Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630351 nr. 2

30 351
Regeling grote projecten

nr. 2
BRIEF VAN DE ALGEMENE REKENKAMER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 november 2005

Met genoegen gaan wij in op uw verzoek (brief 05-RU-B-027)1 om te reageren op de hernieuwde regeling grote projecten1. In algemene zin constateren wij dat enkele onduidelijkheden die de vorige regeling bevatte nu zijn weggenomen. De regeling maakt nu bijvoorbeeld expliciet dat het oordeel van de accountant over de voortgangsrapportage zowel de financiële als de niet-financiële informatie omvat. De Algemene Rekenkamer waardeert deze verheldering.

U vroeg ons specifiek om onze visie te geven op de rol die de departementale auditdienst (AD) zou kunnen spelen bij grote projecten en de wijze waarop een onafhankelijke invulling van deze rol het best gewaarborgd kan worden. Wij maken graag gebruik van deze mogelijkheid.

Al vanaf de totstandkoming van de regeling in 1985 hebben de departementale accountantsdiensten een belangrijke positie bij de informatievoorziening aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 18 963, nr. 1). Het idee was destijds dat de AD zich niet alleen een oordeel zou vormen over de kwaliteit van de jaarlijkse verantwoordingsinformatie, maar ook over de tussentijds door de minister verstrekte verantwoordingsinformatie. Ook in de thans geldende en de voorgestelde regeling neemt de accountantscontrole een belangrijke plaats in bij de aan de Tweede Kamer te verzenden rapportages. De accountants moeten niet alleen een oordeel geven over de kwaliteit van de informatie in de voortgangsrapportages, maar bijvoorbeeld ook over de toereikendheid van de projectorganisatie. De minister kan de opdracht hiertoe zowel aan de eigen departementale auditdienst als aan een openbaar accountantskantoor verstrekken. Het is de minister die het rapport naar de Tweede Kamer zendt.

Daar waar de opdracht aan de eigen auditdienst wordt verstrekt, komt in de praktijk zowel de figuur voor waarin een auditdienst het rapport als intern document opstelt en aan de minister adresseert, als de figuur waarin een auditdienst de Tweede Kamer als primaire adressant ziet, maar het evengoed de minister is die het rapport aan de Tweede Kamer verzendt. Gelet op een zuivere rolverdeling heeft de variant, waarbij de minister adressant is onze voorkeur. Deze situatie komt het meest overeen met de reguliere weg die ook voor de jaarverslagen wordt bewandeld. De minister is daarbij verantwoordelijk voor een goede informatievoorziening aan de Tweede Kamer; de AD treedt op als«zekerheidsverstrekker» voor de minister. Deze taakverdeling zou in artikel 13 op de volgende wijze vastgelegd kunnen worden:

• In lid 3 zou toegevoegd moeten worden dat het rapport aan de minister wordt geadresseerd.

• In lid 4 zou toegevoegd moeten worden dat de minister zich onthoudt van inhoudelijke bemoeienis bij de totstandkoming van het accountantsrapport en het rapport – desgewenst voorzien van commentaar – onvoorwaardelijk naar de Tweede Kamer doorzendt.

Wij zijn van mening dat het versterken van de controle op informatievoorziening meer is gebaat bij het handhaven van de bestaande afspraken tussen Tweede Kamer en bewindspersonen dan bij verdere aanpassingen van de positie van de departementale auditdiensten.

In diverse jaarrapportages van de Tweede Kamer over de procedureregeling is geconstateerd dat niet alle accountantsrapporten tijdig verschijnen. Ook in de meest recente rapportage van mei 2005 constateert u dat diverse accountantsrapporten tot bijna een half jaar na de peildatum verschijnen (Kamerstuk 26 399, nr. 5). Behandeling is dan vaak niet meer zinvol.

Ten slotte heeft de Algemene Rekenkamer in het onderzoek «Informatievoorziening grote projecten» in 2002 geconstateerd dat veel accountantsrapporten, met name in de voorbereidingsfase, geen oordelen bevatten, maar zich beperkten tot beschrijvende opmerkingen. Wij constateren dat de tekst van de herziene regeling voor wat betreft de uitvoeringsfase op dit punt geheel helder is. Voor de voorbereidingsfase zouden wij willen voorstellen om ook in artikel 10, lid 4 de term «oordeel» te hanteren. Daarnaast zouden wij het toejuichen wanneer de accountant zich in beschrijvende zin ook zou uitspreken over de meetbaarheid van de doelen van het project.

Wanneer deze afspraken worden nageleefd zou de Tweede Kamer verzekerd moeten kunnen zijn van een voldoende controle van de informatie in de voortgangsrapportages.

Algemene Rekenkamer

wnd. president,

P. Zevenbergen

wnd. secretaris,

J. M. van Zanen-Nieberg


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.