Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200730322 nr. 15

30 322
Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving)

nr. 15
VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 30 januari 2007

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel VI, onderdeel A, wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Na het negende lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop het vierde lid toepassing kan vinden.

Toelichting

Het bij de eerste nota van wijziging op dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 19, vierde lid (nieuw), van de Invorderingswet 1990 biedt de ontvanger de mogelijkheid tot het doen van een bankvordering. Teneinde de administratieve lasten voor de banken en de uitvoeringskosten van de Belastingdienst van dit nieuwe invorderingsinstrument beperkt te houden en de relatie bank–cliënt zo min mogelijk te verstoren is in overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken gezocht naar een vormgeving die zoveel mogelijk aansluit bij het normale betalingsverkeer. Deze vormgeving komt er in grote lijnen op neer dat de bankvordering alleen zal worden toegepast op betaalrekeningen en zal worden ingebed in de systematiek van de automatische incasso. Om deze vormgeving en beperking in regelgeving te kunnen neerleggen en daardoor ook te kunnen laten gelden voor de decentrale overheden in de situaties waarin zij gebruik maken van het nieuwe invorderingsinstrument, wordt voorgesteld in artikel 19 ook een delegatiebepaling op te nemen. Volgens deze delegatiebevoegdheid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ten aanzien van de toepassing van de bankvordering.

De Minister van Financiën,

G. Zalm