Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630318 nr. 3

30 318
Aanpassing van en verbeteringen in diverse wetten in verband met de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede enkele andere correcties (Aanpassingsen verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)In het wetsvoorstel Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: wetsvoorstel WIA) is de geheel nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering vormgegeven. Het wetsvoorstel voorziet in een stelsel waarin de activering van en inkomensbescherming voor werknemers met arbeidsbeperkingen voorop staan. In de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: wetsvoorstel IWIA) wordt een groot aantal inhoudelijke zaken geregeld die verband houden met het wetsvoorstel WIA. Zo is in dat wetsvoorstel het overgangsrecht met betrekking tot de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geregeld. Daarnaast is in dat wetsvoorstel de financiering van het wetsvoorstel WIA en van de WAO vanaf het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA vormgegeven. Ook is in het wetsvoorstel IWIA geregeld dat de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) wordt ingetrokken en dat een aantal instrumenten uit de Wet REA wordt opgenomen in andere wetten. Voorliggend wetsvoorstel Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: wetsvoorstel Aanpassings- en verzamelwet) vormt het sluitstuk van het wetgevingscomplex met betrekking tot het nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel. In dit wetsvoorstel wordt de technische aanpassing geregeld van diverse wetten in verband met de invoering van het wetsvoorstel WIA en het wetsvoorstel IWIA en worden in verband met die wetsvoorstellen verbeteringen en aanpassingen in diverse wetten aangebracht.

Het wetsvoorstel WIA maakt onderscheid tussen enerzijds gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en anderzijds duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Overwogen is of in andere wetten waarin de term arbeidsongeschikt(heid) in algemene zin worden gebruikt een zelfde onderscheid in te voeren. Hiervan is om de navolgende redenen afgezien. In het wetsvoorstel WIA wordt naast de gangbare term «gedeeltelijk arbeidsgeschikt» ook nog de term arbeidsongeschikt gebruikt (bijvoorbeeld in artikel 7.1.2). Daarnaast is van belang dat de term gedeeltelijk arbeidsgeschikt in de Wet WIA specifiek is gedefinieerd en dat het gebruik van de term gedeeltelijk arbeidsgeschikt in andere wetten wellicht onduidelijkheid zou creëren. Deze overwegingen hebben ertoe geleid dat is besloten wetten waarin de termen arbeidsongeschikt of arbeidsongeschiktheid in algemene zin worden gebruikt op dit punt niet aan te passen. De in de andere wetten gebruikte termen arbeidsongeschikt en arbeidsongeschiktheid behouden hun oorspronkelijke inhoud en indien daar nu (in termen van het wetsvoorstel WIA) gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid onder valt, zal dat na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA niet veranderen. Ook met betrekking tot de term arbeidsongeschiktheidsverzekering is overwogen om deze term aan te passen. Nu het wetsvoorstel WIA als geheel gezien moet worden als een verzekering inzake arbeidsongeschiktheid is besloten niet tot aanpassing over te gaan. Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat onder de term arbeidsongeschiktheidsverzekering dus ook een verzekering op grond van het wetsvoorstel WIA moet worden verstaan.

Bij de aanpassingen wordt uitgegaan van de wetteksten zoals deze komen te luiden na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel IWIA.

2. Financiële gevolgen en administratieve lasten

In dit wetsvoorstel wordt een groot aantal technische punten geregeld. De regelingen van deze verschillende punten hebben geen tot zeer beperkte invloed op de uitvoeringskosten. Hetzelfde geldt voor de administratieve lasten.

3. Gevolgen voor de rechterlijke macht

Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht.

4. Commentaar op de toetsen

Een concept van het wetsvoorstel is aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gezonden met het verzoek dit wetsvoorstel van uitvoeringstechnisch commentaar te voorzien. Ook is het conceptwetsvoorstel gezonden aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) met het verzoek de toezichtbaarheidsaspecten van dit wetsvoorstel te beoordelen. Daarnaast is een conceptwetsvoorstel gezonden aan de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) en de Sociale verzekeringsbank (SVB).

Naar het oordeel van het UWV zijn de in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar en is invoering van het wetsvoorstel op de beoogde inwerkingtredingsdatum (29 december 2005) haalbaar. De door het UWV voorgestelde (wets)technische wijzigingen zijn in overwegende mate in het wetsvoorstel verwerkt.

Het wetsvoorstel geeft de CWI geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

IWI is van mening dat de voorgestelde wijzigingen geen problemen opleveren voor de toezichtbaarheid. De door het IWI separaat gestuurde technische opmerkingen zijn grotendeels in het wetsvoorstel verwerkt.

De voorgestelde wijzigingen geven de SVB geen aanleiding tot opmerkingen. Er zijn geen consequenties voor informatiehuishouding of systemen. De beoogde invoeringsdatum is voor de SVB eenvoudig haalbaar en de wijziging zal geen noemenswaardige gevolgen hebben voor de uitvoeringskosten van de SVB. De twee technische aanpassingen die de SVB voorstelt, zijn in het wetsvoorstel verwerkt.

II. ARTIKELSGEWIJS

HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Artikelen I , II, III, V, onderdeel B, XI, onderdeel B, XVI, onderdeel B en XVIII

Conform de redactie van artikel 1.1.3 van het wetsvoorstel WIA vervalt de aanvulling wat betreft het wonen op luchtvaartuigen in dit artikel. Deze situatie blijkt zich in de praktijk niet voor te doen.

Artikelen V, onderdeel C, XI, onderdelen A, onder 2, en C, en XVI, onderdelen A, onder 2, en C

Met de uitbreiding van het begrip werkgever met de overheidswerkgever tot wie een of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan, wordt het werkgeversbegrip voor de overheidssector in de Werkloosheidswet (WW), de WAO en de Ziektewet (ZW) in overeenstemming gebracht met de uitvoeringspraktijk en tevens met hetgeen werd beoogd bij de totstandkoming van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. De essentie van het toevoegen «overheidswerkgever» aan de definitie van werkgever is dat niet het lichaam de werkgever is, maar de organen van het lichaam.

In verband met het toevoegen van de term overheidswerkgever wordt in de ZW en de WAO die term ook opgenomen in de begripsbepalingen.

Artikelen VI, onderdeel A, onder 1, VII, onderdeel A, onder 1, en XI, onderdeel D, onder 1

Met deze wijzigingen wordt de in de voorhangprocedure van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten te hanteren termijn in overeenstemming gebracht met de termijn die geldt op grond van het wetsvoorstel WIA.

Artikelen VI, onderdeel C, VII, onderdeel B, XI, onderdeel M, XV, onderdeel G, XVI, onderdeel G

Op grond van de artikelen 59b van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), 65e van de WAO en 52d van de ZW (die alle bij de inwerkingtreding van de IWIA in de genoemde wetten zullen worden ingevoerd) en artikel 4.2.2, tweede lid, van de Wet WIA, kunnen aan personen die recht hebben op een van de in die wetten bedoelde uitkeringen in het kader van de bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige, voorzieningen worden verstrekt. Deze voorzieningen kunnen worden verstrekt tot het moment waarop geen recht meer bestaat op een van de bedoelde uitkeringen. Op het moment dat betrokkene als zelfstandige arbeid verricht is hij geen verzekerde meer en vervalt de aanspraak op deze voorzieningen. Het kan echter in het kader van de reïntegratie wenselijk zijn deze voorzieningen (als overgangsmaatregel) nog een beperkte tijd te laten doorlopen (zoals dat ook mogelijk was op grond van de Wet REA). Door de hier voorgestelde uitbreiding van de delegatiebepaling kan in het nieuw te treffen Reïntegratiebesluit worden vastgelegd in welke gevallen deze voorzieningen nog langer kunnen worden verstrekt.

Artikelen XI, onderdeel A, onder 1, en XVI, onderdeel A, onder 1

De definitie van onbetaald verlof in de WAO en de ZW wordt door middel van deze bepaling in overeenstemming gebracht met de definitie zoals deze in het wetsvoorstel WIA is opgenomen.

Artikel IV. Arbeidsomstandighedenwet 1998

In artikel 3a, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zoals dat is voorgesteld in het wetsvoorstel IWIA is het woord «wet» weggevallen. Via deze wijziging wordt dat gecorrigeerd.

Artikel V. Werkloosheidswet

Onderdeel A

In het wetsvoorstel IWIA wordt voorgesteld om de wachtgeldfondsen voortaan sectorfondsen te noemen. Door middel van dit onderdeel wordt artikel 1, onderdeel c, daaraan aangepast. Onderdelen d, f en k worden alsnog aangepast in verband met de invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

Onderdeel D

Dit onderdeel betreft een tekstuele correctie.

Onderdeel E

In het wetsvoorstel IWIA wordt voorgesteld de term wachtgeldfonds te vervangen door de term sectorfonds. Artikel 24 wordt hierop aangepast.

Onderdeel F

Met deze wijziging vormt het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 4.1.2, tweede lid, van de Wet WIA grond voor het opleggen van een maatregel op grond van de WW. Reden hiervoor is de volgende.

Wanneer een werknemer tijdens zijn wachttijd voor de Wet WIA of tijdens het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsplicht voor de werkgever onvoldoende aan zijn reïntegratie meewerkt (dus de plicht, bedoeld in artikel 4.1.2, tweede lid, Wet WIA niet naleeft), wordt hem een maatregel op grond van artikel 10.1 Wet WIA opgelegd. Zijn WIA-uitkering wordt dus gekort. Dit zal echter slechts aan de orde zijn als bij de claimbeoordeling van de werknemer is gebleken dat hij meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Alleen dan ontvangt hij immers een uitkering op grond van de Wet WIA.

Als de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt blijkt te zijn, ontvangt hij na afloop van de wachttijd voor de Wet WIA of het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsplicht een WW-uitkering (mits hij uiteraard aan de overige voorwaarden voor een WW-uitkering voldoet). Het ligt in de rede dat als de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt is en hij tijdens de eerste twee ziektejaren of het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsplicht niet of onvoldoende aan zijn reïntegratie heeft meegewerkt, hij op zijn WW-uitkering wordt gekort. De wijziging van artikel 27, derde lid, WW strekt hiertoe.

Onderdeel G

Nu in artikel 1, onderdeel l, WW de definitie van het begrip «reïntegratiebedrijf» (via het wetsvoorstel IWIA) is opgenomen in de WW kan de omschrijving daarvan in artikel 72 vervangen worden door die term.

Onderdeel H

In artikel 129c van de WW wordt nu verwezen naar de artikelen 88 tot en met 88i van de WAO. Gezien de aflopende werking van de WAO, ligt het meer in de rede hier voortaan te verwijzen naar het wetsvoorstel WIA.

Artikel VI. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Onderdeel A, onder 2

In artikel 2, negende lid, van de WAZ is de mogelijkheid opgenomen om regels te stellen omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. In het wetsvoorstel WIA wordt de term arbeidsongeschiktheidsuitkering gereserveerd voor de uitkering, bedoeld in hoofdstuk 6, van die wet. Om tot uitdrukking te brengen dat ook in geval van samenloop van een uitkering op grond van de WAZ met een uitkering op grond van het wetsvoorstel WIA (dus ook de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7) mogelijk is, wordt voorgesteld om de term «arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere wettelijke regeling» te vervangen door: een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid op grond van een andere wettelijke regeling.

Onderdeel B

In artikel 7, eerste lid, van de WAZ is opgenomen dat het UWV voor bijzondere gevallen regels kan stellen inzake welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt. In artikel 3.1, tweede lid, van het wetsvoorstel WIA is er voor gekozen deze regels bij ministeriële regeling vast te stellen. In de nota van wijziging op het wetsvoorstel WIA is aangegeven dat dit voor de andere arbeidsongeschiktheidswetten ook zo zal worden geregeld, hetgeen middels dit onderdeel gebeurt.

Artikel VII. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Onderdeel A, onder 2

Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel 2, negende lid, van de WAZ.

Onderdeel C

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om in het opschrift van artikel 76a van de WAJONG een verbetering aan te brengen. In het opschrift wordt op een foutieve manier verwezen naar de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten. Door middel van dit onderdeel wordt dat verbeterd.

Artikel VIII. Wet financiering sociale verzekeringen

Onderdeel A

In artikel 40, vierde lid, van de Wfsv is geregeld dat na beëindiging van het zelf dragen van het risico een wachttijd van drie jaren geldt alvorens wederom het risico zelf mag worden gedragen. Dit artikellid wordt gewijzigd opdat duidelijk is dat deze wachttijd alleen geldt voor het zelf dragen van het risico dat is beëindigd. Voor het verlenen van toestemming van andere vormen van het eigenrisicodragen heeft de beëindiging geen gevolgen.

Onderdeel B

Voor de toelichting op de wijziging van artikel 49 van de Wfsv wordt verwezen naar de toelichting op de wijziging van artikel 29b ZW.

Onderdelen C en D

De uitkeringen op grond van de ZW komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWF) of de sectorfondsen. De ziekengelduitkeringen voor personen als bedoeld in artikel 29b ZW (arbeidsgehandicapten, na inwerkingtreding van de Wet WIA met fysieke beperkingen) kwamen ten laste van het REA-fonds. Nu de Wet REA wordt ingetrokken is het wenselijk, dat de uitkeringen ten laste worden gebracht van een ander fonds. De achtergrond van de no risk polis ZW is de werkgever niet te belasten met de loondoorbetalingplicht bij ziekte van de werknemer met beperkingen, maar de werknemer in aanmerking te laten komen voor ziekengeld. Geregeld wordt daarom dat de uitkeringen aan de werknemers, bedoeld in artikel 29b ZW ten laste komen van het AWF.

Voor de personen, die een uitkering op grond van de ZW ontvangen kan het UWV op grond van artikel 30 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) verantwoordelijk zijn voor de reïntegratie-activiteiten. De kosten die het UWV voor reïntegratie-trajecten maakt voor personen, die een uitkering op grond van de ZW ontvangen komen ten laste van het fonds, ten laste waarvan ook de uitkeringen komen. Dat zijn het AWF (artikel 100) of de sectorfondsen (artikel 104).

Onderdeel E onder 1 en 2

In artikel 30, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet SUWI is geregeld, dat het UWV geen reïntegratietaak heeft ten aanzien van personen, die een uitkering van het UWV ontvangen, maar voor wie is overeengekomen met colleges van burgemeester en wethouders, dat door de gemeenten voorzieningen worden aangeboden. Dit gaat vooral om sociale activering. Het UWV betaalt daarvoor dan vergoedingen aan de gemeenten. Deze vergoedingen komen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof), voorzover het gaat om personen, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ, WAJONG en WAO of een werkhervattingsuitkering op grond van de Wet WIA, ontvangen van het UWV. Dergelijke vergoedingen kwamen eerder ten laste van het Reïntegratiefonds. In verband met de intrekking van de Wet REA komen deze vergoedingen voor overeenkomsten die na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA worden aangegaan nu ten laste van het Aof. De vergoedingen voor personen, die een WW-uitkering ontvangen komen op grond van artikel 101 al ten laste van het AWF.

Onderdeel F

Beoogd was te regelen dat de WGA-uitkeringen aan overheidswerknemers, die voordien een uitkering ontvingen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c van de ZW in 2006 niet ten laste komen van het Uitvoeringsfonds voor de overheid maar ten laste van het Aof komen. Dit is conform de regeling voor uitkeringen aan andere werknemers die voordien een uitkering ontvingen op grond van de hiervoor genoemde uitkeringen. Door middel van het hier voorgestelde artikel wordt dat gecorrigeerd.

Onderdeel G, onder 1 en 2

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om twee tekstuele foutjes te corrigeren.

Onderdeel G, onder 3

Aan artikel 122c van de Wfsv wordt een twaalfde lid toegevoegd, waarin de situatie wordt geregeld dat een werkgever die op 30 of 31 december start gelijk eigenrisicodrager wil worden. Op grond van dit lid is het mogelijk.

In het dertiende en veertiende lid wordt geregeld bij wie bezwaar kan worden gemaakt tegen beschikkingen op grond van artikel 122c. Conform het overgangsrecht in de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen is hier bepaald dat het UWV bevoegd is wanneer het bezwaar is ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 40 van de Wfsv en de inspecteur wanneer het bezwaar daarna is ingediend. In het vijftiende en zestiende lid is ook het beroep conform de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen geregeld.

Artikel IX. Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Onderdeel A

In artikel 1.5a van het wetsvoorstel IWIA wordt een tekstuele verbetering aangebracht.

Onderdeel B

In verband met eerder aangebrachte vernummeringen in het wetsvoorstel WIA wordt artikel 2.1, tweede lid, van het wetsvoorstel IWIA aangepast.

Onderdeel C

In artikel 2.3 eerste lid, van het wetsvoorstel IWIA wordt een technische verbetering aangebracht zodat die overgangsrechtelijke bepaling ook van toepassing is op de persoon die op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel 2.10 van het wetsvoorstel IWIA in aanmerking is gebracht voor een instrument op grond van de Wet REA of een aanvraag daartoe heeft ingediend.

Onderdeel D

Artikel 2.4, eerste lid, van het wetsvoorstel IWIA wordt technisch zo aangepast dat duidelijk is welke dag, in verband met het bepalen van de staat waarin een voorziening verkeert, bepalend is wanneer op een aanvraag om een voorziening niet is beslist op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 75, eerste lid, van de Wet REA vervalt als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 2.10 van het wetsvoorstel IWIA.

Onderdeel E, onder 1

In verband met de wijziging van artikel 100, onderdeel b, en artikel 104 van de Wfsv, dient ook artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b, van het wetsvoorstel IWIA te worden aangepast, omdat er in dat artikel van werd uitgegaan, dat de ziekengelduitkeringen voor werknemers als bedoeld in artikel 29b ZW ten laste komen van het Aof.

Onderdeel E, onder 2

In artikel 2.9, tweede lid, onderdeel c, zoals dat luidt in het ingediende wetvoorstel IWIA wordt ten onrechte gesproken van de uitvoering van artikel 30 van de Wet SUWI. De bedoeling van deze bepaling is financiering te regelen van afspraken in het kader van sociale activering die zijn gemaakt vóór het moment waarop de Wet REA wordt ingetrokken. In plaats van te verwijzen naar artikel 30, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet SUWI dient te worden verwezen naar artikel 14, eerste lid, van de Wet REA zoals dat artikel luidde op de dag voor het vervallen van dat artikel als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 2.10 (van het wetsvoorstel IWIA). Dit wordt in dit onderdeel gecorrigeerd.

Onderdeel F

Door middel van de hier voorgestelde wijzigingen worden enkele verbeteringen aangebracht in de samenloop van het bij koninklijke boodschap van 23 mei 2005 ingediende voorstel van wet tot invoering van de Zorgverzekeringswet en aanpassing van overige wetten een die wet (Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet) (Kamerstukken II 2004/05, 30 124, nr. 2) en het wetsvoorstel IWIA daar waar het gaat om vernummeringen in de Wfsv.

Artikel X Wet kinderopvang

Onder 1 en 2

In verband met het gebruik van komma's bij opsommingen in plaats van puntkomma's in de Wet kinderopvang worden enkele artikelen redactioneel aangepast.

Omdat het niet de bedoeling is in artikel 6 een cumulatieve opsomming te geven kan door het gebruik van het woord «en» in sub 3 van artikel 6, onderdeel i, onduidelijkheid hieromtrent ontstaan. In verband daarmee wordt hier voorgesteld het woord «en» te laten vervallen.

Onder 3

Omdat in artikel 6 wordt verwezen naar de artikelen van diverse wetten waarin het reïntegratie-instrument proefplaatsing is geregeld, wordt artikel 52e ZW ook daarin opgenomen.

Artikel XI. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Onderdeel D, onder 2

Tweede lid

Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel 2, negende lid, van de WAZ.

Onderdeel E

Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel 7, eerste lid, van de WAZ.

Onderdelen F, I tot en met L en N

Door middel van deze onderdelen wordt het gebruik van de termen besluit en beschikking in de WAO in overeenstemming gebracht met het gebruik daarvan in het wetsvoorstel WIA.

Onderdelen G en H

Door het intrekken van de Wet REA kan voor wat betreft de reïntegratietaak van het UWV niet langer verwezen worden naar die wet. In plaats daarvan wordt hier verwezen naar artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI waarin die taak is opgenomen. Voor de reïntegratietaak van de werkgevers dient verwezen te worden naar artikel 658a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Onderdeel M

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om in artikel 71a van de WAO een tekstuele verbetering op te nemen.

Onderdeel P

Met ingang van 1 januari 1998 zijn in de artikelen 88 tot en met 88i van de WAO bepalingen in verband met de behandeling van beschikkingen waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag ligt opgenomen (zogenaamde medische besluitenregeling). De afgelopen jaren is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een aantal uitspraken gedaan dat ertoe leidde dat de bestaande regelgeving in verband met medische beschikkingen herziening behoefde. Gewezen wordt met name op de uitspraken CRvB 20–07–2001, RSV 2001/205; JB 2001/256 en CRvB 13–02–2002, RSV 2002/128 en RSV 2002/130. Bij de formulering van de medische besluitenregeling in het wetsvoorstel WIA is al rekening gehouden met de benodigde herziening. De hier voorgestelde tekst komt dan ook overeen met de tekst van de artikelen 12.2.1 tot en met 12.2.8 van het wetsvoorstel WIA.

De herziening ziet er in hoofdlijnen als volgt uit. Conform de uitspraken van de CRvB zal de medische besluitenregeling niet langer van toepassing zijn op het beroep op de rechter, maar zal in die fase uitsluitend de regeling van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelden. Deze regeling houdt in dat de administratieve rechter in ieder individueel geval ambtshalve of op verzoek van partijen het recht op privacybelang van de werknemer afweegt tegen het recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces van de werkgever. Indien deze weging er toe leidt dat het privacybelang van de werknemer prevaleert, zal de rechter bepalen dat kennisname van medische stukken (of delen) daarvan aan de gemachtigde zijn voorbehouden. Deze gemachtigde kan zijn een arts of een advocaat, danwel een persoon die daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. Met deze regeling wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6 EVRM. Al sedert de uitspraak van de CRvB van 20 juli 2001, RSV 2001/205 wordt door de administratieve rechter in sociale verzekeringszaken op deze wijze gewerkt en in de praktijk blijkt dit goed uitvoerbaar te zijn. Voor de fase van de voorbereiding van een beschikking en de bezwaarfase ligt een regeling als opgenomen in artikel 8:32, tweede lid, Awb minder voor de hand omdat het telkens opnieuw maken van een individuele afweging in de uitvoeringspraktijk niet alleen bewerkelijk zou zijn maar ook de kans op niet-uniforme uitvoering zou vergroten. Omdat artikel 6 EVRM, zoals de CRvB in eerdergenoemde uitspraak van 13 februari 2002, RSV 2002/130 heeft overwogen, niet geldt voor de bezwaarfase bestaat er ook om die reden geen noodzaak om in die fase de medische besluitenregeling te verlaten. Om die reden blijft de medische besluitenregeling in een aanpaste vorm gehandhaafd voor de (voorbereiding van) primaire beschikkingen en voor de bezwaarfase. Deze aanpassing betreft de navolgende situatie. Indien de werknemer geen toestemming voor verstrekking of inzage van zijn medische gegevens geeft, mag het UWV de medische stukken verstrekken aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel hiervoor speciale toestemming van het UWV heeft gekregen. In de huidige situatie mocht het UWV de stukken uitsluitend aan een arts-gemachtigde geven. Door de aanpassing is de kring van personen aan wie stukken verstrekt kunnen worden in bezwaar en beroep gelijk geworden.

De term «medisch besluit» is in dit voorstel van wet vervangen door de term «medische beschikking». Hiermee is niet beoogd een inhoudelijke wijziging aan te brengen ten opzichte van de huidige terminologie maar dit vloeit voort uit het feit dat in dit voorstel van wet consequent de term «beschikking» is gehanteerd daar waar het een besluit betreft dat niet van algemene strekking is.

Artikel 88

In dit artikel worden definities gegeven van een medische beschikking, werkgever en werknemer. Dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 12.2.1 van het wetsvoorstel WIA.

Artikel 88a

Dit artikel bevat de hoofdregel inzake het verstrekken dan wel ter inzage of kennisgeven van medische stukken door het UWV aan de werkgever. Het artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 12.2.2 van het wetsvoorstel WIA.

Artikel 88b

Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 88c juncto 88b van de WAO maar is conform artikel 12.2.3 van het wetsvoorstel WIA in de lijn van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb gebracht. Het derde lid komt overeen met het huidige artikel 88g van de WAO met dien verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 8:29 en 8:32, tweede lid, van de Awb hier niet meer zijn opgenomen. In het hier bedoeld artikellid wordt slechts artikel 7:4, tweede, vierde en zesde lid, van de Awb buiten toepassing gelaten. Daarvoor is immers in deze paragraaf een speciale voorziening getroffen in de eerste twee leden van dit artikel.

Artikel 88c

Dit artikel komt overeen met artikel 12.2.4 van het wetsvoorstel WIA.

Artikel 88d

Dit artikel schrijft voor dat bij de bekendmaking van een medische beschikking gewezen wordt op de regeling in verband met de behandeling van medische gegevens van de werknemer. Dit artikel komt overeen met artikel 12.2.5 van het wetsvoorstel WIA.

Artikel 88e

Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 88f van de WAO en is in overeenstemming gebracht met artikel 12.2.6 van het wetsvoorstel WIA.

Artikel 88f

Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 88h van de WAO en is in overeenstemming gebracht met artikel 12.2.7 van het wetsvoorstel WIA.

Artikel 88g

Dit artikel komt (met inachtneming van de genoemde jurisprudentie) overeen met het huidige artikel 88i van de WAO. Het voorziet in het van toepassing verklaren van artikel 88f van de WAO bij de behandeling van een verzoek om (een wijziging, of intrekking van) een voorlopige voorziening of tijdens de behandeling van hoger beroep. Dit artikel komt overeen met artikel 12.2.8 van het wetsvoorstel WIA.

Artikel XII. Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Onderdeel A, onder 1

In het voorgestelde artikel 30, vijfde lid, onderdeel c, Wet SUWI worden twee wijzigingen aangebracht.

Ten eerste wordt «verzekerde als bedoeld in artikel 9.1» vervangen door: verzekerde als bedoeld in artikel 9.1, eerste en tweede lid. Met deze wijziging wordt bereikt dat de in onderdeel c opgenomen uitzondering niet geldt ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in artikel 9.1, vierde lid, Wet WIA. Dit betreft de zogenaamde «vangnetters». Omdat de eigenrisicodrager, op grond van artikel 9.1, vierde lid, Wet WIA niet het risico van betaling van de (WIA-)uitkering aan deze personen draagt, zou het onlogisch zijn hem wel de reïntegratieverantwoordelijkheid voor deze personen te laten dragen. Met de voorgestelde wijziging wordt bereikt dat het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van de bedoelde doelgroep.

Hierbij wordt opgemerkt dat in verband met deze wijziging ook artikel 4.4.1 Wet WIA, waarin de reïntegratieverantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager wordt geregeld, zodanig wordt aangepast dat ook in dat artikel duidelijk is dat de eigenrisicodrager niet de reïntegratieverantwoordelijkheid draagt voor de «vangnetters».

Ten tweede wordt de zinsnede «tenzij artikel 8.2.6, derde lid, van toepassing is» vervangen door: tenzij de artikelen 8.2.6, derde lid, of 9.3, tweede lid, van die wet van toepassing zijn. Op grond van artikel 9.3, tweede lid, Wet WIA blijft de werkgever, nadat het eigenrisicodragen voor de WIA voor hem is geëindigd, het risico van de betaling van de WIA-uitkering dragen voorzover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen voor het einde van het eigenrisicodragen. Met andere woorden: de werkgever blijft verantwoordelijk voor de betaling van de uitkering in «bestaande uitkeringsgevallen». Het is gewenst dat in deze gevallen niet de eigenrisicodrager maar het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie. Reden hiervoor is dat het vanuit het oogpunt van transparantie gewenst is dat de reïntegratieverantwoordelijkheid van de werkgever die heeft aangegeven geen eigenrisicodrager meer te willen zijn te beperken tot degenen die de eerste twee ziektejaren doormaken. Hierbij past niet dat die werkgever nog reïntegratieverantwoordelijk is en feitelijke reïntegratiewerkzaamheden verricht of laat verrichten ten behoeve van een beperkte groep personen die nog valt onder «uitloop».

In verband hiermee wordt artikel 30, vijfde lid, onderdeel c, zodanig gewijzigd dat de in dat artikelonderdeel opgenomen uitzondering niet geldt indien artikel 9.3, tweede lid, Wet WIA van toepassing is. Daardoor wordt het UWV, na beëindiging van het eigenrisicodragerschap van de werkgever, verantwoordelijk voor de reïntegratie van de persoon wiens eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen voor het einde van het eigenrisicodragen door zijn werkgever.

Hierbij wordt opgemerkt dat het UWV de kosten van deze reïntegratie kan verhalen op de voormalige eigenrisicodrager. Zie hiervoor de toelichting op de wijziging van artikel 9.3 Wet WIA.

Onderdeel A, onder 2

De delegatiebepaling in het zevende lid is verruimd, zodat bij algemene maatregel van bestuur nog nadere regels kunnen worden gesteld voor de afstemming tussen de reïntegratietaak van het UWV voor personen, die een uitkering ontvangen van het UWV en de vergelijkbare verantwoordelijkheid van de werkgever voor de terugleiding naar arbeid van zijn zieke werknemers. Deze afstemming kan ondermeer noodzakelijk zijn voor de werknemers, die ziekengeld ontvangen op grond van artikel 29b ZW. In die regels kan bijvoorbeeld worden bepaald hoe de verantwoordelijkheid en de kosten worden verdeeld.

Onderdeel B

In artikel 42, vierde lid, van de Wet SUWI is de term «arbeidsgehandicapten» in verband met de intrekking van de Wet REA vervangen door: werknemers. Artikel 42, vierde lid, heeft betrekking op drie groepen waarvoor het UWV middelen kan inzetten, te weten werkzoekenden, uitkeringsgerechtigden en werknemers. Voorzover het in artikel 42, vierde lid, bedoelde onderzoek betrekking heeft op gelden die (voor de intrekking van de Wet REA) zijn besteed ten behoeve van arbeidsgehandicapten, levert deze wijziging geen bezwaar op, omdat die arbeidsgehandicapte ook werkzoekende, uitkeringsgerechtigde danwel werknemer zal zijn.

Onderdeel C

In artikel 83k, eerste lid, van de Wet SUWI wordt een tekstuele verbetering aangebracht.

Artikel XIII. Wet werk en bijstand

In het wetsvoorstel WIA wordt onder de term arbeidsongeschiktheidsuitkeringen exclusief verstaan de uitkering op grond van hoofdstuk 6 van die wet. Om hier duidelijk te maken dat de verwijzing naar de term arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ook omvat de andere uitkeringen op grond van die wet wordt de bewuste term vervangen door: uitkeringen inzake arbeidsongeschiktheid.

Artikel XIV. Wet werk en inkomen kunstenaars

Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel 31, tweede lid, van de Wet werk en bijstand.

Artikel XV. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Onderdeel A

De beoordeling van de duurzaamheid is een verzekeringsgeneeskundige zaak. Het UWV heeft hiertoe een interne richtlijn ontwikkeld die de verzekeringsartsen moeten gebruiken om te bepalen of er sprake is van een stabiele situatie of een situatie waarbij er nog een geringe kans op herstel is. Aanvankelijk bestond het idee dat de bepaling van de duurzaamheid wellicht ook arbeidskundige aspecten zou kunnen hebben. Om die reden is voor de volledigheid dit artikel ruim geformuleerd. Bij nadere analyse is echter geconcludeerd dat arbeidskundige aspecten geen rol spelen. Op deze manier wordt ook meer aangesloten bij de advisering van de SER hierover. Volstaan kan worden met een verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Om die reden is de definitie van het begrip volledig en duurzaam arbeidsongeschikt aangepast.

Onderdeel B

Door middel van dit onderdeel wordt een tekstuele correctie aangebracht. De wijziging van artikel 1.2.3, vijfde lid, van de Wet WIA houdt er rekening mee dat het lid zowel ziet op de procedure van de algemene maatregel van bestuur als de ministeriële regeling. Er wordt geen voordracht gedaan voor een ministeriële regeling, in die zin wordt het vijfde lid aangepast.

Onderdeel C

Ten onrechte is in het wetsvoorstel WIA geen met artikel 13, vierde lid, van de WAO overeenkomende bepaling opgenomen. Dit nieuwe derde lid van artikel 1.5.1 van de Wet WIA strekt ertoe de werkloosheidsuitkering van overheidswerknemers, bedoeld in artikel 1.3.1, aanhef en onderdeel b, gelijk te stellen met loon in de zin van de Wet WIA.

Onderdeel D

In de artikelen 1.5.2 en 2.2.4 van het wetsvoorstel WIA wordt voor het vaststellen van het dagloon verwezen naar artikel 17, eerste lid, van de Wfsv. In dit artikel is het tijdvak waarover het dagloon wordt vastgesteld niet nader bepaald, terwijl dat voor de genoemde artikelen van de Wet WIA wel noodzakelijk is. De voorgestelde wijziging voorziet daar nu in door te bepalen dat voor de toepassing van die artikelen wordt bedoeld een loontijdvak van een dag.

Onderdeel E

Op grond van het tweede lid van artikel 2.2.4 van het wetsvoorstel Wet WIA worden de artikelen 7.2.3 en 7.2.4 buiten toepassing gelaten. Dit betekent dat inkomsten die de persoon die vrijwillig verzekerd is, niet worden verrekend met de hoogte van de uitkering. Deze situatie is beoogd voor zover de inkomsten minder bedragen dan de resterende verdiencapaciteit van betrokkene. Indien meer inkomsten worden verworven is dit niet wenselijk. In alle andere gevallen waarin een dergelijke situatie zich kan voordoen in de Wet WIA worden deze inkomsten verrekend (artikel 6.2.2) om komt men in een andere uitkering terecht (hoofdstuk 7). Door de toevoeging van dit nieuwe vijfde lid van artikel 2.2.4 wordt geregeld dat ook bij een uitkering als gevolg van een vrijwillige verzekering op grond van de Wet WIA, inkomen dat meer bedraagt dan de resterende verdiencapaciteit (voor 70%) wordt verrekend.

Onderdeel F

In het wetsvoorstel Wet WIA ontbreekt tot op heden een met artikel 85 van de WAO vergelijkbaar artikel. Op grond van dat artikel zijn door het UWV nadere regels gesteld met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Omdat op het punt van de vrijwillige verzekering met de inwerkingtreding van de Wet WIA ten opzichte van de WAO geen beleidswijziging wordt beoogd, is een dergelijk bepaling ook in de Wet WIA noodzakelijk. De hier voorgestelde wijziging voorziet daarin.

Onderdeel H

In het wetsvoorstel WIA is tot op heden geen bepaling opgenomen in verband met het vergoeden van reis- en verblijfskosten van personen die door het UWV zijn opgeroepen. In de andere arbeidsongeschiktheidswetten was wel een dergelijke bepaling opgenomen. De voorgestelde wijziging voorziet daar alsnog in.

Onderdeel I

Omdat met de wijziging van artikel 30, vijfde lid, onderdeel c, Wet SUWI wordt geregeld dat het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van personen als bedoeld in artikel 9.1, vierde lid, Wet WIA, is het noodzakelijk dat uit artikel 4.4.1 duidelijk blijkt dat de eigenrisicodrager die verantwoordelijkheid niet heeft. Dit wordt bereikt met de voorgestelde wijziging van artikel 4.4.1, eerste lid, Wet WIA.

Onderdeel J

In artikel 5.5 worden twee tekstuele correcties aangebracht.

Onderdeel K

In artikel 7.1.2 wordt een tekstuele correctie aangebracht.

Onderdeel L

In artikel 7.1.5 van de Wet WIA is vastgelegd op welke wijze de referte-eis waaraan de verzekerde moet voldoen in om aanmerking te komen voor de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) wordt bepaald. Deze referte-eis wordt grotendeels op dezelfde wijze bepaald als op grond van artikel 17 en 17a van de WW. Daarom is de mogelijkheid tot het treffen van regels als voorgesteld in het vierde lid, onderdeel b, van artikel 7.1.5, blijkt voor de Wet WIA niet noodzakelijk en wordt een gedeelte van het vierde lid van artikel 7.1.5 opnieuw geredigeerd.

Onderdeel M

In de voorliggende wettekst van artikel 7.2.2, eerste lid, is niet afdoende geregeld op welk moment de verzekerde aan de inkomenseis dient te voldoen. Ook de delegatiebepaling in het vijfde lid gaf aanleiding tot onduidelijkheden. Beide punten worden hier gecorrigeerd.

Onderdeel N

In artikel 2.12 van het wetsvoorstel IWIA wordt in artikel 7.2.3 van de Wet WIA een vernummering aangebracht, verzuimd was deze vernummering te verwerken in artikel 7.2.3, tiende lid, van de Wet WIA.

Onderdeel O

De procedure van artikel 8.1.1 van de Wet WIA is alleen van toepassing op het ontstaan van een recht op uitkering op grond van de artikelen 6.1.1 of 7.1.1 van de Wet WIA. Middels deze wijziging wordt dat in de wettekst tot uitdrukking gebracht.

Onderdeel P

Indien de werknemer van mening is dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is zonder kans op herstel, bestaat de mogelijkheid al eerder een IVA-uitkering te krijgen. Hiertoe kan hij in de periode tussen 26 en 76 weken ziekte een aanvraag voor een uitkering indienen. Er is dan sprake van een verkorte wachttijd.

Om onnodige probeeraanvragen en de daaruit voortvloeiende belasting voor de uitvoering en teleurstelling voor de werknemer te voorkomen, is het nodig dat de werknemer alleen een aanvraag voor een flexibele keuring indient als de vaststelling van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarschijnlijk is.

De werknemer moet zich hierbij baseren op de mening van de bedrijfsarts. Het is daarom noodzakelijk dat de bedrijfsarts verklaart dat naar zijn mening de medische situatie op dit moment en in de toekomst zodanig is dat volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zonder kans op herstel te verwachten is. Hij zal zich hierbij baseren op een verklaring van de behandelend specialist.

Indien de werknemer geen verklaring van de bedrijfsarts verstrekt, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Uiteraard kan de werknemer na afloop van de wachttijd opnieuw een aanvraag indienen.

Bij een aanvraag voor een verkorte wachttijd hoeft geen reïntegratieverslag te worden overgelegd.

Onderdeel Q

In verband met het vervallen van artikel 5.2 van de Wet WIA via de derde nota van wijziging op het wetsvoorstel WIA (Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr. 21) kan artikel 8.2.7, eerste lid, van die wet eveneens vervallen.

Onderdeel R

Artikel 8.2.11 van de Wet WIA regelt de mogelijkheid van terugvordering van hetgeen door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt. In de tot op heden voorliggende tekst van artikel 8.2.11, eerste lid, werden expliciet degenen genoemd van wie kan worden teruggevorderd, namelijk de verzekerde, zijn wettelijke vertegenwoordiger, degene die hij voor de ontvangst daarvan gemachtigd heeft en de instelling, bedoeld in artikel 8.2.5. Echter ook van de werkgever die subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 4.2.4 en van de persoon, bedoeld in artikel 4.2.3 voor zover hij geen verzekerde is (bijvoorbeeld iemand die onderwijsvoorzieningen heeft gehad en die niet in dienstbetrekking werkt of via een werknemersuitkering verzekerd is) moet kunnen worden teruggevorderd. Ter vergroting van de leesbaarheid van dit artikellid wordt er voor gekozen de laatst genoemde groepen waarvan kan worden teruggevorderd niet toe te voegen aan artikel 8.2.11, eerste lid, maar om alle tot op heden genoemde groepen te laten vervallen. Van welke groepen personen kan worden teruggevorderd blijkt immers ook als impliciet uit het eerste deel van artikel 8.2.11, eerste lid.

Onderdeel S

Het nieuwe zevende lid van artikel 9.3 van de Wet WIA maakt het het UWV mogelijk de kosten van de reïntegratie van de persoon wiens eerste dag van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is gelegen voor het einde van het eigenrisicodragen door zijn werkgever, op die werkgever te verhalen. Zoals ook is uiteengezet in de toelichting op de wijziging van artikel 30. vijfde lid, onderdeel c, Wet SUWI is het UWV weliswaar verantwoordelijk voor de reïntegratie van deze persoon, maar kan hij de kosten van die reïntegratie op de werkgever verhalen. Op grond van de laatste volzin kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de soort kosten die worden verhaald op de werkgever en de hoogte daarvan. Het gaat hierbij om de kosten van de ondersteuning van de werknemer bij terugkeer op de arbeidsmarkt, zoals door middel van een reïntegratietraject.

Onderdeel T

In het tweede lid van artikel 9.4 van de Wet WIA werd naar het onjuiste artikel van hoofdstuk 12 verwezen.

Onderdeel U

Op grond van de artikelen 6.1.1, tweede lid, en 7.1.1, tweede lid, van de Wet WIA ontstaat het recht op een WIA-uitkering niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet. Uit de genoemde artikelen en artikel 5.1 en artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek vloeit kort gezegd de conclusie voort dat het recht op een WIA-uitkering ontstaat wanneer de periode waarover de werknemer recht op loon heeft is geëindigd.

Met de voorgestelde wijziging van artikel 10.1 krijgt het UWV de mogelijkheid de verzekerde een maatregel op te leggen indien zijn dienstbetrekking tijdens het tijdvak van de verlenging van de verplichte loondoorbetaling, bedoeld in artikel 3.3, negende lid, wordt beëindigd en hij zonder deugdelijke grond heeft nagelaten daartegen verweer te voeren of daarmee heeft ingestemd. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat in deze periode het effect van de loonsanctie ongedaan wordt gemaakt en dat reïntegratieverplichtingen enmogelijkheden worden prijsgegeven.

In de periode van loondoorbetaling bij ziekte zijn werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk voor de reïntegratie. Na afloop van deze periode toetst het UWV of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen die zij hebben verricht. Indien de werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, stelt het UWV een termijn vast waarmee de loondoorbetalingsverplichting wordt verlengd (de loonsanctie).

Als de dienstbetrekking tussen werkgever en werknemer in deze periode wordt beëindigd en de werknemer daaraan heeft meegewerkt, zou dit consequenties voor de uitkering van betrokkene dienen te hebben. Immers het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsplicht is bedoeld om de werkgever alsnog aan zijn reïntegratie-inspanningen te laten voldoen. De werknemer zal evenals in de oorspronkelijke periode van loondoorbetaling hieraan dienen mee te werken.

Daarmee wordt recht gedaan aan de reïntegratieverantwoordelijkheid van werkgever en werknemer en worden zij optimaal gestimuleerd gebruik te maken van de reïntegratiemogelijkheden die er zijn.

Indien een dienstbetrekking wordt beëindigd zonder verweer dan wel met goedvinden van de werknemer, worden reïntegratieverplichtingen en -mogelijkheden prijsgegeven. Dit is niet wenselijk. Daarom wordt thans voorgesteld het UWV bij aanvraag van de WIA-uitkering die aanvangt in de periode waarin de loonsanctie van toepassing is, te laten toetsen of de beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer kan worden toegerekend en dus tot het opleggen van een maatregel moet leiden.

Dit leidt tot een consistent beleid en sluit aan bij het WWregime dat geldt voor degenen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn en na afloop van de loondoorbetalingsperiode een WW-uitkering ontvangen. In de WW is het immers zo dat de werknemer verwijtbaar werkloos wordt indien hij meewerkt aan beëindiging van de dienstbetrekking terwijl voortzetting van de dienstbetrekking van hem kon worden gevergd. In die situatie kan dus aan degenen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn een maatregel op grond van de WW worden opgelegd.

Het kabinet is voornemens om de verwijtbaarheidtoets in de WW te beperken1 in die zin dat meewerken aan of instemmen met beëindiging van de dienstbetrekking niet langer leidt tot verwijtbare werkloosheid. Hiermee beoogt het kabinet pro forma ontslagprocedures overbodig te maken. In de WW zal een uitzondering worden gemaakt voor situatie dat er sprake is van een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode waarin een loonsanctie geldt. Een dergelijke uitzondering is van belang om werkgever en werknemer niet de mogelijkheid te bieden om– zonder consequenties voor de WW-uitkering – de loonsanctie ineffectief te maken. De consistentie van beleid in WW en WIA blijft daarmee gehandhaafd.

Onderdeel V

In artikel 10.9, vierde lid, van de Wet WIA wordt met de vervanging van «aan» door «van» de zinsnede «bij gebreke aan tijdige betaling» gecorrigeerd.

Onderdeel W

In artikel 12.4.6 van de Wet WIA is bepaald dat Titel 4.2. van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) niet van toepassing is op aanspraken op grond van artikel 4.2.3. De ratio van deze bepaling is van praktische aard. In veel gevallen zullen de voorzieningen als bedoeld in deze artikelen in natura worden toegekend. In dat geval is Titel 4.2. van de AWB niet van toepassing. In enkele gevallen zal echter een financiële tegemoetkoming voor gemaakte kosten kunnen worden toegekend. In dat geval is Titel 4.2. van de AWB weer wel van toepassing. Teneinde te komen tot een eenduidige uitvoering met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen als hiervoor bedoeld is er voor gekozen Titel 4.2. van de AWB niet van toepassing te verklaren.

Met de voorgestelde wijziging van artikel 12.4.6 worden ook voorzieningen (in natura dan wel in de vorm van een financiële tegemoetkoming) die aan zelfstandigen kunnen worden verstrekt van de subsidietitel in de AWB uitgesloten. Deze wijziging heeft dezelfde achtergrond als hiervoor geschetst.

Onderdeel X

Artikel 3.1, derde lid, van de Wet WIA, geeft regels over de wijze waarop de wachttijd voor een van de uitkeringen op grond van die wet bepaald moet worden. De berekening van die wachttijd komt overeen met artikel 19 van de WAO. Met ingang van 1 september 2005 (de dag van inwerkingtreding van de wet van 3 februari 2005 tot wijziging van de artikelen 7:629 en 7:670 van het burgerlijk Wet boek, artikel 214 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek en van een aantal artikelen in enkele sociale zekerheidswetten) is dit artikel 19 van de WAO gewijzigd als gevolg van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1998 inzake het arrest Brown (C-394/96) op het punt van de wijze van berekening van de wachttijd in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof. Om ervoor te zorgen dat de berekening van de wachttijd voor een uitkering op grond van de Wet WIA voor de periode januari 2004 tot 1 september 2005 op gelijke wijze zal geschieden als voor de WAO dient voor de periode te worden uitgegaan van de tekst van artikel 19 van de WAO tot 1 september 2005. De voorgestelde bepaling voorziet daarin.

Artikel XVI. Ziektewet

Onderdeel D

Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel 7, eerste lid, van de WAZ.

Onderdeel E

Op grond van het voorgestelde tiende lid van artikel 29b ZW kunnen bij ministeriële regeling voorwaarden worden gesteld aan de inzet van het reïntegratie-instrument no risk polis ZW voor de gemeentelijke doelgroep. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de voorwaarde dat burgemeester en wethouders ten minste twee jaar verantwoordelijk moeten zijn geweest voor de reïntegratie van de betrokkene of dat die betrokkene ten minste twee jaar moet zijn ingeschreven bij het CWI. Ook kan worden gedacht aan de voorwaarde dat de structurele functionele beperking er in is gelegen dat de betrokkene geen voltijd arbeid kan verrichten.

Onderdeel F

In het wetsvoorstel IWIA wordt een nieuw artikel 38b ZW voorgesteld. Op grond van het nieuwe artikel 38b, tweede lid, mag een werkgever die bij aanvang van de dienstbetrekking niet op de hoogte was van het feit dat zijn werknemer gedeeltelijk arbeidsgeschikt was, de ziekmelding met het oog op die situatie later doen, en wel zo snel mogelijk nadat de werkgever dit redelijkerwijs bekend is. Het UWV kent het ziekengeld dan met terugwerkende kracht toe, uiteraard voor zover is voldaan aan de voorwaarden. De periode waarover met terugwerkende kracht ziekengeld kan worden verstrekt bedraagt op grond van artikel 38b, tweede lid, ten hoogste een jaar. Daarbij was is de toelichting van het wetsvoorstel IWIA opgenomen dat artikel 38a, derde lid, van overeenkomstige toepassing is. Dit laatste was echter niet in de wettekst opgenomen. Middels dit onderdeel wordt dit gecorrigeerd. In het voorgestelde derde lid van artikel 38b, wordt artikel 38a, derde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard in het geval de werkgever te laat een ziekmelding doet. In dat geval wordt slechts met terugwerkende kracht tot aan de datum waarop de te late melding heeft plaatsgevonden, ziekengeld verstrekt.

Onderdeel H

Artikel 52e Proefplaatsing

Eerste lid

In het eerste lid van dit artikel wordt aan het UWV de bevoegdheid verleend, in het kader van de taak om de inschakeling in de arbeid te bevorderen, aan de persoon aan wie ziekengeld is toegekend toestemming te verlenen onbeloonde werkzaamheden te verrichten op een proefplaats bij een werkgever. Die werkzaamheden mogen maximaal drie maanden duren. De persoon, die met toestemming dergelijke werkzaamheden verricht, kan dit doen met behoud van uitkering gedurende de periode waarover hij toestemming heeft verkregen om die werkzaamheden te verrichten. De betrokkene behoudt zijn recht op ziekengeld niet indien de voor hem geldende uitkeringsduur is verstreken.

Tweede lid

Wanneer een persoon aan wie ziekengeld is toegekend werkzaamheden op een proefplaats verricht, zou kunnen worden geoordeeld dat hij niet langer ziek is, hetgeen reden kan zijn voor herziening of intrekking van de ZW-uitkering. Het tweede lid voorkomt dit.

Vierde lid

Het is denkbaar dat de betrokkene niet direct na het verkrijgen van de toestemming, bedoeld in het eerste lid, met de werkzaamheden op de proefplaats aanvangt. Voor het UWV is deze informatie relevant, reden waarom de betrokkene hen, op grond van het derde lid, hiervan op de hoogte moet brengen.

Vijfde lid

Het is denkbaar dat betrokkene die de onbeloonde werkzaamheden in een proefplaatsing verricht deze werkzaamheden wegens ziekte enige tijd moet staken. In dat geval volgt uit het vijfde lid dat de periode van drie maanden, bedoeld in het eerste lid, met de periode van onderbreking wegens ziekte wordt verlengd. Met nadruk zij opgemerkt dat het hierbij gaat om ongeschiktheid om de onbeloonde werkzaamheden te verrichten die zich na aanvaarding van deze werkzaamheden kan voordoen.

Artikel 52f Nadere regels m.b.t. aanvraag proefplaatsing

Op grond van de WAO, Wet WIA en WAJONG is het mogelijk met betrekking tot de aanvraag van reïntegratie-instrumenten nadere regels te stellen. Deze delegatiebevoegdheid wordt ook met betrekking tot de proefplaatsing in de ZW opgenomen.

Onderdeel I

Deze wijziging komt overeen met de wijziging zoals opgenomen in artikel XI, onderdeel O. In artikel 75, onderdeel d, van de ZW is een definitie opgenomen van de term bedrijfsarts, waarbij wordt gedoeld op een ander dan de arbodienst die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Daarmee is aangesloten bij de Wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in verband met een gewijzigde organisatie van de deskundige bijstand bij het arbeidsomstandighedenbeleid en de daarmee samenhangende bepalingen (Stb. 202).

HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN JUSTITIE

Artikel XVII. Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

In artikel 20, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren is opgenomen dat op verzoek van de rechterlijk ambtenaar de arbeidsduur per week kan worden vastgesteld op meer dan 36 uur. Een dergelijk verzoek wordt niet toegewezen wanneer het gaat om een arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet REA, waarbij een verminderde arbeidsprestatie is vastgesteld. Met het vervallen van de Wet REA kan dit onderdeel niet zo blijven staan. De verwijzing naar het begrip arbeidsgehandicapte wordt hier vervangen door een materiële beschrijving van de personen om wie het gaat.

HOOFDSTUK 3. MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Artikel XVIII. Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

Bij de OOW-operatie is er van uitgegaan dat overheidswerknemers die, op de datum dat de WW van toepassing werd op de overheid, recht hadden op een WAO-uitkering naar 80–100% arbeidsongeschiktheid, onderdeel waren van (de later afgestelde) fase 3 OOW. Dit hield in dat zij aangemerkt werden als «bestaand geval» en na afschatting niet in aanmerking zouden komen voor WW-uitkering maar voor wachtgeld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft echter in een uitspraak d.d. 27 juni 2005, 05/2310 WW bepaald dat de boven beschreven groep overheidswerknemers niet onder fase 3 OOW, maar onder fase 2 OOW is gebracht. Dat betekent dat zij, indien zij na herbeoordeling afgeschat worden, wel recht hebben op een WW-uitkering.

In het wetsvoorstel IWIA is een wijziging van artikel 45b van de Wet OOW voorgesteld die er toe strekt te regelen dat de bovengenoemde werknemers, indien zij in het kader van de herbeoordelingsoperatie hun WAO-uitkering (deels) verliezen en wachtgeld krijgen, na afloop van dat wachtgeld in aanmerking kunnen komen voor IOAW-uitkering.

In verband met de uitspraak van de CRvB zal artikel 45b van de Wet OOW weer worden gewijzigd. De toegang tot de IOAW na afloop van het wachtgeld hoeft namelijk uitsluitend nog geregeld te worden voor de overheidswerknemers die tussen 30 september 2004 en 1 oktober 2005 in de boven beschreven situatie wachtgeld toegekend hebben gekregen. Voor de gevallen vanaf die datum geldt immers dat zij recht hebben op WW en daarmee toegang tot de IOAW kunnen krijgen.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel XX. Slotbepaling betreffende de Werkloosheidswet

In het bij koninklijke boodschap van 4 maart 2005 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het preventief inzetten van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de reïntegratietaak aan overheidswerkgevers, het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden bij scholing, het subsidiëren van scholing in het kader van de WAJONG en enkele andere wijzigingen in wetten die de reïntegratie-instrumenten betreffen (Kamerstukken II 2004/05, 30 016, nr. 2) wordt aan hoofdstuk XB van de Werkloosheidswet wordt een artikel toegevoegd waarin de term «wachtgeldfondsen» nog wordt gebruikt. Conform het wetsvoorstel IWIA wordt hier voorgesteld deze term te vervangen door de term «sectorfondsen».

Artikel XXII. Inwerkingtreding

De artikelen van deze wet zullen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. Daarbij worden de data van inwerkingtreding van de artikelen van het wetsvoorstel WIA en het wetsvoorstel IWIA gevolgd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XNoot
1

Kamerstukken II, 2004/2005, 30 109, nr. 1.