar hun familie. In sommige gevallen is dat een goede oplossing, maar in andere gevallen niet. Er moet absolute zekerheid zijn dat een meisje bij terugkeer een zelfstandig leven kan leiden. Dat zal beoordeeld moeten worden door de professionals die bij die opvangplekken betrokken zijn. Bij de nieuwe voortgangsrapportage Beschermd en Weerbaar zullen wij de lering meenemen die nu al getrokken kan worden uit de pilots.

De lessen die wij nu al geleerd hebben uit de pilots en waarmee wij nu al aan de slag gaan, hebben met name betrekking op de jeugdzorg. Daarom starten wij nog voor de zomer met deskundigheidsbevordering in de jeugdzorg, zodat meisjes betere jeugdzorg kunnen krijgen en sneller kunnen doorstromen naar een vervolgplek, bijvoorbeeld in de jeugdzorg of bij begeleid wonen. Daarover ga ik in overleg met de MOgroep Jeugdzorg en het NJI.

De deskundigheidsbevordering in de jeugdzorg kan inderdaad beter. Naast hetgeen ik net al zei, heeft de minister voor Jeugd en Gezin een diversiteitsprogramma opgezet, waarmee werkers in de jeugdzorg in staat worden gesteld om hun vaardigheden te verbeteren. Het gaat met name om interculturele competenties, waardoor kindermishandeling maar ook de dreiging van eergerelateerd geweld beter en sneller herkend kan worden.

Het tweede verbeterpunt is de inzet van de financiële middelen door de jeugdzorg. Er start binnenkort een feitenonderzoek naar knelpunten in de financiering van jeugdzorg bij de pilots. De bedoeling is dat dit onderzoek eind maart wordt afgerond. Op basis daarvan zullen afspraken met het IPO gemaakt worden over het verbeteren van de financiële inzet van de jeugdzorg.

Ook de noodzaak van verbeteren van de inzet van de centrumgemeenten is een les die we geleerd hebben. Bijna de helft van de aanmeldingen betreft meerderjarige meisjes. Opvang van deze vrouwen is formeel een taak van de centrumgemeenten. De afgelopen tijd is de uitkering voor de vrouwenopvang fors opgehoogd, mede dankzij de impuls in het kader van Beschermd en Weerbaar. Die plekken zijn ook bedoeld voor slachtoffers van eergerelateerd geweld. Voor de extra capaciteit is 2,5 mln. in 2008 en 4,7 mln. vanaf 2009 beschikbaar gesteld voor de centrumgemeenten. Wij gaan er met hen over praten of zij dat in voorkomende gevallen voldoende inzetten voor slachtoffers van eergerelateerd geweld.

Daarnaast wordt ook flink ingezet op de deskundigheidsbevordering bij de vrouwenopvang. Ik bespreek binnenkort met de VNG hoe we de inzet van centrumgemeenten voor die meerderjarige slachtoffers beter kunnen gebruiken.

De heer De Krom (VVD): Mag ik aan de staatssecretaris vragen wat er, als er sprake is van mishandeling van minderjarigen, gebeurt met kinderbijslag voor de ouders?

Staatssecretaris Bussemaker: Dat is een vraag die onder de verantwoordelijkheid van mijn collega voor Jeugd en Gezin valt. Ik kan daar het antwoord niet op geven, maar volgens mij heeft dat vooralsnog geen gevolgen voor de kinderbijslag.

De heer De Krom (VVD): Dus de staatssecretaris zegt eigenlijk dat als ouders misdrijven plegen, als er sprake is van huiselijk geweld of mishandeling van kinderen die ten gevolge daarvan naar de opvang moeten, zij gewoon kinderbijslag blijven krijgen. En dat die kosten, waar de samenleving mee wordt opgezadeld, ook helemaal niet worden verhaald op de daders.

Staatssecretaris Bussemaker: Dat is hoe het formeel zit, maar ik weet dat hier al langdurig discussie over is. De gemeente Amsterdam is hier al heel lang mee bezig en ook andere gemeenten hebben de noodklok geluid. Ik weet dat er interdepartementaal overleg over is. Ik zal vragen of mijn collega voor Jeugd en Gezin, die over de kinderbijslag gaat, de Kamer hierover wil informeren.

Mevrouw Sterk (CDA): Ik ben wel benieuwd of aangegeven kan worden of dat geld specifiek is besteed aan Beschermd en Weerbaar. Ik hoor bijvoorbeeld vanuit Zahir dat zij daar vraagtekens bij hebben. De staatssecretaris zegt dat ze daar naar gaat kijken. Wanneer krijgen wij dat te horen?

Staatssecretaris Bussemaker: Bedoelt mevrouw Sterk het geld dat naar de centrumgemeenten gaat voor vrouwenopvang? Wij zien wel dat er wat valt te verbeteren, zodat dat geld echt bij deze groepen terechtkomt. Alle andere vragen neem ik mee in de midterm review rond de zomer, voor zover ik die informatie dan heb, want daarvoor ben ik deels afhankelijk van de gemeenten. Daarin wordt de balans opgemaakt van wat wij tot nu toe hebben gedaan en wordt bekeken of er reden is om te schuiven met financiële middelen. Ik wil er niet te veel op vooruitlopen en geen mechanisme krijgen waarin we steeds meer plaatsen voor verschillende opvanginstellingen gaan organiseren. Ik ben ervan overtuigd, op grond van de signalen tot nu toe, dat het van belang is dat er een aantal plekken voor slachtoffers van eergerelateerd geweld bijkomt. Aangezien dat een van de voorlopige conclusies is, wil ik daar niet mee wachten tot de midterm review gemaakt en besproken is, want dan zitten wij al weer aan het eind van dit jaar. Dus waarschijnlijk komen er al voor de zomer een aantal plekken bij. Ik zeg met het enige voorzichtigheid, omdat ik een euro ook maar één keer kan uitgeven en ik zeg dat het alleen werkt als wij tegelijkertijd die doorstroom bevorderen en bijvoorbeeld jeugdzorg erbij halen om de totale opvang goed te regelen.

Mevrouw Karabulut (SP): Daarvoor is ook nodig dat de centrumgemeenten hun regierol goed uitvoeren. Ik had gevraagd of de staatssecretaris bereid is om daar eenduidigheid in aan te brengen, omdat gemeenten daar nogal verschillend mee omgaan. Als een slachtoffer bijvoorbeeld van de ene regio naar de andere verhuist, moet ze weer helemaal opnieuw beginnen in het hulpverleningstraject.

Verder snap ik niet dat er niets gebeurt als minderjarige meisjes worden uitgehuwelijkt in Nederland. Ik had gevraagd of de staatssecretaris ook vindt dat deze meisjes direct onder toezicht van de Kinderbescherming geplaatst moeten worden.

Staatssecretaris Bussemaker: Op de tweede vraag is de minister van Justitie uitgebreid ingegaan.

Wat betreft de steunpunten zijn wij basisfuncties aan het ontwikkelen om een eenduidige aanpak bij de centrumgemeenten te krijgen, die medio 2010 klaar en vastgesteld zal zijn. Ondertussen zijn wij al met de centrumgemeenten in gesprek om ervoor te zorgen dat men daarmee aan de slag gaat.

Inzake de mannenopvang meld ik dat er bij de G4 een pilot mannenopvang loopt, waarbij het gaat om 40 plekken – 10 per stad – met een bezettingsgraad sinds de start tussen de 70% en 90%. Het is belangrijk dat die plekken gebruikt worden voor ernstig bedreigde mannen en niet voor andere groepen. Dat hebben wij nog een keer besproken met de G4. Zij hebben aangegeven dat dat ook het geval is. Bij de verlenging van de pilot zal bij de intake worden gescreend op het aspect van ernstige bedreiging. Ik heb geen signalen van de G4 dat die plekken gebruikt zouden worden door andere groepen, zoals dak- en thuislozen. Dit zal ook onderdeel van de midterm review zijn. Als zal blijken dat zij wel gebruikt worden voor dak- en thuislozen, zal daar iets anders voor georganiseerd moeten worden, want dit zijn buitengewoon dure plekken. Ik houd mij aanbevolen voor signalen, maar dan moet wel man en paard genoemd worden, zodat ik ermee aan de slag kan.

Aan de deskundigheidsbevordering en de registratie wordt de laatste tijd hard gewerkt. Met de registratie bij de Federatie Opvang is eind vorig jaar een start gemaakt met de eerste verzameling van kwantitatieve gegevens over de periode januari tot en met augustus 2009 bij 32 instellingen. De federatie verwacht in het eerste kwartaal van dit jaar de meeste gegevens te hebben ontvangen en verwerkt. De gegevens uit die registratie zullen worden opgenomen in de voortgangsrapportage. Wij zijn ook in overleg met de federatie over de borging van trajecten.

Over de professionalisering in de opvang kan ik melden dat de handreikingen voor aanmelding, intake en begeleiding inmiddels gereed zijn en getest in vier regionale bijeenkomsten met medewerkers van de opvang. Daarna zijn ze getest op kwaliteit via een expertmeeting. De richtlijnen worden dit voorjaar op een voor alle beroepsgroepen toegankelijke website geplaatst. De federatie zal deze zomer een slotconferentie houden voor onder meer professionals in de vrouwenopvang, maar ook ketenpartners, gemeenten en de jeugdzorg. Dus ook daar wordt gewerkt aan ketenaanpak en professionalisering van de opvang.

De vraag waarom het niet sneller kan met de meldcode is mij uit het hart gegrepen. Ik hoop dat de Kamer deze vraag niet alleen aan ons stelt, maar ook aan zichzelf. Want waarom duurt het tot ongeveer 1 januari 2011 voordat de – inderdaad verplichte – meldcode er komt? Omdat dat een wet is en het dus mede van de Kamer afhangt hoe snel deze behandeld kan worden. De wet ligt nu voor consultatie in het veld. De Kamer weet dat er buitengewoon veel professionele groepen bij betrokken zijn uit de zorg, het onderwijs, de jeugdzorg, de reclassering enz. Wij verwachten het voorstel voor de meldcode in maart naar de Raad van State en in mei naar de Kamer te kunnen sturen. Het is de vraag of het op de streefdatum 1 januari 2011 ingevoerd kan worden. Dat gezegd hebbende, gaan wij natuurlijk niet wachten tot 1 januari 2011, want we zijn allang bezig. Er worden nu al professionals aangespoord om met de meldcode te werken. Op 1 februari jongstleden is het basismodel meldcode gepresenteerd en is er een stappenplan voor professionals gemaakt dat aangeeft hoe men moet handelen bij vermoedens van geweld. Het basismodel is te vinden op de website www.meldcode.nl. Een wet is één ding, maar het tegelijkertijd implementeren is een tweede ding, en wij hebben de vrijheid genomen om daar nu al mee te beginnen en niet te wachten tot de Kamer haar formele goedkeuring aan de wet heeft gegeven. Ik hoop dat de Kamer dat wel snel zal doen, want dan is het ook wettelijk geregeld. Dat geldt ook voor de jeugdzorg en de jeugdgezondheidsartsen. Die werken nu ook al met de basismodule en leren werken met de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast wordt er een databank ontwikkeld door MOVISIE en het NJI. Die databank gaat beschikbare trainingen en cursussen op het gebied van vroegsignalering en het gebruik van de meldcode voor diverse groepen geven, waaronder de jeugdgezondheidszorg.

Dit is wat we doen op de korte termijn. Er moet altijd opvang zijn voor potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld en voor andere slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Ik denk dat het voor de langere termijn nodig is om ook te kijken of wij de samenwerking goed op orde hebben en of wij het geld zo efficiënt mogelijk besteden. Wij signaleren dat er steeds weer nieuwe groepen komen en dat er dan al snel een vraag ontstaat – heel begrijpelijk – naar nieuwe opvang. Dan kiezen wij voor tijdelijke oplossingen, zoals we nu doen met de pilots. Ik wil toe naar structurele oplossingen en daarom heb ik de commissie Stelselonderzoek Vrouwenopvang ingesteld. Die doet onderzoek naar het huidige stelsel, naar de manier waarop wij dat toekomstbestendig kunnen maken, naar knelpunten en oplossingen. Enkele van die thema’s zijn: sturing door het Rijk en de gemeente, wat kunnen alle gemeenten doen, wat kunnen centrumgemeenten doen en waar zijn specifieke voorzieningen nodig die het niveau van centrumgemeenten overstijgen, zoals wellicht bij eergerelateerd geweld. Zij kijkt naar de aansluiting van hulp en opvang met aanpalende stelsels, zoals AWBZ en jeugdzorg, de ervaren knelpunten in het huidige stelsel en de opvang van specifieke groepen. Daarbij worden ook de pilots eergerelateerd geweld betrokken. Ten slotte kijkt zij naar de ontwikkeling van de hulpvraag in de toekomst. Dus als het goed is komt zij met bevindingen over de vraag of wij een stabilisatie van aanvragen voor opvang van eergerelateerd geweld voor de toekomst mogen verwachten. Wij willen bekijken waar dat toe leidt en in het licht van het toekomstbestendig maken, voer ik ook een trendstudie uit naar de ontwikkeling in vraag en aanbod inzake geweld in afhankelijkheidsrelaties. Die uitkomsten zal de commissie meenemen. De commissie brengt rond de zomer een tussenrapportage uit en eind dit jaar een eindrapportage. In de al toegezegde voortgangsbrief midterm review Beschermd en Weerbaar wordt ook de tussenrapportage van deze commissie meegenomen, zodat ik die bevindingen in ieder geval met de Kamer kan delen in de wetenschap dat het eindresultaat van die commissie eind dit jaar wordt verwacht.

De geheimhouding van de adressen van bedreigde vrouwen is een complexe problematiek waar veel organisaties bij betrokken zijn. Wij hebben te maken met de administratie van zorgverzekeraars en zorgverleners. Er wordt op dit moment langs verschillende sporen gewerkt om dat vraagstuk op te lossen. Er kunnen in individuele gevallen door opvanginstellingen, betrokken zorgverzekeraars en zorgverleners onderlinge afspraken gemaakt worden, zodat de adressen van bedreigde vrouwen geheim kunnen blijven. Zo heeft een van de opvanginstellingen die ook ggz-zorg levert, met de meest betrokken zorgverzekeraar afspraken gemaakt over de dbc’s die door opvanginstellingen worden gebruikt. Maar wij willen meer doen en om niet langer afhankelijk te zijn van de medewerking van betrokken instanties, werken wij aan structurele maatregelen. Zo heeft Zorgverzekeraars Nederland voor de zorgverzekeraars een uniform pakket aan maatregelen gemaakt om de adressen van bedreigde vrouwen geheim te kunnen houden. Die zijn verankerd in de gedragscode verwerking persoonsgegevens. Kort samengevat houdt het in dat de verzekeraar zorgt dat de adresgegevens van de verzekerde op diens verzoek worden afgeschermd en dat ze niet via de geautomatiseerde controle op verzekeringsrecht aan zorgaanbieders beschikbaar worden gesteld. Wat wij doen met de zorgverzekeraars heeft betrekking op de AWBZ, de Zorgverzekeringswet en de aanvullende verzekeringen. Daarbij is het wel van belang dat de verzekerde zelf en het opvanghuis aangeven dat de gegevens niet aan derden mogen worden verstrekt.

Wij bieden voor vrouwen in de opvang de mogelijkheid om onder een briefadres in de GBA te worden opgenomen. De minister van BZK is voornemens de wet op dit punt aan te passen, teneinde vrouwen de mogelijkheid te geven het briefadres te continueren nadat zij de opvang hebben verlaten, zodat zij niet alleen in de opvang maar ook daarna niet via het GBA te traceren zijn. Dat wetsvoorstel zal naar verwachting in maart worden voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Ik stel vast dat heel veel doelen van het Programma Eergerelateerd Geweld nog niet zijn behaald. De afronding moet eind dit jaar plaatsvinden, maar ik zie dat nog niet gebeuren. Ik zie wel een belangrijke taak voor de opperregisseur van dit programma waar het gaat om de informatievoorziening, de registratie, het geld voor de politie, zodat ze kan doorgaan met haar werk, en de strafrechtelijke vervolging. Daar liggen nog een hele hoop taken en er is nog heel veel werk aan de winkel.

Ik ben blij dat de minister erkent dat er in de zaak Suat grove fouten zijn gemaakt. Niet exact in die bewoordingen, maar toch. Ik ga ervan uit dat dit in de toekomst niet meer zal gebeuren. Ik vraag de minister om de Kamer te informeren – eventueel vertrouwelijk – over de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek, want ik kan er niet bij dat de daders vrij rondlopen. Ik vraag de minister ook een duidelijk antwoord op de vraag of minderjarige kinderen die worden uitgehuwelijkt, niet moeten worden beschermd en onder toezicht moeten komen te staan van de kinderbescherming.

Ik neem natuurlijk geen genoegen met de financiering van het LEC. Er wordt fors bezuinigd en er zijn al te weinig agenten op straat. Hier moet gewoon structurele financiering voor komen. Ik zal het uiteraard met mijn collega opnemen.

De koepelorganisaties en het van onderop bewust maken van migrantengroeperingen zijn ontzettend belangrijk, maar ik heb twijfels over de manier waarop dat gaat. Ik vind handelingsprotocollen ontzettend vaag. Ik wil graag de toezegging dat de minister voor WWI ons hier uitgebreid over informeert en ik zou graag van deze minister willen horen wat hij verstaat onder de goede of de slechte kant van de eer. Het programma dat deze organisatie heeft opgesteld heet Aan de goede kant der eer. Ik vind dat vrij verwarrend.

Mevrouw Sterk (CDA): Voorzitter. Ik bedank de bewindspersonen voor de antwoorden. Ik ben ervan overtuigd dat bij hen beiden de drive aanwezig is om dit zo snel mogelijk de kop in te drukken. Het valt niet mee, want het zijn culturele zaken die al zo lang spelen, dat je ze niet binnen een jaar hebt opgelost. Ik heb het gevoel dat wij op de goede weg zijn, maar er kan nog wel het een en ander worden verbeterd en wij hebben nog heel veel kennis nodig, maar daar wordt aan gewerkt. In ben blij dat het LEC doorgaat en dat er een uitrol plaatsvindt naar de regio’s, want daar moet uiteindelijk de kennis terechtkomen. Ik heb begrepen dat een aantal zaken centraal blijven worden aangestuurd. Laten wij hopen dat het dat de heroverwegingen overleeft.

Ik ben ook blij met de verheldering van de minister over de zaak Suat. Ik merk uit zijn beantwoording dat hij begaan is met dit geval. Wij weten allemaal dat Suat niet op zichzelf staat en ook dat wij haar vanaf hier niet kunnen helpen, maar ik denk dat de casus ons veel heeft geleerd over wat er beter kan op het terrein van de aanpak van eergerelateerd geweld.

Ik had nog een vraag gesteld over de Raad voor de Kinderbescherming, die immers de rapporten opstelt met een beoordeling van hoe het is gesteld. Ik ontvang daar graag nog een antwoord op.

Ten slotte zijn er een aantal zaken waar wij binnenkort meer over zullen horen. Ik ben erg benieuwd naar de evaluatie van de pilots en blij dat er vooruitlopend op die pilots wordt gekeken of er meer plaatsen kunnen komen. Ik ben ook erg benieuwd naar de midterm review rond huiselijk geweld en de aanpak in de centrumgemeenten met betrekking tot dit thema.

De heer De Krom (VVD): Voorzitter. Als je bij dit soort opvanghuizen op bezoek komt, hoor je dramatische verhalen van vrouwen, minderjarige kinderen etc. Voor mij is het onverteerbaar dat wij niet weten in hoeveel gevallen de daders van dit soort geweld achter de tralies belanden. Ik begrijp niet waarom dat zo ingewikkeld is, maar ik wacht die rapportage wel af. Wat mij betreft is het vrij simpel: die lui horen in streepjespak achter de tralies thuis en nergens anders. Ik hoop dat die rapportage ons inzicht geeft in wat er strafrechtelijk gebeurt.

Ik stelde een vraag over de kinderbijslag. Er wordt aan opvang miljoenen besteed. Dat is terecht want ik vind dat er voldoende opvangcapaciteit moet zijn, maar in alle gevallen van vrouwen en minderjarige kinderen die opvang nodig hebben – daar is kennelijk iets ernstigs aan de hand, daar zijn daders – kan het niet zo zijn dat die kinderbijslag gewoon doorloopt. Door het gedrag van de daders worden niet alleen de slachtoffers met een enorm probleem opgezadeld, maar ook de samenleving. Waarom worden die kosten niet op die daders verhaald, bijvoorbeeld door te korten op de uitkering?

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Allereerst maakt het debat van vandaag duidelijk dat een aparte rapportage over eergerelateerd geweld meer dan noodzakelijk is. De minister zegt in de voortgang dat dat waarschijnlijk niet nodig is, maar ik ga ervan uit dat wij apart geïnformeerd blijven worden over eergerelateerd geweld.

Wat betreft het OM en die aanwijzing zegt de minister dat het er aankomt, maar dat het ingewikkeld is. Ik hoor graag op welke termijn het OM die aanwijzing zal opstellen.

In verband met de strafrechtelijke vervolging hebben collega Kamp van de VVD en ik een motie ingediend. Ik heb in mijn eerste termijn al gevraagd hoe het staat met de uitvoering van die motie. Ik wil daar graag schriftelijk over geïnformeerd worden.

Over de evaluatie van het LEC zegt dat minister dat dat in 2010 gebeurt. Wie gaat het LEC evalueren, of gaat het LEC zichzelf evalueren? Wanneer in 2010 gebeurt dat? Wat wordt er precies geëvalueerd?

Ik sluit mij aan bij de vraag die de heer De Krom heeft gesteld over het aantal zaken dat afgehandeld is – een stuk of 500 begrijp ik – waarvan ik heb gezegd dat ik precies wil weten wat eergerelateerd is en wat niet.

De staatssecretaris heeft opgemerkt dat het aan de Kamer is om voortgang te maken met de meldcode. Wij hebben geen wet gezien. Ik had die graag veel eerder gehad, want er zijn moties over ingediend en vragen over gesteld. Ik ben teleurgesteld dat het zo lang duurt en dat wij pas in mei daarover bericht krijgen.

Ik begrijp dat er een brief komt over de geheimhouding van de gegevens van slachtoffers die met eergerelateerd geweld te maken. Het blijkt dat zorgverzekeraars en andere instanties onzorgvuldig omgaan met privacygevoelige gegevens van slachtoffers. Wat gebeurt er met de instellingen die zich daaraan schuldig maken?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Ik bedank de bewindslieden voor hun antwoorden. Er wordt heel veel gedaan aan trainingen, deskundigheidsbevordering en signalering, dat bleek ook al uit alle stukken die wij vandaag hebben mogen behandelen. Het is wel noodzakelijk dat wij kritisch op onszelf blijven. Die urgentie is vanuit meerdere fracties naar voren gekomen. Wij moeten scherp blijven toezien op de effectiviteit en de efficiency van het beleid. Daarom vind ik het jammer dat degene die publiekelijk iets in de zaak Suat heeft aangekaart, blijkbaar het gevoel had dat hij intern onvoldoende gehoor kreeg. Ik weet niet hoe de zaak precies in elkaar steekt, maar ik vind dat een cruciale factor. Dat er blijkbaar intern onvoldoende gehoor voor zijn kritiek was, hoort meegenomen te worden in de evaluatie van het LEC. Ik hoor van de staatssecretaris en de minister graag of dat gebeurt. Ik hoop ook dat ernaar gekeken wordt dat in de casus Suat ondanks de veelheid van betrokken organisaties toch sprake is geweest van passiviteit.

Rondom de koepelorganisaties wil ik ervoor waken dat wij te maken hebben met een reflex. Het is makkelijk om met deze organisaties te werken, omdat ze al aan tafel zitten en omdat wij al een subsidierelatie met ze hebben. Daar waak ik voor. Ik hoor graag van de minister of hij die kritiek meegeeft aan de minister voor WWI.

Ik maak me zorgen over de rapportage van het LEC als er niet gekoppeld wordt vanuit de regionale korpsen. Dat betekent dat de informatie van het LEC niet volledig is. Het is lastig 100% volledigheid te hebben, maar wij moeten wel een redelijk totaalbeeld kunnen krijgen van wat er gebeurt.

Wat betreft de kinderbijslag gaat het om onderhoudsgeld. Als het kind uit huis geplaatst is, lijkt mij daar geen sprake meer van.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Mevrouw Karabulut geeft haar interpretatie van de beoordeling in de zaak Suat. Ik wil het graag houden op mijn eigen bewoordingen, zoals de Kamer die heeft gelezen en gehoord. Over het strafrechtelijk onderzoek zal ik de Kamer graag informeren, zo nodig vertrouwelijk.

Over het handelingsprotocol zeg ik dat de goede kant van de eer is dat je geen eergerelateerd geweld begaat. Dat is een motto dat twee jaar geleden tijdens een werkbezoek aan Turkije onder onze aandacht kwam. Men zegt dat degene die meent eergerelateerd geweld te moeten toepassen, zijn eer verliest. Dat is een zeer gerechtvaardigde omkering van wat eervol en wat eerloos is.

Als signalen van dwang ten opzichte van minderjarigen bij de instanties bekend worden, moet de mogelijkheid van de spoedmaatregel voorlopige ondertoezichtstelling onder ogen worden gezien. De jeugdzorg en het AMK kunnen daarover bij de Raad voor de Kinderbescherming advies vragen. Risico’s en veiligheid van de minderjarige zijn bepalend bij dat advies en de daarop gebaseerde besluitvorming.

Ik zal de Kamer over de vraag wat eergerelateerd geweld is in de voortgangsrapportage Veiligheid begint bij Voorkomen informeren.

De evaluatie wordt opgesteld door mijn ministerie in samenwerking met het WODC.

Het handelingsprotocol zullen wij kunnen bespreken op 18 maart bij het overleg over huwelijksdwang. Ik heb begrepen dat mijn collega voor WWI daar ook bij aanschuift.

De aanwijzing van het OM komt in het voorjaar 2010. Op de motie-Kamp komen wij nog terug in een schriftelijke reactie.

Staatssecretaris Bussemaker: Voorzitter. Voor het verhalen van de kosten op daders verwijs ik naar de interdepartementale reactie die op dit moment wordt voorbereid. Dat gaat niet alleen over kinderbijslag, maar over tal van onderwerpen.

Inzake instellingen die zich schuldig maken aan de schending van de privacy heb ik gewezen op de code die gemaakt is door verzekeraars om ervoor te zorgen dat er een uniform pakket aan maatregelen ligt. Ik denk dat daar het een en ander in is verbeterd. Het betekent dat niet zozeer instellingen, als wel verzekerden erop gewezen moeten worden – en dat moeten verzekeraars in hun communicatie opnemen – dat zij zelf moeten aangeven dat ze willen dat hun gegevens afgeschermd worden. Op grond van de maatregelen moeten de verzekeraars vervolgens echt de procedures hanteren die ervoor zorgen dat de geheime gegevens niet worden verstrekt. Ik ben graag bereid dat nog eens onder de aandacht van de zorgverzekeraars te brengen, maar het zijn niet alleen de verzekeraars die daar verantwoordelijkheid in hebben, maar ook de instellingen en met name de slachtoffers zelf. Dat is dus een gezamenlijke inspanning.

De heer De Krom (VVD): Ik dank de staatssecretaris. Ik vraag haar of die informatie waar ik om gevraagd heb nog voor het algemeen overleg over huwelijksdwang naar de Kamer kan komen, want dan kunnen wij het daarbij betrekken.

Staatssecretaris Bussemaker: Ik zal de vraag doorgeven aan mijn collega voor Jeugd en Gezin, maar ik wijs de heer De Krom erop dat het een ingewikkelde problematiek is, waar heel veel departementen bij betrokken zijn. Wij willen wel een goed en zorgvuldig antwoord geven, dus of het haalbaar is, is de vraag.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik heb nog een vraag over de aparte rapportage over eergerelateerd geweld. Begrijp ik goed dat de minister vasthoudt aan het onderbrengen van de rapportage bij Veiligheid begint bij Voorkomen?

Minister Hirsch Ballin: Daarnaast zijn er de berichten die de Kamer krijgt en die wij bespreken, en de specifieke brieven. In de samenhang van de totale rapportage over de criminaliteitsbestrijding hoort dit uiteraard ook thuis.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik vind het wel belangrijk dat wij aparte rapportages krijgen. Als dat niet zo is, ga ik dat via een motie vragen.

Minister Hirsch Ballin: Die voortgangsrapportage blijft bestaan, maar wij zullen het onderwerp niet verzwijgen bij de rapportage over de criminaliteitsbestrijding.

Mevrouw Azough (GroenLinks): De minister is niet ingegaan op mijn vraag of in die evaluatie van het LEC ook meegenomen wordt de ruimte voor interne kritiek.

Minister Hirsch Ballin: Ik zou ervoor willen waarschuwen om een bevestigend antwoord te interpreteren na een concrete discussie over het doen en laten van een van de betrokkenen. Daar wil ik niet in treden. Als de vraag ook gaat over de interne werkwijze en de kwaliteit van de evaluatiediscussies, kan het antwoord ja zijn.

De voorzitter: Wij zijn gekomen aan het eind van dit overleg.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Haersma Buma (CDA), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Roemer (SP), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Besselink (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Leijten (SP), Sterk (CDA), Ulenbelt (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Van Gent (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Smilde (CDA) en Slob (ChristenUnie).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Smeets (PvdA), voorzitter, Van Miltenburg (VVD), Schippers (VVD), Smilde (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Van der Veen (PvdA), Schermers (CDA), Van Gerven (SP), Wolbert (PvdA), Zijlstra (VVD), Ouwehand (PvdD), Agema (PVV), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Sap (GroenLinks) en De Roos-Consemulder (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Velzen (SP), Neppérus (VVD), Atsma (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Verdonk (Verdonk), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Vietsch (CDA), Arib (PvdA), Van der Ham (D66), Uitslag (CDA), Gill’ard (PvdA), Omtzigt (CDA), Langkamp (SP), Vermeij (PvdA), De Krom (VVD), Thieme (PvdD), De Mos (PVV), Luijben (SP), Heerts (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Halsema (GroenLinks) en De Wit (SP).