Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630322 nr. 10

30 322
Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving)

nr. 10
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 11 mei 2006

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel B worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ba. In artikel 25a, elfde lid, wordt «een jaar» vervangen door: dertien weken.

Bb. In artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door: artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

b. Na onderdeel E wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

F. In artikel 68, eerste lid, onderdeel c, wordt «en 35m, aanhef en onderdelen a, c en d» vervangen door: en 35m, aanhef en onderdelen a en c.

2.

Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IA

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 24, eerste lid, wordt in de kop van de tabel «III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid» vervangen door: III. andere verkrijgers.

B. Na artikel 32 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32a

Van het recht van overgang is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.

C. Ingeval artikel VIIa, onderdeel E, van het Belastingplan 2006 in werking treedt, vervalt op het tijdstip van die inwerkingtreding in artikel 32a «binnen het Rijk gevestigde» en wordt «artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3.

Artikel II wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel A wordt «zijn uitgezonderd» vervangen door: is uitgezonderd.

b. Onderdeel B wordt vervangen door:

B. Indien deze wet voor 1 juli 2006 in werking treedt, wordtartikel 28 als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel d vervalt, onder verlettering van de onderdelen e en f tot d en e.

2. Onderdeel e (nieuw) komt te luiden:

e. van de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen de identiteit aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en – zo de werknemer een vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen – tevens de verblijfsrechtelijke status ter zake van het verrichten van arbeid aan de hand van een geldige verblijfsvergunning of aan de hand van een geldige tewerkstellingsvergunning, alsmede van een en ander de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen.

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, wordt met ingang van 1 juli 2006 na onderdeel e een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van een werknemer aan de inspecteur opgave te verstrekken van bij ministeriële regeling te bepalen gegevens waarvan kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn (eerstedagsmelding), met dien verstande dat indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de eerstedagsmelding wordt gedaan voor de aanvang van de werkzaamheden.

Ba. Indien deze wet na 30 juni 2006 in werking treedt, wordt in afwijking van de tekst artikel 28, onderdelen d tot en met f, voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 als volgt gelezen:

d. aan de werknemer opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon, van de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;

e. van de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen de identiteit aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en- zo de werknemer een vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen – tevens de verblijfsrechtelijke status ter zake van het verrichten van arbeid aan de hand van een geldige verblijfsvergunning of aan de hand van een geldige tewerkstellingsvergunning, alsmede van een en ander de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen.;

Bb. Indien deze wet na 30 juni 2006 in werking treedt, wordt in artikel 28, onderdeel f, «belasting» vervangen door: de belasting.

c. In onderdeel C wordt «de categorie die op grond van overeenkomsten van internationaal recht zijn uitgezonderd» vervangen door: de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd.

d. Onderdeel D komt te luiden:

D. In Hoofdstuk IV wordt na artikel 30 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 30a

Indien op enig tijdstip wordt geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, maar de werknemer niet in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige is opgenomen of voor de werknemer geen eerstedagsmelding is gedaan, wordt de werknemer voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht van de inhoudingsplichtige gedurende ten minste zes maanden voorafgaande aan het tijdstip van de constatering loon uit dienstbetrekking te hebben genoten tot per loontijdvak ten minste het bedrag van het loon dat de werknemer geniet in het loontijdvak van het tijdstip van de constatering, behoudens voorzover blijkt dat de werknemer niet gedurende die periode tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking heeft gestaan of dat een lager loon is genoten.

e. Na onderdeel D worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

E. In artikel 35a, derde lid, wordt «artikel 35e, eerste lid, onderdeel f» vervangen door: artikel 35e, eerste lid, onderdeel e.

F. In artikel 35h, derde lid, onderdeel b, wordt «artikel 35m, onderdeel d» vervangen door: artikel 35m, onderdeel c.

G. Artikel 39 komt te luiden:

Artikel 39

Artikel 13a, tweede lid, is niet van toepassing op:

a. loon waarop de belasting met toepassing van die bepaling voor 1 januari 1994 zou zijn ingehouden;

b. loon waarvan is overeengekomen dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten en waarop de belasting met toepassing van die bepaling voor 1 januari 2006 zou zijn ingehouden.

4.

Artikel III wordt vervangen door:

ARTIKEL III

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 3a, eerste lid, wordt toegevoegd:

In afwijking van de eerste volzin wordt, ingeval die andere vennootschap niet in Nederland is gevestigd, als gestort kapitaal aangemerkt de waarde in het economische verkeer van de ingebrachte aandelen ten tijde van de storting, tenzij deze aandelenruil in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Een aandelenruil wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de aandelenruil niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de bij de aandelenruil betrokken rechtspersonen. De vennootschap die zekerheid wenst omtrent de vraag of de aandelenruil wordt geacht niet in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of het uitstellen van belastingheffing, kan vóór de aandelenruil een verzoek indienen bij de inspecteur die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

B. In artikel 4, tweede lid, wordt «aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 5.14 van de Wet Inkomstenbelasting 2001» vervangen door: aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in de artikelen 5.14, 5.15 en 5.18a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 dan wel participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.18 van de Wet Inkomstenbelasting 2001.

5.

Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel A, tweede en derde lid, wordt vervangen door:

2. Onder vernummering van het tweede tot en met zevende lid tot derde tot en met achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Het eerste lid, tweede volzin, vindt alleen toepassing indien de belastingschuldige op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan, meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste betalingstermijn met ten minste twee maanden is overschreden, niet heeft betaald en hij met betrekking tot deze belastingaanslagen:

a. geen verzoek om uitstel van betaling heeft gedaan, niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling of de gestelde voorwaarden voor uitstel van betaling niet is nagekomen, en

b. geen verzoek om kwijtschelding van belasting heeft gedaan of niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van belasting.

3. Onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid (nieuw) tot vijfde tot en met negende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

4. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is op vordering van de ontvanger verplicht, in zoverre onder blokkering van onttrekkingen aan de rekening, uit het tegoed van een rekening die een belastingschuldige bij haar heeft alsmede, indien de kredietinstelling en de belastingschuldige in samenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijn aangegaan, uit het ingevolge die overeenkomst verstrekte krediet, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. De kredietinstelling is verplicht aan de vordering te voldoen, zonder zich daarbij op verrekening te kunnen beroepen. De verplichting tot betaling vervalt een week na de dag van bekendmaking van de vordering aan de kredietinstelling.

4. In het negende lid (nieuw) wordt «eerste tot en met zesde lid» vervangen door: eerste tot en met achtste lid.

b. Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa. In artikel 36a, tweede lid, onderdeel b, wordt «artikel 19b, eerste lid» vervangen door: artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid.

c. Na onderdeel B worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ba. In artikel 44b, eerste en tweede lid, wordt «artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, of zesde lid» vervangen door: artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of zevende lid.

Bb. Voorts wordt in artikel 44b, eerste en tweede lid, «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of zevende lid» vervangen door: artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid.

6.

Na artikel IX wordt een artikel ingevoegd, luidende

ARTIKEL IXA

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Als werknemer worden mede beschouwd de in artikel 14, eerste lid, onderdelen f en g, bedoelde personen.

B. Artikel 5, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. de afdrachtvermindering onderwijs met betrekking tot de:

1°. in artikel 14, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, bedoelde werknemers: € 2500 per kalenderjaar;

2°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer: € 3000 per kalenderjaar;

3°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel g, bedoelde werknemer: € 1200 per kalenderjaar.

C. Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt na onderdeel f, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. degene die gedurende een periode van ten minste twee maanden een stage volgt in het kader van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen.

2. In het zesde lid wordt «onderdelen a, b, c, d en f» vervangen door: onderdelen a, b, c, d, f en g.

3. In het zevende lid wordt «onderdelen a, b, c, d en f» vervangen door: onderdelen a, b, c, d, f en g.

D. In artikel 31, eerste lid, wordt «artikel 14, tweede lid» vervangen door: artikel 14, derde lid.

7.

Artikel X wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa. In artikel 3.157, eerste lid, wordt «hoofdstuk IV» vervangen door: hoofdstuk 4.

b. Na onderdeel E worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

F. Ingeval artikel I, onderdeel Oa, van het Belastingplan 2006 in werking treedt, wordt op het tijdstip van die inwerkingtreding in artikel 6.33, tweede lid, eerste volzin, «betreffende» vervangen door: desbetreffende.

G. Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het achtste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en bronbelasting als bedoeld in het tiende lid.

2. In het negende lid vervalt de tweede volzin.

H. In artikel 9.3, tweede lid, onderdeel k, wordt «artikel 9.2, achtste lid» vervangen door artikel 9.2, negende lid.

8.

Artikel XI wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel A, wordt «de categorie die op grond van overeenkomsten van internationaal recht zijn uitgezonderd» vervangen door: de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd.

b. In onderdeel B, derde lid, wordt de aanduiding «8» voor het toe te voegen lid vervangen door: 9.

9.

Artikel XII wordt vervangen door:

ARTIKEL XII

In de Zorgverzekeringswet komt artikel 43, vierde lid, als volgt te luiden:

4. In de gevallen, bedoeld in artikel 26b, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 19 Wet financiering sociale verzekeringen, blijven het tweede en het derde lid buiten toepassing bij de berekening van het als bijdrage-inkomen in aanmerking te nemen loon dat van de inhoudingsplichtige is genoten.

10.

In artikel XIII, onderdeel A, wordt «is wat betreft de wettelijke termijnen het recht gelden» vervangen door: blijft wat betreft de wettelijke termijnen het recht gelden.

11.

Na artikel XIII worden zeven artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIIIA

De ingevolge artikel IA, onderdelen A en B, gewijzigde artikelen van de Successiewet 1956 vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die zich hebben voorgedaan op of na 1 januari 2006.

ARTIKEL XIIIB

Het ingevolge artikel IA, onderdeel C, gewijzigde artikel van de Successiewet 1956 vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die zich hebben voorgedaan op of na de dag van de inwerkingtreding van de wijziging.

ARTIKEL XIIIC

Artikel 28, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat onderdeel luidde op 31 december 2005, blijft van toepassing met betrekking tot de aldaar bedoelde opgave over kalenderjaren die zijn geëindigd voor 1 januari 2006.

ARTIKEL XIIID

Indien deze wet voor 1 juli 2006 in werking treedt, vervallen artikel 26, onderdeel I, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen en artikel XXXII, onderdeel D, van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006.

ARTIKEL XIIIE

Artikel 36b van de Invorderingswet 1990 vindt geen toepassing voorzover het lichaam bij een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bekendgemaakte beschikking als bedoeld in artikel 49 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk is gesteld.

ARTIKEL XIIIF

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 3 augustus 2004 ingediende voorstel van wet, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht) (29 708), tot wet is of wordt verheven, en later in werking treedt dan deze wet, wordt in artikel 19, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 «Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door «Een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht» en wordt«kredietinstelling» telkens vervangen door: bank.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 3 augustus 2004 ingediende voorstel van wet, houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht) (29 708), tot wet is of wordt verheven, en eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt in artikel VI, onderdeel A, derde lid, van deze wet «Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door «Een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht» en wordt «kredietinstelling» telkens vervangen door: bank.

ARTIKEL XIIIG

In artikel IV, onderdeel Cd, tweede lid, van het Belastingplan 2006 wordt «vijfde lid» vervangen door «zesde lid». Voorts wordt «de in het tweede en derde lid genoemde verplichtingen» vervangen door: de in het tweede, derde en vierde lid genoemde verplichtingen.

12.

Artikel XIV wordt vervangen door:

ARTIKEL XIV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat daarbij kan worden bepaald dat:

a. artikel IV, derde lid, terugwerkt tot en met 1 januari 2005;

b. artikel VI, onderdeel Ba, terugwerkt tot en met 1 maart 2005;

c. artikel I, onderdelen Bb en F, artikel IA, onderdelen A en B, artikel II, onderdelen B, eerste en tweede lid, E, F en G, artikel VI, onderdeel Bb, artikel IXA, artikel X, onderdelen Aa, G en H, artikel XIIIA, artikel XIIIC en artikel XIIIG terugwerken tot en met 1 januari 2006;

d. artikel II, onderdeel Bb, terugwerkt tot en met 1 juli 2006;

e. artikel IA, onderdeel C, en artikel X, onderdeel F, terugwerken tot en met het tijdstip waarop artikel I, onderdeel Oa, van het Belastingplan 2006 in werking treedt.

I. ALGEMEEN

In deze nota van wijziging zijn ter zake van de volgende onderwerpen wijzigingen opgenomen. De wijzingen ter zake van de bankvordering en ter zake van de aantasting beslagvrije voet zijn reeds aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag. De wijziging ter zake van de zesmaandenfictie is aangekondigd in de nota naar aanleiding van het nader verslag

Bankvordering

Het nieuwe invorderingsinstrument van de bankvordering – een vorm van vereenvoudigd derdenbeslag onder kredietinstellingen – is aangepast. Naar aanleiding van overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken zijn in het wetsvoorstel enkele kenmerken van het girale betalingsmiddel incasso opgenomen. Door bij dit betalingsmiddel aan te sluiten wordt bereikt dat de bankvordering op korte termijn inzetbaar is in het massale invorderingsproces.

Aantasting beslagvrije voet: nadere invulling begrip notoire wanbetaler

De maatregel die het mogelijk maakt om bij notoire wanbetalers een tiende deel van het bedrag waarvoor een wettelijk beslagverbod of een wettelijke beslagbeperking geldt in te vorderen, is aangepast. Deze aanpassing betreft een nadere invulling van het begrip «notoire wanbetaler».

Successiewet

In het Belastingplan 2006 is het 8%-tarief voor verkrijgingen krachtens erfrecht en schenking door algemeen nut beogende instellingen vervangen door een algehele vrijstelling. Daartoe is in de Successiewet 1956 de bepaling waarin het bijzondere proportionele tarief van 8% voor algemeen nut beogende instellingen was opgenomen, komen te vervallen. Die bepaling had echter ook betrekking op het recht van overgang. Omdat het recht van overgang geen vrijstellingen kent, heeft het schrappen van het 8%-tarief ongewild tot gevolg dat onder dat recht vallende verkrijgingen door algemeen nut beogende instellingen worden belast tegen het zogeheten derdentarief (41% oplopend tot 68%). Door de wijzigingen opgenomen in deze nota wordt dit hersteld.

Zesmaandenfictie

Opgenomen is dat de zesmaandenfictie ook van toepassing is ingeval de inhoudingsplichtige voor de werknemer geen eerstedagsmelding heeft gedaan. Door deze wijzigingen worden de ontgaansmogelijkheden met betrekking tot de zesmaandenfictie verder beperkt.

Genietingstijdstip van loon dat voor een niet meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten

In artikel 13a, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) is met ingang van 1 januari 2006 opgenomen dat de genoemde bepaling ook geldt voor loon waarvan is overeengekomen dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte (dwz niet meer dan 10%) op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten. Onder de dan toe geldende tekst was deze bepaling slechts van toepassing op loon waarvan is overeengekomen dat een meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten.

Als gevolg hiervan zou de vraag kunnen rijzen of in situaties waarin voor 1 januari 2006 is overeengekomen dat loon op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, maar het niet meer dan een bijkomstig gedeelte betreft, het loon wel op enig moment zou kunnen worden belast. Op grond van de voorgestelde overgangsbepaling is artikel 13a, tweede lid, Wet LB 1964 niet van toepassing op loon waarvan is overeengekomen dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten en waarop de belasting met toepassing van die bepaling voor 1 januari 2006 zou zijn ingehouden. Met de voorgestelde aanpassing wordt derhalve zekergesteld dat in die situatie het met toepassing van 13a, eerste lid, Wet LB 1964 te bepalen genietingsmoment geldt.

Invulling € 40 mln werktop

In de werktop van december 2005 is een tripartiete beleidsinzet ter zake van scholing en werk afgesproken ter bevordering van werkgelegenheid en economische groei. Onderdeel van de beleidsinzet is de afspraak dat € 40 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor fiscale maatregelen op het terrein van stages en scholing van werkenden (waaronder EVC). In een technische werkgroep is bezien welke maatregelen binnen de gestelde randvoorwaarden mogelijk zouden zijn, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid tussen sociale partners over de maatvoering van maatregelen binnen het maximale budget van € 40 miljoen. Wel is helder geworden welke maatregelen door de sociale partners gewenst zijn.

Het kabinet heeft besloten zelf een pakket samen te stellen dat recht doet aan de door de sociale partners gewenste maatregelen. Het onderdeel startkwalificatie van de afdrachtvermindering onderwijs wordtverhoogd met € 1500 naar € 3000. Het is de verwachting dat deze verhoging in samenhang met meer bekendheid voor dit onderdeel zal leiden tot meer gebruik door werkgevers, waardoor meer werknemers tot startkwalificatieniveau geschoold kunnen worden. Het ligt op de weg van sociale partners om in het arbeidsvoorwaardenoverleg aandacht te besteden aan de mogelijkheden van het onderdeel startkwalificatie van de afdrachtvermindering onderwijs.

Binnen de afdrachtvermindering onderwijs wordt een nieuw onderdeel geïntroduceerd voor stages binnen de beroepsopleidende leerweg op MBO 1- en MBO 2-niveau. Deze afdrachtvermindering gaat € 1200 per volledig stagejaar bedragen. Bij bijvoorbeeld een stage van zes maanden bedraagt de afdrachtvermindering voor de werkgever dan € 600. De afdrachtvermindering geldt bovendien alleen bij stages van minimaal twee maanden. De doelstelling van deze maatregel is om werkgevers te stimuleren meer stageplaatsen aan te bieden voor deze groep leerlingen.

Deze beide maatregelen krijgen al effect in 2006. Daardoor worden werkgevers al in dit jaar sterker gestimuleerd om werknemers op te leiden tot startkwalificatieniveau en om meer stageplaatsen aan te bieden voor MBO-leerlingen op niveau 1 en 2 in de beroepsopleidende leerweg (voor MBO-leerlingen in de beroepsbegeleidende leerweg bestond al een afdrachtvermindering).

De overige onderdelen van het pakket ter invulling van de € 40 miljoen uit de werktop worden ingevoerd met ingang van 1 januari 2007. Deze maatregelen zijn niet opgenomen in deze nota van wijziging maar zullen worden opgenomen in het Belastingplan 2007. Het gaat hierbij ten eerste om een uitbreiding van de scholingsdefinitie die wordt gehanteerd in de persoonsgebonden aftrek voor scholingsuitgaven en bij de mogelijkheden om spaarloon te deblokkeren. Deze scholingsdefinitie wordt uitgebreid met uitgaven voor procedures in het kader van de erkenning van Elders Verworven Competenties (EVC-procedures). Het wordt hierdoor voor belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting mogelijk om uitgaven voor EVC-procedures in aftrek te brengen (voorzover deze uitgaven samen met andere scholingsuitgaven de drempel overschrijden). Tevens kan een tegoed op een spaarloonrekening worden gedeblokkeerd voorzover dit tegoed wordt gebruikt voor uitgaven aan een EVC-procedure. Ten tweede zal binnen de afdrachtvermindering onderwijs een onderdeel worden toegevoegd voor EVC-procedures. Dit onderdeel betekent dat een werkgever die voor zijn werknemer een EVC-procedure betaalt, recht heeft op een afdrachtvermindering van € 300. Omdat de juridische afbakening van EVC-procedures op dit moment nog niet gereed is, zullen deze overige maatregelen in werking treden met ingang van 1 januari 2007.

De administratieve lasten van de wijzigingen in de afdrachtvermindering onderwijs bedragen naar verwachting € 5 mln.

Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog enige technische aanpassingen in het wetsvoorstel aan te brengen.

Deze nota van wijziging is voorzien van een onderdeelsgewijze toelichting op de betreffende (wijzigings)voorstellen.

II. ONDERDEELSGEWIJS

Onderdeel 1.

Artikel I, onderdeel Ba (artikel 25a Algemene wet inzake rijksbelastingen)

In navolging van de voorgestelde wijziging van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt voorgesteld de wettelijke beslistermijn van artikel 25a, elfde lid, AWR eveneens terug te brengen van een jaar naar dertien weken. Bij de toepassing van artikel 25a AWR, waarin regels zijn opgenomen voor de wijze van behandeling van als zogenoemd massaal bezwaar aangewezen bezwaren, gaat het om een groot aantal gelijksoortige bezwaarschriften. Ter bevordering van een efficiënte behandeling is het denkbaar dat de uitspraken op deze bezwaarschriften door slechts enkele medewerkers van de Belastingdienst vervaardigd worden. Mocht de voorgestelde termijn van dertien weken in die situatie te kort blijken te zijn, dan kan de Minister van Financiën de inspecteur met toepassing van artikel 25, tweede lid, AWR toestemming geven de uitspraak voor ten hoogste een jaar te verdagen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bewust niet wordt voorgesteld om de in artikel 25a, dertiende lid, AWR genoemde termijn van een jaar eveneens te verkorten. Deze termijn is namelijk geen beslistermijn maar een herzieningstermijn, waarvoor geen verdagingsmogelijkheid bestaat.

Artikel I, onderdeel Bb (artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, Algemene wet inzake rijksbelastingen) en artikel VI, onderdelen Aa, Ba en Bb (artikel 36a, tweede lid, onderdeel b, en artikel 44b, eerste en tweede lid, Invorderings-wet 1990)

In de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 december 2005 werd in artikel 44b, eerste en tweede lid, Invorderingswet 1990 (IW 1990) abusievelijk nog verwezen naar artikel 19b, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) in plaats van naar artikel 19b, zevende lid, Wet LB 1964. Met ingang van 1 maart 2005 was het tot die datum als artikel 19b, zesde lid, Wet LB 1964 aangeduide lid ingevolge artikel III, onderdeel E, van de Fiscale onderhoudswet 2004 (Stb. 657) echter vernummerd tot artikel 19b, zevende lid, Wet LB 1964. Met de in artikel VI, onderdeel Ba, voorgestelde aanpassing wordt deze onjuiste verwijzing met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 2005 gecorrigeerd.

Ingevolge artikel II, onderdeel C, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005, 115), zoals dat onderdeel ingevolge artikel XXVIII, onderdeel B, van het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) met ingang van 31 december 2005 is komen te luiden, is met ingang van 1 januari 2006 in artikel 19b Wet LB 1964 een nieuw vijfde lid ingevoegd onder vernummering van de tot die datum als vijfde, zesde en zevende lid aangeduide leden tot zesde, zevende en achtste lid. De als gevolg van deze wijziging noodzakelijke aanpassing van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 44b, eerste en tweede lid, van de IW 1990, waarin zou moeten worden verwezen naar het met ingang van 1 januari 2006 als artikel 19b, achtste lid, Wet LB 1964 aangeduide lid, is abusievelijk nog niet aangebracht. Voorgesteld wordt om de in artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, AWR en artikel 44b, eerste en tweede lid, IW 1990 opgenomen verwijzing alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 aan te passen.

Ten slotte is in dit kader geconstateerd dat de verwijzing in artikel 36a, tweede lid, onderdeel b, IW 1990 naar artikel 19b, eerste lid, Wet LB 1964 dient te worden aangevuld met een verwijzing naar artikel 19b, tweede lid, eerste volzin, en achtste lid, Wet LB 1964. Met de in artikel VI, onderdeel Aa, voorgestelde wijziging wordt deze verwijzing gecorrigeerd en geüniformeerd met voornoemde verwijzingen in artikel 30i AWR en artikel 44b, eerste en tweede lid, IW 1990. Aan deze wijziging wordt geen terugwerkende kracht verleend.

Artikel I, onderdeel F (artikel 68, eerste lid, onderdeel c, Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Door de aanpassingen in de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (Stb. 2005, 37) is de verwijzing naar artikel 35m van de Wet LB 1964 in artikel 68 AWR niet meer juist. Met deze wijziging wordt dit hersteld. Aan deze wijziging wordt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 verleend.

Onderdeel 2.

Artikel IA, onderdeel A (artikel 24 Successiewet 1956)

In dit onderdeel wordt voorgesteld de kop van de tabel van artikel 24, eerste lid, Successiewet 1956 aan te passen. Het betreft het laten vervallen van een verwijzing naar het vierde lid, waarin het 8%-tarief voor nalatenschappen en schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen was geregeld. Deze bepaling is per 1 januari 2006 komen te vervallen. Bij het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) is onderhavige aanpassing achterwege gebleven. Deze omissie wordt met het in dit onderdeel opgenomen voorstel hersteld.

Omdat de vrijstelling voor nalatenschappen en schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen reeds per 1 januari 2006 in werking is getreden, wordt voorgesteld deze wijziging terug te laten werken tot en met 1 januari 2006.

Artikel IA, onderdeel B (artikel 32a Successiewet 1956) en artikel XIV

In het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) is het 8%-tarief voor verkrijgingen krachtens erfrecht en schenking door algemeen nut beogende instellingen vervangen door een algehele vrijstelling. Daartoe is artikel 24, vierde lid, Successiewet 1956 – de bepaling waarin het bijzondere proportionele tarief van 8% voor algemeen nut beogende instellingen was opgenomen – komen te vervallen. Die bepaling had echter ook betrekking op het recht van overgang. Omdat het recht van overgang geen vrijstellingen kent, heeft het schrappen van het 8%-tarief ongewild tot gevolg dat onder dat recht vallende verkrijgingen door algemeen nut beogende instellingen worden belast tegen het zogeheten derdentarief (41% oplopend tot 68%).

Recht van overgang is verschuldigd in het geval zogenoemde Nederlandse situsgoederen worden verkregen door het overlijden van of een schenking door iemand die ten tijde van het overlijden of de schenking niet in Nederland woonde. Nederlandse situsgoederen zijn goederen die bezien vanuit Nederlands standpunt een zodanige binding hebben met Nederland, dat Nederland bevoegd is tot heffing van een belasting daarover als de erflater of de schenker in het buitenland woonde bij diens overlijden c.q. de schenking.

In de situatie waarin bijvoorbeeld een in Nederland gelegen onroerende zaak die in eigendom is van iemand die niet in Nederland woont, bij overlijden van die persoon overgaat naar een algemeen nut beogende instelling in Nederland, is het onwenselijk dat hierover ten minste 41% belasting verschuldigd is. Derhalve wordt voorgesteld, naar analogie met het successie- en schenkingsrecht, verkrijgingen door algemeen nut beogende instellingen vrij te stellen van het recht van overgang.

Omdat de vrijstelling voor nalatenschappen en schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen reeds per 1 januari 2006 in werking is getreden, wordt voorgesteld de in artikel IA, onderdeel B, voorgestelde invoering van de vrijstelling in het recht van overgang voor verkrijgingen door algemeen nut beogende instellingen, terug te laten werken tot en met 1 januari 2006.

Artikel IA, onderdeel C (artikel 32a Successiewet 1956)

Deze wijziging ziet op de uitbreiding van de vrijstelling naar niet in Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen. Voorgesteld wordt om deze wijziging aan te brengen op het tijdstip waarop de in artikel I, onderdeel Oa, van het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) opgenomen aanpassing van artikel 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001 is aangebracht.

Voorgesteld wordt om artikel IA, onderdeel C, eventueel terug te laten werken tot en met het tijdstip waarop artikel I, onderdeel Oa, van het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) in werking treedt hetgeen uiteraard alleen aan de orde is, indien het laatstgenoemde artikel eerder in werking treedt dan deze wet. Het laatstgenoemde artikel bevat de tekst van artikel 6.33, tweede lid, eerste volzin, Wet inkomstenbelasting 2001, die met artikel X, onderdeel F, wordt aangepast

Onderdeel 3.

Artikel II, onderdelen B en Ba, artikel XIIIC, XIIID (artikel 28 Wet op de loonbelasting 1964)

In het besluit van 15 december 2005 (Stb. 2005, 717) dat onder meer de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (Stb. 2005, 37) regelt, is opgenomen dat artikel 26, onderdeel I, van die wet in werking treedt met ingang van 1 juli 2006. Voor het genoemde artikel 26, onderdeel I, eerste lid, dat betrekking heeft op een wijziging van artikel 28 Wet LB 1964, geldt dat ten onrechte is opgenomen dat dit lid per 1 juli 2006 in werking treedt. Doordat dit lid niet op 1 januari 2006, zoals bedoeld was, in werking is getreden, is een aantal verwijzingen binnen de Wet LB 1964 in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 niet juist. De wijzigingen die zijn opgenomen in de artikelen II, onderdeel B, en XIIID bewerkstellingen – voor de situatie dat het onderhavige wetsvoorstel voor 1 juli 2006 in werking treedt – dat de in artikel 26, onderdeel I, eerste lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen opgenomen wijziging (te weten het vervallen van artikel 28, onderdeel d) alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 wordt aangebracht en dat de in artikel 26, onderdeel I, tweede lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen opgenomen wijziging (de toevoeging van een onderdeel f) wordt aangebracht op 1 juli 2006. De in artikel II, onderdelen Ba en Bb, opgenomen wijzigingen bewerkstelligen dat de beoogde wijzigingen van artikel 28 Wet LB 1964 eveneens met terugwerkende kracht tot en met de beoogde tijdstippen worden aangebracht als het onderhavige wetsvoorstel na 30 juni 2006 in werking treedt.

Bij de voorgestelde wijzigingen is tevens rekening gehouden met de wijziging van artikel 28 Wet LB 1964 die is opgenomen in artikel XXXII, onderdeel D, van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 (Stb. 2005, 708) en die ingevolge het Besluit van 22 december 2005 (Stb. 2005, 709) tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 met ingang van 1 juli 2006 in werking treedt. De wijzigingen die zijn opgenomen in de artikelen II, onderdelen B en Ba, en XIIID bewerkstellingen (zowel voor de situatie dat dit wetsvoorstel in werking treedt voor 1 juli 2006 als voor de situatie dat dit wetsvoorstel na 30 juni 2006 in werking treedt) derhalve tevens dat de in artikel XXXII, onderdeel D, van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 opgenomen wijziging met ingang van 1 juli 2006 wordt aangebracht.

Gebleken is tevens dat door het vervallen van artikel 28, onderdeel d, Wet LB 1964, zoals opgenomen in artikel 26, onderdeel I, eerste lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen er voor inhoudingsplichtigen voor het jaar 2005 geen verplichting meer bestaat de loonbelastingkaarten over dat jaar te verstrekken aan de inspecteur. Om die reden wordt in artikel XIIIC bepaald dat artikel 28, aanhef en onderdeel d, Wet LB 1964, zoals dat onderdeel luidde op 31 december 2005, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 van toepassing blijft met betrekking tot de loonbelastingkaarten voor het jaar 2005 (en eerder).

Artikel II, onderdeel D (artikel 30a Wet op de loonbelasting 1964)

In dit onderdeel van deze nota van wijziging is een tweetal wijzigingen van het nieuw voorgestelde artikel 30a (zesmaandenfictie) Wet LB 1964 opgenomen. Ten eerste is in artikel 30a opgenomen dat de zesmaandenfictie ook van toepassing is indien de inhoudingsplichtige voor de betreffende werknemer geen eerstedagsmelding als bedoeld in artikel 28, onderdeel f, Wet LB 1964 heeft gedaan. Dit betekent dat indien wordt geconstateerd dat een werknemer bij de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking is en de inhoudingsplichtige die werknemer niet in de loonadministratie heeft opgenomen of voor deze werknemer geen eerstedagsmelding heeft gedaan, de zesmaandenfictie van toepassing is. Met deze wijziging wordt voorkomen dat de inhoudingsplichtige op eenvoudige wijze de zesmaandenfictie zou kunnen ontlopen door bij controle een reeds aanwezige kopie van een identificatiebewijs van een niet in de loonadministratie opgenomen werknemer alsnog in de loonadministratie op te nemen.

Ten tweede is opgenomen dat ingeval wordt geconstateerd dat een werknemer in dienstbetrekking is, ervan uit wordt gegaan dat loon uit dienstbetrekking werd genoten voor een periode van ten minste zes maanden voor het moment van constateren van de dienstbetrekking. Daarbij is opgenomen dat het loon uit de dienstbetrekking genoten in die periode van ten minste zes maanden per loontijdvak ten minste het loon bedraagt dat de werknemer geniet in het loontijdvak van het constateren van de dienstbetrekking. Via de Wet financiering sociale verzekeringen (verder: Wfsv) is de fictie vervolgens van overeenkomstige toepassing op de heffing van de sociale verzekeringspremies en via de Zorgverzekeringswet op de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Dit betekent dat de naheffingsaanslag betrekking heeft op alle door de inhoudingsplichtige af te dragen premies, inkomensafhankelijke bijdragen en belastingen over het loon uit dienstbetrekking.

Artikel II, onderdeel E (artikel 35a, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 (Stb. 2005, 708) is artikel 35e, eerste lid, onderdeel d, Wet LB 1964 vervallen; tevens zijn de onderdelen e en f van artikel 35e, eerste lid, Wet LB 1964 geletterd d en e. Deze wijzigingen zijn met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden krachtens het Besluit van 22 december 2005 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 (Stb. 2005, 709).

Bij de wijzigingswet is over het hoofd gezien dat ook artikel 35a, derde lid, Wet LB 1964 moest worden gewijzigd. Daarin moet na de genoemde verlettering niet langer worden verwezen naar artikel 35e, eerste lid, onderdeel f, Wet LB 1964 maar naar artikel 35e, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964.

Voorgesteld wordt deze omissie met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 te herstellen.

Artikel II, onderdeel F (artikel 35h, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 (Stb. 2005, 708) is artikel 35m, onderdeel c, van de Wet LB 1964 vervallen; tevens is onderdeel d van artikel 35e, eerste lid, Wet LB 1964 geletterd c. Deze wijzigingen zijn met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden krachtens het Besluit van 22 december 2005 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2006 (Stb. 2005, 709).

Bij de wijzigingswet is over het hoofd gezien dat ook artikel 35h, derde lid, onderdeel b, Wet LB 1964 moest worden gewijzigd. Daarin moet na de genoemde verlettering niet langer worden verwezen naar artikel 35m, onderdeel d, Wet LB 1964, maar naar artikel 35m, onderdeel c, Wet LB 1964.

Voorgesteld wordt deze omissie met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 te herstellen.

Artikel II, onderdeel G (artikel 39 Wet op de loonbelasting 1964)

Ingevolge artikel II, onderdeel B, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005, 115) is artikel 13a, tweede lid, Wet LB 1964 met ingang van 1 januari 2006 gewijzigd. Als gevolg van die wijziging geldt de genoemde bepaling met ingang van die datum ook voor loon waarvan is overeengekomen dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte (dwz niet meer dan 10%) op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten. Onder de tot en met 31 december 2005 geldende tekst was deze bepaling slechts van toepassing op loon waarvan is overeengekomen dat een meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten.

Als gevolg van de met ingang van 1 januari 2006 aangebrachte wijziging zou de vraag kunnen rijzen of in situaties waarin voor 1 januari 2006 is overeengekomen dat loon op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, maar het niet meer dan een bijkomstig gedeelte betreft, het loon wel op enig moment zou kunnen worden belast. Gesteld zou kunnen worden dat op grond van de met ingang van 1 januari 2006 geldende tekst van artikel 13a, tweede lid, Wet LB 1964 ook in deze situaties geen rekening wordt gehouden met het overeengekomen uitstel en dat dus niet wordt uitgegaan van het in artikel 13a, eerste lid, Wet LB 1964 omschreven genietingsmoment, maar van het gebruikelijke tijdstip. Op grond van de tot en met 31 december 2005 geldende tekst van artikel 13a, tweede lid, Wet LB 1964 kan het loon echter niet op dit (voor 1 januari 2006 gelegen) gebruikelijke tijdstip worden belast. Deze redenering zou betekenen dat dit loon op geen enkel moment zou kunnen worden belast. Dat is uiteraard niet de bedoeling. Om die reden wordt zekerheidshalve voorgesteld om de bij de invoering van artikel 13a, tweede lid, Wet LB 1964 in artikel 39 van die wet opgenomen overgangsregeling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 aan te vullen met een overgangsbepaling met betrekking tot de hiervoor genoemde situaties.

Op grond van de voorgestelde overgangsbepaling is artikel 13a, tweede lid, Wet LB 1964 niet van toepassing op loon waarvan is overeengekomen dat een niet meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten en waarop de belasting met toepassing van die bepaling voor 1 januari 2006 zou zijn ingehouden. Met de voorgestelde aanpassing wordt derhalve zekergesteld dat in die situatie het met toepassing van 13a, eerste lid, Wet LB 1964 te bepalen genietingsmoment geldt.

Onderdeel 4.

Artikel III, onderdeel A (artikel 3a Wet op de dividendbelasting 1964)

Dit onderdeel is redactioneel aangepast, maar is inhoudelijk niet gewijzigd.

Artikel III, onderdeel B (artikel 4 Wet op de dividendbelasting 1964) Met de voorgestelde wijziging van artikel 4, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt geregeld dat inhouding van dividendbelasting door sociaal-ethische, culturele fondsen en durfkapitaalfondsen achterwege kan blijven. Hiermee wordt aangesloten bij de vrijstelling die reeds geldt voor groene fondsen als bedoeld in artikel 5.14 Wet Inkomstenbelasting 2001.

Onderdeel 5.

Artikel VI, onderdeel A (artikel 19 Invorderingswet 1990)

In de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, paragraaf 4) is aangekondigd dat de in het voorstel van wet opgenomen tweede volzin van artikel 19, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) op grond waarvan een bedrag waarvoor een wettelijk beslagverbod of een wettelijke beslagbeperking geldt, gedeeltelijk kan worden ingevorderd, in reikwijdte zal worden beperkt. Voorgesteld wordt om deze maatregel zodanig aan te passen, dat deze alleen toepassing zal kunnen vinden indien de belastingschuldige in kwestie weigert de door hem verschuldigde belastingen te betalen. Om dit te bewerkstelligen wordt in deze nota van wijziging voorgesteld in artikel 19 IW 1990 een nieuw tweede lid op te nemen waarin enkele elementen zijn neergelegd waaraan moet zijn voldaan voordat een vordering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, IW 1990 betrekking kan hebben op een tiende deel van het bedrag waarvoor een wettelijk beslagverbod of een wettelijke beslagbeperking geldt. Zo dient de belastingschuldige in de eerste plaats – op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan – meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste betalingstermijn reeds ten minste twee maanden is verstreken niet te hebben betaald. Voorts moet de belastingschuldige met betrekking tot deze belastingaanslagen geen verzoek om uitstel van betaling hebben gedaan, niet in aanmerking komen voor uitstel van betaling of de gestelde voorwaarden voor uitstel van betaling niet zijn nagekomen (artikel 25 IW 1990). In de derde plaats moet de belastingschuldige met betrekking tot de belastingaanslagen waarvoor de vordering wordt gedaan geen verzoek om kwijtschelding van belasting hebben gedaan of niet in aanmerking komen voor kwijtschelding (artikel 26 IW 1990). Zo zal de ontvanger in ieder geval geen kwijtschelding kunnen verlenen indien zich een van de in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 genoemde omstandigheden voordoet. Eerst wanneer de drie hiervoor beschreven elementen aan de orde zijn, zal een op de voet van artikel 19, eerste lid, IW 1990 gedane vordering betrekking kunnen hebben op een tiende deel van het bedrag dat door een wettelijk beslagverbod of een wettelijke beslagbeperking wordt getroffen.

De in deze nota van wijziging voorgestelde aanpassing van artikel 19, vierde lid, IW 1990 (nieuw) strekt er toe het instrument van de bankvordering te voorzien van essentiële kenmerken van de girale incasso teneinde in de uitvoering van de bankvordering aansluiting te kunnen vinden bij deze bekende, efficiënte en massaal toegepaste methode binnen het betalingsverkeer. Deze aanpassing is de uitkomst van overleg met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) over de uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel. Daarbij is gebleken dat uitvoering van de bankvordering zoals deze in het oorspronkelijke wetsvoorstel was vormgegeven, mede in verband met de voorziene brede toepassing op met name kleine belastingschulden, niet kan plaatsvinden zonder complexe aanpassingen in de – per kredietinstelling soms verschillend vormgegeven – automatisering van het betalingsverkeer. Door aansluiting te zoeken bij het girale betalingsmiddel incasso wordt bereikt dat de bankvordering op korte termijn – zoals wordt beoogd – massaal kan worden ingezet. De belastingschuldige zal dit onder andere merken door een daling van de op hem verhaalde kosten van invordering en doordat minder gebruik zal worden gemaakt van meer bezwarende vormen van dwanginvordering zoals het executoriale beslag op roerende zaken (bijvoorbeeld op meubilair) of van een vordering onder de werkgever als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, IW 1990. De Belastingdienst en de NVB zijn voornemens in de eerste helft van 2006 een uitvoeringsconvenant te sluiten over de ten behoeve van de uitvoering van de bankvordering nog nader te maken afspraken.

De aansluiting tussen de bankvordering en het girale betalingsmiddel incasso wordt op de volgende wijze tot stand gebracht. In de eerste plaats wordt het toepassingsbereik van de bankvordering uitgebreid. Indien de belastingschuldige met een kredietinstelling in samenhang met zijn bankrekening een overeenkomst inzake krediet is aangegaan, treft de bankvordering niet alleen het tegoed maar ook het ingevolge die overeenkomst aan de belastingschuldige verstrekte krediet. Deze uitbreiding is nodig omdat bij het girale betalingsmiddel incasso afschrijving op het tegoed én op het overeengekomen krediet een gegeven is. Indien op dit punt niet zou worden aangesloten bij het girale betalingsmiddel incasso, plaatst dit de kredietinstellingen voor uitvoeringsproblemen hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de effectiviteit van het instrument van de bankvordering. In de tweede plaats wordt op grond van dit voorstel bepaald dat de kredietinstelling jegens welke een vordering op de voet van artikel 19 IW 1990 wordt gedaan, niet bevoegd is tot interne verrekening van haar «eigen» vorderingen op de belastingschuldige met diens tegoed voordat zij aan haar verplichting tot betaling heeft voldaan. Het oogmerk hiervan is te voorkomen dat de betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige wordt gefrustreerd doordat de kredietinstelling in kwestie zich beroept op een mogelijkheid tot (interne) verrekening. In dit kader wordt nog opgemerkt dat de kredietinstelling jegens welke de vordering is gedaan en die mitsdien verplicht is om de belastingaanslagen van de belastingschuldige terstond te betalen, bevoegd blijft de naar aanleiding van de vordering gedane betaling ongedaan te maken – via een zogenoemde bankstorno – ingeval blijkt dat het betaalde bedrag hoger is dan het bedrag van het tegoed en van het (eventueel) overeengekomen krediet tezamen.

De vordering jegens de kredietinstelling dient te geschieden bij beschikking. Deze beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan de kredietinstelling jegens welke de vordering is gedaan (artikel 19, vijfde lid, IW 1990, zoals dit artikellid na de voorgestelde vernummering komt te luiden). In overeenstemming met de terzake met de NVB gemaakte afspraken zal de ontvanger de beschikking waarbij een vordering jegens een kredietinstelling wordt gedaan langs elektronische weg aan de desbetreffende kredietinstelling bekendmaken. Het een en ander geschiedt met toepassing van afdeling 2.3 (Verkeer langs elektronische weg) van de Algemene wet bestuursrecht. In deze afdeling is bepaald wanneer en onder welke voorwaarden verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen mogelijk is. Deze voorwaarden hebben onder meer betrekking op de beveiliging van het elektronische (berichten)verkeer. Op grond van het hiervoor genoemde artikel 19, vijfde lid, IW 1990 maakt de ontvanger de hiervoor bedoelde beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Deze bekendmaking vindt plaats via de traditionele weg, dat wil zeggen door middel van een door de Belastingdienst aan TPG Post aan te bieden poststuk. In de beoogde systematiek zal de kredietinstelling terstond via de elektronische weg aan de vordering voldoen. Een en ander leidt ertoe dat de bekendmaking aan de belastingschuldige hem veelal zal bereiken op een moment dat het bedrag waarvoor de vordering wordt gedaan, door de kredietinstelling reeds is betaald.

Zoals hiervoor reeds is aangegeven, strekken de aanpassingen van het tot vierde lid vernummerde derde lid van artikel 19 IW 1990 er uitsluitend toe de bankvordering geschikt te maken voor het girale betalingsmiddel incasso. Dit betekent bijvoorbeeld dat zij geen beperking behelzen van de bestaande verrekeningsmogelijkheden van de kredietinstelling na een onder hen gelegd derdenbeslag als bedoeld in de artikelen 475 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De op het girale betalingsmiddel incasso toegespitste toepassing betekent voorts dat deze aanpassingen niet gezien kunnen worden als civielrechtelijk beslag op kredietruimte.

Ten slotte is in artikel 19, negende lid, IW 1990 (nieuw) de verwijzing naar de overige artikelleden van artikel 19 IW 1990 aangepast.

Artikel VI, onderdelen Aa, Ba en Bb (artikel 36a, tweede lid, onderdeel b, en artikel 44b, eerste en tweede lid, Invorderingswet 1990)

Deze onderdelen zijn toegelicht bij artikel I, onderdeel Bb.

Onderdeel 6.

Artikel IXA, onderdeel A (artikel 2 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Voorgesteld wordt om na artikel IX een artikel (IXA) in te voegen. Het in onderdeel A opgenomen artikel 2, vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) houdt verband met de introductie van het nieuwe onderdeel g in artikel 14, eerste lid, WVA (zie artikel IXA, onderdeel C).

De arbeidsverhouding tussen de desbetreffende inhoudingsplichtige en de desbetreffende stagiaires behoeft in de praktijk niet in alle gevallen als een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking te kwalificeren. Om die reden worden deze stagiaires bij fictie als werknemer aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de in artikel 14, eerste lid, onderdeel f, bedoelde personen (VMBO-leerlingen).

Omdat de desbetreffende personen niet in alle gevallen voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB 1964 genoemde voorwaarden, kan niet worden verwezen naar de in de laatstgenoemde bepaling opgenomen fictie, maar is een zelfstandige fictie noodzakelijk.

Ingevolge artikel XIV werkt de in artikel IXA, onderdeel A, voorgestelde wijziging terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel IXA, onderdeel B (artikel 5 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Op grond van onderdeel B wordt een aantal wijzigingen aangebracht in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de WVA. In verband met de voorgestelde wijzigingen is het genoemde onderdeel c tevens gestroomlijnd.

Onderdeel c, onder 1°, is ongewijzigd overgenomen.

De wijziging van onderdeel c, onder 2°, strekt ertoe de afdrachtvermindering onderwijs te verhogen van € 1500 tot € 3000 ten aanzien van voormalig werkloze werknemers die worden opgeleid tot het startkwalificatieniveau (de werknemer, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, WVA).

Onderdeel c, onder 3°, houdt verband met de introductie van een nieuw onderdeel van de afdrachtvermindering onderwijs in artikel 14, eerste lid, onderdeel g, van de WVA. In onderdeel c, onder 3°, is het bedrag van de afdrachtvermindering onderwijs voor bepaalde personen die een stage volgen in het kader van een beroepsopleidende leerweg op MBO 1 of MBO 2 niveau (zie artikel 14, eerste lid, onderdeel g), vastgesteld op € 1 200 per kalenderjaar. Ingevolge artikel 5, negende lid, WVA wordt dit bedrag naar tijdsgelang verdeeld over de loontijdvakken in het kalenderjaar.

Ingevolge artikel XIV werken de in artikel IXA, onderdeel B, voorgestelde wijzigingen terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel IXA, onderdeel C (artikel 14 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Op grond van het voorgestelde onderdeel g van artikel 14, eerste lid, WVA wordt de afdrachtvermindering onderwijs, onder voorwaarden, ook van toepassing voor degenen die binnen de beroepsopleidende leerweg een stage volgen op MBO- 1 of 2 niveau. De hoogte van deze afdrachtvermindering onderwijs is opgenomen in artikel 5, onderdeel c, onder 3°, WVA. (zie artikel IXA, onderdeel B). Om voor deze afdrachtvermindering in aanmerking te komen, dient de stage gedurende een periode van ten minste twee maanden te worden gevolgd. Het toetsloonvereiste is voor deze afdrachtvermindering niet van toepassing. Wel zijn er voorwaarden gesteld aan de aard van de te volgen opleiding. Mede in verband met de controle daarvan zijn er voorwaarden gesteld, die grotendeels overeenkomen met de in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, WVA opgenomen voorwaarden.

De voorgestelde wijzigingen van artikel 14, zesde en zevende lid, WVA houden verband met de introductie van het nieuwe onderdeel g in artikel 14, eerste lid, WVA.

Door de werking van artikel 6 WVA geldt voor deze stagiaires een evenredige vermindering van het bedrag van de afdrachtvermindering op basis van de zogenaamde deeltijdfactor. Op grond van artikel 6, tweede lid, WVA wordt de volledige arbeidsduur voor een kalenderweek gesteld op 36 uren. Bij een stage van bijvoorbeeld 12 uur in de week voor het hele jaar bedraagt de afdrachtvermindering daarmee 1/3 maal € 1200.

Ingevolge artikel XIV werken de in artikel IXA, onderdeel C, voorgestelde wijzigingen terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel IXA, onderdeel D (artikel 31 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

In dit onderdeel wordt een wijziging voorgesteld in artikel 31, eerste lid, van de WVA. Deze wijziging hangt samen met de wijziging die ingevolge artikel XI, onderdeel J, lid 1b, van het Belastingplan 2003 Deel I (Stb. 2002, 615) is aangebracht in artikel 31, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Bij deze, tengevolge van een aanpassing ingevolge artikel X, onderdeel C, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005, 115), met ingang van 1 januari 2006 inwerkinggetreden wijziging was nog geen rekening gehouden met de in het Belastingplan 2002 Deel II – overig fiscaal pakket (Stb. 2002, 617) in artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen aangebrachte wijziging. Hierbij is in artikel 14, onder vernummering van het tweede tot en met het zevende lid tot respectievelijk derde tot en met het achtste lid, een lid ingevoegd. Bij de per 1 januari 2006 in artikel 31, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen aangebrachte wijziging was nog geen rekening gehouden met deze vernummering in artikel 14. Met de in artikel IXA, onderdeel D, voorgestelde wijziging wordt dit hersteld.

Ingevolge artikel XIV werken de in artikel IXA, onderdeel D, voorgestelde wijzigingen terug tot en met 1 januari 2006.

Onderdeel 7.

Artikel X, onderdeel Aa (artikel 3.157 Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.157, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 wordt abusievelijk verwezen naar hoofdstuk IV in plaats van naar hoofdstuk 4. Met de in artikel X, onderdeel Aa, voorgestelde wijziging wordt dit hersteld.

Artikel X, onderdeel F (artikel 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001)

In het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) is in verband met de gelijkstelling van niet in Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen met in Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen, de voor bezwaar vatbare beschikking geïntroduceerd. In de in het Belastingplan 2006 opgenomen wettekst van artikel 6.33, tweede lid, eerste volzin, Wet inkomstenbelasting 2001 is aangegeven, dat die beschikking door de «betreffende» instelling kan worden aangevraagd. Het gebruik van het woord «betreffende» in deze context is echter geen correct Nederlands. Daarom wordt voorgesteld om«betreffende» te vervangen door «desbetreffende».

Voorgesteld wordt om artikel X, onderdeel F, eventueel terug te laten werken tot en met het tijdstip waarop artikel I, onderdeel Oa, van het Belastingplan 2006 in werking treedt hetgeen uiteraard alleen aan de orde is, indien het laatstgenoemde artikel eerder in werking treedt dan deze wet. Het laatstgenoemde artikel bevat de tekst van artikel 6.33, tweede lid, eerste volzin, Wet inkomstenbelasting 2001, die met artikel X, onderdeel F, wordt aangepast.

Artikel X, onderdeel G (artikel 9.2 Wet inkomstenbelasting 2001)

Ingevolge de in artikel I, onderdeel Zb, van het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) opgenomen wijzigingsopdracht, zou een volzin moeten worden toegevoegd aan artikel 9.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Per abuis is in de Regeling samenloop fiscale wetten 2006, Stcrt. 2005/252, in artikel I, onderdeel C, een zinsnede opgenomen die tot gevolg heeft dat de bewuste volzin per 1 januari 2006 niet aan het achtste lid, maar aan het negende lid van artikel 9.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is toegevoegd. Deze omissie wordt met de in artikel X, onderdeel G, voorgestelde wetswijziging met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 hersteld.

Artikel X, onderdeel H (artikel 9.3 Wet inkomstenbelasting 2001)

Ingevolge artikel I, onderdeel Za, van het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683), is in artikel 9.2 van de Wet IB 2001 onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot respectievelijk vijfde tot en met negende lid, na het derde lid een nieuw vierde lid ingevoegd. Artikel 9.3, tweede lid, onderdeel k, Wet IB 2001 is echter abusievelijk niet aangepast aan deze wijziging. Met het onderhavige voorstel wordt deze omissie hersteld.

De in dit onderdeel voorgestelde wijziging werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Onderdeel 8.

Artikel XI, onderdelen A (artikel 19 Wet financiering sociale verzekeringen) en B (artikel 59 Wet financiering sociale verzekeringen)

Voorgesteld wordt om in de in artikel XI, onderdeel A, opgenomen tekst van artikel 19, onderdeel c, Wfsv een taalkundige correctie aan te brengen.

In het in het voorstel van wet opgenomen artikel XI, onderdeel B, derde lid, werd per vergissing een achtste lid in plaats van een negende lid aan artikel 59 Wfsv toegevoegd. Met de thans voorgestelde aanpassing van artikel IX, onderdeel B, derde lid, wordt dit hersteld.

Onderdeel 9.

Artikel XII

Met de voorgestelde wijziging wordt de in het voorstel van wet opgenomen wijziging van artikel 43, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet op een andere wijze geformuleerd, maar is geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de in het voorstel van wet opgenomen wijziging beoogd. In plaats van een volledige opsomming van de gevallen die tot toepassing van artikel 43, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet leiden, wordt thans volstaan met een verwijzing naar artikel 26b, eerste volzin, Wet LB 1964 en artikel 19 Wfsv. Dit leidt tot een aanzienlijke verkorting van de tekst.

Onderdeel 10.

De voorgestelde wijziging in artikel XIII, onderdeel A, betreft een taalkundige verbetering.

Onderdeel 11.

Artikel XIIIA en artikel XIIIB (overgangsrecht wijzigingen Succesiewet 1956)

In artikel XIIIA wordt voorgesteld om de ingevolge artikel IA, onderdelen A en B, gewijzigde artikelen van de Successiewet 1956 voor het eerst toepassing te laten vinden met betrekking tot belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die zich hebben voorgedaan op of na 1 januari 2006.

In artikel XIIIB wordt voorgesteld om het ingevolge artikel IA, onderdeel C, gewijzigde artikel van de Successiewet 1956 voor het eerst toepassing te laten vinden met betrekking tot belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die zich hebben voorgedaan op of na de dag van de inwerkingtreding van de wijziging.

Artikel XIIIC en XIIID (overgangsrecht artikel 28 Wet op de loonbelasting 1964)

Deze onderdelen zijn toegelicht bij artikel II, onderdeel B.

Artikel XIIIE (Overgangsrecht artikel 36b Invorderingswet 1990)

Deze overgangsbepaling legt vast dat de aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 36b IW 1990 niet terugwerkt en dus geen betrekking heeft op aansprakelijkheidsschulden die reeds zijn vastgelegd in een voor de inwerkingtreding van deze wet bekendgemaakte beschikking als bedoeld in artikel 49 IW 1990. Wordt echter de vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ontstane aansprakelijkheid bekendgemaakt na inwerkingtreding van deze wet (door middel van het als aangetekend stuk toezenden van een beschikking aansprakelijkstelling), dan is er geen reden de bestuurder, ingeval de aansprakelijkheidsschuld niet door het lichaam wordt voldaan, niet aansprakelijk te stellen.

Artikel XIIIF (samenloopbepaling)

Het bij koninklijke boodschap van 3 augustus 2004 ingediende voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht) (29 708), leidt tot een technische aanpassing van het voorgestelde artikel 19, vierde lid, IW 1990. Het in deze nota van wijziging voorgestelde artikel XIIIF regelt de samenloop van het in de vorige volzin genoemde wetsvoorstel en het onderhavige wetsvoorstel.

Artikel XIIIG (samenloopbepaling)

In dit onderdeel wordt voorgesteld om na artikel XIII onder meer een artikel (artikel XIIIH) in te voegen, waarmee twee wijzigingen worden aangebracht in artikel IV, onderdeel Cd, tweede lid, van het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683). Deze wijzigingen hangen samen met de wijzigingen die ingevolge artikel IV, onderdeel D, van de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005) (Stb. 2004, 654) met ingang van 1 januari 2006 zijn aangebracht in artikel 18 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Genoemd artikel IV, onderdeel D, is namelijk ingevolge het Besluit van 15 december 2005, Stb. 685, in werking getreden op 1 januari 2006. Bij de formulering van de tekst van artikel IV, onderdeel Cd, tweede lid, van het Belastingplan 2006 is nog geen rekening gehouden met de hiervoor genoemde wijzigingen, waardoor de wijzigingsopdracht niet correct geformuleerd is. Met het onderhavige voorstel wordt met terugwerkende kracht de wijzigingsopdracht zodanig geherformuleerd dat de wijzigingsopdracht wel is uit te voeren.

Onderdeel 12.

Artikel XIV (inwerkingtreding)

Voorgesteld wordt om artikel XIV in die zin aan te passen, dat deze wet in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met dien verstande dat daarbij kan worden bepaald dat de in dit artikel genoemde onderdelen terugwerken tot en met de in dit artikel genoemde tijdstippen. De inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen is toegelicht bij de desbetreffende onderdelen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn