A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 november 2005
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 16 november 2005. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring
van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één
van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel
dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 15 december
2005.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 28 maart 2005 te Charleroi totstandgekomen verdrag inzake samenwerking
tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Franse Gemeenschap
van België, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, anderzijds (Trb. 2002, 94 en Trb. 2005,
274).
Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot
TOELICHTENDE NOTA
Algemeen
De Belgische staatshervormingen hebben de verdragsluitende partijen aan
Belgische zijde (de Franse Gemeenschap van België, het Waalse Gewest
en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest)
autonomie bezorgd op verschillende terreinen. De federalisering bracht met
zich, dat de drie gemeenschappen en de drie gewesten, waaruit België
thans bestaat, zelf verdragen kunnen sluiten op de gebieden waarvoor zij respectievelijk
competent zijn. Een verdrag kan in België betrekking hebben op zowel
federale als gemeenschaps- en gewestbevoegdheden. Dit laatste is bij het onderhavige
verdrag het geval.
In het (Belgische) Cultureel Protocol van 31 maart 2000 heeft de
Franstalige gemeenschap van België de wens te kennen gegeven om, in navolging
van het op 17 januari 1995 te Antwerpen totstandgekomen Verdrag inzake
de samenwerking op het gebied van cultuur, onderwijs, wetenschappen en welzijn
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap in het Koninkrijk
België (Trb. 1995, 52), een samenwerkingsverdrag te sluiten met het Koninkrijk
der Nederlanden. In navolging hiervan hebben de Nederlandse en de Waalse regering
op 19 februari 2001 afgesproken de samenwerking tussen Nederland en het
Franstalige deel van België op een aantal terreinen te intensiveren.
De onderhandelingen die hieruit voortvloeiden, hebben geresulteerd in het
onderhavige verdrag, dat tijdens de tweede Belgisch-Nederlandse Conferentie,
op 28 maart 2002 te Charleroi, werd ondertekend.
Het verdrag heeft een brede inhoud. Aanvankelijk waren de onderhandelingen
gericht op het tot stand brengen van een memorandum van overeenstemming met
beleidsmatige afspraken. Om de bilaterale relatie en het belang van de samenwerking
sterker te kunnen benadrukken is besloten om een verdrag terzake te sluiten.
Gekozen is toen om de tekst van het memorandum te handhaven en daaraan verdragsrechtelijke
slotbepalingen toe te voegen. Dit verklaart ook waarom er over «secties»
wordt gesproken en niet over artikelen, zoals in verdragen gebruikelijk is.
De samenwerking is gericht op het beter waarderen van de ontwikkelingsmogelijkheden
van de mens, duurzame ontwikkeling en partnerschap tussen overheden, instellingen,
verenigingen en personen . Het verdrag voorziet in het aangaan dan wel verdiepen
van samenwerking op de terreinen van milieu, ruimtelijke ordening, toerisme,
openbare werken, vervoer, waterbeheer, economie en werkgelegenheid, onderwijs,
cultuur, sport, welzijn, volksgezondheid, technologie en wetenschappelijk
onderzoek.
Artikelsgewijze toelichting
Sectie 1
Deze sectie beschrijft onder meer het doel van het verdrag en van de beoogde
samenwerking, alsmede de terreinen waarop deze samenwerking betrekking heeft.
Het verdrag zou bijvoorbeeld ook de jaarlijkse uitwisseling van journalisten
kunnen vergemakkelijken.
Sectie 2
Deze sectie voorziet onder andere in de informatie- en documentatieuitwisseling.
Deze uitwisseling zal in de praktijk vorm gegeven moeten worden.
Sectie 3
Deze sectie gaat in op specifieke vormen van samenwerking. Hierbij kan
eveneens aan de onder sectie 1 genoemde onderwerpen worden gedacht. Aan de
uitwisseling van journalisten namen tot op heden vooral Vlaamse journalisten
deel; de verwachting is dat het aandeel Franstalige journalisten dankzij het
verdrag wat ruimer kan worden.
Sectie 4
Deze sectie bepaalt onder andere dat de samenwerking door de verdragsluitende
partijen wordt geëvalueerd. Dit zal mede zijn gebaseerd op de bevindingen
van de in sectie 7 genoemde Permanente Gemengde Commissie. Dit zal ook en
met name door de in artikel 7 genoemde Permanente Gemengde Commissie gebeuren.
En marge van politieke ontmoetingen komt de samenwerking aan de orde, evenals
de resultaten daarvan. In het verleden vonden op gezette tijden topontmoetingen
plaats tussen de Nederlandse Minister-President en zijn Waalse ambtgenoot,
zoals dat ook met de Vlaamse en Belgische counterparts geschiedde. Naar verwachting
zullen deze ontmoetingen de komende jaren weer worden opgepakt.
Sectie 5
Deze sectie bepaalt onder andere dat de verdragsluitende partijen rechtstreekse
contacten en activiteiten ten aanzien van bedrijven en andere rechtspersonen
evenals investeringen zullen bevorderen. Dergelijke contacten hebben al plaats;
zo vond bijvoorbeeld op 5 en 6 november 2002 in Luik een handelscontactdag
plaats onder auspiciën van het Waalse ministerie van Economische Zaken
enerzijds en EVD en Nederlandse ambassade anderzijds. Dit evenement was voorbereid
tijdens een bezoek van toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken Ybema
aan zijn Waalse counterpart Serge Kubla in januari van dat jaar.
Sectie 6
Deze sectie heeft betrekking op de inspanningen van de verdragsluitende
partijen ten aanzien van de uitwisseling onder jongeren. Uitwisseling tussen
scholen in Wallonië (en trouwens ook in Vlaanderen en Brussel) en in
Nederland kan ook plaatsvinden door bemiddeling van het Europees Platform
voor Nederlands onderwijs.
Sectie 7
Deze sectie ziet op de oprichting van de Permanente Gemengde Commissie
door beide partijen. Deze commissie zal zorgdragen voor de nadere invulling
van de doelstellingen van het verdrag enerzijds, en de evaluatie van de uitvoering
van voornoemde doelstellingen anderzijds.
Koninkrijkspositie
Het verdrag zal voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden alleen
voor Nederland gelden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot